De oogst van 50 jaar schrijverschap

Koos van Zomeren is zo een eeuwigheid schrijver dat we ons nauwelijks kunnen voorstellen dat er nog een Koos van Zomeren heeft bestaan die dat niet was. Toch heeft die bestaan, zij het niet al te lang. Al op zijn negentiende, toen hij debuteerde met de dichtbundel De wielerkoers van Hank (1965), werd de schrijver geboren, en die is hij gebleven, ook al heeft hij het schrijven enkele malen onderbroken door zich op andere dingen te richten.

De Koos van Zomeren die nog schrijver moest worden heb ik, behoudens uit de tweede hand (vooral door wat hij er zelf in zijn werk over geschreven heeft), niet gekend. Hetzelfde geldt overigens voor de schrijver van romans als De nodige singels en pleinen (1966) en De vernieling (1967) – door hemzelf ooit enigszins deloyaal bestempeld als jeugdwerk –, voor de journalist die tussen 1966 en 1971 werkte voor Het Vrije Volk, voor de gedreven linkse activist die tussen 1970 en 1975 politiek actief was en in 1972 een van de medeoprichters van de Socialistische Partij (SP), voor de verslaggever die bij de Nieuwe Revu tussen 1976 en begin jaren tachtig zulke mooie reportages schreef en zichzelf daar uitvond als natuurschrijver en ten slotte ook nog voor de schrijver die tussen 1977 en 1982 negen thrillers publiceerde bij A.W. Bruna. Ik weet ervan, maar ik was er niet bij – noch als toeschouwer, noch als lezer, laat staan als rechtstreeks betrokkene.

Ik ken Koos van Zomeren sinds eind jaren tachtig en lees sindsdien zijn werk. En over hem wil ik het graag hebben.

 

Het is in bredere kringen (die altijd nog breder zouden mogen worden; zeker in die ijle kringen waar schrijverscarrières worden bekroond met staatsprijzen) bekend dat Koos van Zomeren de schrijver is van een belangwekkend en omvangrijk oeuvre. Het is al evenzeer in bredere kringen bekend dat De Arbeiderspers een uitgeverij is met een roemruchte en respectabele geschiedenis. Maar wie beseft werkelijk dat een groot deel van de 86-jarige geschiedenis van de uitgeverij samenvalt met het schrijverschap van Koos van Zomeren? Vanaf het prille begin is zijn werk – met een intermezzo tussen eind jaren zestig en begin jaren tachtig, waarin hij deels andere dingen deed die ik net opsomde – bij De Arbeiderspers verschenen. Vijftig jaar is hij dit jaar schrijver.

Het vervult me met iets van dankbaarheid en trots dat ik zijn werk achtentwintig van die vijftig jaar van dichtbij heb mogen meemaken. Meer dan de helft van die hele loopbaan dus, en vooral ook de betere helft. Ik zou dit niet durven beweren als ik gedurende heel die meer dan betere helft lang ook zijn redacteur was geweest. Dan had ik met deze opmerking de schijn gewekt dat het misschien aan mij zou kunnen liggen. Dat ik een concreet aandeel in het ontstaan van die betere helft heb gehad. Niets menselijks is mij vreemd, maar dat zou al te aanmatigend zijn. Er zijn namelijk maar weinig auteurs die kopij aanleveren die zo af is als die van Koos van Zomeren. Zijn teksten zijn precies geformuleerd en compositorisch weldoordacht. Zowel wanneer ik mij met een timmermansoog richt op de vierkante millimeter als wanneer ik uitzie over het meer uitgestrekte bouwterrein waarop hij zijn literaire werk optrekt, heb ik meestal maar mondjesmaat op- en aanmerkingen.

De redacteur van Koos van Zomeren (trouwens ook van veel andere auteurs) stelt de juiste vragen, discussieert over intenties (en de vraag of die zijn waargemaakt) en is een klankbord en een luisterend oor voor de schrijver. En die redacteur ben ik toevallig sinds 1995. Die redacteur kreeg zijn eerste klus met de intense, korte roman Meisje in het veen.

Nee, toen ik kennismaakte met zijn werk was ik net begonnen literaire kritieken voor de krant te schrijven en studeerde ik nog Nederlands in Utrecht. Ik was student-assistent in de colleges literaire kritiek van Redbad Fokkema, toen die zijn studenten kritieken liet schrijven over de roman Het verhaal en Een vederlichte wanhoop, dat toen net verschenen bundeltje met prachtige kleine stukjes over vogels. Fokkema was lyrisch over die door hem nog niet zo lang geleden (namelijk door het lezen van het vier jaar eerder verschenen Otto’s oorlog) ontdekte schrijver. Vooral de subtiele stijl wekte zijn bewondering.

En die bewondering wist hij over te brengen, ook op mij. Toen later dat jaar Sterk water verscheen – een roman wou ik zeggen, maar die genreaanduiding staat op het omslag noch in het binnenwerk – mocht ik dat nieuwe boek van Koos van Zomeren over twee broers en hun beladen verblijf in de Alpen bespreken voor het Utrechts Nieuwsblad. Om me ervan te overtuigen dat ik dat boek lovend heb besproken hoef ik echter niet diep in de archieven te duiken. Een stukje uit die recensie kwam namelijk terecht in Een jaar in scherven, de eerste Privé-domein van Koos en (heel eervol, want er werd feest mee gevierd) de 150ste in de reeks. Op bladzijde 336 (24 december 1987) staat: ‘Peter Nijssen, Utrechts Nieuwsblad: “Van Zomeren demonstreert dat in een psychologische roman, die opnieuw geschreven is in zorgvuldig gewogen woorden, doortrokken is van welgekozen natuurbeelden en die gewoon weer erg spannend mag heten.”’

Overigens blijkt uit Een jaar in scherven dat Koos in 1987 op 29 november in het literair café in Utrecht te gast was. Daar moet ik hem voor het eerst ontmoet hebben, want drie van zijn boeken, onder andere Sterk water, zijn gesigneerd met die datum erbij.

Ik zou daarna nog dikwijls en op allerlei manieren figureren in werk van Koos, en beslist niet altijd even verheffend. Ik ben er nu heel nuchter en stoïcijns onder als ik mezelf weer eens door Koos opgevoerd zie worden, maar toen was ik daar werkelijk apetrots op. Zo’n nog maar net droog achter oren geblazen blaag die stukjes schrijft in een krant en reeds in een volgend letterkundig werk zijn naam vermeld ziet. Ja, het is goed dat er een God is, al heb ik Hem later getart door opnieuw een boek van Koos van Zomeren te bespreken, en wel de roman Het schip Herman Manelli. Ook daarover herinner ik me met bewondering te hebben geschreven, maar ook met iets afwijzends vanwege de somberheid die eruit spreekt. Ik vind dat nog steeds zijn naarste boek, maar ik zou het opnieuw moeten lezen. Misschien ben ik nu ontvankelijker voor het donkere drama daarin.

 

Ik heb hier onderhand aardig wat titels de revue laten passeren, maar Koos heeft nog zoveel meer geschreven. Vijftien romans, twee dichtbundels, negen thrillers, twee autobiografische boeken in Privé-domein, vijf verhalenbundels, vier bloemlezingen en tweeëntwintig titels in allerlei andere genres (columns, essays, reportages, interviews, documentaires, dagboeken), waarvan een groot deel ook gekwalificeerd zou kunnen worden als natuurboeken: ziedaar de oogst van die halve eeuw, verschenen bij De Arbeiderspers en (die thrillers) A.W. Bruna, en dan tellen we De krant op het stuur, een prachtig boekje ter gelegenheid van het tachtigjarig bestaan van De Arbeiderspers dat niet te koop was, en diverse andere uitgaven die verschenen bij kleinere of bibliofiele uitgevers niet eens mee. Ook zonder die boekjes is dat een moyenne van ruim een boek per jaar, van anderhalf boek per jaar als we de tien jaar stilte tussen 1967 en 1977 er buiten houden.

Dat zijn de statistieken. Dat is de kwantiteit. Maar als we iets over de kwaliteit zouden willen zeggen, dan constateren we dat Koos van Zomeren in de loop der jaren onmiskenbaar een betere – zorgvuldigere – schrijver is geworden. Het taalgebruik, de stijl, de vertelvormen en de architectuur van zijn teksten zijn steeds verder uitgebalanceerd. Dat vindt Koos overigens ook zelf, dus als een affront jegens de schrijver kan deze zienswijze niet beschouwd worden. Koos van Zomeren is gelukkig steeds beter, niet steeds slechter gaan schrijven.

 

Wie oneerbiedig is, zegt: Koos van Zomeren maakt deel uit van het meubilair van de uitgeverij. Maar de uitgeverij maakt ook deel uit van het meubilair van Koos van Zomeren. En allebei zijn ze daar trots op. ‘Hebben we nog wat moois uitgegeven, de laatste tijd?’ Dat is een standaardvraag van Koos.

Ja, dat hebben we!

We hebben een nieuw boek (Alles is begonnen) en een oud boek (Otto’s oorlog) uitgegeven. Allebei van Koos van Zomeren. En we vieren er dit najaar zijn gouden schrijversjubileum mee. Om met de gouwe ouwe te beginnen: de roman Otto’s oorlog werd bij verschijnen in 1983 beschouwd als het boek waarmee hij een literaire comeback maakte. Koos zelf zei daarover veel later: ‘Ambitieus boek. Dat is de kracht ervan én de zwakte. Later ben ik veel beter gaan schrijven. Maar later heb ik ook nooit meer zo’n frontale aanval op het leven ondernomen.’

Het is, zoals zo vaak wanneer we de beoordeling van het werk van Koos van Zomeren aan de maker zelf overlaten, te negatief geformuleerd. De beheerste stilist zien we in dit boek namelijk geboren worden. Ik citeer Peter de Boer die in Maatstaf een lang essay wijdde aan de opmerkelijke ontvangst van dit boek: ‘De roman sloeg indertijd in als een bom […] De critici realiseerden zich dat de Nederlandse literatuur een buitengemeen oorspronkelijke en diepzinnige roman rijker was. Otto’s oorlog […] markeert de definitieve doorbraak van Koos van Zomeren als literator.’ Je kunt ook zeggen: dit is het begin van het beste wat Koos van Zomeren te bieden heeft, dit is een scharnierboek, een boek waarmee het nog alle kanten op kon. Wie in die tijd Vrij Nederland las kon dat zelfs terugvinden in de aandacht die er voor was. Het boek werd eerst als thriller besproken door Rinus Ferdinandusse en een tijdje later nog eens door Maarten ’t Hart, maar nu als een literaire roman, ‘gaaf van begin tot eind’.

Otto’s oorlog draait om Otto Stein, of liever om twee belangrijke momenten uit diens leven: het onuitwisbare Duitse bombardement op Rotterdam dat tijdens de Tweede Wereldoorlog ook de straat waar hij als kind woonde totaal verwoestte en een aantal natuurexpedities naar verre uithoeken in de wereld tijdens een waarvan een jonge vogelaar annex dichter in Otto Steins directe nabijheid ‘van een berg valt’. Voor deze nieuwe editie schreef Xandra Schutte een nawoord en daaruit citeer ik het volgende: ‘Naarmate de roman vordert komt er meer suspense over die val te hangen. Was het wel een ongeluk? Wilde Stein Wessel dood en heeft hij het ongeluk in de hand gewerkt? […] Koos van Zomeren weet al die lijnen geraffineerd door elkaar te weven. Het verslag van de reis naar de Banc d’Arguin wordt telkens doorbroken door beelden van de oorlog, die het karakter en het leven van Stein heeft getekend, en door verhalen van de eerdere expedities. Otto’s oorlog is daardoor tegelijkertijd een psychologische roman, een boek met thrillerachtige trekken als het om de toedracht van het ongeluk van Wessel gaat, en een eigentijdse tragedie waarin het noodlot allesbeslissend is.’

Als psychologisch zou ik het fictionele werk dat nadien verscheen niet zo gauw kenschetsen, eerder als existentialistisch, maar thrillerachtige trekken heeft het in veel gevallen behouden en ook het noodlot speelt niet zelden een cruciale rol. Ik zei het net al: vanaf Meisje in het veen mocht ik de redacteur zijn van vrijwel al het werk van Koos van Zomeren, die daarna nog veel prachtigs heeft geschreven of het nou romans als Sneeuw van Hem of De man op de middenweg of non-fictie als De levende have, Het bomenboek of Naar de natuur betrof. In toenemende mate is dat ook allemaal door elkaar gaan lopen, fictie en non-fictie. Het genre deed er eenvoudig nauwelijks meer toe, de superieure stijl, de taal was het allesbindende middel. Want laten we wel wezen, wat zijn dat eigenlijk voor boeken, Nog in morgens gemeten, Die stad, dat jaar of Rondom Staal? Een deel van de kritiek had daar nogal moeite mee, wist er zich zelfs geen raad mee.

Haast even lastig is het om Koos van Zomeren een duidelijke plek te geven in het literaire landschap of in de literatuurgeschiedenis. Als we ons tot de Nederlandse literatuur beperken: er is verwantschap met auteurs als Maarten ’t Hart (natuur, het beoefenen van diverse genres), Willem van Toorn (het landschap, de zorgvuldige stijl) en Gerbrand Bakker (thema’s als beklemming en schuld en de natuur als dramatisch gegeven), maar van meer dan een aantal overeenkomstige elementen, laat van een literaire school of een gezamenlijk optrekken is geen sprake. En als we dat werk in een internationale context willen bezien doemen bij mij de namen op van zulke uiteenlopende schrijvers als Max Frisch (persoonlijk engagement, ethische vragen), Cesare Pavese (natuur en landschap, stilistische intensiteit) en Annie Ernaux (het observeren van de eigen omgeving, de intieme aandacht voor ouders en afkomst), maar afgezien van Frisch ben ik er niet eens zeker van dat Koos van Zomeren het werk van deze auteurs goed kent. De schrijver Koos van Zomeren (en hetzelfde geldt voor zijn werk) valt moeilijk in een hokje te plaatsen. Je kunt ook zeggen: hij is niet voor één gat te vangen.

Het zoeken naar een etiket moet men voor het nieuwe boek (dat eind oktober officieel verscheen), maar helemaal opgeven. Alles is begonnen – op omslag en titelpagina heet het ‘een vertelling’, en laten we het daar maar bij houden. Het is een staalkaart van de genres die Koos van Zomeren in de afgelopen vijftig jaar beoefend heeft – dagboek, reportage en fictie, met zelfs wat flinters poëzie. Je zou bijna gaan denken: hier is een schrijver bezig om te laten zien wat hij wel niet allemaal kan, hier is een schrijver doende zijn virtuositeit over het voetlicht te brengen. Maar dan zou je toch over het hoofd zien dat taal en stijl en meesterschap niet alleen een oppervlakkig bindmiddel zijn maar ook de bedding voor iets wezenlijks: een continue onderstroom, iets essentieels waarmee wordt voortgeborduurd op thema’s (de menselijke aard, het verstrijken van de tijd, natuur, geweld en de geheimen van de existentie en de dood) die in al het literaire werk van Koos van Zomeren terugkomen. Het verbindende element is in dit geval het raadsel van de conceptie of de creativiteit. Dat is waar het in Alles is begonnen – met zijn verhalen over de mannetjesorchis en de natuur in breder verband, over momenten van levensgevaar, over de drijfveren van het schrijven en het schrijven zelf, over twee broers, hun vader en het toeval van hun bestaan – om begonnen is. En daarmee wil ik nu ook bijna eindigen. Bijna, want niets eindigt ooit helemaal. Alles begint alleen maar steeds opnieuw. En ook het oeuvre van Koos van Zomeren is niet af. Dat groeit nog steeds. Er staan alweer twee nieuwe boeken op stapel. Hij is er allang aan begonnen.

 

*Dit is de licht bewerkte tekst van een toespraak gehouden op 21 oktober 2015 in Boekhandel Hijman Ongerijmd te Arnhem ter gelegenheid van het 50-jarig schrijversjubileum van Koos van Zomeren.

Advertenties