Zoeken

Nijssen Schrijft

De weblog van Peter Nijssen

Maand

april 2016

Altijd zon en altijd zondag

Rijdend in het wiel van de Groene Leeuw

 ‘Op de nimmer vlakke reis van mijn leven bereik ik op 1 april 2016 halte 60. Een keerpunt is het niet, er is geen weg terug, maar nieuwe wendingen komen. […] De geesten moeten blijven waaien in tijden van tegenwind.’ Aldus annonceerde Jeroen Wielaert onlangs zijn zestigste verjaardag. Die vrijdag 1 april werd zijn ontembare vitalisme beloond met een uitbundig schijnende zon. En zondag 3 april – toen de honderdste Ronde van Vlaanderen werd gereden – was het al even mooi weer. Met Jeroen Wielaert in de buurt ontstaat die illusie al gauw: dat altijd de zon schijnt en dat het altijd zondag is.

Vorig jaar, eind april, deed ik in de kapel van de Utrechtse Dom een vermetele weersvoorspelling. Daar was een groot gezelschap bijeengekomen om de verschijning te vieren van De Tour van Utrecht, Jeroen Wielaerts reconstructie van de lastige weg die de stad (hijzelf voorop) aflegde om de Tourstart van 2015 binnen te slepen. Mijn voorspelling klonk als volgt:

 

Dames en heren, stadgenoten, wielerliefhebbers!

Zes keer eerder in de geschiedenis startte de Ronde van Frankrijk in Nederland. Heel mijn wielerhart jubelt bij het uitspreken van zo’n zin. Maar op de zes momenten zelf had ik zes keer wat te klagen.

Amsterdam, 8 juli 1954. De dag dat de Tour voor het eerst buiten Frankrijk startte. Wat dacht u? Ik was nog maar min zeven en kon er dus werkelijk niet bij zijn. Maar ook als potentieel schepsel moet ik dat al ernstig betreurd hebben. Het weer was prachtig en via Haarlem, Den Haag, Delft, Rotterdam, Dordrecht en Breda werd de Belgische grens overgestoken. Er werd gefinisht in Brasschaat, waar Wout Wagtmans de etappe won en de gele trui mocht aantrekken. Volgens de Fransen (ja zelfs de Fransen zelf) was het de beste Tourstart ooit. Simon Carmiggelt kon dat als oningewijde niet beamen, maar voor deze ene keer zat hij wel degelijk in de koers om er in zijn Amsterdamse krant Het Parool (op 9 juli 1954 onder de kop ‘Rennen’) een Kronkel aan te kunnen wijden: ‘Mijn journalistenhart ging […] open, toen ik, achter die renners aan, meesprintte met Radio Bilbao, met de Franse televisie, die werd omzwermd door eigen filmoperateurs op motorfietsjes en met de sportief getooide mannen van Radar of Paris Match, die bekwaam te velde trokken om op hún manier de enorme hongerige muil der publieke belangstelling te vullen met de soep van de dag. […] Wout Wagtmans’ zegenrijke aankomst liep vast in een aangrijpende massaworsteling van persfotografen. […] Wagtmans lag in deze branding, hijgend en verkreukeld, aan de brede borst van Pellenaars, die nog kans zag hem, met het oog op al die lenzen, even het haar te kammen.’

Onvergetelijk allemaal, maar ik was er dus niet bij – een gemiste kans. Dat zou me niet meer overkomen. Bij alle overige Tourstarts in Nederland was ik wel aanwezig, zoals in Scheveningen op zaterdag 29 juni 1973. Ik was elf en helemaal gek van de Tour, maar van die proloog, gewonnen door Joop Zoetemelk, heb ik achter hagen hoog volk, klein als ik nog was, weinig gezien. Wel werd ik – onnozel jongetje, diep uit de wingewesten – bijna doodgereden door de tram. Het was zo’n dag waarop het weer niets bijdraagt maar ook niets afdoet aan de wielervreugde. Het was, zoals Reve het placht uit te drukken, het weer van alle mensen.

Treuriger, op een bepaalde manier, was Leiden, 28 juni 1978. Ik was bijna zeventien en toog met vriend Jos op weg om naar de Tourstart te gaan kijken. We gingen, om met Potgieter te spreken, ‘onderweg in den regen’. Maar in Leiden regende het nog steeds. Het regende heel de godganse dag. We waren kleddernat en verkleumd en bij het opmaken van de balans bleek ook nog eens dat de uitslag van de proloog waarnaar we hadden staan kijken, die door Jan Raas werd gewonnen, was geannuleerd en dat Jan Raas niet in de gele trui van start mocht gaan in de eerste echte etappe (die hij trouwens uit pure wraakzucht zou winnen om alsnog de gele trui voor zich op te strijken).

Den Bosch dan maar, achttien jaar later, net een jaar in dienst bij De Arbeiderspers. Den Bosch, 29 juni 1996. Wat denk je? Regen! Net als in Leiden werd er ook in Den Bosch indoor gestart. Maar daar stonden wij – mijn kersverse collega Aart Aarsbergen en ik – niet. Wij stonden buiten, waar wij het niet drooghielden. Langzaam veranderde Bois-le-Duc in een ondiepe vijver en langzaam veranderden wij in verzopen straathonden. Dat de halve Hollander Alex Zülle die proloog won (als Zwitser feitelijk) was een schrale troost. En van de regen raakten de renners ’s anderendaags in de brandende drup van de eikenprocessierups, die heel het Brabantse bomenleven op dat moment teisterde. Gauw vergeten die hele toestand in Den Bosch.

Rotterdam dan, op 3 juli 2010. Drie keer raden, en in één keer goed. Om met Acda en De Munnik mee te zingen: ‘het regent als altijd’. Eenzaam en almaar doorweekter struinde ik langs het parcours, op zoek naar mooie plekken om de proloog gade te slaan. En op zoek naar vrienden die zich bevonden op plekken waar ik niet mocht komen (Aart Aarsbergen) of die ik niet of nauwelijks kon bereiken (Jeroen Wielaert, onverstaanbaar door een krakend mobiel telefoontje). Fabian Cancellara won die Rotterdamse proloog, maar ik heb de apotheose niet eens afgewacht, zo veel medelijden had ik op zeker moment met mijn verzopen zelf. Jammer ook voor Rotterdam. Net te vroeg gepiekt.

 

Want in Utrecht, dames en heren, gaat op 4 juli de zon schijnen, dan regent het zonnestralen! Is geregeld. Is besteld. Onderonsje van Jeroen met Onze-Lieve-Heer. En bestenentafeld op zijn Wielaerts: gewoon op een bierviltje. Van woensdag 1 tot en met zondag 5 juli overdag temperaturen variërend van 21 tot en met 23 graden. Nachttemperatuur zakt niet onder de 14 graden. Kans op neerslag 0%, windkracht tussen 2 en 3. Een briesje om het aangenaam te houden.

Het grand départ van de Tour de France 2015, dames en heren, zal schitterend zijn. Utrecht, badend in de zon, gedurende een halve week de hoofdstad van de wereld. En dat is allemaal ontstaan op twee bierviltjes die Jan Fokkens en Jeroen Wielaert op 5 januari 2002 in Café de Vooghel hebben volgekrabbeld.

Allicht moest er ook een boek komen over de vervulling van deze immense jongensdroom. Dat boek presenteren we hier vanmiddag. Dat boek heet De Tour van Utrecht. De trots van een grote kleine stad. (‘Une ville superbe,’ aldus Tourdirecteur Christian Prudhomme).

En daar komt nog bij dat de grote woordenschilder Wielaert met De Tour van Utrecht in feite zijn wielertriptiek voltooit. Het grote middenpaneel daarvan was en is toch wel Het Frankrijk van de Tour, een titel zonder welke De Tour van Utrecht (ik bedoel nu: het boek) er ook echt nooit geweest was. Het linker paneel werd al gevormd door het schitterende Het Vlaanderen van de Ronde, over het decor van de klassieker die volgend jaar honderd wordt, dat wil zeggen: zijn honderdste aflevering krijgt.

 

We herinneren het ons vast allemaal nog. Die weersvoorspelling kwam uit. Het was grandioos, méér dan grandioos weer. Dagenlang, van de ploegenvoorstelling op donderdag in Park Lepelenburg tot en met het vertrek uit Utrecht op zondag nadien, regende het zonnestralen en was het zo zomers als in de mooiste herinneringen van de mensen. Tot en met het vertrek uit de stad! De gemeentegrens was nog niet goed en wel gepasseerd of donkere wolken pakten zich samen om vervolgens het groene hart, Rotterdam en omstreken, de Zeeuwse kust en het wielerpeloton te teisteren met wind, slagregens en hagelbuien die het klassement al na één dag volledig op zijn kop zetten.

Woensdag 1 tot zondagmiddag 5 juli waren precies zoals ik het voorspeld had. Niet mijn verdienste, maar de ervaringswetenschap dat het met Jeroen Wiel’s (de Groene Leeuw) in de buurt altijd zon en altijd zondag is. Weet ook Christian Prudhomme. Die vond het grand départ in Utrecht zo tout à fait inoubliable dat hij al gezegd schijnt te hebben dat Utrecht wat hem betreft in 2025 opnieuw het toneel van de Tourstart mag zijn.

 

Utrecht, 1 tot en met 5 juli 2015. Vijf dagen waarop ik gelukkig was. Gelukkig als een kind tijdens een eindeloze zomervakantie. Daarna sloeg het weer om in mijn leven en brak er een lange periode aan van wisselvallig en slecht weer. Ik ben blij dat het wielervoorjaar weer in alle hevigheid is losgebarsten

 

.

Advertenties

Eeuwig laverend tussen klucht en tragedie. Jaren met Eriek Verpale

In de ochtend van 10 augustus 2015 werd Eriek Verpale dood in zijn bed aangetroffen door zijn werkster. Hoewel er al ruim tien jaar niets van enige betekenis van hem was verschenen, werd zowel in Vlaanderen als in Nederland uitvoerig stilgestaan bij zijn overlijden. Een groot verlies, een veel te vroeg gestorven schrijver die geldt als een van de meest interessante en eigenzinnige Vlaamse schrijvers van de afgelopen decennia – dat was de algemene teneur. Het overgrote deel van zijn oeuvre – vanaf Alles in het klein (1990), het boek waarmee hij doorbrak naar een breed publiek en de NCR Literair binnenhaalde – verscheen bij De Arbeiderspers.

Op 2 februari 2016, de dag waarop hij zijn vierenzestigste verjaardag zou hebben gevierd, werd – op initiatief van Jan Haerynck, Bob de Moor en Luuk Gruwez – in een volle Minardschouwburg in Gent een hommage aan Eriek Verpale gebracht. Met optredens van, behalve genoemde initiatiefnemers, Maarten Inghels, Lieven Tavernier, Georges Wildemeersch, Chantal Pattyn, Pjeroo Roobjee, Michiel Hendryckx en Pascal Verbeken, en gepresenteerd door Katelijne Boon van radio Klara. Ook mij, zijn redacteur vanaf 1995, werd gevraagd een bijdrage te leveren. Het verhaal hieronder is daarvan de uitgebreide versie.

 

*

 

Het zal wel komen door het denkbeeld van die ewige Wiederkehr des Gleichen dat ik erom had durven wedden dat de volgende gevleugelde uitspraak er een van Friedrich Nietzsche is: Alles gebeurt altijd twee keer. De eerste keer als tragedie. De tweede keer als klucht.

Niet dus, niet van Nietzsche. De uitspraak komt van zijn compatriot, voorloper en collega-denker Georg Wilhelm Friedrich Hegel. Althans de eerste regel. En het was nóg een Duitser, Karl Marx, die er de schampere rest op liet volgen: ja, de eerste keer als tragedie en de tweede keer als klucht. De uitspraak schoot me te binnen toen ik nadacht over de vriendschappelijke band en innige werkrelatie die ik tussen begin 1993 en eind 2005 – zo’n twaalf jaar – heb gehad met Eriek Verpale. Ik heb hem in die periode vele tientallen malen ontmoet en we hebben honderden brieven en mails gewisseld. Voor nu beperk ik me tot ons eerste en ons laatste (althans laatste langdurige) treffen.

De eerste keer was begin februari 1993, een paar maanden nadat hij voor Alles in het klein de prestigieuze NCR Literair had gewonnen. Ik werkte als literair journalist voor Vrij Nederland en reed met fotograaf Hans van den Bogaard (die dag tevens chauffeur) naar Zelzate/De Katte om er Eriek Verpale in zijn habitat te interviewen over zijn plotseling gevierd schrijverschap. Hij werkte toen nog als receptionist in een van de chemische fabrieken in Zelzate. We gingen vroeg op weg, het was koud en winters, en dat was maar goed ook want dat bood onze gastheer het uitgelezen excuus ons niet alleen warm welkom te heten maar ook vivacissimo de kurk van de fles te halen en zonder verder dralen een borrel in te schenken. Deze handeling werd nog diverse malen herhaald gedurende die vroege middag. Dat is allemaal niet in het interview terechtgekomen dat op 13 februari 1993 in Vrij Nederland verscheen, maar het volgende wel: ‘Of we er een rustig gesprek van willen maken, vraagt hij. En niet te veel lachen, want hij heeft een paar ribben gekneusd. Lachen doet vandaag pijn. Gisteren met vriend Luuk Gruwez (met wie hij samen Onder vier ogen geschreven heeft) een interview gehad voor de Gazet van Antwerpen. Er moest een foto gemaakt worden. “Allez Verpalle, klim bij Gruwez in de nek. Dat maakt een mooi portret.” Maar Gruwez verliest het evenwicht en Verpalle valt, bam, met zijn volle gewicht tegen een plantenbak.’ Het fragment sluit af met de zinnen: ‘Nu ligt hij opnieuw in een deuk, schaterend, de pijn verbijtend. Die deuk is veelzeggend. Het is de dubbelzinnige houding van iemand die een gekneusd leven door humor draaglijk probeert te maken.’

In genoemd interview naar aanleiding van dat schitterende Alles in het klein (een sterk gemythologiseerde autobiografie in romanvorm, opgetrokken uit enerzijds brieven en anderzijds verhalen en dagboekbladen) ging het nog over veel meer. Over De Katte (het westelijke deel van Zelzate waar hij toen woonde en waar Alles in het klein zich afspeelt), over zijn huis en de aldaar aanwezige boeken en parafernalia, over zijn moeizame schrijversloopbaan, over het ontstaan van het boek (dat hij ook sterk aan de redactionele diensten van zijn literaire vrienden Luuk Gruwez en Benno Barnard dankte), over de sociale status van het schrijverschap, over zijn zogenaamde Joodse achtergrond (een grotendeels verzonnen identiteit die ik toen in het geheel niet in twijfel trok), over taalverschillen en het wezen van humor en verdriet.

Zeer uitgebreid spraken we over de doordachte structuur van het boek. Ik was nog niet zo lang daarvoor (eind jaren tachtig) afgestudeerd op E. du Perron en had onthouden dat diens autobiografische roman Het land van herkomst een zogeheten zandloperstructuur kent. Die interpretatie kwam van J.J. Oversteegen (auteur van het baanbrekende boek Vorm of vent en zelf – naar de naam van het gezaghebbende letterkundige tijdschrift Merlyn – merlynist, dat wil zeggen close reader, van het eerste uur. Zandloperstructuur, dat hield in dit geval in dat alles wat in het eerste deel aan de orde komt, in het tweede deel (nadat al het tekstmateriaal als zand door het smalle middenrif van de gekozen vorm is gelopen) terugkomt op een anders georganiseerde manier. Zo was dat in die roman van Du Perron, en ik meende in Alles in het klein eenzelfde structuur te hebben ontdekt, iets wat ik met een zekere wijsneuzigheid aan hem voorlegde. Maar mijn observatie bleek niet op inlegkunde te stoelen. Eriek was bijzonder opgetogen dat het nu eindelijk gezien was, dat het niet onopgemerkt was gebleven. Zoiets had hij inderdaad bedoeld: ‘Het moest een dwingende vorm krijgen. Daarop bedacht ik dat ik het zou kunnen structureren als een liggende acht, als de lemniscaat van Bernoulli. Degenen die in de verhalen een hoofdrol spelen, figureren zijdelings in het brievendeel en omgekeerd. En tussen de twee helften van de acht ligt de tijdslijn. Zo begint Alles in het klein met een verhaal dat bijna helemaal gewijd is aan mijn Jiddische overgrootmoeder. In de brieven wordt zij nog maar af en toe genoemd. Andersom komt de geschiedenis met Boes, waarvan de lezer aanvankelijk alleen maar kan vermoeden dat het een ex-vriendin is, pas in het tweede deel aan bod. Er moest een ontwikkeling in zitten, en elk radertje moest twee keer voorkomen. Niets bestaat dat niet iets anders aanraakt, heeft Jeroen Brouwers gezegd.’

 

Halverwege 1995 nam ik afscheid van de literaire journalistiek en ging ik als redacteur aan de slag bij De Arbeiderspers. En in die hoedanigheid werd ik de redacteur van Eriek Verpale. Achteraf kan je zeggen: dat was midden in zijn meest productieve periode. Want na Alles in het klein, Onder vier ogen, Olivetti 82 en de dichtbundel Nachten van Beiroet verschenen in een behoorlijk snel tempo de boeken die ik tot mijn immense genoegen mede tot stand heb helpen komen: Gitta, De patatten zijn geschild, Grasland en Katse nachten. Maar na die laatste schitterende roman, verschenen in 2000 en nog genomineerd voor de ECI-prijs voor Schrijvers van Nu, kwam de klad erin.

Misschien veranderde er in korte tijd te veel in zijn leven. Hij gaf zijn baan als receptionist op om zich volledig aan het schrijven te kunnen wijden, trouwde opnieuw, verhuisde naar Lebbeke om er in een zeer burgerlijke omgeving een ogenschijnlijk uiterst aangeharkt bestaan te leiden. Maar de schijn bedroog. Ongetwijfeld zal Koning Alcohol toen al een verwoestende invloed hebben gehad op Erieks schrijversdiscipline, maar feit was dat er nauwelijks nog iets uit zijn handen kwam. Spa Rood bleef het spookboek dat het al jaren was, ondanks de vele kisten notities en documenten die er de grondslag voor hadden moeten vormen en die ik met eigen ogen heb gezien.

In een uiterste poging om een vastgelopen schrijverschap vlot te trekken toog ik op een pikdonkere decemberochtend in 2005 in gezelschap van de speciaal hiervoor aangetrokken redacteur Edwin Krijgsman naar Ertvelde, waar Eriek na zijn scheiding van Kristel was neergestreken in een kolossale boerderij die om hem heen hing als de badjas van een zwaargewichtbokser om een kabouter. Rillend van de winterkou arriveerden we tegen tienen na natte sneeuw, hagel en woeste windvlagen te hebben getrotseerd. Het was wel duidelijk dat er door de omstandigheden al een paar waren (nou vooruit: maak daar maar drie van) die ernstig aan een opwarmertje toe waren. Enfin, de fles stond al op tafel en de kurk was er in een ommezien vanaf. Net als in 1993 in Zelzate werden de diverse handelingen die glazen vol doen raken bij herhaling verricht.

Eriek was toen al jaren in de weer om van allerlei notities en autobiografisch materiaal (brieven, dagboeken, krantenstukken) een boek te maken, maar niets lukte meer. Edwin Krijgsman zou door de extra aandacht die hij kon geven misschien in staat zijn om (net als Luuk Gruwez en Benno Barnard destijds in het geval van Alles in het klein) dat boek op te dreggen als een drenkeling uit een meurend moeras. Maar Krijgsman werd al spoedig getrakteerd op dezelfde jeremiades en uitvluchten waarmee ik en in die tijd ongetwijfeld ook vele anderen het bos in werden gestuurd.

Eriek Verpale was een mission impossible geworden. Er was in die jaren ook altijd wel iets dat hem van het schrijven afhield: onenigheden met zijn Kristelbeest, luidruchtige grasmaaiers die hem zozeer tot wanhoop dreven dat hij een kapitaal uitgaf om zijn werkzolder te laten betimmeren en isoleren, lichamelijk ongerief van zeer uiteenlopende aard, en glaszuivere pech van panne tot vingers tussen de deur. En toen hij na een zoveelste in gezamenlijkheid afgesproken deadline niet meer dan een stapel krantencolumns aanleverde, was voor mij de maat vol. Het is jammer dat ik de brief die ik hem toen geschreven heb (waarschijnlijk ergens tussen nazomer 2006 en voorjaar 2007) kwijt ben. Maar de strekking ervan herinner ik me nog levendig. Ik schreef iets in de geest van: als je wilt dat onze rol, zoals Herman de Coninck de activiteiten van zijn uitgevers ooit omschreef in een ironische boutade aan van hen, er alleen uit bestaat een kaftje om een willekeurige portie kopij te leggen, dan doen we dat. Maar als jij je schrijverschap en ons serieus neemt moet je dit materiaal als niet verstuurd beschouwen en nog eens opnieuw beginnen.

Toen was Eriek boos, zij het voor maar even, en waarschijnlijk ook omdat hij wel inzag dat De Arbeiderspers au fond gelijk had. Maar er kwam geen boek meer. Er waren nog wat korte en vluchtige ontmoetingen, er waren nog wat bedankjes en uitwisselingen van beleefdheden, maar onze vriendschap leed een kwijnend bestaan en kwam tragisch noch kluchtig maar zacht jankend aan zijn einde.

De laatste mail die ik van hem heb kunnen terugvinden is het antwoord op een uitnodiging om eind februari 2008 in Brugge de presentatie bij te wonen van de bundel Lagerwal van Luuk Gruwez. Blijkbaar hadden we toen al geruime tijd geen contact meer gehad, want ik schreef hem: ‘Ik weet van deze en gene (o.a. van onze goede vriend Gruwee) dat je nog leeft – en dat is maar goed ook. Want dood zijn kun je nog lang genoeg. Wat denk je: ga je morgen naar Brugge voor de presentatie van Luuks […] bundel? In dat geval zou ik het genoegen smaken je na al die tijd (anderhalf jaar?) weer eens te zien? Enfin, ik ben benieuwd. En als je niet komt, ben ik ook benieuwd. Naar hoe ’t met je gaat bijvoorbeeld.’

‘Dag Peter,’ antwoordde hij, ‘hartelijk dank voor onderstaande mail. Ik moet mij helaas verontschuldigen (geen vervoer) maar heb daar zowel Luuk als Chris [Boudewijns] en ook de Brugse boekhandel reeds van op de hoogte gebracht. Het gaat mij verder niet zo erg goed maar probeer er op de een of andere manier toch mijn hoofd recht te houden. Medio maart – als ik wat meer zicht heb op de structuur van mijn nieuwe boek – neem ik contact met je op.’ Daarvan is, zover ik me herinner, niets meer terechtgekomen.

Het bericht van zijn dood, mij op vakantie ver weg in Zuid-Spanje geannonceerd door Luuk Gruwez, schokte me. Ik had hem graag nog eens ontmoet en gesproken. Ik had graag nog een nieuw boek van hem uitgegeven. En omdat we ons bij De Arbeiderspers realiseerden dat dit nooit meer zou gaan gebeuren, konden we niet anders dan dat oude meesterwerk van hem nog eens een nieuwe generatie lezers gunnen. Die klassieker van hem, Alles in het klein, die we nog heel lang voorhanden willen laten blijven en die hopelijk de weg baant voor nog meer van Verpale. Het doet mij plezier dat we Alles in het klein met een nieuw omslag van Steven van der Gaauw hebben heruitgegeven. Daarop twee lemniscaten van Bernoulli, één in groen en één in rood. Twee keer de tijd opgeheven, twee keer dat symbool van eeuwigheid. Eén lemniscaat voor het tragische en eentje voor de klucht.

 

Verpale_Alles_in_het klein_3D_klein

 

 

 

 

Blog op WordPress.com.

Omhoog ↑