Zoeken

Nijssen Schrijft

De weblog van Peter Nijssen

Maand

december 2016

Is een roman van een filosoof een filosofische roman? Het debuut van Henri Lambert, ‘De verstekeling’

De presentatie van De verstekeling, de debuutroman van Henri Lambert (pseudoniem van Helmer Stoel), vond vrijdag 16 december plaats in het vermoedelijk kleinste theater van Amsterdam. Het Torpedo Theater (voorheen het Parool Theater) ligt diep verscholen in de Nes en telt niet meer dan dertig vierkante meter. Gevolg: heel veel volk per vierkante meter. De perfecte locatie voor een boek dat handelt over nietigheid en verborgen motieven. Hieronder mijn enigszins bewerkte toespraak tijdens die gebeurtenis.


582bf_9789029505505_cvrIemand moet het doen. En daarom komt het er vaak op neer dat de stapels ongevraagd ingezonden manuscripten op de uitgeverij worden doorgenomen door een stagiair. Die staan, heel cru gezegd, nu eenmaal onderaan de pikorde van een uitgeverij en worden derhalve zonder scrupules ingezet om de vieze klusjes op te knappen. In kringen van het boekbedrijf zelf worden die ongevraagde manuscripten niet voor niks doorgaans aangeduid met de term slushpile. Misschien valt dat woord in deze betekenis nog het beste te vertalen als baggerberg. Nou, dan weet je het wel. Of in elk geval weet je dan hoe er in de literaire uitgeverswereld tegen die stapel wordt aangekeken. Het overgrote deel is troep en gaat down the drain al dan niet voorzien van een zalvende afwijzing.

Maar zo’n twee jaar geleden – De Arbeiderspers was na een reeks homerische omzwervingen neergestreken op Singel 262, de plek waar het een kleine twintig jaar eerder was vertrokken en waar het decennialang had samengewerkt en -gewoond met de uitgeverijen Querido, Nijgh & Van Ditmar en Athenaeum – Polak & Van Gennep die daar nog steeds vertoefden zodat de terechte vraag rees of we daar dan niet net zo goed hadden kunnen blijven zitten – kwamen op een nazomerochtend niet één maar twee stagiaires (we hadden er toen hele regimenten van) bij me binnenlopen, hoog op de benen en rood in de konen. Want ze hadden breaking news; ze hadden iets ontdekt, misschien wel goud gedolven, in die muf dampende baggerberg. Het was een manuscript van een jongeman, het was echt heel goed, en dat vonden ze toevallig allebei! Ik hoorde dat aan met de gereserveerde geamuseerdheid van de-oude-man-die-alles-al-een-keer-of-tien-langs-heeft-zien-komen die hopelijk niet voor arrogantie werd versleten, en nam het manuscript in ontvangst.

Tot mijn stomme verbazing hadden ze gelijk. Dit stelde echt wat voor, dit verleidde mij tot doorlezen en stemde me tot nadenken. Een roman, geschreven door ene Helmer Stoel, filosofiestudent. Is een roman van een filosoof een filosofische roman? De vraag stellen is hem (nog niet) beantwoorden. Het ging om een boek over een terroristische aanslag in Amsterdam, verteld vanuit het standpunt van een Nederlandse rechtenstudent met een evident Noord-Afrikaanse achtergrond, ene Karim Hamid. Een boek dat me hier en daar deed denken aan De vreemdeling van Albert Camus. Geen slecht vergelijkingsmateriaal. Ik vond het – zonder nu de indruk te willen wekken dat alles er al aan klopte – met dermate grote overtuigingskracht van binnenuit geschreven (ik bedoel: het verdriet, de benardheid en het denken van een geaccultureerde jongeman met die achtergrond) dat ik me afvroeg of Stoel geen pseudoniem was van een jonge Marokkaanse Nederlander. Er zat er maar één ding op om dat uit te vogelen: uitnodigen die gast.

En zo zat ik op een goede vrijdagochtend in oktober in de spiegelzaal van Singel 262 aan tafel met twee overduidelijk opgetogen stagiaires en een rijzige jongeman uit Haarlem met iets van de uitstraling van een playboy die verdacht weinig weg had van een Marokkaan. Nu lopen de meningen uiteen over de wenselijkheid van Marokkanen in de eigen omgeving, maar ik kon aanvankelijk een licht gevoel van teleurstelling niet onderdrukken. Want ik wil graag meer, meer, meer Marokkanen in het fonds van De Arbeiderspers dan alleen maar Abdelkader en Saïda Benali (ik zou er meer kleur in willen tout court – zowel het personeel als het auteursbestand is me te overwegend wit), maar probeer dat maar eens te regelen.

De teleurstelling duurde maar even. Helmer Stoel bleek niet alleen de jonge auteur van een veelbelovend boek, hij liet ook binnen de kortste keren merken (zonder dat ook maar een moment nadrukkelijk te willen etaleren) dat hij met een intellectuele belangstelling in de wereld staat en, zo jong als hij is, beschikt over een verbazingwekkende eruditie. Ja, meneer bleek een philosooph te zijn, om (ik meen) een sarcastische Reve (uit De avonden?) te citeren. Eentje die zich verdiept had in het marxisme en de Frankfurter Schule en die met het grootste gemak kon praten over het werk van grootheden als Georg Lukács, Theodor W. Adorno en Herbert Marcuse – met name over die eerste, waarop hij, als ik het me goed herinner, aan het afstuderen was. Later bleek zijn kennis van de geschiedenis van de filosofie maar ook van de literatuur en van complete klassieke oeuvres trouwens, nog veel breder dan ik al durfde te vermoeden (hij kwam aandragen met Axel Honneth, sprak zijn bewondering uit voor het eigenaardige filosofische oeuvre van Simone Weil, las in een maand of wat het hele werk van Dostojevski), maar die eerste ontmoeting sterkte me direct in het voornemen met deze jongeman een verplichting aan te gaan.

Zo makkelijk was dat nog niet. Helmer Stoel had kennelijk met al zijn marxistische belezenheid ook nog een mercantiele kant. Hij had zelf voor agent gespeeld en zijn manuscript naar diverse uitgeverijen gestuurd. Met als gevolg dat ook diverse uitgeverijen – en niet de minste; De Bezige Bij en Atlas/Contact behoorden ertoe – belangstelling hadden om deze debutant in hun literaire programma op te nemen. Het vervult me nog altijd met trots en vreugde dat Helmer Stoel uiteindelijk voor ons koos, ja zelfs met een zekere overtuiging voor ons koos. Waar hebben we het aan verdiend?

Misschien aan het feit dat ik niet schrok van de vastberadenheid waarmee hij zijn literaire toekomst strikt gescheiden wilde houden van zijn wetenschappelijke (filosofische) toekomst. Misschien omdat ik er a priori waardering voor had dat hij op die beide terreinen met volle overgave het beste uit zichzelf wilde halen. Hij was, vertelde hij bij die eerste ontmoeting, nog net bezig zijn studie in Amsterdam af te ronden. Daarna zou hij een poos in Wuppertal (of was het Düsseldorf?) verder studeren om zich vervolgens bij zijn Italiaanse vriendin te vervoegen in Toulouse en daar zijn filosofische studies te vervolgen. Zulke ongebreidelde ambities staan mij wel aan. En die ambities worden waargemaakt, want na Toulouse is hij neergestreken te Padua om daar nog weer verder te studeren. In Padua zit hij nu dus, en dat boek, De verstekeling getiteld, dat is er.

Maar waar ik heen wilde: die scheiding tussen kunst en wetenschap leverde ook een nieuwe naam op. Zijn echte naam wil hij graag voorbehouden aan zijn wetenschappelijk werk. Dus Helmer Stoel is de filosoof, zonder ph en zonder poeha. En voor zijn literaire werk, waarvan hier vanavond de eerste vrucht aan de wereld getoond wordt, hanteert hij een pseudoniem. Mag ik u derhalve voorstellen: Henri Lambert (1988) studeerde filosofie in Amsterdam, Wuppertal, Toulouse en Padua. De verstekeling is zijn literaire debuut.

Over die titel en terloops (want daar heeft het van alles mee te maken) de betekenis van dit boek zou ik het vanavond ook nog kunnen en willen hebben. Maar dit is geen literatuurcollege. Ik volsta hier met te zeggen dat ik het aanvankelijk een ongrijpbare en wat mistige titel vond die mij vaagjes deed denken aan Der Verschollene van Franz Kafka, een zo moeilijk vertaalbaar woord dat die (onvoltooide) roman van Kafka in het Nederlands Amerika is gaan heten. En verder dat het woord wijst op iets in de roman dat niet zozeer met die grote, kaderende gebeurtenis van een terreuraanslag te maken heeft als wel met de eenzame binnenwereld van, behalve Karim, nog minstens één ander personage in De verstekeling.

Laatste zinnen van het boek: ‘We doen wat we kunnen, de kat en ik. We zijn de overlevenden.’ Als dat niet nieuwsgierig maakt, weet ik het ook niet meer.

Reken dáár maar op: van Henri Lambert zult u nog het een en ander gaan horen. En van Helmer Stoel trouwens ook. Het valt zelfs niet uit te sluiten dat beiden van zich zullen laten horen via de podia van De Arbeiderspers. Die is er immers ook voor al uw non-fictie! Maar Stoel en Lambert zelf – die zullen zo nu en dan nog wel een robbertje met elkaar gaan vechten. We moeten er maar het beste van denken en ervan uitgaan dat ze elkaar heel zullen houden.

Advertenties

‘Soms kan het ook zonder haakjes’ Over de nominatie van Anne Eekhout voor de BNG Bank Literatuurprijs 2016

 

 

Eekhout_Op_een_nacht_3D.jpgLaat ik het maar eerlijk toegeven: we hielden er rekening mee, we zaten er een beetje op te wachten, we vonden eigenlijk dat het echt niet anders kon. En toch raak je in een feeststemming als Anne Eekhout dan ook echt, geheel volgens onze verwachtingen, genomineerd wordt voor de BNG Bank Literatuurprijs 2016, ‘een prijs voor jonge schrijvers met een jong oeuvre’. Schrijvers die genomineerd kunnen worden zijn Nederlandstalig, van 1976 of daarna. Ze hebben twee of meer literaire prozawerken op hun naam staan, zijn nog niet echt doorgebroken (wat dat ook moge betekenen), hebben geen grote literaire prijs gewonnen en publiceerden in het afgelopen jaar een boek. Dat het een sluis is die toegang biedt tot breder vaarwater wordt wel duidelijk als je kijkt naar wie (onder anderen) de prijs in het verleden hebben gewonnen: Esther Gerritsen, Gustaaf Peek, Christiaan Weijts en vorig jaar Jamal Ouariachi.

Anne Eekhout dus, die drie jaar geleden bij De Arbeiderspers debuteerde met de roman Dogma en van wie dit jaar de opvolger daarvan, Op een nacht, uitkwam. Ze is genomineerd met Thomas van Aalten, Hanna Bervoets, Merijn de Boer en Eva Meijer.

Een paar weken nadat Op een nacht was verschenen, publiceerde Anne in de nrc.next van 21 maart 2016 een stuk onder de titel ‘Moet je knetter zijn als auteur?’ Dat was een pleidooi voor het schrijven van echte fictie, maar het problematiseerde dat genre meteen ook. Want zuivere fictie heeft, aldus Anne Eekhout, geen haakje. Arjen Fortuin sprong daar in een column in NRC Handelsblad tien dagen later gretig op in. Het haakje is, schrijft Fortuin, ‘datgene waarmee een boek uit de grijze massa gewone romans te halen is. Iets autobiografisch bijvoorbeeld. Iets zieligs of iets actueels. Iets dat de redacties van kranten, radio en tv-programma’s interesseert. “Dit is geweldige literatuur” is geen haakje. Dat klinkt te veel als: “Ik heb nog een oude kruik levertraan in de kelder gevonden.”’

Is dat zo? Misschien moet ik er de toespraak die ik hield bij de presentatie van Op een nacht nog eens bij halen. Die staat hieronder tussen de asterisken.

*

Wie de ontwikkelingen in het boekenbedrijf van de laatste jaren heeft gevolgd, moet zich wel sterk bewust zijn van het feit dat het vandaag de dag voor een romanschrijver hondsmoeilijk is geworden om te debuteren in de Nederlandstalige literatuur.

Iedereen weet dat er veel minder boeken worden verkocht dan vroeger, dat er minder boekhandels zijn en dat de boekhandels die er over zijn – de majestueuze uitzonderingen van een boekhandel als Athenaeum waar we ons nu bevinden daargelaten – ook voorzichtiger inkopen en over minder middelen beschikken om alles rijp en groen op de tafels neer te leggen. Daar komt dan nog eens bij dat fictie (en daar behoren romans nu eenmaal toe) de laatste jaren minder verkoopt, niet alleen in absolute zin, maar ook in verhouding tot non-fictie.

Je moet kortom stevig in je schoenen staan om nog carrière te willen maken in een genre waarin – dit is een persoonlijke indruk die ik nog niet met cijfers kan staven – de afgelopen jaren minder gedebuteerd is omdat naar mijn stellige indruk ook uitgevers voorzichtiger zijn geworden.

En als je dan al debuteert dan graag met iets dat brandende kwesties aansnijdt, op de bladderende huid van de barre tijd geschreven is of schaamteloos autobiografisch is.

Durf dan als jonge debutant nog maar eens te komen aanzetten met een roman die met volle overtuiging volledig ontsproten is aan niets dan de verbeeldingskracht. Maar Anne Eekhout durfde zich met Dogma in die niche te storten. Pure fictie over een gegeven – een groep studenten die op zeker moment besluit een documentaire te maken over de zelfmoord van een van hen – waarop kwalificaties als ‘gezellig’, ‘onderhoudend’ of ‘herkenbaar’ nu niet direct toepasbaar zijn.

Anne Eekhout was er ook niet op uit het ons gemakkelijk te maken of om ons gerust te stellen, maar haar oncomfortabele vertelling kreeg wel zijn beslag in een beklijvend boek waarvan de kwaliteiten door de literaire kritiek (kortom door mensen die we wanneer ons dat goed uitkomt doorgaans als kenners zien) onmiddellijk werden herkend. Dogma werd onthaald op viersterrenrecensies (en over dat sterrensysteem zullen we het nu, om het gezellig te houden, ook maar niet hebben). En Dogma werd herdrukt én genomineerd voor de Bronzen Uil voor het beste debuut én op de longlist van de AKO Literatuurprijs gezet.

Kortom: succesvol gedebuteerd in een voor dit type boek niet bepaald gunstig literair klimaat. Voor zoiets word je dan in feite ook meteen weer gestraft want een geslaagde start schept hoge verwachtingen. ‘Succes met een eerste boek is geweldig,’ sprak laatst een thrillerschrijfster, ‘maar als je eenmaal uitgejuicht bent, ontdek je het addertje onder het gras. De lat is een stukje hoger gelegd en het is aan jou om er elegant overheen te springen. Kleine foutjes die je bij je eerste boek nog werden vergeven, zijn nu uit den boze, want je moet er wel van geleerd hebben. Dat moet je bewijzen in je tweede boek.’

Maar volgens mijn stellige overtuiging is Anne Eekhout in het geheel niet gebukt gegaan onder het juk of de vloek van dat tweede boek. Waar ze jaren aan Dogma werkte en in soms grote vertwijfeling talloze nieuwe versies maakte, daar schreef ze haar nieuwe boek Op een nacht – nee, niet in een nacht en ook niet in een vloek en een zucht – maar wel in hooguit anderhalf jaar en ook nog eens met een plezier dat je maar zelden tegenkomt als redacteur.

Dat plezier zit bij haar in de monterheid en vastberadenheid waarmee ze het schreef. Het zit niet per se in het boek zelf. Het plezier spat niet van de pagina’s af. Want laten we wel wezen: wie beide boeken gelezen heeft zonder de auteur ervan te kennen zal op z’n minst denken dat die Eekhout niet bepaald het zonnetje in huis is.

En dat is meteen ook het grote misverstand. Het misverstand om te denken dat het boek (en wat erin tot uitdrukking wordt gebracht) op de een of andere samenvalt met de schrijver (en de psyche van de schrijver). Vaak is dat natuurlijk wel zo, maar het is niet noodzakelijkerwijs zo bij de schrijvers van pure fictie, en daarvan is Anne Eekhout er een. Zij is er daarvan zelfs zozeer een en met zoveel overtuiging dat ze er een stuk over heeft geschreven onder de titel ‘De rijkdom van de pure-fictieschrijver’ [dat stuk dus dat later onder een andere titel in nrc.next stond]. Het is een geestdriftig pleidooi voor dat toch lichtelijk bedreigde genre van de zuivere fictie waarvan de auteurs slechts aan hun eigen fantasie vastzitten: ‘En die is grenzeloos’.

‘Pure fictie kan sentimenten onsentimenteel onder de aandacht brengen, politiek zijn zonder te dwingen, het universele individueel maken en het individuele universeel, juist door niet rechtstreeks afkomstig te zijn uit het leven van de schrijver.’

Het plezier spat van de schrijver, van Anne Eekhout, af en niet zozeer van de bladzijden die zij geschreven heeft. Wat daarvan in Op een nacht af spat is het steeds vastere vormen aannemende vermoeden dat hier iemand aan het werk is die met de kracht van die pure verbeelding alle mogelijke emoties, gedachten en handelingen weet op te roepen. In Op een nacht ervaren we op een nooit eerder beleefde manier wat beklemming, gruwel, ongerustheid en waanzin voor vormen aan kunnen nemen, maar hetzelfde geldt ook voor liefde, geborgenheid en onversneden geluk. Op een nacht is een boek zoals je er voor het eerst een zult lezen.

Maar ook voor het laatst.

En over de vraag of we ons met dit boek uiteindelijk in de hemel of de hel of iets daartussenin bevinden, zal oneindige discussie blijven bestaan.

*

 

Conclusie: Arjen Fortuin heeft gelijk. ‘Dit is geweldige literatuur’ – dat is geen haakje. En toch is dit (het werk van Anne Eekhout) geweldige literatuur. Soms krijg je dan een beetje hulp. Van zo’n nominatie bijvoorbeeld. Soms kan het ook zonder haakjes.

 

 

op-een-nacht-beste

‘Wij zijn niet bestand tegen de tijd’ Paul de Wispelaere (1928-2016)

 

Zaterdag 2 december 2016 overleed Paul de Wispelaere. Zijn misschien wel beroemdste boek, Het verkoolde alfabet, verscheen in de reeks Privé-domein van De Arbeiderspers. Dat boek had gevolgd moeten worden door meer boeken bij dezelfde uitgeverij, maar de loop der dingen bepaalde anders.]

wispelaere_verkooldeDe liefde, de menselijke eenzaamheid en de vergankelijkheid – drie van de belangrijkste thema’s uit zijn werk vinden we al terug in de roman Een eiland worden waarmee Paul de Wispelaere op zijn vijfendertigste debuteerde in de Nederlandstalige letteren. ‘Wij zitten elk op een eiland […] wij zij niet bestand tegen de tijd,’ stelt hoofdpersoon Filip daar vast.

Alleen al die titels van veel van zijn boeken. Een eiland worden, Brieven uit Nergenshuizen (briefwisseling tussen een schrijver op leeftijd en een jonge lezeres), En de liefste dingen nog verder (wat uiteindelijk zijn laatste roman bleek te zijn, handelend over een oudere schrijver die te horen krijgt dat hij aan een terminale ziekte lijdt): de weemoed spat ervan af.

Paul de Wispelaere is langzaam uit zichzelf weggegleden. Hij leed aan de ziekte van Parkinson en de gevolgen daarvan: een falend geheugen. Mede daardoor had hij al vele jaren geen contact meer met zijn uitgevers en met (anderen uit) de literaire wereld. Niettemin ging het bericht van zijn dood in Vlaanderen niet onopgemerkt voorbij. Alle belangrijke kranten wijdden stukken aan hem als ‘een van de onbetwiste coryfeeën en vernieuwers van de Vlaamse literatuur’. En toch, om dicht bij de melancholie van De Wispelaere te blijven, moeten we ook vaststellen dat roem vergankelijk is en je in deze geheugenloze tijden al snel in de vergetelheid raakt als je niet constant in het nieuws bent.

In Nederland waren de berichten over de dood van Paul de Wispelaere namelijk een stuk kariger en schaarser. De maandag na zijn overlijden was de Volkskrant er overigens wel meteen bij, met een stuk van hun Vlaamse medewerker Paul Depondt. En met een begeleidende foto op postzegelformaat. Je moest dus goed kijken om te zien dat, anders dan het onderschrift ons wilde doen geloven, Paul de Wispelaere daar helemaal niet op stond. Het was een foto van Herman de Coninck, tot mijn verdriet ook weer een eeuwigheid dood.

Paul de Wispelaere is een geval apart in mijn hoedanigheid als redacteur en uitgever bij De Arbeiderspers. Hij is bij mijn weten de enige auteur met wie ik jarenlang (zo tussen 1995 en 2002) contact heb onderhouden – hij was immers fondsauteur – zonder dat ik ooit een boek van hem heb kunnen uitgeven. Goed begrepen: tot mijn grote spijt.

De eerste keer dat ik hem ontmoette (als dat het juiste woord is) was trouwens jaren voor mijn tijd bij De Arbeiderspers. Die ontmoeting vond volkomen toevallig en ongepland plaats. Het moet in de zomer van 1993 zijn geweest. Het verkoolde alfabet, misschien wel zijn grootste succes als schrijver waarin hij een jaar lang een dagboek bijhoudt, was in 1992 bij De Arbeiderspers uitgekomen in de reeks Privé-domein. Dat boek maakte, aanvankelijk vooral onder beroepslezers, furore. Achterop de derde druk (die ik zelf bezit) staan citaten van uiteenlopende bewonderaars als Julien Weverbergh, Jeroen Brouwers en Cyrille Offermans. Die laatste schreef: ‘Het verkoolde alfabet [is] een hoogtepunt in De Wispelaeres oeuvre; binnen de Nederlandse literatuur neemt dat oeuvre trouwens een unieke plaats in.’ Het was hetzelfde jaar waarin Mulisch, de Goethe van het Leidseplein, zijn magnum opus, De ontdekking van de hemel, publiceerde. In die jaren stelde ik voor Nijgh & Van Ditmar een aantal keer Mekka. Jaarboek voor lezers samen. Een van de vaste onderdelen van dat jaarboek was Mekka’s Top Honderd, een uit de toptienen van een zeventigtal critici uit Nederland en Vlaanderen opgemaakte lijst van de beste honderd literaire boeken van dat jaar. Mulisch won dat jaar met zijn grote roman de Mekka-beker, maar Het verkoolde alfabet eindigde op nummer twee, ver voor Het grote verlangen van Marcel Möring, die met dat boek later de AKO Literatuurprijs zou winnen, maar ook voor schrijvers als Koeppen, Tranströmer, Kadare, Singer en Pynchon van wie dat jaar ook allemaal belangrijke boeken in een Nederlandse vertaling verschenen.

Die zomer maakte ik – om op de eerste ontmoeting terug te komen – met mijn geliefde, niet voor het eerst en ook niet voor het laatst, een rondreis door Europa per auto. Op een dag reden wij van Bern naar Frankrijk met de bedoeling om naar Chartres, Illiers-Combray (Proust!) en Parijs te rijden, maar we maakten die avond een tussenstop, diep in de Bourgogne, in het rustieke, hoog op een heuvel gelegen middeleeuwse stadje Brançion, ‘overschaduwd door de silhouet van het oude kasteel’, om een toeristenfolder te citeren. We parkeerden onze auto aan de rand van de vesting en zagen dat er tezelfdertijd nog een andere auto een parkeerplek aan het bemachtigen was. Eentje met een Belgisch kenteken. En verdraaid, wie stapten er uit die wagen? Paul de Wispelaere en zijn geliefde (ik kende haar toen nog niet bij naam), Ilse Logie. Ik was nogal onder de indruk van die ontmoeting. Daar stonden we ineens oog in oog met de schrijver die weliswaar Mulisch voor zich had moeten dulden als auteur van het boek van het jaar, maar dit was toch een levende legende uit de Vlaamse letteren, auteur van een geweldig autobiografisch boek. Wij hebben ons toen ten overstaan van Paul en Ilse niet bekend gemaakt. Dat leek ons wat ongepast. Dus in die zin was er slechts sprake van een eenzijdige ontmoeting.

Maar een paar jaar later, toen ik voor De Arbeiderspers begon te werken, en erop werd uitgestuurd om bij hem in Moerhuize (Maldegem) op bezoek te gaan, heb ik hem natuurlijk verteld over die eenzijdige ontmoeting op die pittoreske plek.

Ja, ik werd er inderdaad op uitgestuurd, als gezant van De Arbeiderspers om de belangen van de uitgeverij veilig te stellen. Het was in de jaren van de vete tussen de AP en Atlas, de door Emiel Brugman na zijn vertrek bij AP opgerichte uitgeverij waarnaar een twintigtal auteurs van De Arbeiderspers was ‘overgelopen’ uit solidariteit met Brugman, geschoffeerd als die heette te zijn nadat niet hij maar Ronald Dietz de nieuwe uitgever van De Arbeiderspers was geworden als opvolger van Theo Sontrop. Maar er was een pak twijfelaars, auteurs die zich zakelijk en misschien ook anderszins gebonden voelden aan De Arbeiderspers, maar loyaliteit voelden in de richting van de vertrokken Brugman.

Paul de Wispelaere behoorde tot dat gezelschap, en Paul was een zachtaardige, sympathieke man, en zulke mensen zijn zelden van het heldhaftige, doortastende soort. Kristien Hemmerechts schreef het mooi op in haar in memoriam-stukje in De Morgen: ‘Hij was een lieve man, een van de eerste schrijvers die ik leerde kennen toen ik zelf begon te schrijven. Hij heeft vaak aardige dingen over mijn werk gezegd, en dat zal wel helpen bij de wederzijdse waardering, maar Paul heeft over het werk van veel schrijvers aardige dingen gezegd. Ik denk dat hij het niet in zich had om gemeen te zijn. Hij zal er wel af en toe het zijne van hebben gedacht, maar hij had niet de behoefte om dat met de wereld te delen.’

Enfin, Paul de Wispelaere moest gered worden uit de grijpgrage handen van het Atlasgeboefte en zo werd ik naar Moerhuize gezonden om Paul op de juiste koers te houden en te wijzen op zijn verplichtingen jegens De Arbeiderspers. Aldus heb ik diverse dienstreizen gemaakt naar Vlaanderen en Paul bezocht in zijn prachtige huis met die immens grote tuin eromheen. En zoals dat gaat: het ging tijdens die bezoeken over van alles en nog wat maar vrijwel niet over de zaken zelve. Daar kwam ik meestal voorzichtigjes op terug in de brieven die we elkaar schreven. Ook die gingen vaak over andere dingen, en de subtiele aansporingen mijnerzijds om nu eens serieus aan de slag te gaan met het schrijven van nieuw literair werk werden door hem met een nog grotere omzichtigheid beantwoord. Uiteindelijk moest de kogel toch door de kerk: Paul voelde zich moreel verplicht aan Emiel en die roman die eraan zat te komen (En de liefste dingen nog verder) verscheen uiteindelijk daar, evenals nog twee andere boeken (Cuba en andere reisverhalen en de essaybundel Onder voorbehoud), tot mijn ingehouden chagrijn. Missie volbracht, maar niet met het gewenste effect.

Tussen die bedrijvigheden door was ik er ook nog bij toen in 1998 zijn complete oeuvre bekroond werd met de Driejaarlijkse Prijs der Nederlandse Letteren, de hoogste literaire onderscheiding in de Lage Landen, uitgereikt door (toen nog) Hare Majesteit Koning Beatrix. Die enige keer dat ik bij koningin op bezoek ben gemogen, dat had ik dan toch aan hem te danken. Dat met die prijs bekroonde complete oeuvre – het moet niet vergeten worden – bevat ook nog een heleboel essayistiek en ‘wetenschappelijk’ werk. En eigenlijk bestond zijn fictie ook uit allerlei essayistische en autobiografische mengvormen. De Wispelaere was heeft zijn schrijverschap tientallen jaren lang gecombineerd met onderwijs en wetenschap. Tot begin jaren negentig werkte hij als hoogleraar Nederlandse letterkunde aan de universiteit in Antwerpen.

Een boek van Paul zelf is er in mijn tijd bij De Arbeiderspers dus niet meer gekomen. Maar toch hebben we bij de AP nog een gezamenlijk literair project tot een goed einde gebracht. Paul heeft (samen met Jeroen de Preter) de monumentale tweedelige uitgave bezorgd van het proza van een van de belangrijkste Vlaamse schrijvers: Het proza van Herman de Coninck… Laten we dat niet vergeten.

Aan de nagedachtenis van die laatste is En de liefste dingen nog verder opgedragen, als gezegd: zijn laatste roman over een schrijver die weet dat hij gaat sterven. En boek vol mooie, melancholieke zinnen, zoals deze: ‘Ook oktober is teruggekeerd, de opeenvolging van de maanden en seizoenen houdt het jaar in bedwang, maakt de toekomst voorspelbaar en neemt de dreiging ervan weg. […] Het is niet te geloven dat het allemaal regelmatig terug zal keren en voortbestaan zonder dat ik het hoor en zie. Ook de straat die door de velden naar café De Wielewaal kronkelt. En het dorp. En de stad. En Marlies. En, veel verder weg, Spanje en Mexico. En de wereld. Alle liefste dingen. Overal waar ik ooit geweest ben en alles wat in mijn geheugen is bewaard. Zonder toekomst wordt echter ook het verleden een ondraaglijke last.’

Blog op WordPress.com.

Omhoog ↑