Amsterdam, 31 juli 2015

Grote Ilja,

De brief die je me half juni stuurde was niet per se bedoeld om te worden beantwoord. Het was jouw antwoord op de vraag die ik je dit voorjaar stelde of je Brieven uit Genua al dan niet in Privé-domein opgenomen wilde zien. Ja dus. ‘Dat schept de juiste verwachtingen, maakt duidelijk dat het geen roman is en evenmin een vervolg op La Superba,’ schrijf je. En verderop: ‘Niets is verzonnen. Dat is de spelregel. Jij hebt nog niet alle brieven gelezen, maar ik kan je beloven dat het daadwerkelijk heel erg privé wordt, met schokkende onthullingen.’

Ik was bezig met een op zichzelf staand stukje naar aanleiding van een bericht (of eigenlijk was het een advertentie) dat ik onlangs in de Volkskrant aantrof en waar ik door van slag raakte. Door een associatie die ik vervolgens had (de associatie is Liefde is een zwaar beroep van Rogi Wieg – ook Privé-domein) dacht ik: dan kan ik dat stukje net zo goed omwerken tot een brief aan Ilja.

Het treurige bericht waarover ik het heb woelde vreemd genoeg onwillekeurig een in principe gelukzalig stemmende herinnering los aan een vrolijke gebeurtenis die ik na enig nadenken dateer op vroege zomer 1990. Het was een tuinfeest bij Bert Bakker (de uitgeverij) op een zonovergoten, zwoele namiddag en vroege avond op zo’n dag dat alles zindert van verwachtingen en mogelijkheden. Maar hoe langer ik er over nadenk des te onzekerder ben ik over de plaats van handeling. Was het wel bij Bert Bakker? In de beelden die tot me komen zie ik Bertje Bakker himself rondlopen en ook Lot Vinken (die toen bij Bert Bakker werkte en op wie het halve boekenvak verliefd was), maar waar was Mai? Mai Spijkers. Ik bedoel: ik heb hem er niet (on)bewust uit weggepoetst, ik denk altijd aan Mai. Het zou weleens heel goed kunnen dat het in feite om een Optima-borrel ging (ook door een notitie die ik terugvond in mijn agenda van 1990) en dan zal dat tuinfeest bij Contact hebben plaatsgevonden. Maar als het om een Optima-borrel ging, waar waren dan Bas Heijne, Suzanne Holtzer, Atte Jongstra, Joost Nijsen, Henk Pröpper, Stephan Sanders? Misschien waren ze er allemaal maar waren ze eenvoudig niet aanwezig bij de scènes die mijn geheugen heeft opgeslagen en die door dat bericht in de Volkskrant bij mij opdoemden.

Wie waren er dan wel, behalve de reeds genoemden? Ed van Eeden was er. Met hem was ik vanuit Utrecht (en misschien vanaf de redactieburelen van Boekblad aan het Frederiksplein) naar die borrel gekomen. Ik herinner me een drinkend kringetje met Jessica Durlacher, Joost Zwagerman en – bien étonnées de se trouver ensemble – Michaël Zeeman. Die laatste werd geflankeerd door een soortgelijk heerschap (over wie zo meer) met daarnaast nóg een soortgelijk heerschap dat een tijdlang Duitse boeken voor de Volkskrant besprak (en wiens naam ik vergeten ben) en Lucas Ligtenberg. Ik herinner me een jongen van mijn leeftijd die zich al een tijdje enigszins schuchter in de buurt van ons kringetje ophield, zenuwachtig van zijn spa rood nippend, tot hij door Joost Zwagerman werd toegeroepen. ‘Rogi, wat sta je daar te dreutelen in je eentje, kom er toch bij staan.’ Aldus maakte Rogi Wieg, die ik toen uiteraard al van naam kende, zijn entree in mijn leven. En wat later, al een beetje naar het einde van het tuinfeest toe, diezelfde Joost: ‘Hé Bril, man! Nu pas? Heb je je verslapen?’ En Michaël Zeeman daaroverheen: ‘Je hebt je pyjama in elk geval nog aan!’ Bril, gekleed in een fletsroze tuinbroek (toen best hip), viste een flesje bier uit een krat, wipte het kroontje ervan af en voegde zich, onverstaanbare reacties mompelend, bij het gezelschap. Het ernstig bebrilde heerschap naast Michaël, in snel tempo Caballero’s zonder filter rokend, had zich inmiddels al een paar keer smalend maar toch ook geestig (en in iedere zin blijk gevend van een verschroeiende eruditie) over een en ander uitgelaten. Ik meen dat hij nu begon over plantsoendiensten, vuilniswagens en de dood van een tuinman te Ispahaan (‘Van morgen ijlt mijn tuinman, wit van schrik,/Mijn woning in: “Heer, Heer, één ogenblik!/Ginds, in de rooshof, snoeide ik loot na loot,/Toen keek ik achter mij. Daar stond de Dood.’), maar dat herinner ik me niet meer precies. Hij was ongeveer zo gekleed als Michaël, vroegoud, in een corpsballentenue: grijze broek, wit overhemd, clubdasje en een blauwe blazer. Geen van beiden ben ik ooit nadien in een ander tenue tegengekomen.

Van dat hele tuinfeest is vooral de indruk die hij op me maakte me bijgebleven. Ik heb het over dat heerschap naast Michaël. Ik heb het over Melchior de Wolff. Hij was iemand die verwachtingen schiep op een welhaast intimiderende manier – een beetje ook zoals iemand dat met Michaël Zeeman kon hebben bij een eerste ontmoeting: zijn esprit, intellect, venijn, dedain, ze zaten allemaal aan de oppervlakte. Hij miste alleen op jammerlijke wijze de charme waarover Michaël in hoge mate beschikte, als die tenminste in een aimabele stemming verkeerde. Het drama van Melchior, zo werd gaandeweg duidelijk, is dat hij met al zijn talent nergens kon aarden omdat hij zich zo goed als overal onmogelijk maakte. Hij werkte bij de Rotterdamse Kunststichting (als opvolger van Michaël Zeeman in de functie van artistiek directeur), hij was een tijdlang als literair redacteur in dienst van Uitgeverij Bert Bakker en hij schreef voor de Volkskrant, waar Michaël hem binnenhaalde toen die daar chef kunst werd, jarenlang uitstekende beschouwingen op een zeer breed terrein (van beeldende kunst en filosofie tot natuurwetenschappen) en literaire kritieken (over Pessoa en Musil en vele anderen, maar ook over F.B. Hotz en Gerrit Krol, twee vertegenwoordigers uit de moderne Nederlandse letteren die hij zeer bewonderde).

Ik kwam Melchior in die jaren op allerlei plekken tegen in het literaire leven. De laatste keer is misschien wel voorjaar 1994 geweest toen we elkaar troffen voor een vergadering in Breda, preciezer op kasteel Bouvigne waar het Waterschap Hoogheemraadschap West-Brabant gevestigd was. Het kasteel bestond vijfhonderd jaar en het Waterschap wilde dat vieren met een beeldententoonstelling in de tuinen rondom en een boek. Dat boek – Water op Bouvigne – hebben hij en ik van teksten voorzien. Hij reed me na afloop naar het station in zijn fraaie Citroën (een echte oude snoek) die een halve vuilnisbelt herbergde. De automobiel (vooral de achterbank) was bezaaid met kranten, folders, appels, bananenschillen, plastic zakken. Er rolde zelfs een pot bruine bonen heen en weer over de zitting. Hij schreef een mooi stuk in dat boek (‘Water uit de rots’), dat barstte van de verwijzingen naar werk van grote schilders en kunstenaars uit de renaissance als Piero della Francesca en Lucas Cranach tot en met moderne kunstenaars als David Hockney. Maar dáár, in Breda, reed Melchior de Wolff in zijn Citroën als ik het me goed herinner mijn leven uit. Een paar jaar later was hij ook totaal uit het literaire en journalistieke circuit verdwenen. Zelfs met zijn boezemvriend Michaël Zeeman had hij het aan de stok gekregen en dat had zijn vertrek bij de Volkskrant tot gevolg gehad.

Nooit meer vernam ik iets over Melchior de Wolff. Hij leek collectief in de doofpot gestopt, stilzwijgend tot persona non grata verklaard. Tot een jaar of tien geleden. Iemand, ik weet niet meer wie, vertelde mij dat Melchior was getrouwd en in de kunsthandel zat, hij zou in Hamburg wonen. Wat een bestemming! Daar wrong iets, in elk geval bij mij. Uit zijn ambt gezet en naar een ver oord verbannen, was de lastige jongen aan een nieuw bestaan begonnen, maar waarschijnlijk was het niet het leven dat hem voor ogen had gestaan. Ik heb geen flauw idee hoe dat leven – dat tweede leven waarvan ik me misschien ten onrechte verbeeld dat het een tweederangs, tweedehands, tweede keus leven was – zich in de tien jaar daarna heeft voltrokken. Ik weet alleen dat ik op vrijdag 3 juli (drie weken geleden) op een overlijdensbericht stuitte: ‘Onze bijzondere oud-collega is overleden. Melchior de Wolff (1957-2015). Wij gedenken hem met bewondering. Erik van den Berg, Arjan Peters, Redactie Boeken de Volkskrant’.

Uit wat ik vervolgens over hem te weten kwam, maakte ik op dat hij op het laatst van zijn leven werkzaam moet zijn geweest in de ict. Het tekent zijn veelzijdigheid dat Melchior ook in die sector (zijn bètakant) nog carrière heeft gemaakt. Zijn derde leven? (Derderangs?) Hij schijnt werkzaam (en misschien ook wel woonachtig) te zijn geweest op twee locaties: Berlijn en Venetië. Laten we wel wezen: dat had ie goed voor mekaar! De meeste mensen vertoeven op slechtere plekken. Maar echt geholpen heeft het niet. Arjan Peters vertelde me wat ik al vreesde: Melchior leed aan manisch-depressieve buien en die waren hem te machtig geworden. In Berlijn had hij zichzelf van het leven beroofd.

Je denkt dat zoiets een schok veroorzaakt. Toch tenminste in de literaire kringen waarin hij zovele jaren heeft vertoefd. Niets, helemaal niets. En als die advertentie niet in de Volkskrant had gestaan, zou ik het niet eens geweten hebben. Maar nu ik het wel weet, lijkt het wel alsof ik zo’n beetje de enige ben (afgezien uiteraard van Erik en Arjan) die nog weet wie Melchior de Wolff was. Misschien vind ik dat nog wel het allerergste: dat hij door iedereen al totaal vergeten is.

En dan heb ik het hier nog niet eens over Rogi Wieg gehad die we allebei bijzonder goed gekend hebben. Jij als mederedactielid van Maatstaf en ik als zijn redacteur bij De Arbeiderspers tussen pakweg 1998 en 2009, toen hij ruzie zocht en vond met ons (Lex en mij) en vertrok zonder ooit nog ergens echt aan te komen. (Ja, helemaal op het laatst bij De Knipscheer, maar dat was al bijna een soort stervensbegeleiding.) Rogi was overigens nog niet vergeten. Dat bleek wel uit de media-aandacht (ik vernam zijn dood op Radio 1 toen ik in de auto zat op weg naar mijn werk) en uit de vele in memoriam-artikelen in de kranten nadat zijn overlijden bekend was gemaakt. Rogi, charmanter en socialer maar uiteindelijk veel onmogelijker nog dan Melchior en veel geschifter, is een verhaal apart. Zijn dood, anders dan die van Melchior, schokte me niet, want ik wist dat die eraan zat te komen. Hij wilde dood en kreeg voor elkaar dat zijn leven werd beëindigd. Dat het bericht me niet schokte wil niet zeggen dat het me geen verdriet deed. Rogi was een zachte, lieve jongen. Maar eentje met duistere, intimiderende kanten. Met die laatste ben ik zelf overigens gelukkig nooit in directe zin geconfronteerd geweest. Hoe dat precies zat ga ik je een andere keer vertellen. Deze brief is al lang genoeg.

Intussen woekert de zomer voort. Met een storm vandaag die hier vele bomen om deed waaien (onder een waarvan Ilse Starkenburg terechtkwam en bijna de dood vond). Mijn moeder werd gisteren tachtig en op die dag stierf de vader van een van mijn oude vrienden, net voor zijn tachtigste. In Perth. De hele familie is begin jaren tachtig naar Australië geëmigreerd. Ik moet denken aan hoe Koos van Zomeren dat formuleerde in het slotstuk van 1946. Verkenning van een geboortejaar naar aanleiding van de dood van zijn grootvader in 1954: ‘Zo werd mijn grootvader de eerste dode in mijn hoofd. Intussen heb ik daar een compleet kerkhofje liggen. Hoeveel levenden je ook verzamelt, er komt een moment dat de doden in je hoofd in de meerderheid komen. En dat gaat maar door – tot je zelf verandert in een dode in het hoofd van anderen, die natuurlijk ook zijn geboren toen iedereen nog leefde.’

Martin Bril, Michaël Zeeman, Rogi Wieg, Melchior de Wolff – dat tuinfeest bij Bakker of Contact (waar dan ook), dat was zo’n beetje mijn geboortejaar in de literaire wereld. Toen iedereen nog leefde.

Beloof je me wel dat je het hier nog even wilt uithouden? Schrijf dapper voort aan Brieven uit Genua. Verzin niets, maar verzet je zinnen.

Peter