tHart Dienstreisopm[Deze tekst werd uitgesproken bij de verschijning van Gerbrand Bakkers Jasper en zijn knecht. Het boek werd gepresenteerd op vrijdag 27 mei op het Spui tijdens een gezamenlijke manifestatie van Athenaeum Boekhandel en De Arbeiderspers om het 50-jarig jubileum van de boekhandel en van de reeks Privé-domein te vieren.]

In Privé-domein 287, een nummer dat voor eeuwig zal toebehoren aan Jasper en zijn knecht van Gerbrand Bakker, gaat het welbeschouwd voortdurend over verhoudingen. Over machtsverhoudingen, over relaties waarin sprake is van afhankelijkheid van de een ten opzichte van de ander.

Ergens in dit boek – het is een treffend stukje, we hebben het ook in onze catalogus geciteerd – schrijft hij: ‘Na tweeënhalf jaar had mijn therapeut er – ik overdrijf iets – een gewoonte van gemaakt om meteen maar in slaap te vallen als ik binnenkwam. Ik ben totaal niet interessant, dacht ik. Er is feitelijk niets met me aan de hand, waarom zou hij anders steeds wegzakken? Maar het belangrijkste wat ik dacht was: ik moet het zelf doen. Ik moet het alleen doen. Dat betekende het einde van de gedragstherapie. Alles alleen doen. Niemand kan je helpen.’

Jasper en zijn knecht is een boek over feodale verhoudingen – zeker ook waar het gaat om de perverse relatie tussen hofhond en heer, waarover later meer –, en in Gerbrands zelfaansporing het alleen te doen zit ook een bevrijding, een doorbreken van de machtsstructuren.

 

Van de ene gedachte komt de andere. Feodale verhoudingen – die zijn niet alleen manifest in dit boek van Gerbrand Bakker, ze vormen ook, op een bepaalde manier hoofs verfijnd en geperverteerd, de basis van de uitgeefwereld met al zijn erecodes. Erecodes die soms wel lijken te zijn uitgevonden om voortdurend met voeten te worden getreden.

Zo behoort het – de hemel zij dank – nog steeds tot het ongeschreven herenfatsoen dat uitgevers geen schrijvers bij elkaar wegkapen. Maar het ongeschreven fatsoen is iets heel anders dan de ongebreidelde praktijk. De ongebreidelde praktijk is namelijk dat uitgevende edellieden als roofridders hoog te paard, maar wel bij nacht en ontij opdat niemand het kan waarnemen, op strooptocht gaan om de meest begeerde auteurs uit de stallen van concurrerende uitgeverijen weg te lokken. De grootste boeven zijn nog wel diegenen die bij hoog en laag beweren dat ze geen roofridders zijn en dat de paradepaardjes van de concurrent op eigen beweging en in bedachtzame telgang de stoeterij van het nieuwe huis zijn komen binnentrappelen.

Jaja, maak dat de kat maar wijs. Zulke lui leer je hun streken niet af. Die moeten op zeker moment gewoon met emeritaat gestuurd worden en als ze zich zelfs daar niets van willen aantrekken, zit er niets anders op dan geduldig te wachten op een langzame uitdoving.

Die mores zal je zo snel nog niet aantreffen bij het nobele volk van De Arbeiderspers. Als we tenminste een voormalige uitgever van dat chique huis op zijn woord mogen geloven. In een Privé-domeintje hors concours, de door Onno Blom opgetekende herinneringen van die uitgever getiteld De conversationalist. Insulaire gesprekken met gentleman en ex-uitgever Theo Sontrop, zegt deze het volgende: ‘Het is algemeen bekend dat er geen goedlopende auteur in Nederland is die geen brief van Mai Spijkers heeft gekregen met “oneetbare voorstellen” over hogere voorschotten en royalty’s. En dan heb ik het nog niet over zijn trucs en gedeal met buitenlandse agenten om buitenlandse auteurs bij een ander weg te plukken. Hetzelfde deed Robbert Ammerlaan later bij De Bezige Bij. Ook al zo’n roofridder. Zulk gedrag vond in de jaren zeventig nog niet plaats.’

 

Het is fijn om onze traditie van morele superioriteit zo glashelder en onomstreden uitgeserveerd te zien in een literair werk waar de waarheid en ook niets dan de waarheid in kan worden aangetroffen. Maar wij van De Arbeiderspers hebben ook gemakkelijk praten. Wij hebben immers de serie Privé-domein. De geheime kabinetten van deze vrijplaats biedt auteurs al een halve eeuw de gelegenheid om vreemd te gaan zonder dat dit als vreemdgaan wordt gezien. Wij lenen een auteur van een andere uitgeverij hoogstens een poosje opdat die zijn ding kan doen in een precieuze en unieke omgeving die werkelijk nergens anders bestaat. Veel schrijvers vinden het nu eenmaal een enorme eer om deel te mogen uitmaken van dit autobiografische walhalla waardoor je – eenmaal opgenomen – deel uitmaakt van een familie waartoe ook Nietzsche en Thomas Mann, Flaubert en Proust, Pessoa en Malaparte, Nooteboom en ’t Hart, Orwell en Plath, Belle van Zuylen en de gezusters Brontë behoren.

In het verleden maakten om die reden schrijvers als Ronald Giphart, Jean-Paul Franssens, Adriaan Morriën en A.F.Th. van der Heijden uitstapjes of een overstap naar De Arbeiderspers. Al ging het in dat laatste geval niet zonder slag of stoot. Toen ik Adri van der Heijden, wetende dat hij voor ons graag een Privé-domein zou willen schrijven (en nog wel de 250e ook), per brief formeel uitnodigde om zulks te doen, kwam dat zijn uitgever al snel ter ore. De toenmalige IJzeren Dame van Querido was niet bijster geamuseerd met dit initiatief. Die ontbood mij op heur directiekamer en daar liet Freule Lidewijde Paris van Stootwegen mij vervolgens alle spreekwoordelijke hoeken van de kamer zien onder het uiten van verwensingen in bewoordingen die nauwelijks als hoofs of geciviliseerd kunnen worden omschreven.

Jaren eerder had Ronald Dietz, de gewezen uitgever van AP (toch beslist geen watje en in zekere zin ook geen heer met een hoofdletter H), al eens een andere strategie gevoerd. Hij dacht de koninklijke weg te bewandelen door Harry Mulisch via diens uitgever te vragen om een Privé-domein. Een faux pas. Baron van Ammerlaan thoe Ammerlaan haalde subiet de valbrug van het Bezige Bijfort op en aan die actie wijten we het treurige feit dat Harry Mulisch (die eigenlijk helemaal niet onwelwillend tegenover een bijdrage in Privé-domein scheen te staan) niet al bij leven en welzijn in de reeks vereeuwigd is geworden.

Uit deze twee voorbeelden leren we dat de koninklijke weg niet altijd de juiste is en dat de boksring, ook als je er knock-out lijkt te zijn geslagen, soms wel degelijk de juiste plek is, want die 250e Privé-domein van Van der Heijden kwam er.

 

Maar er is dus ook nog een derde weg. En dat is de weg van de minste weerstand. Dat is de weg van Gerbrand Bakker, en dan in de versie waarin de auteur zelf zich meldde. Laten we het er maar op houden dat het in ons belang is die versie met allure uit te dragen. Dus: het was Gerbrand die ons benaderde en niet andersom. En het was op een dag, in Leiden, waarop ik de heer (ik bedoel zijn hond) en zijn knecht (ik bedoel Gerbrand) al meteen samen ontmoette in een voor de knecht uiterst penibele situatie tijdens de presentatie van Pauline Slots boek De hond als medemens.

Gerbrand vertelde bij die gelegenheid, tenminste zolang hond Jasper hem toestond het woord te voeren, dat hij graag een autobiografisch boek wilde schrijven over zijn huis in de Duitse Eifel en over zijn nieuwe gezelschap dat maar niet wilde luisteren naar de naam Jasper. Dat boek zou nergens beter dan in de reeks Privé-domein passen en daarom zou hij graag een uitstapje willen maken van zijn vaste uitgever Cossee naar ons. En zo geschiedde het, zonder de minste wanklank tussen de beide uitgevers, en zo kan het dus ook.

Dat boek – het is er nu – gaat over veel meer dan de Eifel en Jasper. Het gaat ook al heel snel over het eigen verleden en is als zodanig ook een bevrijdende reflectie op dat soms benauwende en in elk geval vaak enerverende verleden. En bovendien bevrijdt het boek hem, terwijl hij aan het schrijven slaat, van de afkeer die hij van het schrijven had gekregen.

Een feodaal boek is het dus ook. Een boek over een hond die zijn baas domineert en koeioneert. Als Jasper heeft geweigerd om mee naar buiten te gaan en vervolgens binnen zijn plas laat lopen: ‘Mogelijk zijn we weer eens in een nieuwe fase in onze relatie beland. Hoe dan ook: ik zat nog voor het ontbijt op mijn knieën de pis op te dweilen terwijl de Chef op zijn bank lag, me af en toe wat schimmelig aankeek, maar vooral met een blik die zei dat hij hier helemaal niets mee te maken had.’

We herinneren ons Gerbrand Bakkers aan het begin van mijn verhaal geciteerde uitspraak: ‘Ik moet het alleen doen.’ Welnu, hij zal het inderdaad alleen moeten doen, want zijn Heer (zijn hond) is hem ontvallen. Die ontviel hem kort na de voltooiing van dit boek, waardoor dit boek een wrange epiloog moest krijgen waarin geschreven wordt over een bevrijding die pijnlijker is dan de knechting van daarvoor.

Makkelijker kunnen we het ten slotte niet maken, maar mooier was het gelukkig al. Jasper en zijn knecht: een heel mooi boek.