Zoeken

Nijssen Schrijft

De weblog van Peter Nijssen

Maand

december 2015

Heere Heeresma en het verlangen naar ongrijpbaarheid

Op 26 juni 2011 overleed de schrijver Heere Heeresma. De Arbeiderspers bracht op 1 december 2015 in de reeks Privé-domein de brievenbundel ‘Bleib gesund’ uit. Deze uitgave bevat een bloemlezing van de enorme hoeveelheid brieven die hij in de loop der jaren heeft geschreven. Zijn redacteur bij De Arbeiderspers, Peter Nijssen, herinnert zich hoe de contacten met Heeresma verliepen.

Aan langskomen deed Heere Heeresma niet. Hij maakte zijn ópwachting en het klonk altijd een beetje zoals die openingszin moet klinken uit zijn roman Kijk, een drenkeling komt voorbij: ‘Krekker… Bovekomme!’ Dwingend, kraaiend, op hoge toon, en met intimiderend rollende r.

Slecht ter been als hij was, stommelde hij de trap op naar de bel-etage van Herengracht 370, maar als hij eenmaal binnen was, kon je dat tot in de nok van het gebouw horen. Dan groette hij de receptionist van dienst (Guy of Sari) met een oorverdovend: ‘Góédemíddag!’ En meestal volgde daarop een snedig zinnetje in de trant van: ‘Uw sterauteur Heeresma is ter plaatse na een lange reis. Wilt u de heer Nijssen waarschuwen dat hij zich naar beneden moet reppen.’ Zonder vraagteken, dat spreekt. En vousvoyerend, iets dat hij hardnekkig is blijven volhouden, hoeveel jonger ik ook was, zich aldus ook ironisch op afstand houdend.

Daarop zeeg hij met theatraal vertoon neer in een stoel in een hoek schuin achter de receptie, in afwachting van mijn komst, leunend met de kin op de handen die zijn wandelstok omklemden. Bellen hoefde men mij zelden. Ik had hem al lang gehoord en als ik dan binnenkwam zat ie met pretogen en een brede, ietwat uitdagende grijns op zijn gezicht te poseren. ‘Dáár bént u ál!’ (Uitbrekend in een daverende lach.)

Heere Heeresma, zoon van een onorthodox theoloog en oudste van nog twee andere schrijvende broers (Marcus en Faber), was een literator tegen wil en dank. Hij had niets op met de officiële letteren (of met welke openbare instelling dan ook) en heeft zich altijd bewust in de marge van het literaire en openbare – ja, zelfs het burgerlijke – leven opgesteld. Maar zijn in diepste wezen uiterst humane, van mededogen en menselijk tekort doordrongen werk is allerminst in de periferie blijven hangen. Van de tientallen boeken die Heeresma tussen 1962 en 2006 publiceerde zijn er diverse verfilmd (Een dagje naar het strand bijvoorbeeld door Theo van Gogh). Ook schreef hij teksten voor honderden radioprogramma’s. Zijn werk is vertaald in veertien talen.

 

Sinds De Arbeiderspers zijn uitgever werd na een periode van jarenlang stilzwijgen, heeft Heeresma ons tussen 2003 en 2009 tientallen bezoeken gebracht (heel af en toe spraken we op zijn aanwijzing elders in de stad af in een café of een hotel). Hij arriveerde zelden of nooit onaangekondigd. Zijn komst meldde hij me vaak in een brief (‘bevestig ik onze afspraak voor vrijdag 8 april a.s. rond 15.00 uur op uw kantoor. Ik zal dan 15 exx. Van “een jongen uit plan Zuid” meenemen zodat nog 10 auteursexx. bij u in stock blijven’), en hij was vrijwel altijd stipt op tijd. Hij kwam zelden zonder reden, voor alleen maar een kop koffie of om wat bij te kletsen. Doorgaans kwam hij wat halen (auteursexemplaren, titels uit Oorlogsdomein, een reeks waar hij verzot op was, royalty’s) en soms kwam hij wat brengen (nieuwe kopij) maar ook dán kwam hij altijd wat halen.

Want met Heere Heeresma was het boter bij de vis. De overvol getikte, nauwelijks van alinea’s, witregels of bladspiegel voorziene kopijvellen dienden à contant tegen een vooraf overeengekomen prijs te worden betaald. Ten bewijze van betaling signeerde hij vervolgens een kwitantie.

Zijn bezoeken duurden zelden langer dan een uur, en zelfs die paar keer dat ik hem ertoe kon overhalen de verschijning van een boek te vieren met een etentje (nergens anders dan bij Haesje Claes!) duurde de bijeenkomst niet langer dan twee uur. ‘Dat was nog eens een gezellig samenzijn! Dat mag meer gebeuren. Voortreffelijk eten ook. Als dank offreerde ik u verhalen uit mijn leven. U begreep dat u daar lachende aan voorbij moest gaan?’

Heere Heeresma had geen bankrekening (niet dat wij wisten tenminste). Hij had ook geen vast adres. Zijn verblijfplaatsen hield hij voor ons (en voor vrijwel iedereen) angstvallig geheim. Als je hem moest hebben moest je een brief schrijven naar postbus 10579, 1001 EN Amsterdam. Hij had wel een mobiel telefoontje maar het nummer gaf hij ons niet. Ik denk dat nog geen vijf mensen zijn nummer hadden.

Ik herinner me dat hij zich op een koude dag in februari bij ons aandiende met de legendarische mededeling: ‘Goedemiddag meneer Nijssen, ik heb begrepen dat u mij mee gaat nemen naar een warm en gezellig etablissement voor een ferm bord snert.’ Zoveel innemendheid kon onmogelijk onbeloond blijven. Zeker niet nadat hij me in geuren en kleuren verteld had welk een krankzinnige reis hem tot hier had gebracht. Hij had die stervenskoude dag al voor het ochtendkrieken zijn sponde verlaten en was vanuit zijn Noord-Groningse gehucht achter op een rammelende melkkar naar Groningen gereisd alwaar hij een uur op de trein had moeten wachten die hem vervolgens langs vele stations en met veel vertraging naar Amsterdam had gebracht. Hij wilde maar zeggen: van zo’n reis krijg je trek. Trek in snert.

Als ik hem niet al wat langer had gekend, had ik misschien zelfs gedacht dat hij deze homerische omzwervingen werkelijk had gemaakt. Heere Heeresma schudde zulke verhalen uit zijn mouw en diende ze op als waargebeurd. Zo had hij ook allerlei verhalen over zijn zeewaardige boot en de stormen die hij daarmee op zee had getrotseerd en over jachtpartijen op de domeinen rondom zijn woning in Frankrijk. Maar in de jaren waarin ik hem kende woonde hij, zo wist ik uit betrouwbare bron, ergens in ’t Gooi en behoorden zijn excursies naar de Herengracht tot zijn avontuurlijkste uitjes.

 

Zijn ongrijpbaarheid bleef een bron voor epistolair heen & weer tussen hem en mij. Toen hij zich weer eens uitgebreid beklaagd had, schreef ik hem: ‘Want dat is natuurlijk het voornaamste pijnpunt: de enige manier waarop ik u kan bereiken is door een ouderwetse brief te sturen naar een postbus die op ongeregelde tijden wordt geleegd. Ik kan u niet bellen, zelfs niet mobiel. Ik weet niet waar u woont, en u wilt ook dat ik dat niet weet. Allemaal best en allemaal goed & wel, maar wees dan bereid in te zien dat kinken in de kabels der communicatie niet slechts door uw redacteur veroorzaakt worden.’

Maar hij kon niet anders. Hij moest ondergedoken zijn, vrij van instanties, vrij van verplichtende communicatiemiddelen. Hij had een diep verlangen naar ongrijpbaarheid, ruimtelijk maar ook geestelijk.

 

Het is nauwelijks te geloven dat met de primitieve manier waarop de communicatie tussen auteur en uitgever hoofdzakelijk verliep (in eerste instantie via honderden brieven over en weer) er in korte tijd nog zoveel uit zijn handen is gekomen dat ook als boek is verschenen. Om te beginnen de twee autobiografische boeken een jongen uit plan Zuid (’38-’43 en ’43-’46), waarin hij in een associatieve, meanderende maar ook uiterst precieze stijl schrijft over zijn jeugd die samenviel met de oorlog, met het verdwijnen van het grootste deel van de joodse bevolking uit zijn stad, de komst van de Canadezen en de bevrijding van de wrede Duitse terreur. Die herinneringen, later gebundeld in één deel en ook in Duitsland verschenen (of eigenlijk in Zwitserland bij het Züricher Amman Verlag), waren de late inlossing van een al jaren door de auteur aangekondigd boek onder de omineuze titel Kaddish voor een buurt. Niet lang daarna verscheen in 2006 nog de behoorlijk lijvige roman Kijk, een drenkeling komt voorbij. Daarnaast publiceerden wij nieuwe edities van zijn bekendste oudere werk: Een dagje naar het strand, Han de Wit gaat in ontwikkelingshulp en Zwaarmoedige verhalen voor bij de centrale verwarming – boeken die hem beroemd hadden gemaakt.

Heeresma_Een_Jongen_3D

Vanaf eind 2007 maakte Heere Heeresma steeds minder vaak zijn opwachting op de Herengracht en vanaf 2009 heb ik hem nauwelijks meer gezien, alleen af en toe nog telefonisch gesproken. Hij werd steeds slechter ter been, begon met zijn gezondheid te sukkelen en werd daardoor veel minder productief, zeker ook als briefschrijver.

Hij was ondertussen begonnen aan nieuwe verhalen, maar door zijn afnemende gezondheid is het niet meer tot een bundel gekomen. Dat hij eraan gewerkt heeft, is echter een feit. In ons archief bevindt zich één voltooid verhaal. Ook bestonden er plannen voor een of meer selecties uit zijn talloze brieven, en dat plan is nu alsnog gerealiseerd in de reeks Privé-domein.

 

Op vrijdag 24 juni 2011 schreef Jaap van der Zwan mij: ‘Het gaat heel slecht met mijn neef Heere. Hij eet en drinkt niet meer en ook het toedienen van medicijnen lukt niet meer. De arts in het Rosa Spierhuis in Laren liet ons gisteren weten, dat hij waarschijnlijk nog maar een paar dagen te leven heeft.’

Dat had die arts goed voorspeld. Op zondagochtend 26 juni overleed Heere Heeresma na een ziekbed in het Rosa Spierhuis, een verzorgingstehuis voor oudere kunstenaars en wetenschappers in Laren. Hij was 79 jaar.

Het Rosa Spierhuis, een grijpbare (bijna openbare) plek. Hij was daar naartoe gebracht. Hij was er niet eigener beweging heengegaan. Enkele maanden eerder had men hem ontredderd aangetroffen in zijn woning (inderdaad ergens in ’t Gooi). Hij was gevallen en lag al dagenlang hulpeloos op de grond.

Maar het vallen zelf was al wat eerder begonnen. In de loop van 2008 kwam hij met het plan in enigerlei vorm zijn in de jaren tachtig uiterst succesvolle pornopersiflages (met titels als Geschoren schaamte en De hete ijssalon) te herexploiteren. In een van de laatste brieven die ik van hem ontving (juni 2008) schreef hij: ‘U dient er dan rekening mee te houden dat niet ikzelf die keuze kan maken. Daarvoor gebeurt er dezerzijds té veel. Zo bracht ik vanmiddag en slechts in het gezelschap van onze zoon, mijn vrouw weg naar het crematorium. Enfin, ik hoor binnenkort van u.’

 

*Eind juni verscheen een special over Heere Heeresma van Uitgelezen Boeken. Katern voor boekverkopers en boekenkopers, samengesteld door Henk Reurslag en Anton de Goede.

Anton de Goede over deze special: ‘Dankzij het Heere Heeresma-nummer zijn er veel prachtverhalen bewaard gebleven. Van Guus Luijters bijvoorbeeld, die als hoofdredacteur van de Nederlandse editie van Playboy regelmatig met Heeresma te maken had. Luijters: “Op een snelweg in Noord-Frankrijk begon het landschap plotseling heel raar te doen. Toen ik Heere vroeg wat hiervan de oorzaak kon zijn, wees hij op de kilometerteller. We bleken 260 km per uur te rijden, vandaar dus. Toch dook er even later een motard op, die ons met geleidelijk afnemende snelheid naar een op een zijweg geparkeerde politiewagen dirigeerde. Nadat Heere de astronomische boete had betaald, kwam hij handenwrijvend naar buiten en zei: ‘Zo, meneer Luijters, dit hebben we weer als heren onder elkaar geregeld.’”

Bijna veertig schrijvers, vrienden en familieleden halen in Uitgelezen Boeken herinneringen op aan Heeresma. Onder hen ook Cherry Duyns die Heeresma als volgt typeert: ‘De schrijver die boeken schreef die zowel leedverzachtend als -verwekkend waren, die met uitbundig woordgeweld sloopte wat hem niet beviel, die dwars was maar ook niet ongevoelig en die bovenal zo pijnlijk geestig kon zijn.’

Uitgelezen Boeken is een uitgave van De Buitenkant in Amsterdam.

Duyns ten slotte: ‘Heere Heeresma, grootvorst van het sterke verhaal. Gedenk hem.’

Heeresma_Bleib_gesund_PD_3D

Koos van Zomeren is allang begonnen*

De oogst van 50 jaar schrijverschap

Koos van Zomeren is zo een eeuwigheid schrijver dat we ons nauwelijks kunnen voorstellen dat er nog een Koos van Zomeren heeft bestaan die dat niet was. Toch heeft die bestaan, zij het niet al te lang. Al op zijn negentiende, toen hij debuteerde met de dichtbundel De wielerkoers van Hank (1965), werd de schrijver geboren, en die is hij gebleven, ook al heeft hij het schrijven enkele malen onderbroken door zich op andere dingen te richten.

De Koos van Zomeren die nog schrijver moest worden heb ik, behoudens uit de tweede hand (vooral door wat hij er zelf in zijn werk over geschreven heeft), niet gekend. Hetzelfde geldt overigens voor de schrijver van romans als De nodige singels en pleinen (1966) en De vernieling (1967) – door hemzelf ooit enigszins deloyaal bestempeld als jeugdwerk –, voor de journalist die tussen 1966 en 1971 werkte voor Het Vrije Volk, voor de gedreven linkse activist die tussen 1970 en 1975 politiek actief was en in 1972 een van de medeoprichters van de Socialistische Partij (SP), voor de verslaggever die bij de Nieuwe Revu tussen 1976 en begin jaren tachtig zulke mooie reportages schreef en zichzelf daar uitvond als natuurschrijver en ten slotte ook nog voor de schrijver die tussen 1977 en 1982 negen thrillers publiceerde bij A.W. Bruna. Ik weet ervan, maar ik was er niet bij – noch als toeschouwer, noch als lezer, laat staan als rechtstreeks betrokkene.

Ik ken Koos van Zomeren sinds eind jaren tachtig en lees sindsdien zijn werk. En over hem wil ik het graag hebben.

 

Het is in bredere kringen (die altijd nog breder zouden mogen worden; zeker in die ijle kringen waar schrijverscarrières worden bekroond met staatsprijzen) bekend dat Koos van Zomeren de schrijver is van een belangwekkend en omvangrijk oeuvre. Het is al evenzeer in bredere kringen bekend dat De Arbeiderspers een uitgeverij is met een roemruchte en respectabele geschiedenis. Maar wie beseft werkelijk dat een groot deel van de 86-jarige geschiedenis van de uitgeverij samenvalt met het schrijverschap van Koos van Zomeren? Vanaf het prille begin is zijn werk – met een intermezzo tussen eind jaren zestig en begin jaren tachtig, waarin hij deels andere dingen deed die ik net opsomde – bij De Arbeiderspers verschenen. Vijftig jaar is hij dit jaar schrijver.

Het vervult me met iets van dankbaarheid en trots dat ik zijn werk achtentwintig van die vijftig jaar van dichtbij heb mogen meemaken. Meer dan de helft van die hele loopbaan dus, en vooral ook de betere helft. Ik zou dit niet durven beweren als ik gedurende heel die meer dan betere helft lang ook zijn redacteur was geweest. Dan had ik met deze opmerking de schijn gewekt dat het misschien aan mij zou kunnen liggen. Dat ik een concreet aandeel in het ontstaan van die betere helft heb gehad. Niets menselijks is mij vreemd, maar dat zou al te aanmatigend zijn. Er zijn namelijk maar weinig auteurs die kopij aanleveren die zo af is als die van Koos van Zomeren. Zijn teksten zijn precies geformuleerd en compositorisch weldoordacht. Zowel wanneer ik mij met een timmermansoog richt op de vierkante millimeter als wanneer ik uitzie over het meer uitgestrekte bouwterrein waarop hij zijn literaire werk optrekt, heb ik meestal maar mondjesmaat op- en aanmerkingen.

De redacteur van Koos van Zomeren (trouwens ook van veel andere auteurs) stelt de juiste vragen, discussieert over intenties (en de vraag of die zijn waargemaakt) en is een klankbord en een luisterend oor voor de schrijver. En die redacteur ben ik toevallig sinds 1995. Die redacteur kreeg zijn eerste klus met de intense, korte roman Meisje in het veen.

Nee, toen ik kennismaakte met zijn werk was ik net begonnen literaire kritieken voor de krant te schrijven en studeerde ik nog Nederlands in Utrecht. Ik was student-assistent in de colleges literaire kritiek van Redbad Fokkema, toen die zijn studenten kritieken liet schrijven over de roman Het verhaal en Een vederlichte wanhoop, dat toen net verschenen bundeltje met prachtige kleine stukjes over vogels. Fokkema was lyrisch over die door hem nog niet zo lang geleden (namelijk door het lezen van het vier jaar eerder verschenen Otto’s oorlog) ontdekte schrijver. Vooral de subtiele stijl wekte zijn bewondering.

En die bewondering wist hij over te brengen, ook op mij. Toen later dat jaar Sterk water verscheen – een roman wou ik zeggen, maar die genreaanduiding staat op het omslag noch in het binnenwerk – mocht ik dat nieuwe boek van Koos van Zomeren over twee broers en hun beladen verblijf in de Alpen bespreken voor het Utrechts Nieuwsblad. Om me ervan te overtuigen dat ik dat boek lovend heb besproken hoef ik echter niet diep in de archieven te duiken. Een stukje uit die recensie kwam namelijk terecht in Een jaar in scherven, de eerste Privé-domein van Koos en (heel eervol, want er werd feest mee gevierd) de 150ste in de reeks. Op bladzijde 336 (24 december 1987) staat: ‘Peter Nijssen, Utrechts Nieuwsblad: “Van Zomeren demonstreert dat in een psychologische roman, die opnieuw geschreven is in zorgvuldig gewogen woorden, doortrokken is van welgekozen natuurbeelden en die gewoon weer erg spannend mag heten.”’

Overigens blijkt uit Een jaar in scherven dat Koos in 1987 op 29 november in het literair café in Utrecht te gast was. Daar moet ik hem voor het eerst ontmoet hebben, want drie van zijn boeken, onder andere Sterk water, zijn gesigneerd met die datum erbij.

Ik zou daarna nog dikwijls en op allerlei manieren figureren in werk van Koos, en beslist niet altijd even verheffend. Ik ben er nu heel nuchter en stoïcijns onder als ik mezelf weer eens door Koos opgevoerd zie worden, maar toen was ik daar werkelijk apetrots op. Zo’n nog maar net droog achter oren geblazen blaag die stukjes schrijft in een krant en reeds in een volgend letterkundig werk zijn naam vermeld ziet. Ja, het is goed dat er een God is, al heb ik Hem later getart door opnieuw een boek van Koos van Zomeren te bespreken, en wel de roman Het schip Herman Manelli. Ook daarover herinner ik me met bewondering te hebben geschreven, maar ook met iets afwijzends vanwege de somberheid die eruit spreekt. Ik vind dat nog steeds zijn naarste boek, maar ik zou het opnieuw moeten lezen. Misschien ben ik nu ontvankelijker voor het donkere drama daarin.

 

Ik heb hier onderhand aardig wat titels de revue laten passeren, maar Koos heeft nog zoveel meer geschreven. Vijftien romans, twee dichtbundels, negen thrillers, twee autobiografische boeken in Privé-domein, vijf verhalenbundels, vier bloemlezingen en tweeëntwintig titels in allerlei andere genres (columns, essays, reportages, interviews, documentaires, dagboeken), waarvan een groot deel ook gekwalificeerd zou kunnen worden als natuurboeken: ziedaar de oogst van die halve eeuw, verschenen bij De Arbeiderspers en (die thrillers) A.W. Bruna, en dan tellen we De krant op het stuur, een prachtig boekje ter gelegenheid van het tachtigjarig bestaan van De Arbeiderspers dat niet te koop was, en diverse andere uitgaven die verschenen bij kleinere of bibliofiele uitgevers niet eens mee. Ook zonder die boekjes is dat een moyenne van ruim een boek per jaar, van anderhalf boek per jaar als we de tien jaar stilte tussen 1967 en 1977 er buiten houden.

Dat zijn de statistieken. Dat is de kwantiteit. Maar als we iets over de kwaliteit zouden willen zeggen, dan constateren we dat Koos van Zomeren in de loop der jaren onmiskenbaar een betere – zorgvuldigere – schrijver is geworden. Het taalgebruik, de stijl, de vertelvormen en de architectuur van zijn teksten zijn steeds verder uitgebalanceerd. Dat vindt Koos overigens ook zelf, dus als een affront jegens de schrijver kan deze zienswijze niet beschouwd worden. Koos van Zomeren is gelukkig steeds beter, niet steeds slechter gaan schrijven.

 

Wie oneerbiedig is, zegt: Koos van Zomeren maakt deel uit van het meubilair van de uitgeverij. Maar de uitgeverij maakt ook deel uit van het meubilair van Koos van Zomeren. En allebei zijn ze daar trots op. ‘Hebben we nog wat moois uitgegeven, de laatste tijd?’ Dat is een standaardvraag van Koos.

Ja, dat hebben we!

We hebben een nieuw boek (Alles is begonnen) en een oud boek (Otto’s oorlog) uitgegeven. Allebei van Koos van Zomeren. En we vieren er dit najaar zijn gouden schrijversjubileum mee. Om met de gouwe ouwe te beginnen: de roman Otto’s oorlog werd bij verschijnen in 1983 beschouwd als het boek waarmee hij een literaire comeback maakte. Koos zelf zei daarover veel later: ‘Ambitieus boek. Dat is de kracht ervan én de zwakte. Later ben ik veel beter gaan schrijven. Maar later heb ik ook nooit meer zo’n frontale aanval op het leven ondernomen.’

Het is, zoals zo vaak wanneer we de beoordeling van het werk van Koos van Zomeren aan de maker zelf overlaten, te negatief geformuleerd. De beheerste stilist zien we in dit boek namelijk geboren worden. Ik citeer Peter de Boer die in Maatstaf een lang essay wijdde aan de opmerkelijke ontvangst van dit boek: ‘De roman sloeg indertijd in als een bom […] De critici realiseerden zich dat de Nederlandse literatuur een buitengemeen oorspronkelijke en diepzinnige roman rijker was. Otto’s oorlog […] markeert de definitieve doorbraak van Koos van Zomeren als literator.’ Je kunt ook zeggen: dit is het begin van het beste wat Koos van Zomeren te bieden heeft, dit is een scharnierboek, een boek waarmee het nog alle kanten op kon. Wie in die tijd Vrij Nederland las kon dat zelfs terugvinden in de aandacht die er voor was. Het boek werd eerst als thriller besproken door Rinus Ferdinandusse en een tijdje later nog eens door Maarten ’t Hart, maar nu als een literaire roman, ‘gaaf van begin tot eind’.

Otto’s oorlog draait om Otto Stein, of liever om twee belangrijke momenten uit diens leven: het onuitwisbare Duitse bombardement op Rotterdam dat tijdens de Tweede Wereldoorlog ook de straat waar hij als kind woonde totaal verwoestte en een aantal natuurexpedities naar verre uithoeken in de wereld tijdens een waarvan een jonge vogelaar annex dichter in Otto Steins directe nabijheid ‘van een berg valt’. Voor deze nieuwe editie schreef Xandra Schutte een nawoord en daaruit citeer ik het volgende: ‘Naarmate de roman vordert komt er meer suspense over die val te hangen. Was het wel een ongeluk? Wilde Stein Wessel dood en heeft hij het ongeluk in de hand gewerkt? […] Koos van Zomeren weet al die lijnen geraffineerd door elkaar te weven. Het verslag van de reis naar de Banc d’Arguin wordt telkens doorbroken door beelden van de oorlog, die het karakter en het leven van Stein heeft getekend, en door verhalen van de eerdere expedities. Otto’s oorlog is daardoor tegelijkertijd een psychologische roman, een boek met thrillerachtige trekken als het om de toedracht van het ongeluk van Wessel gaat, en een eigentijdse tragedie waarin het noodlot allesbeslissend is.’

Als psychologisch zou ik het fictionele werk dat nadien verscheen niet zo gauw kenschetsen, eerder als existentialistisch, maar thrillerachtige trekken heeft het in veel gevallen behouden en ook het noodlot speelt niet zelden een cruciale rol. Ik zei het net al: vanaf Meisje in het veen mocht ik de redacteur zijn van vrijwel al het werk van Koos van Zomeren, die daarna nog veel prachtigs heeft geschreven of het nou romans als Sneeuw van Hem of De man op de middenweg of non-fictie als De levende have, Het bomenboek of Naar de natuur betrof. In toenemende mate is dat ook allemaal door elkaar gaan lopen, fictie en non-fictie. Het genre deed er eenvoudig nauwelijks meer toe, de superieure stijl, de taal was het allesbindende middel. Want laten we wel wezen, wat zijn dat eigenlijk voor boeken, Nog in morgens gemeten, Die stad, dat jaar of Rondom Staal? Een deel van de kritiek had daar nogal moeite mee, wist er zich zelfs geen raad mee.

Haast even lastig is het om Koos van Zomeren een duidelijke plek te geven in het literaire landschap of in de literatuurgeschiedenis. Als we ons tot de Nederlandse literatuur beperken: er is verwantschap met auteurs als Maarten ’t Hart (natuur, het beoefenen van diverse genres), Willem van Toorn (het landschap, de zorgvuldige stijl) en Gerbrand Bakker (thema’s als beklemming en schuld en de natuur als dramatisch gegeven), maar van meer dan een aantal overeenkomstige elementen, laat van een literaire school of een gezamenlijk optrekken is geen sprake. En als we dat werk in een internationale context willen bezien doemen bij mij de namen op van zulke uiteenlopende schrijvers als Max Frisch (persoonlijk engagement, ethische vragen), Cesare Pavese (natuur en landschap, stilistische intensiteit) en Annie Ernaux (het observeren van de eigen omgeving, de intieme aandacht voor ouders en afkomst), maar afgezien van Frisch ben ik er niet eens zeker van dat Koos van Zomeren het werk van deze auteurs goed kent. De schrijver Koos van Zomeren (en hetzelfde geldt voor zijn werk) valt moeilijk in een hokje te plaatsen. Je kunt ook zeggen: hij is niet voor één gat te vangen.

Het zoeken naar een etiket moet men voor het nieuwe boek (dat eind oktober officieel verscheen), maar helemaal opgeven. Alles is begonnen – op omslag en titelpagina heet het ‘een vertelling’, en laten we het daar maar bij houden. Het is een staalkaart van de genres die Koos van Zomeren in de afgelopen vijftig jaar beoefend heeft – dagboek, reportage en fictie, met zelfs wat flinters poëzie. Je zou bijna gaan denken: hier is een schrijver bezig om te laten zien wat hij wel niet allemaal kan, hier is een schrijver doende zijn virtuositeit over het voetlicht te brengen. Maar dan zou je toch over het hoofd zien dat taal en stijl en meesterschap niet alleen een oppervlakkig bindmiddel zijn maar ook de bedding voor iets wezenlijks: een continue onderstroom, iets essentieels waarmee wordt voortgeborduurd op thema’s (de menselijke aard, het verstrijken van de tijd, natuur, geweld en de geheimen van de existentie en de dood) die in al het literaire werk van Koos van Zomeren terugkomen. Het verbindende element is in dit geval het raadsel van de conceptie of de creativiteit. Dat is waar het in Alles is begonnen – met zijn verhalen over de mannetjesorchis en de natuur in breder verband, over momenten van levensgevaar, over de drijfveren van het schrijven en het schrijven zelf, over twee broers, hun vader en het toeval van hun bestaan – om begonnen is. En daarmee wil ik nu ook bijna eindigen. Bijna, want niets eindigt ooit helemaal. Alles begint alleen maar steeds opnieuw. En ook het oeuvre van Koos van Zomeren is niet af. Dat groeit nog steeds. Er staan alweer twee nieuwe boeken op stapel. Hij is er allang aan begonnen.

 

*Dit is de licht bewerkte tekst van een toespraak gehouden op 21 oktober 2015 in Boekhandel Hijman Ongerijmd te Arnhem ter gelegenheid van het 50-jarig schrijversjubileum van Koos van Zomeren.

Maak een gratis website of blog op WordPress.com.

Omhoog ↑