Amsterdam, 16 oktober 2015

Beste Christophe,

Op de avond dat we Hotel Rozenstok presenteerden in die surrealistisch aandoende omgeving – met de Sint-Baafsabdij (man, wat krijg jij een volk op de been, een middeleeuwse kerk vol!), Herberg Macharius en het tussenliggende park met zijn kloosterruïnes – beloofde ik Mieke jullie mijn toespraak toe te sturen. Dat was op vrijdag 4 september. We zijn nu precies zes weken, een herdruk en een pak juichende kritieken en interviews (tot mijn en ongetwijfeld ook jouw ongenoegen voornamelijk in Vlaanderen en nauwelijks in Nederland) verder. En ziedaar reeds (opgenomen in deze brief) de toegezegde tekst. Het is niet dat ik er nog eindeloos aan heb zitten schaven en ik kan al evenmin als excuus aanvoeren dat de post er zo lang over deed (hoewel jij en ik weten dat zendingen van Nederland naar België en vice versa er vaak langer over doen dan van pakweg Nederland en België naar Botswana of Vanuatu). Je weet wat er in de tussentijd gebeurde. Joost Zwagerman ontsnapte ons. Ontsnapte ons voorgoed. Er gebeurde ook los daarvan van alles (de wereld draait steenhard door): er bleven boeken verschijnen in dit literaire hoogseizoen, ook bij De Arbeiderspers, er moest een aanbiedingsprospectus worden afgemaakt, er moest achterstallig onderhoud worden gepleegd na wat ik heb ervaren als de grootste consternatie in mijn professionele leven en er moest naar de Frankfurter Buchmesse worden gegaan, waarvan ik nu net ben teruggekeerd. Maar het waren toch vooral de ontzettend droevige en slopende weken na de eigenhandige dood van Joost die ervoor gezorgd hebben dat die aangekondigde tekst, die ik wilde voorzien van een begeleidende brief (waarvan akte), maar niet te bestemder plaatse kwam.

Je had er trouwens een mooi stukje over in De Morgen, over de schok om zo een goede vriend en collega in de letteren te moeten verliezen. Dat je hem in alle deemoed ‘niets kwalijk’ kan nemen desondanks. Je weet dat Joost zich overigens jegens degenen die het leven lieten door eigen hand anders opstelde. Hij heeft juist consequent (ook in dat gelijknamige boek Door eigen hand) begrip willen opbrengen voor het onbegrip van de nabestaanden, voor een houding waarbij juist wel ruimte is voor verwijten. Ik schrijf dit trouwens niet omdat ik het raar vind dat je hem niets kwalijk neemt. Mooi ook hoe je de aard van de vriendschap, zoals door jou ervaren, beschrijft: ‘In de loop van de jaren die volgden hebben we tientallen keren het podium gedeeld […], maar hoe goed wij elkaar ook leerden kennen, en hoe vriendschappelijk onze relatie gaandeweg ook kleuren mocht, ik bleef het als een vreemde eer ervaren in zijn gezelschap te zijn, ik bleef het een voorrecht vinden om gedachten uit te wisselen met iemand die ik op een bepaald niveau nog altijd als een heus idool van mij beschouwde.’

En dat na elf boeken, Christophe, en met een schrijversloopbaan die toch alweer zo’n twintig jaar beslaat. Het kan niet anders, of het moet het generatieverschil zijn, al schelen jullie nog geen tien jaar in leeftijd. Goed, elf boeken. Daarover ging ook mijn toespraak. Hier komt-ie:

Geachte vrienden, geliefden, verwanten en bewonderaars van Christophe Vekeman, de Captain Beefheart van de Gentse letteren. U bent het allemaal roerend met mij eens, en met Dirk Leyman (aan wie ik deze woorden ontleen): Christophe Vekeman, ‘steengoede schrijver met lovende kritieken. Maar waarom nooit eens een literaire prijs of een bestseller?’ Hij weet het zelf ook niet, maar wat hij wel weet: ‘Een bestsellerauteur zijn of staan glimmen met een literaire prijs in de handen? Het zegt me niet zo veel.’

Welnu, zijn uitgever permitteert zich daar net iets anders over te denken. Van hem mag Christophe Vekeman de cultschrijver blijven die hij is, de literaire dandy die vindt dat succes iets is voor losers en overijverige sufferds met torenhoge ambities. Allemaal best: als hij dan maar een cultschrijver zal zijn wiens literaire snuisterijen als zoete broodjes over de toonbank rollen. En waarom ook niet?

Ik had er ook argumenten voor. Sterker: ik had wel tien onweerlegbare redenen om iedereen (of toch bijna iedereen) aan het lezen van Christophe Vekeman te krijgen. Ik had ze! En nu ik ze toch heb verzameld zal ik ze u opnoemen ook.

Eerste reden. Alle mussen zullen sterven, zijn debuut uit 1999, bestaande uit een roman en drie korte verhalen, waarmee hij vlammend en ronkend op toen al geheel Vekemansiaanse wijze de Nederlandstalige literatuur kwam binnen scheuren in de aan romanhoofdpersoon Graf uitgeleende, strak opgevoerde Opel Kadett, waarmee hij ons een jaar voordien (toen we hem uit de slush pile gevist hadden als een stilistisch talent van wie we toen alleen nog wisten dat hij – middels verhalen en sterk cabareteske gedichten – uitblonk op de korte baan) al een paar keer in Amsterdam vereerd had met een bezoek. Humo noemde Alle mussen zullen sterven het beste debuut uit 1999.

Tweede reden. Iedereen kan het. De roman uit 2001 die onder een omineus gesternte verscheen (een week na de aanslagen op de Twin Towers, zo maak ik op uit de opdracht in mijn eigen exemplaar), en waarmee Christophe zijn talent meer dan bevestigde. Iedereen kan het was, achteraf gezien, ook het boek waarmee hij zich manifesteerde als een schrijver die de wereld en de hele existentie begrijpt als een flipperkast waarin de mens het balletje is dat weliswaar prachtig en bijzonder hoopvol op gang geschoten wordt, maar al heel snel terechtkomt in een helse arena waar hij door een onontkoombaar martelmechaniek alle kanten opgeschoten wordt totdat hij vroeg of laat even genadeloos wordt afgevoerd langs een uitgang zonder naam en wordt opgeslokt door een donker gat. Ja, er viel en valt te lachen met Vekeman (te schuddebuiken zelfs), maar niet bepaald omdat hij ons een stralende wereld tevoorschijn tovert.

Derde reden. Wees maar niet bang, zijn debuut als korte verhalenschrijver uit 2002, als je even afziet van de drie verhalen uit Alle mussen zullen sterven. Een boek dat de thematiek uit nummer twee overdoet in verhalen. ‘Alle personages in dit boek hebben één ding gemeen: zij zijn gevangenen, zowel van hun eigen erotische verlangens en fantasieën als van hun minachting,’ schreven we op de achterflap. Bij tijdgebrek adviseer ik met name lezing van ‘Werner, Esmée en de hitte.’ Een klassieker! Een verhaal dat in geen enkele bloemlezing van korte verhalen zou mogen ontbreken, maar in die van nota bene Joost Zwagerman wel ontbreekt. Die bloemlezing maakte hij net te vroeg, want inmiddels waardeert Joost het werk van Christophe evenzeer als andersom al het geval was, en hij zou hem nu beslist hebben opgenomen in zijn standaardwerk.

Christophe Vekeman werd op basis van die drie boeken vergeleken met onder anderen Willem Frederik Hermans, Herman Brusselmans, Arthur Schopenhauer, Charles Bukowski, Paul Mennes, Gerard Reve, Fjodor Dostojevski, Jef Geeraerts, Bret Easton Ellis, James M. Cain, de gebroeders Coen, Raymond Chandler, Raymond Carver, Quentin Tarantino, Lou Reed, David Bowie, Pieter Aspe, Vladimir Nabokov, Jean-Marie Berckmans en William S. Burroughs. En dat terwijl hij zelf toch eigenlijk maar met twee anderen vergeleken wil worden: met zijn betere ik en (nog liever) met Hank Williams, de kwelende hillbilly-prairiewolf uit Montgomery (Alabama).

Maar niet getreurd. Vanaf zijn volgende boek (en alle daaropvolgende boeken) hoefde Christophe Vekeman alleen nog maar met Christophe Vekeman te worden vergeleken. Kortom: de vierde reden voor een immense en spoedige popularisering van Christophe Vekeman is Een borrel met Barry, de roman uit 2005 waarin het beproefde thema van moedwil en misverstand is uitgewerkt in een krankzinnige komedieachtige slapstick aan het eind waarvan hoofdpersoon Sebastiaan Krops niettemin en uit de aard der Vekemansiaanse logica kreunend het onderspit delft. ‘Hoeveel Vlaamse auteurs slagen erin om met zoveel zwier een uitgekiende komedie voor het voetlicht te brengen die ook nog eens ernstig overkomt?’ schreef Knack. De vraag stellen is hem beantwoorden.

En daarom verhogen we nu het tempo. De vijfde reden is Lege jurken uit 2008, een roman waarmee Christophe Vekeman aantoonde ook op een overwegend ernstige (ja zelfs bij vlagen droefgeestige) toon een roman te kunnen schrijven die overwegend de liefde tot onderwerp heeft. ‘Zijn personages,’ schreef Humo, ‘zijn naakt en rillen van kwetsbaarheid, maar Vekeman weigert hartstochtelijk om ze te kijk te zetten: altijd is er empathie, en altijd is er sussend mededogen […] een auteur die nooit vrijblijvend klinkt.’

Ondertussen had Vekeman zich, tussen alle fictionele schrijfbedrijven door, ook al een jaar of tien gewijd aan essays, reportages en interviews in diverse kranten en bladen. Die kant mocht langzamerhand ook worden belicht in een boek, en dat leidde als vanzelf tot Leven is werk uit 2009, met opstellen en gesprekken met schrijvers, filosofen en musici met wie hij zich verwant voelt dan wel die hij bewondert. In die hoedanigheid etaleert Vekeman zich van zijn ruimhartigste kant. Tientallen al dan niet grote of halfvergeten grootheden – van Salinger tot Lodewijk van Deyssel en van Jeroen Brouwers tot Bob Dylan – worden kritisch maar bevlogen en lovend onder de loep genomen.

Met de zevende reden demonstreerde Christophe Vekeman nog een geheel andere kant van zijn veelzijdige schrijverschap: die van podiumdichter of eigenlijk tout court: dichter. We hebben het over het eveneens in 2009 verschenen Senorita’s, het boek (krap honderd bladzijden) met de grootste slappelachdichtheid van de ganse Koninklijke Bibliotheek.

De achtste reden telt er eigenlijk nog eenenveertig meer. Goed geteld! Ik prijs u de roman 49 manieren om de dag door te komen aan, die het licht zag in 2010 maar zelf de inktzwarte werdegang schetst van Vincent De Wimper. Het is een boek niet als een studie maar als een expeditie in korte etappes naar de ijskoudste pool van de waanzin.

Waanzin, maar dan op een ietwat andere schaal, speelt ook een belangrijke rol in reden nummer negen: Een uitzonderlijke vrouw uit 2012, de eerste (en enige) roman van Christophe Vekeman verteld vanuit vrouwelijk gezichtspunt. Vekemans versie van het bovarysme, waarin de hyperintelligente Gwen is voorbestemd om uit te stijgen boven de grauwe middelmaat, iets waarin zij meer dan glansrijk slaagt, cum laude zelfs, zij het vooral aan de universiteit van het leven.

En ten slotte, de tiende reden, de roman Marie uit 2013, waarin het grofste geweld samengaat met (of in elk geval voortvloeit uit) de allerhoogst gestemde en meest waarachtige liefde denkbaar. Kort na de verschijning toerden Christophe en ik in gezelschap van een busje vol andere schrijvers een dag op een soort flitstournee door Noord- en Oost-Nederland. Christophe nam er de gelegenheid te baat zich van zijn fijnzinnigste kant te laten horen. Ik citeer: ‘Als ik dan toch één zaak moet noemen die wij allebei veranderd wilden zien en die soms ons geluk dreigde te verstoren, dan wel – en uitsluitend – deze wrede gruweldromen [die zij had]. Dromen waarin zij levend gevild werd: tussen de beulsduim en het scherp van het lemmet zit het uiteinde geklemd van weer een volgende huidsreep die van haar knie af pijlsnel in lengte zal groeien tot hij in de buurt van haar tenen uiteindelijk knapt en als een afgerolde serpentine op de grond terechtkomt.’ Laten we eerlijk zijn: vrij gruwelijk. En ik zag hoe in het toegestroomde publiek, te Zwolle bijvoorbeeld voornamelijk bestaande uit vrouwen uit keurige goedburgerlijke kringen, hier en daar iemand wat bleekjes om de neus werd. Christophe Vekeman: ook een meester in de beschrijving van ultieme verschrikkingen.

Al met al: tien onomstotelijke redenen waarom Vekeman een miljoenenpubliek moest krijgen. Een miljoenenpubliek kón krijgen.

Tot die mededeling, die uiterst pijnlijke mededeling die op posters is gezet, in kranten is overgenomen en intussen als een onuitwisbaar virus – banner geheten – ook nog eens automatisch onder ieder mailtje verschijnt dat ikzelf verstuur: ‘Eindelijk is Christophe Vekeman gestopt met schrijven…’

Net nu alles eindelijk beginnen moest, net nu was Christophe Vekeman gestopt met schrijven. Gedurende enige tijd was ik met stomheid geslagen. Toen wist ik dat ik dit niet kon accepteren. Ik belde hem op en beval de zonderling zich eens te bezinnen op zijn toekomst, in plaats van zulke ondoordachte stappen te zetten en de pen aan de wilgen te hangen. ‘Christophe,’ sprak ik, ‘ik ken een weliswaar aftands maar toch bijzonder inspirerend hotel bij ons in het noorden des lands. Ga daar nou eens een paar weken zitten en broeden op je toekomst. Ik wil wedden dat je er inspiratie zult opdoen. Vlammende inspiratie voor een nieuwe roman.’

Dames en heren, volgens mij heeft dat gewerkt. Christophe Vekeman is weliswaar gestopt met schrijven, maar zijn betere ik heeft het van hem overgenomen en Hank Williams zit op een hemelwolk. De elfde reden heet Hotel Rozenstok. En dat vieren we vanavond.

En na die woorden, Christophe, verliet ik het podium, musiceerden en spraken anderen (onder wie jijzelf), had boekhandel Walry die toch fors had ingekocht nog bijna te weinig exemplaren bij zich en werd er in de afgeladen Herberg Macharius nog menig pintje gedronken.

Inmiddels zijn we dus op de kop af zes weken verder. En een volgende herdruk ligt al in het verschiet. De Belgen zijn om. Nu die verdomde Hollanders nog.

Omhels Mieke van me, met hartelijke groet,

Peter


Vekeman_e-mailbanner

Advertenties