Maandag 28 november werd in Boekhandel Paagman, Frederik Hendriklaan Den Haag, de nieuwe roman van Christiaan Weijts, Het valse seizoen gepresenteerd. Maarten Dessing interviewde de auteur en een internationaal kwartet jonge musici van het Koninklijk Conservatorium (een Litouwse, een Nederlandse, een Russische en een Griekse) speelde Beethoven en Haydn. Zelf maakte ik van de gelegenheid gebruik in te gaan op de al voor de verschijning van het boek gepubliceerde kritieken in een aantal kranten.

weijtshet-valse-seizoenvvh9789029505215

Niet dat ik anders verwacht had, maar het deed mij plezier om te zien dat Het valse seizoen van Christiaan Weijts dit weekend al in diverse gezaghebbende kranten uitgebreid besproken werd nog voor het officieel verschenen was. Want voor alle duidelijkheid: die plechtigheid voltrekt zich hier en nu. Zulke mediagretigheid is een indicatie dat Weijts gezien wordt als een belangrijk schrijver – eentje wiens nieuwe werk men niet wekenlang ongelezen laat liggen.

De keerzijde is dat ik mij, gezien de kritische kanttekeningen die twee recensenten maakten in overigens allerminst negatieve, ja zelfs behartigenswaardige stukken, gedwongen voel te citeren uit een mailwisseling met Christiaan Weijts van een paar weken geleden naar aanleiding van een artikel van hem over onbegrepen ironie in de zaterdagbijlage Opinie & Debat in NRC Handelsblad.

‘Over ironie gesproken,’ schreef ik hem, ‘bij mij thuis wordt beneden televisiegekeken. Iedere avond toch wel. Ik zit meestal boven op zolder (mijn werkkamer) en daal af en toe de twee trappen af voor koffie, water of wijn om dan staande, vijf minuten lang, commentaar te leveren op wat de treurbuis weer allemaal voor twijfelachtigs te bieden heeft. Ik doe dat meestal op de geacteerde toon van een oude zeurkous (denk Maarten van Rossem), maar dat dan toch vooral om het nog iets vetter aan te zetten. (Want anders worden ze echt boos op me, de kinders en soms ook vrouwlief.) Afgelopen donderdag stond ik daar even in mijn mok te roeren terwijl Expeditie Robinson werd uitgezonden (aflevering 33b, vermoed ik). Ik kijk dat een paar minuten zwijgend aan en richt vervolgens mijn blik op zoon Derek (veertien jaar) met de vraag: “En – wie denk jij nu dat de mol is?” (Ik heb uit jouw stuk, Christiaan, geleerd dat we in zo’n geval te maken hebben met het ironische stijlmiddel van de geveinsde onwetendheid, en dat is ook de Griekse etymologie van het woord.) Heel even kijkt Derek me verbouwereerd aan, maar meteen daarop volgt het weerwoord: “Kijk, kijk, mama!” roept hij terwijl hij een priemende vinger naar me uitsteekt. “Hij staat weer achter zijn vuistje om zijn eigen grapjes te gniffelen!” Ze hebben me door, Christiaan. Kortom: het wordt tijd voor een next level.’

Al is dat doorhebben in dit geval nu juist belangrijk, want ironie werkt eigenlijk alleen maar als er een pact bestaat tussen zender en ontvanger.

Goed, laten we de zaken eens even op een rijtje zetten. Zes eerdere boeken schreef Christiaan Weijts. In chronologische volgorde: Art. 285b (een roman), Via Cappello 23 (een roman), De etaleur (een dansnovelle), Euforie (een omvangrijke roman), Achternamiddagen (een verzameling opstellen en essays) en De linkshandigen (een korte roman). Het is niet zo moeilijk om die boeken van muzikale genreaanduidingen te voorzien: een sonate, een symfonische voorstudie, een verzameling etudes en scherzo’s, een rapsodie in de vorm van een road novel.

Maar de zevende van Christiaan Weijts is onomstotelijk een heuse symfonie. Vanwege de lengte, de complexiteit én de ambitie. Dit is een roman waarin nogal wat wordt omgewoeld en polyfoon met elkaar in verband gebracht. Vrijdagavond zat Weijts in het Radio 1-programma Kunststof voor een (meer dan onderhoudend, zo nu dan elektriserend) gesprek van een uur met Petra Possel. De redactie heeft de gewoonte (zo weet ik, omdat er eerder auteurs van ons in dat programma gezeten hebben) om in het geval van een schrijver een voorgesprek te hebben met de betreffende redacteur. En zo’n beetje de eerste vraag die mij werd voorgelegd, was of ik het werk van Christiaan Weijts wilde kenschetsen. Nou, antwoordde ik, in een boek van hem is een al dan niet problematische liefdesrelatie meestal de stuwende kracht. Je kunt ook zeggen: de liefde vormt het verhalende aspect. Maar bij Weijts is dat nooit het enige. Dat liefdesverhaal wordt altijd gelardeerd met beschouwing, met verwijzing naar andere schrijvers en filosofen, met reflectie op wereld en kunst (heel vaak muziek). En in Het valse seizoen wordt er nog veel meer uit de kast getrokken en is er zelfs nog een tweede plotlijn rondom wat zich afspeelde tijdens een zomerklas met jonge musici, zo’n kleine twintig jaar eerder.

Rob Schouten formuleerde het in zijn zeer lovende recensie in Trouw afgelopen zaterdag puntiger en geestiger: ‘Zijn romans gaan over muziek en meisjes, steeds opnieuw, mooie muziek en mooie meisjes die hij met zijn elegante pen de hemel en soms de hel in schrijft.’

Ook in Het valse seizoen weer – en dat kwam hem in de Volkskrant, waar Persis Bekkering het boek besprak, op een soort van indirecte reprimande te staan. Ook zij signaleert dat elke roman van Christiaan Weijts ‘oneerbiedig gesproken […] ongeveer dezelfde ingrediënten’ bevat. Ze eindigt haar opsomming met deze zin: ‘Dan hebben we nog een ernstig geval van een madonna-hoercomplex, een verdwenen viool, een onbekende dochter en meer familiegeheimen’. En dat alles leidt dan weer tot de volgende conclusie: ‘Je ziet de apollinische schrijver zwoegen aan zijn bureau, fantaserend over passie en verborgen extase, duisternis en razernij. Alleen zijn pen heeft het doorleefd.’

Dat laatste moet wel onbedoeld dubbelzinnig zijn, want het is duidelijk dat de Volkskrant de auteur in kwestie verwijt dat hij kenmerken van een kamergeleerde vertoont, maar wie Christiaan Weijts kent weet dondersgoed dat hij dat in zeer veel opzichten niet is en dat hij ook bepaald geen zwoegende schrijver is. Opvallend genoeg komt Toef Jaeger in haar kritiek in de NRC Handelsblad dicht in de buurt van de Volkskrant-teneur. In beide stukken is sprake van bewondering voor de bezieldheid en het intellect waarmee Christiaan Weijts schrijft, maar Jaeger sluit af met deze woorden: ‘Het valse seizoen is vakwerk, maar omwille van de kunst zou Weijts het verstand af en toe iets meer op nul mogen zetten.’ De alinea waarmee Rob Schouten afsluit luidt als volgt: ‘Het valse seizoen is daarmee een rijke, klassieke roman, die aan grootmeesters als Thomas Mann en Simon Vestdijk doet denken, ver van alle populistische behaagzucht. Geen music for the millions, maar misschien wel voor een uitgelezen schare.’

Als je het allemaal een beetje bij elkaar probeert op te tellen dan zie je een auteur op een voetstuk neergezet worden waarna met een zekere verbazing wordt geconstateerd dat er sprake is van distantie. Die meneer op dat voetstuk is een estheet, een ouderwetse representant van de hoge cultuur en een man met een atavistisch vrouwbeeld. Maar wie distantieert zich van wie?

Degenen die Christiaan Weijts een beetje volgen op de journalistieke podia waar hij zich met regelmaat laat zien, weten dat zijn ivoren toren hooguit een romantische illusie is. Inmiddels al jaren betoont hij zich in De Groene Amsterdammer en NRC Handelsblad een columnist die een adelaarsoog heeft voor alles wat er (in de wereld en zeker ook in zijn directe omgeving tot aan de huiselijke kring toe) om hem heen gebeurt, en ook voor allerlei verschijnselen en gebeurtenissen die niet meteen als highbrow ingekaderd kunnen worden, of zelfs juist niet. De laatste tijd trekt hij voor zijn NRC-column zelfs de wijken in. Paradoxaal genoeg huldigt Ilja Leonard Pfeijffer (vriend en in heel wat opzichten geestverwant van Weijts) als uitgesproken linkse columnist veel meer uitgesproken elitaire (anti-volkse) opvattingen dan Christiaan Weijts. Die laatste houdt zich als het om zijn politieke of maatschappelijke standpunten gaat meer op de vlakte. Weijts is een flaneur, een geamuseerde toeschouwer, een ironisch schrijver – en vooral om dat laatste gaat het mij hier.

In genoemd opiniestuk (‘De smiley is het betonrot in onze ironie’) van twee weken geleden in de NRC schreef hij: ‘Hoe vet moet een knipoog zijn om nog te worden opgemerkt? In de gaarkeukens van opiniërend Nederland wemelt het van onbegrepen ironie.’ Hij signaleert hoe problematisch – zéker op sociale media – ironisch taalgebruik is geworden: ‘We lijken ironie alleen nog maar te accepteren als die duidelijk gemarkeerd is. De Speld, Arjen Lubach en Lucky TV zijn mateloos populair, maar probeer maar eens satire te bedrijven buiten die zwaar door markering beveiligde ironische enclaves. Probeer maar eens een ironisch zinnetje te sms’en zonder 😉 erachter te typen. Dat kost je vrienden. En misschien zelfs je relatie.’

En je kunt ook zeggen: probeer maar eens een roman te schrijven zonder elke ironische passage van expliciete tekens sprake is van ironie of dubbelzinnigheid of van iets tussen schijn en wezen, iets tussen twee tonen in. Wat ik in de recensies miste is het besef dat ook in Het valse seizoen – neem alleen al de titel – de ironie, zij het op een fijnzinnige, weinig uitgesproken manier, alomtegenwoordig is. In de tirades vol hyperbolisch cynisme van het personage Pablo Sleedoorn, in de schildering van de manier waarop de leden van het Corretto Kwartet met elkaar omgaan, in de krankzinnige verwikkelingen op de namaak-Titanic waar de drie stemmen uit dit boek elkaar letterlijk treffen, en ook (zou ik denken) in de bijna dwaze, puberale manier waarop dertiger Camiel verliefd is op Nadège, de twee andere (tot ons) sprekende personages uit het boek.

Het valse seizoen is een boek over een strijkkwartet bestaande uit drie stemmen. En ik meen te weten dat het de intentie van de auteur is dat de lezer de vierde stem is. En wel op de manier van de componist Giuseppe Tartini, ontdekker van de combinatietoon, zoals wordt uitgelegd in een brief van Nadège: ‘Tartini’s toverkunst. Il terzo suono: twee snaren trillen en het oor maakt zelf een nieuwe klank halverwege. Jij schrijft mij in een taal die ik lang niet heb gehoord. Ik schrijf jou in een taal die ik lang niet heb gesproken en alleen stiekem las. En het oor maakt zelf een verhaal halverwege.’

Dat verhaal halverwege – dáár gaat het om. Daar ligt het werk (en de verbeelding) voor de lezer. Maar je zou misschien ook nog kunnen zeggen: daar zindert de ironische invulling.

In het NRC-stuk schrijft Christiaan: ‘In een ironische tekst zijn de uiteindelijke betekenis en het morele oordeel opgeschort, uitgesteld, en zo ontstaat er, tussen het teken en de betekenis, een ruimte waar andere wetten gelden, als op een podium. […] Echt zeker weet ik alleen dit: als we de subtiliteit van de ironische toonzetting missen, beroven we ons taalinstrument van zijn gulle meerstemmigheid. Het is alsof we een concertvleugel nog maar met één vingertje bespelen.’

Kortom: ook dat zogenaamde vrouwbeeld, die Schöngeist en dat onversneden intellectualisme van Christiaan zijn zaken die we gerust met een korreltje zout mogen nemen en die ergens halverwege de veronderstelde positie het zuiverst op zijn waarde worden geschat. En zelfs dan blijft het net ongrijpbaar, en voor mij maakt dat literatuur nou juist tot literatuur.

Misschien is er maar één ding in Het valse seizoen dat niet ironisch kan worden opgevat. En dat is de liefde voor de muziek die eruit spreekt. ‘Waarom, Nadège, ráákt de muziek?’ vraagt het personage Camiel zich ergens af. ‘Misschien wel hierom, in een wereld waarin alles onophoudelijk iets representeert, is muziek het enige wat niet verwijst, geen teken is, geen representatie.’

In de zuivere muziek (bijvoorbeeld in de intieme brieven van Leoš Janáček, een belangrijke inspiratiebron in deze brievenroman) houdt alle ironie op te bestaan. Het valse seizoen is veel meer dan een muziekroman, maar de muziek speelt er een rol in hors catégorie, zoals alleen muziek dat kan.

De eerstvolgende keer dat ik beneden in onze woonkamer huisvredebreuk pleeg door halverwege een aflevering van Expeditie Robinson of Holland’s Next Top Model binnen te vallen, zal ik niets zeggen maar de cd-speler aanzetten en keihard Brahms’ Ein Deutsches Requiem of zoiets aanzetten. Of is dat dan toch ironie? Is dat het ironische van de ironie?

weijtshet-valse-seizoenvvh9789029505215

Advertisements