Zoeken

Nijssen Schrijft

De weblog van Peter Nijssen

Maand

november 2016

Iets tussen twee tonen in / Over ‘Het valse seizoen’ van Christiaan Weijts

Maandag 28 november werd in Boekhandel Paagman, Frederik Hendriklaan Den Haag, de nieuwe roman van Christiaan Weijts, Het valse seizoen gepresenteerd. Maarten Dessing interviewde de auteur en een internationaal kwartet jonge musici van het Koninklijk Conservatorium (een Litouwse, een Nederlandse, een Russische en een Griekse) speelde Beethoven en Haydn. Zelf maakte ik van de gelegenheid gebruik in te gaan op de al voor de verschijning van het boek gepubliceerde kritieken in een aantal kranten.

weijtshet-valse-seizoenvvh9789029505215

Niet dat ik anders verwacht had, maar het deed mij plezier om te zien dat Het valse seizoen van Christiaan Weijts dit weekend al in diverse gezaghebbende kranten uitgebreid besproken werd nog voor het officieel verschenen was. Want voor alle duidelijkheid: die plechtigheid voltrekt zich hier en nu. Zulke mediagretigheid is een indicatie dat Weijts gezien wordt als een belangrijk schrijver – eentje wiens nieuwe werk men niet wekenlang ongelezen laat liggen.

De keerzijde is dat ik mij, gezien de kritische kanttekeningen die twee recensenten maakten in overigens allerminst negatieve, ja zelfs behartigenswaardige stukken, gedwongen voel te citeren uit een mailwisseling met Christiaan Weijts van een paar weken geleden naar aanleiding van een artikel van hem over onbegrepen ironie in de zaterdagbijlage Opinie & Debat in NRC Handelsblad.

‘Over ironie gesproken,’ schreef ik hem, ‘bij mij thuis wordt beneden televisiegekeken. Iedere avond toch wel. Ik zit meestal boven op zolder (mijn werkkamer) en daal af en toe de twee trappen af voor koffie, water of wijn om dan staande, vijf minuten lang, commentaar te leveren op wat de treurbuis weer allemaal voor twijfelachtigs te bieden heeft. Ik doe dat meestal op de geacteerde toon van een oude zeurkous (denk Maarten van Rossem), maar dat dan toch vooral om het nog iets vetter aan te zetten. (Want anders worden ze echt boos op me, de kinders en soms ook vrouwlief.) Afgelopen donderdag stond ik daar even in mijn mok te roeren terwijl Expeditie Robinson werd uitgezonden (aflevering 33b, vermoed ik). Ik kijk dat een paar minuten zwijgend aan en richt vervolgens mijn blik op zoon Derek (veertien jaar) met de vraag: “En – wie denk jij nu dat de mol is?” (Ik heb uit jouw stuk, Christiaan, geleerd dat we in zo’n geval te maken hebben met het ironische stijlmiddel van de geveinsde onwetendheid, en dat is ook de Griekse etymologie van het woord.) Heel even kijkt Derek me verbouwereerd aan, maar meteen daarop volgt het weerwoord: “Kijk, kijk, mama!” roept hij terwijl hij een priemende vinger naar me uitsteekt. “Hij staat weer achter zijn vuistje om zijn eigen grapjes te gniffelen!” Ze hebben me door, Christiaan. Kortom: het wordt tijd voor een next level.’

Al is dat doorhebben in dit geval nu juist belangrijk, want ironie werkt eigenlijk alleen maar als er een pact bestaat tussen zender en ontvanger.

Goed, laten we de zaken eens even op een rijtje zetten. Zes eerdere boeken schreef Christiaan Weijts. In chronologische volgorde: Art. 285b (een roman), Via Cappello 23 (een roman), De etaleur (een dansnovelle), Euforie (een omvangrijke roman), Achternamiddagen (een verzameling opstellen en essays) en De linkshandigen (een korte roman). Het is niet zo moeilijk om die boeken van muzikale genreaanduidingen te voorzien: een sonate, een symfonische voorstudie, een verzameling etudes en scherzo’s, een rapsodie in de vorm van een road novel.

Maar de zevende van Christiaan Weijts is onomstotelijk een heuse symfonie. Vanwege de lengte, de complexiteit én de ambitie. Dit is een roman waarin nogal wat wordt omgewoeld en polyfoon met elkaar in verband gebracht. Vrijdagavond zat Weijts in het Radio 1-programma Kunststof voor een (meer dan onderhoudend, zo nu dan elektriserend) gesprek van een uur met Petra Possel. De redactie heeft de gewoonte (zo weet ik, omdat er eerder auteurs van ons in dat programma gezeten hebben) om in het geval van een schrijver een voorgesprek te hebben met de betreffende redacteur. En zo’n beetje de eerste vraag die mij werd voorgelegd, was of ik het werk van Christiaan Weijts wilde kenschetsen. Nou, antwoordde ik, in een boek van hem is een al dan niet problematische liefdesrelatie meestal de stuwende kracht. Je kunt ook zeggen: de liefde vormt het verhalende aspect. Maar bij Weijts is dat nooit het enige. Dat liefdesverhaal wordt altijd gelardeerd met beschouwing, met verwijzing naar andere schrijvers en filosofen, met reflectie op wereld en kunst (heel vaak muziek). En in Het valse seizoen wordt er nog veel meer uit de kast getrokken en is er zelfs nog een tweede plotlijn rondom wat zich afspeelde tijdens een zomerklas met jonge musici, zo’n kleine twintig jaar eerder.

Rob Schouten formuleerde het in zijn zeer lovende recensie in Trouw afgelopen zaterdag puntiger en geestiger: ‘Zijn romans gaan over muziek en meisjes, steeds opnieuw, mooie muziek en mooie meisjes die hij met zijn elegante pen de hemel en soms de hel in schrijft.’

Ook in Het valse seizoen weer – en dat kwam hem in de Volkskrant, waar Persis Bekkering het boek besprak, op een soort van indirecte reprimande te staan. Ook zij signaleert dat elke roman van Christiaan Weijts ‘oneerbiedig gesproken […] ongeveer dezelfde ingrediënten’ bevat. Ze eindigt haar opsomming met deze zin: ‘Dan hebben we nog een ernstig geval van een madonna-hoercomplex, een verdwenen viool, een onbekende dochter en meer familiegeheimen’. En dat alles leidt dan weer tot de volgende conclusie: ‘Je ziet de apollinische schrijver zwoegen aan zijn bureau, fantaserend over passie en verborgen extase, duisternis en razernij. Alleen zijn pen heeft het doorleefd.’

Dat laatste moet wel onbedoeld dubbelzinnig zijn, want het is duidelijk dat de Volkskrant de auteur in kwestie verwijt dat hij kenmerken van een kamergeleerde vertoont, maar wie Christiaan Weijts kent weet dondersgoed dat hij dat in zeer veel opzichten niet is en dat hij ook bepaald geen zwoegende schrijver is. Opvallend genoeg komt Toef Jaeger in haar kritiek in de NRC Handelsblad dicht in de buurt van de Volkskrant-teneur. In beide stukken is sprake van bewondering voor de bezieldheid en het intellect waarmee Christiaan Weijts schrijft, maar Jaeger sluit af met deze woorden: ‘Het valse seizoen is vakwerk, maar omwille van de kunst zou Weijts het verstand af en toe iets meer op nul mogen zetten.’ De alinea waarmee Rob Schouten afsluit luidt als volgt: ‘Het valse seizoen is daarmee een rijke, klassieke roman, die aan grootmeesters als Thomas Mann en Simon Vestdijk doet denken, ver van alle populistische behaagzucht. Geen music for the millions, maar misschien wel voor een uitgelezen schare.’

Als je het allemaal een beetje bij elkaar probeert op te tellen dan zie je een auteur op een voetstuk neergezet worden waarna met een zekere verbazing wordt geconstateerd dat er sprake is van distantie. Die meneer op dat voetstuk is een estheet, een ouderwetse representant van de hoge cultuur en een man met een atavistisch vrouwbeeld. Maar wie distantieert zich van wie?

Degenen die Christiaan Weijts een beetje volgen op de journalistieke podia waar hij zich met regelmaat laat zien, weten dat zijn ivoren toren hooguit een romantische illusie is. Inmiddels al jaren betoont hij zich in De Groene Amsterdammer en NRC Handelsblad een columnist die een adelaarsoog heeft voor alles wat er (in de wereld en zeker ook in zijn directe omgeving tot aan de huiselijke kring toe) om hem heen gebeurt, en ook voor allerlei verschijnselen en gebeurtenissen die niet meteen als highbrow ingekaderd kunnen worden, of zelfs juist niet. De laatste tijd trekt hij voor zijn NRC-column zelfs de wijken in. Paradoxaal genoeg huldigt Ilja Leonard Pfeijffer (vriend en in heel wat opzichten geestverwant van Weijts) als uitgesproken linkse columnist veel meer uitgesproken elitaire (anti-volkse) opvattingen dan Christiaan Weijts. Die laatste houdt zich als het om zijn politieke of maatschappelijke standpunten gaat meer op de vlakte. Weijts is een flaneur, een geamuseerde toeschouwer, een ironisch schrijver – en vooral om dat laatste gaat het mij hier.

In genoemd opiniestuk (‘De smiley is het betonrot in onze ironie’) van twee weken geleden in de NRC schreef hij: ‘Hoe vet moet een knipoog zijn om nog te worden opgemerkt? In de gaarkeukens van opiniërend Nederland wemelt het van onbegrepen ironie.’ Hij signaleert hoe problematisch – zéker op sociale media – ironisch taalgebruik is geworden: ‘We lijken ironie alleen nog maar te accepteren als die duidelijk gemarkeerd is. De Speld, Arjen Lubach en Lucky TV zijn mateloos populair, maar probeer maar eens satire te bedrijven buiten die zwaar door markering beveiligde ironische enclaves. Probeer maar eens een ironisch zinnetje te sms’en zonder 😉 erachter te typen. Dat kost je vrienden. En misschien zelfs je relatie.’

En je kunt ook zeggen: probeer maar eens een roman te schrijven zonder elke ironische passage van expliciete tekens sprake is van ironie of dubbelzinnigheid of van iets tussen schijn en wezen, iets tussen twee tonen in. Wat ik in de recensies miste is het besef dat ook in Het valse seizoen – neem alleen al de titel – de ironie, zij het op een fijnzinnige, weinig uitgesproken manier, alomtegenwoordig is. In de tirades vol hyperbolisch cynisme van het personage Pablo Sleedoorn, in de schildering van de manier waarop de leden van het Corretto Kwartet met elkaar omgaan, in de krankzinnige verwikkelingen op de namaak-Titanic waar de drie stemmen uit dit boek elkaar letterlijk treffen, en ook (zou ik denken) in de bijna dwaze, puberale manier waarop dertiger Camiel verliefd is op Nadège, de twee andere (tot ons) sprekende personages uit het boek.

Het valse seizoen is een boek over een strijkkwartet bestaande uit drie stemmen. En ik meen te weten dat het de intentie van de auteur is dat de lezer de vierde stem is. En wel op de manier van de componist Giuseppe Tartini, ontdekker van de combinatietoon, zoals wordt uitgelegd in een brief van Nadège: ‘Tartini’s toverkunst. Il terzo suono: twee snaren trillen en het oor maakt zelf een nieuwe klank halverwege. Jij schrijft mij in een taal die ik lang niet heb gehoord. Ik schrijf jou in een taal die ik lang niet heb gesproken en alleen stiekem las. En het oor maakt zelf een verhaal halverwege.’

Dat verhaal halverwege – dáár gaat het om. Daar ligt het werk (en de verbeelding) voor de lezer. Maar je zou misschien ook nog kunnen zeggen: daar zindert de ironische invulling.

In het NRC-stuk schrijft Christiaan: ‘In een ironische tekst zijn de uiteindelijke betekenis en het morele oordeel opgeschort, uitgesteld, en zo ontstaat er, tussen het teken en de betekenis, een ruimte waar andere wetten gelden, als op een podium. […] Echt zeker weet ik alleen dit: als we de subtiliteit van de ironische toonzetting missen, beroven we ons taalinstrument van zijn gulle meerstemmigheid. Het is alsof we een concertvleugel nog maar met één vingertje bespelen.’

Kortom: ook dat zogenaamde vrouwbeeld, die Schöngeist en dat onversneden intellectualisme van Christiaan zijn zaken die we gerust met een korreltje zout mogen nemen en die ergens halverwege de veronderstelde positie het zuiverst op zijn waarde worden geschat. En zelfs dan blijft het net ongrijpbaar, en voor mij maakt dat literatuur nou juist tot literatuur.

Misschien is er maar één ding in Het valse seizoen dat niet ironisch kan worden opgevat. En dat is de liefde voor de muziek die eruit spreekt. ‘Waarom, Nadège, ráákt de muziek?’ vraagt het personage Camiel zich ergens af. ‘Misschien wel hierom, in een wereld waarin alles onophoudelijk iets representeert, is muziek het enige wat niet verwijst, geen teken is, geen representatie.’

In de zuivere muziek (bijvoorbeeld in de intieme brieven van Leoš Janáček, een belangrijke inspiratiebron in deze brievenroman) houdt alle ironie op te bestaan. Het valse seizoen is veel meer dan een muziekroman, maar de muziek speelt er een rol in hors catégorie, zoals alleen muziek dat kan.

De eerstvolgende keer dat ik beneden in onze woonkamer huisvredebreuk pleeg door halverwege een aflevering van Expeditie Robinson of Holland’s Next Top Model binnen te vallen, zal ik niets zeggen maar de cd-speler aanzetten en keihard Brahms’ Ein Deutsches Requiem of zoiets aanzetten. Of is dat dan toch ironie? Is dat het ironische van de ironie?

weijtshet-valse-seizoenvvh9789029505215

Matchdays in Londen/Over voetbal zoals voetbal bedoeld is    

Donderdag 24 november werd bij boekhandel Dekker van de Vegt het voetbalboek Matchday! van Paul Baaijens gepresenteerd. Dit is de bewerkte tekst van mijn toespraak.

vdh9789029510103Ik moet tegenwoordig nogal eens in Nijmegen zijn. Niet alleen omdat mijn schoonzusje en haar gezin daar wonen, maar ook omdat er schrijvers resideren die bij De Arbeiderspers publiceren en weleens met een nieuw boek voor de dag komen dat dan in de stad ten doop gehouden wordt. Half september presenteerden we nog de nieuwe dichtbundel van Marijke Hanegraaf, Ergens slapen de anderen, in De Lindenberg (ook in nauwe samenwerking met boekhandel Dekker van de Vegt) en eind oktober vierden we in de Nijmeegse vestiging van Runner’s World de verschijning van Barbara Kerkhofs Hardlopen voor vrouwen.

Afgelopen zondag beleefde ik hier mijn eigen matchday omdat ik, niet voor het eerst, meedeed aan de Zevenheuvelenloop, samen met een aantal auteurs van De Arbeiderspers: Simon van Woerkom, Bram Bakker en Abdelkader Benali. Op de terugweg in de auto met Abdelkader en de snelle Mohammed Mohammadi kregen we het over de betaald voetbalclub in Nijmegen omdat via onze digitale media doorsijpelde dat die met 5-0 van Ajax had verloren.

‘Vorig jaar presteerde NEK nog zo geweldig,’ sprak een verbaasde Benali.

‘Pas op je woorden, Abdel,’ waarschuwde ik. ‘Dat horen ze in Nijmegen niet graag, dat jij over NEK praat als je het over hun club hebt.’

‘Nek, nek! Dèh’s m’n nek!’ hoorde ik zo’n Gofferthooligan eens, hard aan zijn clubsjaaltje sjorrend, uitroepen toen een onwetende (of onwetendheid voorwendende) passant dat woord in de mond nam terwijl hij toch duidelijk doelde op de roodgroenzwarte voetbalclub. ‘En-ee-cee, zèt hier,’ trommelde hij op zijn borstkas.

Hoe ernstig en primitief geuit ook: het blijft aandoenlijk, die onvoorwaardelijke, door dik en dun (en dus ook na een 5-0 nederlaag) beleden clubliefde die korte metten maakt met elke onorthodoxe opvatting of uiting, elke relativering van de heilige clubverering.

 

Terwijl ik in Nijmegen de zeven heuvels trotseerde was mijn zoon van veertien met een vriend van mij (die hij als een soort oom beschouwt) in Madrid. Voor niets anders dan een voetbalwedstrijd. Want daar werd afgelopen zaterdag de Madrileense klassieker gespeeld in een uitverkocht Estadio Vicente Calderón, de thuishaven van Atlético Madrid dat het dus moest opnemen tegen Real Madrid. Mijn zoon, van wie ik verder intens veel houd, behoort tot het meest verdorven en verachtelijk (en helaas ook meest voorkomend) soort voetbalsupporter dat ik maar ken. Hij was vroeger fan van Barcelona vanwege Messi. Daar kan ik nog inkomen. Hoe groot het geld ook daar is, dat is tenminste nog een club met iets van een sociaal hart, met een Catalaanse gedrevenheid die deels gegrond is op afkeer van de Spaanse hegemonie (staatkundig, cultureel en soms ook sportief), met een roemrijk Nederlands verleden en met voetballers (genoemde Messi, maar zeker ook iemand als Iniesta) die mijn sympathie hebben. Maar een paar jaar geleden heeft hij zich bekeerd tot het grootkapitaal van de Koninklijke en zijn megalomane afgod Ronaldo. Het enige wat ik over die volkomen buiten zinnen geraakte narcist wil toegeven is dat hij best aardig kan voetballen. Maar om daarvoor nou op en neer te vliegen naar Madrid? Afijn, de mond werd me vakkundig gesnoerd toen Derek (mijn zoon) repliceerde dat Real met 0-3 had gewonnen en dat alle drie de doelpunten toch wel eventjes door Zijne Koninklijke Hoogheid Ronaldo waren gemaakt.

Het wordt niettemin tijd een poging te wagen mijn zoon nog wat bij te scholen in zijn voetballiefde. En ik ken het cursusboek al: Matchday! Op zoek naar het Engels voetbal in Londen van Paul Baaijens, eigen Nijmeegse kweek, tenminste als je Nijmegen (wetende waar Wijchen ligt) een beetje ruim wil opvatten.

Ik was, vooral aangestoken door het hartverwarmende enthousiasme waarmee ik Sjoerd Mossou eens op de radio hoorde spreken over het Engels voetbal (inclusief juist het voetbal in de lagere betaalde regionen aldaar), eigenlijk al tijdje op zoek naar een auteur die een boek over zijn liefde voor het Engels voetbal wilde schrijven, toen Hans Peters van boekhandel Dekker van de Vegt mij – ik schat zo’n anderhalf á twee jaar geleden – meldde dat een self published (zo heet dat nu, vroeger heette dat: in eigen beheer uitgegeven) boek van een jonge Nijmeegse auteur over Engels voetbal, getiteld Matchdays (let op het subtiele verschil met de titel van het vandaag gepresenteerde boek) ontzettend goed verkocht in zijn winkels, zowel in Nijmegen als in Arnhem. En hoewel daar misschien best nog wat aan te verbeteren viel, aldus Hans, was het ook nog eens een keer erg leuk geschreven. Misschien moest ik eens met die jongen kennismaken.

En zo geschiedde. En zo geschiedde ook dat ik dat self published boek in handen kreeg en ontdekte dat ik het met veel plezier las. Hans had gelijk: er viel ook best nog wat aan bij te schaven, aan te vullen en te verbeteren. Maar wat er al was, had beslist de kwaliteit om er iets nog mooiers mee uit te bouwen. En ik wist al zeker dat wij er een mooier boek (mooier vormgegeven, mooier gedrukt, preciezer geredigeerd) van zouden kunnen maken. En zo stuurden we Paul, die in 2013 besloot vijf weken naar Londen te vertrekken om de langgekoesterde wens te vervullen alle betaald voetbalclubs in de metropool in een zo kort mogelijke periode te zien spelen (zeventien wedstrijden in vijfendertig dagen), opnieuw – beslist niet tegen zijn zin – naar Londen te sturen om het nog eens dunnetjes over te doen en alle stadions, clubs, supporters en supporterspubs opnieuw te bezoeken. Dat, schrijft Baaijens, ‘vormt de basis voor Matchday!, waarin ik de lezer opnieuw meeneem naar de prachtige Engelse voetbalcultuur, beschreven vanuit de clubs in Londen. Veertien profclubs in, op of volgens sommigen net over de grens van één stad leken me een uitstekende graadmeter om de Engelse voetbalcultuur te definiëren. In geen stad ter wereld kun je het voetbal zo intens beleven als in Londen, want op bijna elke hoek van de straat is naast een rode phone booth ook een stadion te zien.’ Bovendien, zo verklaart hij in één moeite door: ‘Na een geweldige voetbaldag dook ik het bruisende centrum in. When a man is tired of London, a man is tired of life.’

Daarmee is al een en ander duidelijk geworden over de reden waarom Matchday! zo’n fascinerend en hartverwarmend boek is. Maar er is veel meer. Dit boek gaat niet alleen maar over de grote sterren en de grote clubs als Chelsea en Arsenal met zijn ‘meest decadente stadion van Londen. […] The Gunners hebben hun ziel aan de duivel verkocht met het verlaten van het prachtige Highbury’. Het gaat juist niet over die sterren en over de grootsheid van de grote clubs. Voor zover het over die clubs gaat, gaat het over hun geschiedenis, hun diepe wortels op bepaalde (bijna heilige) plekken, hun idiosyncratische tradities, hun supporters die genetisch afwijken van de supporters van de naburige club. Het gaat over veertien clubs (in Schotland is dat al meer dan een competitie op zich) waaronder ook Millwall, Leyton Orient, Brentford en de fusieclub Dagenham & Redbridge. Geef eerlijk toe: zeker van die laatste club hebt u ook nog nooit gehoord, permanent pendelend als die is tussen de amateurs en de laagste profklassen. Paul verschaft er zich voor fifty pence toegang tot het supportershome. Een typerende actie. In een ander hoofdstuk bezoekt Paul de wedstrijd Brentford-Oldham Athletic en spreekt hij met Brentford-fan James af in The Princess Royal, de met voorsprong allerslechtste pub in de hele omgeving. Ze drinken een Guinness en James steekt van wal: ‘Maybe we will win today, but I don’t think so, because we’re shit.’ Dat soort zelfkwellend supporterschap.

Helemaal shit was een van de toegangsweggetjes naar het oude stadion van West Ham United. Paul Baaijens schrijft het zo op: ‘Mocht iemand ooit nog eens Michelinsterren gaan uitdelen aan wandelingen naar stadions, dan krijgt die door de wijk Plastow naar Upton Park er ongetwijfeld drie. Het is misschien wel de wandeling der wandelingen in Londen, zeker voor een groundhopper als ik. De miserabele wijk stak schril af tegen het zachte zonnetje en de strakblauwe lucht en ik werd door twee tienjarige gidsjes richting het stadion geleid. De vervallen stulpjes in de wijk bleven mijn aandacht trekken tot Thomas, de zoon van Bart, opeens tegen me riep: “This is the Dog Shit Alley. We have to turn left, right here!” We liepen een steegje in dat zeker honderd meter lang en hooguit anderhalve meter breed was. Het was nog een hele kunst om de hondenpoep op de grond te ontwijken, want het steegje deed zijn naam alle eer aan en lag bezaaid met verse, bruine uitwerpselen. […] En vraag me niet hoe het kan, maar de penetrante lucht en de vele lege blikjes bier hier bezorgden me kippenvel. Kippenvel in een kaksteegje.’

Van Dog Shit Alley staat er ook een niets aan de verbeelding overlatende foto in het boek. Dit zijn dus geen verzinsels. Het onderschrift bij de foto vertelt: ‘Van Primrose Hill naar de Dog Shit Alley, vlak bij het inmiddels ten dode opgeschreven Upton Park. Een van de mooiste kaksteegjes van Londen zal helaas nooit meer bewandeld worden door de supporters van West Ham United. Shit!’ In het onderschrift bij de foto van het oude stadion van de club daaronder staat waarom: ‘Halverwege 2016 verliet West Ham United de fraaie, hier afgebeelde Boleyn Ground. Ze ruilden hun sfeervolle onderkomen in voor een nieuw, klinisch stadion dat “meer commerciële mogelijkheden biedt” en waarvan in dit boek bewust geen foto is opgenomen.’

En dat is trouwens nog een ander mooi iets van dit boek: er staan een paar katernen met schitterende, sprekende kleuren- en zwart-witfoto’s in van Tim Peperzak, die Paul Baaijens een paar keer heeft vergezeld op zijn Londense voetbalreizen. En laten we tot slot niet de rol vergeten die editor Henk van Bakel heeft gespeeld om dit boek zo goed te maken als het nu is. Van Bakel is niet alleen een redacteur met een fijne en scherpe pen en een kritische blik, hij is ook een voetballiefhebber in de ware zin van het woord (en in dat opzicht een echte geestverwant van Paul Baaijens) en met een kennis van wereld en kunst in het algemeen en van sport en voetbal in het bijzonder waar iedereen telkens weer paf van staat. Paul heeft daar zijn voordeel mee gedaan, en terecht.

Kortom: voor een ontaarde (of moet ik zeggen: al te aangepaste) voetbalsupporter als mijn zoon is Matchday! het perfecte leerboek, een inwijding in de ware kunst van het voetbalsupporterschap. Zelf ga ik ook elk jaar een keer met mijn zoon naar het buitenland om een wedstrijd te zien: Borussia Dortmund-F.C. Porto, begin dit jaar. En Schalke ’04-Chelsea een jaar eerder. Maar de volgende keer gaan we naar Londen, met het boek van Paul in de aanslag, om te gaan kijken naar zoiets als Leyton Orient-AFC Wimbledon, Crystal Palace-Queen’s Park Rangers of zo’n Londense derby zoals er afgelopen zaterdag eentje (simultaan met Atlético-Real) gespeeld werd: Tottenham Hotspur-West Ham United 3-2, in een adembenemende wedstrijd. Maar waar we ook heen gaan, de route zal langs onooglijke buurtjes gaan, als het even kan via Dog Shit Alley en met een bezoek vooraf aan The Princess Royal of een soortgelijke andere, iedere luister ontberende loserspub in Londen. Want we zullen eerst moeten leren verliezen voordat we iets kunnen winnen.

 

 

vdh9789029510103

 

 

 

 

‘Aan nederlagen geen gebrek’ van Arnon Grunberg

Op zondag 6 november vond in Club San Francisco, op de Zeedijk te Amsterdam, de presentatie plaats van Aan nederlagen geen gebrek van Arnon Grunberg (Privé-domein nr. 289). Vooraf werd en petit comité gegeten in de Casablanca, enkele meters verderop. In de aanloop naar deze feestelijke avond, en geheel in stijl van de te presenteren bundeling, schreef ik de auteur een brief.

 

Utrecht, 6 november 2016

Beste Arnon,

grunberg_aan-nederlagen-geen-gebrek_def-maar-kleinVoor de Privé-domein die Vic uit je brieven en documenten heeft samengesteld circuleerden lange tijd diverse mogelijkheden als titel. Maar treffender dan wat het uiteindelijk geworden is, had het nauwelijks kunnen zijn. Aan nederlagen geen gebrek – wie een poos in dit meeslepende boek heeft zitten lezen kan het alleen maar beamen: jouw Portrait of the Artist as a Young Man is een collage van hopeloze amoureuze avonturen, zwaar gebutste blauwtjes, gedurig onbegrip, vallen en opstaan als acteur en in de schrijverij, in zaken gaan (een uitgeverij opzetten) en daaraan bijna ten onder gaan. ‘Ik was wanhopiger en alcoholischer dan ik me herinnerde, maar ik zou liegen als ik zou beweren dat ik mij niet meer herken in degene die ik was,’ schrijf je zelf in het voorwoord bij dit brievenboek. Het lezen ervan zou een ontluisterende ervaring moeten worden genoemd, als al die belevenissen niet tegelijk ook zo komisch en met zoveel onmiskenbaar talent voor het echec zouden zijn ondergaan en opgeschreven.

Rob Schouten schreef dit weekend in zijn recensie in Trouw van Aan nederlagen geen gebrek iets dat tot enig nadenken stemde bij mij: ‘Toch blijf je het gevoel houden dat het voor hetzelfde geld allemaal had kunnen mislopen en Grunberg de nobody was gebleven die hij rond z’n twintigste was.’ Het is treurig om te beseffen dat er misschien wel jongens en meisjes rondlopen (en hebben rondgelopen) met dezelfde literaire potentie die onopgemerkt zullen blijven (of zijn gebleven) en aldus (want niet herkend door een uitgever of door wie dan ook) in de knop gebroken worden dan wel onontloken blijven. Ik ben benieuwd hoe jij dat zelf ziet: of je inderdaad net zo goed ongezien had kunnen blijven. Achteraf – met al dat in boeken, bladen en anderszins zichtbaar geworden werk – valt dat nauwelijks nog voor te stellen. Maar Rob Schouten heeft gelijk als hij stelt dat dat ‘het lezen van deze brieven extra spannend [maakt], ze brengen de onzekere vooravond van een van onze belangrijkste schrijvers in beeld. Tot aan het moment dat Blauwe maandagen verschijnt. In de brieven maken we nog net de snelle tweede druk van dat boek mee. En dan weet je het inmiddels: dat wordt een grote.’

Toch krijg je (om die visie dan weer enigszins tegen te spreken) al lezende in Aan nederlagen geen gebrek het niet te loochenen, aan weten grenzende gevoel dat hier iemand aan het woord is met een zeldzaam literair talent, met een (ondanks alle tegenslag) niet te stuiten drang om te worden wie hij is en met een overkokende creativiteit, geldingsdrang en ja, ook wil tot macht. Wat dat laatste betreft. Ik sla een willekeurige bladzijde op en lees op pagina 347: ‘Holmannetje dacht wel dat ik een jongetje was dat hij vaderlijk kon toespreken, maar Holmannetje vergist zich, want in mijn komende column voor het Boekblad wordt Holmannetje in een paar regels door het slijk gehaald dat hij zelf verspreidt. Dan spaar ik hem nog, want hij verdient niet meer dan een aantekening in de kantlijn’ Let wel, Arnon, dit is een brief (aan Jan Ritsema) van 7 juni 1993. Jij bent dan een paar maanden tweeëntwintig, hebt nog geen poot om op te staan, je echte debuut (Blauwe maandagen) moet nog verschijnen en Theodor Holman(netje) is veertig, een bekend schrijver, columnist en man(netje) van de radio.

Dat is al lang geleden, maar toch hadden wij elkaar toen al voor het eerst ontmoet, en wel op een van die Frankfurter Buchmessen van begin jaren negentig waaraan jij in je brieven refereert, bijvoorbeeld in die (allereerste) brief aan Vic van de Reijt: ‘Wellicht bent u het vergeten, maar wij hebben ruim een week geleden kort met elkaar gesproken in een on-Duits restaurant in het centrum van Frankfurt.’ Ik weet niet meer of het bij die gelegenheid was in 1991. Misschien was het wel een jaar later. Daarnaar vond ik in je brieven geen verwijzing, maar wel in een toelichting bij een brief van 14 oktober 1992: ‘Op vrijdag 9 oktober zagen Grunberg en Van de Reijt elkaar opnieuw op de Frankfurter Buchmesse. Grunberg meldde: “Inmiddels zit ik in moeilijkheden hoor!” […] Waarop hij een contract kreeg toegezegd voor een roman bij Nijgh & Van Ditmar. Daarvoor zou hij eerst een plan aanleveren.’

Als ik zelf al niet meer precies weet in welk jaar dat was en voor wie ik toen op de Buchmesse was (als freelanceredacteur van de Utrechtse uitgeverij Kwadraat of als reporter van Boekblad dan wel Vrij Nederland?), dan ligt het voor de hand dat jij je zeker niet meer herinnert dat ik daarbij was, want we waren met een behoorlijk gezelschap. In elk geval was Vic daarbij en Ed van Eeden (waarschijnlijk voor Boekblad), maar vrijwel zeker ook Joost Nijsen (toen uitgever van Nijgh & Van Ditmar), Fred Spek (hoofdredacteur Boekblad) en Henk Kraima (directeur cpnb). Wij hebben toen, als ik me tenminste ook dat goed herinner, met zijn allen gegeten in een restaurant (niet Duits, maar ook niet per se on-Duits in mijn beleving) aan de Kaiserstrasse en daar zoals dat gaat op zo’n avond veel gelachen en gedronken ondanks de moeilijkheden waarin jij en vast nog wel een paar anderen toen wellicht verkeerden.

Nadien hebben wij elkaar, in elk geval in de jaren negentig, met een zekere regelmaat (maar toch meestal bij toeval) ontmoet, maar omdat Aan nederlagen geen gebrek ophoudt in juli 1994 – de artiest tot ontplooiing gekomen, hoe jong de man erachter ook nog steeds mocht zijn – dekt dit boek niet de voor mij meest memorabele uren die ik met je heb doorgebracht. Nou ja, uren. Het waren eigenlijk dagen, in de eerste helft van juni 1995. Jij was sinds enige tijd neergestreken in New York en ik wist dat ik een paar maanden later als redacteur zou beginnen bij De Arbeiderspers.

Joop van Tijn stelde mij in staat om, als een soort afscheidstournee voor Vrij Nederland waarvan hij toen met Rinus Ferdinandusse hoofdredacteur was, een journalistieke reis naar de Verenigde Staten te maken, samen met Ed van Eeden die er heen ging voor Boekblad en een paar kranten (die interviews van hem wilden hebben met Jim Heynen en John Updike). Eerst zaten we een paar dagen in Chicago op de aba (zeg maar: de Buchmesse van de States), waar ik een stuk schreef over het werk van literair agenten en scouts en waar ik op verzoek van Arbeiderspers-directeur Ronald Dietz een Braziliaans schrijver ontmoette die hij sinds enige tijd uitgaf en van wie de AP niet lang daarvoor een nieuw boek in vertaling had uitgegeven. Paulo Coelho was dat. En dat boek was De alchemist, waarvan ik een exemplaar bij me had (om het hem te geven? als voorwerp ter herkenning?). Dat exemplaar heb ik nog steeds omdat hij er iets in schreef en het mij teruggaf: ‘Peter, be always faithful to your heart’.

Na Chicago namen wij het vliegtuig naar New York, net als onder anderen Paul Sebes, met wie ik ergens gedurende die week op een hoek van Fifth Avenue een pak kocht van Christian Dior – ‘veel goedkoper dan in Nederland!’ – waarvan menigeen terug in Holland beweerde (iets wat ik later ook wel moest bekennen gezien de gebrekkige duurzaamheid en de sjofele pasvorm) dat het nep was. In New York trokken we tussen de journalistieke bedrijven door veel met jou op, jij die in de maanden daarvoor druk met Ed correspondeerde en die Manhattan al kende alsof je er jaren woonde. Ik had genoeg te doen – moest een aflevering van de VN-rubriek ‘Ter Zake’ schrijven (en per modem naar de krant sturen, wat een ongelooflijk gesodemieter was), reisde per trein naar Chappaqua om er Simon Schama in zijn prachtig aan de Hudson gelegen houten villa te interviewen over Landscape & Memory, bezocht de Nederlands-Amerikaanse natuurwetenschapper Abraham Pais in zijn werkkamer aan Rockefeller University naar aanleiding van zijn in het Nederlandse verschenen, deels memoires bevattende Einstein woonde hier en sprak telefonisch (want ze had het te druk om mij in Philadelphia te ontvangen) de cultuurfilosofe met de raspende stem Camille Paglia, auteur van het omstreden en polemische boek Sexual Personae. Maar dat betekende niet dat we niet tijd in overvloed hadden om daarnaast lange wandelingen met jou door Manhattan te maken en te eten en drinken in tenten die vaak vierentwintig uur per dag open waren.

Ed van Eeden, ik was het vergeten, noemde jou een poedel. Ik werd eraan herinnerd door een brief (d.d. 20 maart 1994) van je aan Vic waarin je over het Boekenbal schrijft: ‘Ed van Eeden, die zei: “jij bent en blijft een poedel”, waarop ik hem antwoordde: “Jij bent en blijft mijn beste vriend”’. Ach, een poedel – Ed heeft zich van nogal wat andere epitheta bediend. Mij (en niet alleen mij) noemde hij met regelmaat zijn ‘paardenlul’, zijn ‘apenkut’. Ik ben nog steeds met hem bevriend. Alles went.

Maar diezelfde Ed – ook vanwege de emmers alcoholisch vocht die ongestraft in hem geledigd kunnen worden niet voor niks de Grote Van Eeden genoemd – legde het vierkant af tegen de poedel op wat wel de meest gedenkwaardige van alle avonden was tijdens die week in New York. Die begon met een stevige zonovergoten wandeling (er waren nog een paar anderen bij, maar ik weet niet meer wie dat waren en ze waren er beslist niet allemaal tot het einde bij) van minstens een uur naar een undergroundachtige zuipschuur ergens in The Village. Ik weet nog dat we daar veel bier uit flessen gedronken hebben en ik weet ook dat we daarna nog een paar etablissementen hebben aangedaan om uiteindelijk neer te strijken (ergens in Soho?) in een restaurant waar de bediening bestond uit even ravissante als voluptueuze en theatrale drag queens. Het was toevallig Eds verjaardag en jij kon het niet laten de bediening ter plaatse van dit heuglijke feit op de hoogte te stellen. Nu heb ik Ed zelden in verlegenheid gezien, maar van die zeldzame keren is hij nooit zo heftig in verlegenheid gebracht als toen. Want toen de queens eenmaal op de hoogte waren van het jarig zijn van Ed waren de réverences niet meer te tellen. Ze kwamen hem bezingen, bepotelen en kussen tot van de Grote Van Eeden niet veel meer dan een houten tuinkabouter over was die grotendeels schuilging achter een der tafelpoten. Een tuinkabouter die pas weer buiten van hout tot vlees werd en ter compensatie en om van de schrik te bekomen nog wat alcoholica tot zich diende te nemen. We kwamen terecht in een tent waarvan ik me buiten de schelle verlichting niet veel meer herinner dan dat de bediening het voortdurend over ‘mate’ dit en ‘mate’ dat had (Australiërs?) – de nacht was inmiddels een stuk gevorderd – en het eindigde ermee dat jij (wiens alcoholinname gelijke tred had gehouden met de zijne) Ed, die buiten hangende tegen het dak van een auto in slaap was gevallen, met hulp van mij in een taxi manoeuvreerde met de opdracht ons naar ons hotel in 53rd Street te rijden.

Dat staat allemaal niet in Aan nederlagen geen gebrek, en dat is maar goed ook want het is allemaal al erg genoeg. Nee hoor, grapje: de ontluistering van dit boek is een groot feest om te lezen. En dat is toch, lijkt me, des poedels kern.

Arnon, je herinnert je ongetwijfeld dat we eerder geprobeerd hebben een Privé-domein gevuld te krijgen met teksten van jou. Dat is toen, een jaar of tien geleden, niet gelukt. Dat het nu, met hulp van Vic en van Michel van de Waart, wel gelukt is stemt mij tot onverholen trots. Aan nederlagen geen gebrek. Aan overwinningen (zo nu en dan) ook niet. Zo kunnen we weer verder.

Tot vanavond in Casablanca en/of San Francisco,

 

Peter

 

 

 

 

Blog op WordPress.com.

Omhoog ↑