Op zondag 6 november vond in Club San Francisco, op de Zeedijk te Amsterdam, de presentatie plaats van Aan nederlagen geen gebrek van Arnon Grunberg (Privé-domein nr. 289). Vooraf werd en petit comité gegeten in de Casablanca, enkele meters verderop. In de aanloop naar deze feestelijke avond, en geheel in stijl van de te presenteren bundeling, schreef ik de auteur een brief.

 

Utrecht, 6 november 2016

Beste Arnon,

grunberg_aan-nederlagen-geen-gebrek_def-maar-kleinVoor de Privé-domein die Vic uit je brieven en documenten heeft samengesteld circuleerden lange tijd diverse mogelijkheden als titel. Maar treffender dan wat het uiteindelijk geworden is, had het nauwelijks kunnen zijn. Aan nederlagen geen gebrek – wie een poos in dit meeslepende boek heeft zitten lezen kan het alleen maar beamen: jouw Portrait of the Artist as a Young Man is een collage van hopeloze amoureuze avonturen, zwaar gebutste blauwtjes, gedurig onbegrip, vallen en opstaan als acteur en in de schrijverij, in zaken gaan (een uitgeverij opzetten) en daaraan bijna ten onder gaan. ‘Ik was wanhopiger en alcoholischer dan ik me herinnerde, maar ik zou liegen als ik zou beweren dat ik mij niet meer herken in degene die ik was,’ schrijf je zelf in het voorwoord bij dit brievenboek. Het lezen ervan zou een ontluisterende ervaring moeten worden genoemd, als al die belevenissen niet tegelijk ook zo komisch en met zoveel onmiskenbaar talent voor het echec zouden zijn ondergaan en opgeschreven.

Rob Schouten schreef dit weekend in zijn recensie in Trouw van Aan nederlagen geen gebrek iets dat tot enig nadenken stemde bij mij: ‘Toch blijf je het gevoel houden dat het voor hetzelfde geld allemaal had kunnen mislopen en Grunberg de nobody was gebleven die hij rond z’n twintigste was.’ Het is treurig om te beseffen dat er misschien wel jongens en meisjes rondlopen (en hebben rondgelopen) met dezelfde literaire potentie die onopgemerkt zullen blijven (of zijn gebleven) en aldus (want niet herkend door een uitgever of door wie dan ook) in de knop gebroken worden dan wel onontloken blijven. Ik ben benieuwd hoe jij dat zelf ziet: of je inderdaad net zo goed ongezien had kunnen blijven. Achteraf – met al dat in boeken, bladen en anderszins zichtbaar geworden werk – valt dat nauwelijks nog voor te stellen. Maar Rob Schouten heeft gelijk als hij stelt dat dat ‘het lezen van deze brieven extra spannend [maakt], ze brengen de onzekere vooravond van een van onze belangrijkste schrijvers in beeld. Tot aan het moment dat Blauwe maandagen verschijnt. In de brieven maken we nog net de snelle tweede druk van dat boek mee. En dan weet je het inmiddels: dat wordt een grote.’

Toch krijg je (om die visie dan weer enigszins tegen te spreken) al lezende in Aan nederlagen geen gebrek het niet te loochenen, aan weten grenzende gevoel dat hier iemand aan het woord is met een zeldzaam literair talent, met een (ondanks alle tegenslag) niet te stuiten drang om te worden wie hij is en met een overkokende creativiteit, geldingsdrang en ja, ook wil tot macht. Wat dat laatste betreft. Ik sla een willekeurige bladzijde op en lees op pagina 347: ‘Holmannetje dacht wel dat ik een jongetje was dat hij vaderlijk kon toespreken, maar Holmannetje vergist zich, want in mijn komende column voor het Boekblad wordt Holmannetje in een paar regels door het slijk gehaald dat hij zelf verspreidt. Dan spaar ik hem nog, want hij verdient niet meer dan een aantekening in de kantlijn’ Let wel, Arnon, dit is een brief (aan Jan Ritsema) van 7 juni 1993. Jij bent dan een paar maanden tweeëntwintig, hebt nog geen poot om op te staan, je echte debuut (Blauwe maandagen) moet nog verschijnen en Theodor Holman(netje) is veertig, een bekend schrijver, columnist en man(netje) van de radio.

Dat is al lang geleden, maar toch hadden wij elkaar toen al voor het eerst ontmoet, en wel op een van die Frankfurter Buchmessen van begin jaren negentig waaraan jij in je brieven refereert, bijvoorbeeld in die (allereerste) brief aan Vic van de Reijt: ‘Wellicht bent u het vergeten, maar wij hebben ruim een week geleden kort met elkaar gesproken in een on-Duits restaurant in het centrum van Frankfurt.’ Ik weet niet meer of het bij die gelegenheid was in 1991. Misschien was het wel een jaar later. Daarnaar vond ik in je brieven geen verwijzing, maar wel in een toelichting bij een brief van 14 oktober 1992: ‘Op vrijdag 9 oktober zagen Grunberg en Van de Reijt elkaar opnieuw op de Frankfurter Buchmesse. Grunberg meldde: “Inmiddels zit ik in moeilijkheden hoor!” […] Waarop hij een contract kreeg toegezegd voor een roman bij Nijgh & Van Ditmar. Daarvoor zou hij eerst een plan aanleveren.’

Als ik zelf al niet meer precies weet in welk jaar dat was en voor wie ik toen op de Buchmesse was (als freelanceredacteur van de Utrechtse uitgeverij Kwadraat of als reporter van Boekblad dan wel Vrij Nederland?), dan ligt het voor de hand dat jij je zeker niet meer herinnert dat ik daarbij was, want we waren met een behoorlijk gezelschap. In elk geval was Vic daarbij en Ed van Eeden (waarschijnlijk voor Boekblad), maar vrijwel zeker ook Joost Nijsen (toen uitgever van Nijgh & Van Ditmar), Fred Spek (hoofdredacteur Boekblad) en Henk Kraima (directeur cpnb). Wij hebben toen, als ik me tenminste ook dat goed herinner, met zijn allen gegeten in een restaurant (niet Duits, maar ook niet per se on-Duits in mijn beleving) aan de Kaiserstrasse en daar zoals dat gaat op zo’n avond veel gelachen en gedronken ondanks de moeilijkheden waarin jij en vast nog wel een paar anderen toen wellicht verkeerden.

Nadien hebben wij elkaar, in elk geval in de jaren negentig, met een zekere regelmaat (maar toch meestal bij toeval) ontmoet, maar omdat Aan nederlagen geen gebrek ophoudt in juli 1994 – de artiest tot ontplooiing gekomen, hoe jong de man erachter ook nog steeds mocht zijn – dekt dit boek niet de voor mij meest memorabele uren die ik met je heb doorgebracht. Nou ja, uren. Het waren eigenlijk dagen, in de eerste helft van juni 1995. Jij was sinds enige tijd neergestreken in New York en ik wist dat ik een paar maanden later als redacteur zou beginnen bij De Arbeiderspers.

Joop van Tijn stelde mij in staat om, als een soort afscheidstournee voor Vrij Nederland waarvan hij toen met Rinus Ferdinandusse hoofdredacteur was, een journalistieke reis naar de Verenigde Staten te maken, samen met Ed van Eeden die er heen ging voor Boekblad en een paar kranten (die interviews van hem wilden hebben met Jim Heynen en John Updike). Eerst zaten we een paar dagen in Chicago op de aba (zeg maar: de Buchmesse van de States), waar ik een stuk schreef over het werk van literair agenten en scouts en waar ik op verzoek van Arbeiderspers-directeur Ronald Dietz een Braziliaans schrijver ontmoette die hij sinds enige tijd uitgaf en van wie de AP niet lang daarvoor een nieuw boek in vertaling had uitgegeven. Paulo Coelho was dat. En dat boek was De alchemist, waarvan ik een exemplaar bij me had (om het hem te geven? als voorwerp ter herkenning?). Dat exemplaar heb ik nog steeds omdat hij er iets in schreef en het mij teruggaf: ‘Peter, be always faithful to your heart’.

Na Chicago namen wij het vliegtuig naar New York, net als onder anderen Paul Sebes, met wie ik ergens gedurende die week op een hoek van Fifth Avenue een pak kocht van Christian Dior – ‘veel goedkoper dan in Nederland!’ – waarvan menigeen terug in Holland beweerde (iets wat ik later ook wel moest bekennen gezien de gebrekkige duurzaamheid en de sjofele pasvorm) dat het nep was. In New York trokken we tussen de journalistieke bedrijven door veel met jou op, jij die in de maanden daarvoor druk met Ed correspondeerde en die Manhattan al kende alsof je er jaren woonde. Ik had genoeg te doen – moest een aflevering van de VN-rubriek ‘Ter Zake’ schrijven (en per modem naar de krant sturen, wat een ongelooflijk gesodemieter was), reisde per trein naar Chappaqua om er Simon Schama in zijn prachtig aan de Hudson gelegen houten villa te interviewen over Landscape & Memory, bezocht de Nederlands-Amerikaanse natuurwetenschapper Abraham Pais in zijn werkkamer aan Rockefeller University naar aanleiding van zijn in het Nederlandse verschenen, deels memoires bevattende Einstein woonde hier en sprak telefonisch (want ze had het te druk om mij in Philadelphia te ontvangen) de cultuurfilosofe met de raspende stem Camille Paglia, auteur van het omstreden en polemische boek Sexual Personae. Maar dat betekende niet dat we niet tijd in overvloed hadden om daarnaast lange wandelingen met jou door Manhattan te maken en te eten en drinken in tenten die vaak vierentwintig uur per dag open waren.

Ed van Eeden, ik was het vergeten, noemde jou een poedel. Ik werd eraan herinnerd door een brief (d.d. 20 maart 1994) van je aan Vic waarin je over het Boekenbal schrijft: ‘Ed van Eeden, die zei: “jij bent en blijft een poedel”, waarop ik hem antwoordde: “Jij bent en blijft mijn beste vriend”’. Ach, een poedel – Ed heeft zich van nogal wat andere epitheta bediend. Mij (en niet alleen mij) noemde hij met regelmaat zijn ‘paardenlul’, zijn ‘apenkut’. Ik ben nog steeds met hem bevriend. Alles went.

Maar diezelfde Ed – ook vanwege de emmers alcoholisch vocht die ongestraft in hem geledigd kunnen worden niet voor niks de Grote Van Eeden genoemd – legde het vierkant af tegen de poedel op wat wel de meest gedenkwaardige van alle avonden was tijdens die week in New York. Die begon met een stevige zonovergoten wandeling (er waren nog een paar anderen bij, maar ik weet niet meer wie dat waren en ze waren er beslist niet allemaal tot het einde bij) van minstens een uur naar een undergroundachtige zuipschuur ergens in The Village. Ik weet nog dat we daar veel bier uit flessen gedronken hebben en ik weet ook dat we daarna nog een paar etablissementen hebben aangedaan om uiteindelijk neer te strijken (ergens in Soho?) in een restaurant waar de bediening bestond uit even ravissante als voluptueuze en theatrale drag queens. Het was toevallig Eds verjaardag en jij kon het niet laten de bediening ter plaatse van dit heuglijke feit op de hoogte te stellen. Nu heb ik Ed zelden in verlegenheid gezien, maar van die zeldzame keren is hij nooit zo heftig in verlegenheid gebracht als toen. Want toen de queens eenmaal op de hoogte waren van het jarig zijn van Ed waren de réverences niet meer te tellen. Ze kwamen hem bezingen, bepotelen en kussen tot van de Grote Van Eeden niet veel meer dan een houten tuinkabouter over was die grotendeels schuilging achter een der tafelpoten. Een tuinkabouter die pas weer buiten van hout tot vlees werd en ter compensatie en om van de schrik te bekomen nog wat alcoholica tot zich diende te nemen. We kwamen terecht in een tent waarvan ik me buiten de schelle verlichting niet veel meer herinner dan dat de bediening het voortdurend over ‘mate’ dit en ‘mate’ dat had (Australiërs?) – de nacht was inmiddels een stuk gevorderd – en het eindigde ermee dat jij (wiens alcoholinname gelijke tred had gehouden met de zijne) Ed, die buiten hangende tegen het dak van een auto in slaap was gevallen, met hulp van mij in een taxi manoeuvreerde met de opdracht ons naar ons hotel in 53rd Street te rijden.

Dat staat allemaal niet in Aan nederlagen geen gebrek, en dat is maar goed ook want het is allemaal al erg genoeg. Nee hoor, grapje: de ontluistering van dit boek is een groot feest om te lezen. En dat is toch, lijkt me, des poedels kern.

Arnon, je herinnert je ongetwijfeld dat we eerder geprobeerd hebben een Privé-domein gevuld te krijgen met teksten van jou. Dat is toen, een jaar of tien geleden, niet gelukt. Dat het nu, met hulp van Vic en van Michel van de Waart, wel gelukt is stemt mij tot onverholen trots. Aan nederlagen geen gebrek. Aan overwinningen (zo nu en dan) ook niet. Zo kunnen we weer verder.

Tot vanavond in Casablanca en/of San Francisco,

 

Peter

 

 

 

 

Advertenties