De presentatie van De verstekeling, de debuutroman van Henri Lambert (pseudoniem van Helmer Stoel), vond vrijdag 16 december plaats in het vermoedelijk kleinste theater van Amsterdam. Het Torpedo Theater (voorheen het Parool Theater) ligt diep verscholen in de Nes en telt niet meer dan dertig vierkante meter. Gevolg: heel veel volk per vierkante meter. De perfecte locatie voor een boek dat handelt over nietigheid en verborgen motieven. Hieronder mijn enigszins bewerkte toespraak tijdens die gebeurtenis.


582bf_9789029505505_cvrIemand moet het doen. En daarom komt het er vaak op neer dat de stapels ongevraagd ingezonden manuscripten op de uitgeverij worden doorgenomen door een stagiair. Die staan, heel cru gezegd, nu eenmaal onderaan de pikorde van een uitgeverij en worden derhalve zonder scrupules ingezet om de vieze klusjes op te knappen. In kringen van het boekbedrijf zelf worden die ongevraagde manuscripten niet voor niks doorgaans aangeduid met de term slushpile. Misschien valt dat woord in deze betekenis nog het beste te vertalen als baggerberg. Nou, dan weet je het wel. Of in elk geval weet je dan hoe er in de literaire uitgeverswereld tegen die stapel wordt aangekeken. Het overgrote deel is troep en gaat down the drain al dan niet voorzien van een zalvende afwijzing.

Maar zo’n twee jaar geleden – De Arbeiderspers was na een reeks homerische omzwervingen neergestreken op Singel 262, de plek waar het een kleine twintig jaar eerder was vertrokken en waar het decennialang had samengewerkt en -gewoond met de uitgeverijen Querido, Nijgh & Van Ditmar en Athenaeum – Polak & Van Gennep die daar nog steeds vertoefden zodat de terechte vraag rees of we daar dan niet net zo goed hadden kunnen blijven zitten – kwamen op een nazomerochtend niet één maar twee stagiaires (we hadden er toen hele regimenten van) bij me binnenlopen, hoog op de benen en rood in de konen. Want ze hadden breaking news; ze hadden iets ontdekt, misschien wel goud gedolven, in die muf dampende baggerberg. Het was een manuscript van een jongeman, het was echt heel goed, en dat vonden ze toevallig allebei! Ik hoorde dat aan met de gereserveerde geamuseerdheid van de-oude-man-die-alles-al-een-keer-of-tien-langs-heeft-zien-komen die hopelijk niet voor arrogantie werd versleten, en nam het manuscript in ontvangst.

Tot mijn stomme verbazing hadden ze gelijk. Dit stelde echt wat voor, dit verleidde mij tot doorlezen en stemde me tot nadenken. Een roman, geschreven door ene Helmer Stoel, filosofiestudent. Is een roman van een filosoof een filosofische roman? De vraag stellen is hem (nog niet) beantwoorden. Het ging om een boek over een terroristische aanslag in Amsterdam, verteld vanuit het standpunt van een Nederlandse rechtenstudent met een evident Noord-Afrikaanse achtergrond, ene Karim Hamid. Een boek dat me hier en daar deed denken aan De vreemdeling van Albert Camus. Geen slecht vergelijkingsmateriaal. Ik vond het – zonder nu de indruk te willen wekken dat alles er al aan klopte – met dermate grote overtuigingskracht van binnenuit geschreven (ik bedoel: het verdriet, de benardheid en het denken van een geaccultureerde jongeman met die achtergrond) dat ik me afvroeg of Stoel geen pseudoniem was van een jonge Marokkaanse Nederlander. Er zat er maar één ding op om dat uit te vogelen: uitnodigen die gast.

En zo zat ik op een goede vrijdagochtend in oktober in de spiegelzaal van Singel 262 aan tafel met twee overduidelijk opgetogen stagiaires en een rijzige jongeman uit Haarlem met iets van de uitstraling van een playboy die verdacht weinig weg had van een Marokkaan. Nu lopen de meningen uiteen over de wenselijkheid van Marokkanen in de eigen omgeving, maar ik kon aanvankelijk een licht gevoel van teleurstelling niet onderdrukken. Want ik wil graag meer, meer, meer Marokkanen in het fonds van De Arbeiderspers dan alleen maar Abdelkader en Saïda Benali (ik zou er meer kleur in willen tout court – zowel het personeel als het auteursbestand is me te overwegend wit), maar probeer dat maar eens te regelen.

De teleurstelling duurde maar even. Helmer Stoel bleek niet alleen de jonge auteur van een veelbelovend boek, hij liet ook binnen de kortste keren merken (zonder dat ook maar een moment nadrukkelijk te willen etaleren) dat hij met een intellectuele belangstelling in de wereld staat en, zo jong als hij is, beschikt over een verbazingwekkende eruditie. Ja, meneer bleek een philosooph te zijn, om (ik meen) een sarcastische Reve (uit De avonden?) te citeren. Eentje die zich verdiept had in het marxisme en de Frankfurter Schule en die met het grootste gemak kon praten over het werk van grootheden als Georg Lukács, Theodor W. Adorno en Herbert Marcuse – met name over die eerste, waarop hij, als ik het me goed herinner, aan het afstuderen was. Later bleek zijn kennis van de geschiedenis van de filosofie maar ook van de literatuur en van complete klassieke oeuvres trouwens, nog veel breder dan ik al durfde te vermoeden (hij kwam aandragen met Axel Honneth, sprak zijn bewondering uit voor het eigenaardige filosofische oeuvre van Simone Weil, las in een maand of wat het hele werk van Dostojevski), maar die eerste ontmoeting sterkte me direct in het voornemen met deze jongeman een verplichting aan te gaan.

Zo makkelijk was dat nog niet. Helmer Stoel had kennelijk met al zijn marxistische belezenheid ook nog een mercantiele kant. Hij had zelf voor agent gespeeld en zijn manuscript naar diverse uitgeverijen gestuurd. Met als gevolg dat ook diverse uitgeverijen – en niet de minste; De Bezige Bij en Atlas/Contact behoorden ertoe – belangstelling hadden om deze debutant in hun literaire programma op te nemen. Het vervult me nog altijd met trots en vreugde dat Helmer Stoel uiteindelijk voor ons koos, ja zelfs met een zekere overtuiging voor ons koos. Waar hebben we het aan verdiend?

Misschien aan het feit dat ik niet schrok van de vastberadenheid waarmee hij zijn literaire toekomst strikt gescheiden wilde houden van zijn wetenschappelijke (filosofische) toekomst. Misschien omdat ik er a priori waardering voor had dat hij op die beide terreinen met volle overgave het beste uit zichzelf wilde halen. Hij was, vertelde hij bij die eerste ontmoeting, nog net bezig zijn studie in Amsterdam af te ronden. Daarna zou hij een poos in Wuppertal (of was het Düsseldorf?) verder studeren om zich vervolgens bij zijn Italiaanse vriendin te vervoegen in Toulouse en daar zijn filosofische studies te vervolgen. Zulke ongebreidelde ambities staan mij wel aan. En die ambities worden waargemaakt, want na Toulouse is hij neergestreken te Padua om daar nog weer verder te studeren. In Padua zit hij nu dus, en dat boek, De verstekeling getiteld, dat is er.

Maar waar ik heen wilde: die scheiding tussen kunst en wetenschap leverde ook een nieuwe naam op. Zijn echte naam wil hij graag voorbehouden aan zijn wetenschappelijk werk. Dus Helmer Stoel is de filosoof, zonder ph en zonder poeha. En voor zijn literaire werk, waarvan hier vanavond de eerste vrucht aan de wereld getoond wordt, hanteert hij een pseudoniem. Mag ik u derhalve voorstellen: Henri Lambert (1988) studeerde filosofie in Amsterdam, Wuppertal, Toulouse en Padua. De verstekeling is zijn literaire debuut.

Over die titel en terloops (want daar heeft het van alles mee te maken) de betekenis van dit boek zou ik het vanavond ook nog kunnen en willen hebben. Maar dit is geen literatuurcollege. Ik volsta hier met te zeggen dat ik het aanvankelijk een ongrijpbare en wat mistige titel vond die mij vaagjes deed denken aan Der Verschollene van Franz Kafka, een zo moeilijk vertaalbaar woord dat die (onvoltooide) roman van Kafka in het Nederlands Amerika is gaan heten. En verder dat het woord wijst op iets in de roman dat niet zozeer met die grote, kaderende gebeurtenis van een terreuraanslag te maken heeft als wel met de eenzame binnenwereld van, behalve Karim, nog minstens één ander personage in De verstekeling.

Laatste zinnen van het boek: ‘We doen wat we kunnen, de kat en ik. We zijn de overlevenden.’ Als dat niet nieuwsgierig maakt, weet ik het ook niet meer.

Reken dáár maar op: van Henri Lambert zult u nog het een en ander gaan horen. En van Helmer Stoel trouwens ook. Het valt zelfs niet uit te sluiten dat beiden van zich zullen laten horen via de podia van De Arbeiderspers. Die is er immers ook voor al uw non-fictie! Maar Stoel en Lambert zelf – die zullen zo nu en dan nog wel een robbertje met elkaar gaan vechten. We moeten er maar het beste van denken en ervan uitgaan dat ze elkaar heel zullen houden.

Advertenties