Zaterdag 2 december 2016 overleed Paul de Wispelaere. Zijn misschien wel beroemdste boek, Het verkoolde alfabet, verscheen in de reeks Privé-domein van De Arbeiderspers. Dat boek had gevolgd moeten worden door meer boeken bij dezelfde uitgeverij, maar de loop der dingen bepaalde anders.]

wispelaere_verkooldeDe liefde, de menselijke eenzaamheid en de vergankelijkheid – drie van de belangrijkste thema’s uit zijn werk vinden we al terug in de roman Een eiland worden waarmee Paul de Wispelaere op zijn vijfendertigste debuteerde in de Nederlandstalige letteren. ‘Wij zitten elk op een eiland […] wij zij niet bestand tegen de tijd,’ stelt hoofdpersoon Filip daar vast.

Alleen al die titels van veel van zijn boeken. Een eiland worden, Brieven uit Nergenshuizen (briefwisseling tussen een schrijver op leeftijd en een jonge lezeres), En de liefste dingen nog verder (wat uiteindelijk zijn laatste roman bleek te zijn, handelend over een oudere schrijver die te horen krijgt dat hij aan een terminale ziekte lijdt): de weemoed spat ervan af.

Paul de Wispelaere is langzaam uit zichzelf weggegleden. Hij leed aan de ziekte van Parkinson en de gevolgen daarvan: een falend geheugen. Mede daardoor had hij al vele jaren geen contact meer met zijn uitgevers en met (anderen uit) de literaire wereld. Niettemin ging het bericht van zijn dood in Vlaanderen niet onopgemerkt voorbij. Alle belangrijke kranten wijdden stukken aan hem als ‘een van de onbetwiste coryfeeën en vernieuwers van de Vlaamse literatuur’. En toch, om dicht bij de melancholie van De Wispelaere te blijven, moeten we ook vaststellen dat roem vergankelijk is en je in deze geheugenloze tijden al snel in de vergetelheid raakt als je niet constant in het nieuws bent.

In Nederland waren de berichten over de dood van Paul de Wispelaere namelijk een stuk kariger en schaarser. De maandag na zijn overlijden was de Volkskrant er overigens wel meteen bij, met een stuk van hun Vlaamse medewerker Paul Depondt. En met een begeleidende foto op postzegelformaat. Je moest dus goed kijken om te zien dat, anders dan het onderschrift ons wilde doen geloven, Paul de Wispelaere daar helemaal niet op stond. Het was een foto van Herman de Coninck, tot mijn verdriet ook weer een eeuwigheid dood.

Paul de Wispelaere is een geval apart in mijn hoedanigheid als redacteur en uitgever bij De Arbeiderspers. Hij is bij mijn weten de enige auteur met wie ik jarenlang (zo tussen 1995 en 2002) contact heb onderhouden – hij was immers fondsauteur – zonder dat ik ooit een boek van hem heb kunnen uitgeven. Goed begrepen: tot mijn grote spijt.

De eerste keer dat ik hem ontmoette (als dat het juiste woord is) was trouwens jaren voor mijn tijd bij De Arbeiderspers. Die ontmoeting vond volkomen toevallig en ongepland plaats. Het moet in de zomer van 1993 zijn geweest. Het verkoolde alfabet, misschien wel zijn grootste succes als schrijver waarin hij een jaar lang een dagboek bijhoudt, was in 1992 bij De Arbeiderspers uitgekomen in de reeks Privé-domein. Dat boek maakte, aanvankelijk vooral onder beroepslezers, furore. Achterop de derde druk (die ik zelf bezit) staan citaten van uiteenlopende bewonderaars als Julien Weverbergh, Jeroen Brouwers en Cyrille Offermans. Die laatste schreef: ‘Het verkoolde alfabet [is] een hoogtepunt in De Wispelaeres oeuvre; binnen de Nederlandse literatuur neemt dat oeuvre trouwens een unieke plaats in.’ Het was hetzelfde jaar waarin Mulisch, de Goethe van het Leidseplein, zijn magnum opus, De ontdekking van de hemel, publiceerde. In die jaren stelde ik voor Nijgh & Van Ditmar een aantal keer Mekka. Jaarboek voor lezers samen. Een van de vaste onderdelen van dat jaarboek was Mekka’s Top Honderd, een uit de toptienen van een zeventigtal critici uit Nederland en Vlaanderen opgemaakte lijst van de beste honderd literaire boeken van dat jaar. Mulisch won dat jaar met zijn grote roman de Mekka-beker, maar Het verkoolde alfabet eindigde op nummer twee, ver voor Het grote verlangen van Marcel Möring, die met dat boek later de AKO Literatuurprijs zou winnen, maar ook voor schrijvers als Koeppen, Tranströmer, Kadare, Singer en Pynchon van wie dat jaar ook allemaal belangrijke boeken in een Nederlandse vertaling verschenen.

Die zomer maakte ik – om op de eerste ontmoeting terug te komen – met mijn geliefde, niet voor het eerst en ook niet voor het laatst, een rondreis door Europa per auto. Op een dag reden wij van Bern naar Frankrijk met de bedoeling om naar Chartres, Illiers-Combray (Proust!) en Parijs te rijden, maar we maakten die avond een tussenstop, diep in de Bourgogne, in het rustieke, hoog op een heuvel gelegen middeleeuwse stadje Brançion, ‘overschaduwd door de silhouet van het oude kasteel’, om een toeristenfolder te citeren. We parkeerden onze auto aan de rand van de vesting en zagen dat er tezelfdertijd nog een andere auto een parkeerplek aan het bemachtigen was. Eentje met een Belgisch kenteken. En verdraaid, wie stapten er uit die wagen? Paul de Wispelaere en zijn geliefde (ik kende haar toen nog niet bij naam), Ilse Logie. Ik was nogal onder de indruk van die ontmoeting. Daar stonden we ineens oog in oog met de schrijver die weliswaar Mulisch voor zich had moeten dulden als auteur van het boek van het jaar, maar dit was toch een levende legende uit de Vlaamse letteren, auteur van een geweldig autobiografisch boek. Wij hebben ons toen ten overstaan van Paul en Ilse niet bekend gemaakt. Dat leek ons wat ongepast. Dus in die zin was er slechts sprake van een eenzijdige ontmoeting.

Maar een paar jaar later, toen ik voor De Arbeiderspers begon te werken, en erop werd uitgestuurd om bij hem in Moerhuize (Maldegem) op bezoek te gaan, heb ik hem natuurlijk verteld over die eenzijdige ontmoeting op die pittoreske plek.

Ja, ik werd er inderdaad op uitgestuurd, als gezant van De Arbeiderspers om de belangen van de uitgeverij veilig te stellen. Het was in de jaren van de vete tussen de AP en Atlas, de door Emiel Brugman na zijn vertrek bij AP opgerichte uitgeverij waarnaar een twintigtal auteurs van De Arbeiderspers was ‘overgelopen’ uit solidariteit met Brugman, geschoffeerd als die heette te zijn nadat niet hij maar Ronald Dietz de nieuwe uitgever van De Arbeiderspers was geworden als opvolger van Theo Sontrop. Maar er was een pak twijfelaars, auteurs die zich zakelijk en misschien ook anderszins gebonden voelden aan De Arbeiderspers, maar loyaliteit voelden in de richting van de vertrokken Brugman.

Paul de Wispelaere behoorde tot dat gezelschap, en Paul was een zachtaardige, sympathieke man, en zulke mensen zijn zelden van het heldhaftige, doortastende soort. Kristien Hemmerechts schreef het mooi op in haar in memoriam-stukje in De Morgen: ‘Hij was een lieve man, een van de eerste schrijvers die ik leerde kennen toen ik zelf begon te schrijven. Hij heeft vaak aardige dingen over mijn werk gezegd, en dat zal wel helpen bij de wederzijdse waardering, maar Paul heeft over het werk van veel schrijvers aardige dingen gezegd. Ik denk dat hij het niet in zich had om gemeen te zijn. Hij zal er wel af en toe het zijne van hebben gedacht, maar hij had niet de behoefte om dat met de wereld te delen.’

Enfin, Paul de Wispelaere moest gered worden uit de grijpgrage handen van het Atlasgeboefte en zo werd ik naar Moerhuize gezonden om Paul op de juiste koers te houden en te wijzen op zijn verplichtingen jegens De Arbeiderspers. Aldus heb ik diverse dienstreizen gemaakt naar Vlaanderen en Paul bezocht in zijn prachtige huis met die immens grote tuin eromheen. En zoals dat gaat: het ging tijdens die bezoeken over van alles en nog wat maar vrijwel niet over de zaken zelve. Daar kwam ik meestal voorzichtigjes op terug in de brieven die we elkaar schreven. Ook die gingen vaak over andere dingen, en de subtiele aansporingen mijnerzijds om nu eens serieus aan de slag te gaan met het schrijven van nieuw literair werk werden door hem met een nog grotere omzichtigheid beantwoord. Uiteindelijk moest de kogel toch door de kerk: Paul voelde zich moreel verplicht aan Emiel en die roman die eraan zat te komen (En de liefste dingen nog verder) verscheen uiteindelijk daar, evenals nog twee andere boeken (Cuba en andere reisverhalen en de essaybundel Onder voorbehoud), tot mijn ingehouden chagrijn. Missie volbracht, maar niet met het gewenste effect.

Tussen die bedrijvigheden door was ik er ook nog bij toen in 1998 zijn complete oeuvre bekroond werd met de Driejaarlijkse Prijs der Nederlandse Letteren, de hoogste literaire onderscheiding in de Lage Landen, uitgereikt door (toen nog) Hare Majesteit Koning Beatrix. Die enige keer dat ik bij koningin op bezoek ben gemogen, dat had ik dan toch aan hem te danken. Dat met die prijs bekroonde complete oeuvre – het moet niet vergeten worden – bevat ook nog een heleboel essayistiek en ‘wetenschappelijk’ werk. En eigenlijk bestond zijn fictie ook uit allerlei essayistische en autobiografische mengvormen. De Wispelaere was heeft zijn schrijverschap tientallen jaren lang gecombineerd met onderwijs en wetenschap. Tot begin jaren negentig werkte hij als hoogleraar Nederlandse letterkunde aan de universiteit in Antwerpen.

Een boek van Paul zelf is er in mijn tijd bij De Arbeiderspers dus niet meer gekomen. Maar toch hebben we bij de AP nog een gezamenlijk literair project tot een goed einde gebracht. Paul heeft (samen met Jeroen de Preter) de monumentale tweedelige uitgave bezorgd van het proza van een van de belangrijkste Vlaamse schrijvers: Het proza van Herman de Coninck… Laten we dat niet vergeten.

Aan de nagedachtenis van die laatste is En de liefste dingen nog verder opgedragen, als gezegd: zijn laatste roman over een schrijver die weet dat hij gaat sterven. En boek vol mooie, melancholieke zinnen, zoals deze: ‘Ook oktober is teruggekeerd, de opeenvolging van de maanden en seizoenen houdt het jaar in bedwang, maakt de toekomst voorspelbaar en neemt de dreiging ervan weg. […] Het is niet te geloven dat het allemaal regelmatig terug zal keren en voortbestaan zonder dat ik het hoor en zie. Ook de straat die door de velden naar café De Wielewaal kronkelt. En het dorp. En de stad. En Marlies. En, veel verder weg, Spanje en Mexico. En de wereld. Alle liefste dingen. Overal waar ik ooit geweest ben en alles wat in mijn geheugen is bewaard. Zonder toekomst wordt echter ook het verleden een ondraaglijke last.’

Advertenties