There’s a lady who’s sure

                                                                       All that glitters is gold

Led Zeppelin

 

Zondag 22 januari 2017 kreeg Atte Jongstra in Den Haag voor zijn hele literaire werk de Constantijn Huygens-prijs uitgereikt die de Jan Campertstichting hem eerder al had toegekend. Eric Vloeimans stak virtuoos een adembenemende loftrompet en Max Pam gooide er een geestige ode in woorden tegenaan. De Constantijn Huygens-prijs is na de P.C. Hooft-prijs de belangrijkste literaire oeuvreprijs. Wie die prijs heeft ontvangen gaat welhaast vanzelf deel uitmaken van de literatuurgeschiedenis. Eerdere laureaten van de sinds 1947 uitgereikte prijs zijn onder anderen Bloem, Elsschot, Vestdijk, Bordewijk, Carmiggelt, Lucebert, Boon, Vasalis, Claus, Haasse, Nooteboom, Minco, Grunberg en Van der Heijden. Eind februari verschijnt Jongstra’s nieuwe boek Het fluïde tijdperk. Daar moet nog even op worden gewacht. Lees daarom eerst zijn boeiende roman Aan open zee die vorig jaar bij De Arbeiderspers uitkwam.

 

‘In elk van zijn boeken treft het de lezer telkens weer hoe hij citaten, verwijzingen en fictie weet samen te brengen in een kunstig, vermakelijk en vaak tegendraads werk van de verbeelding,’ staat over Atte Jongstra te lezen in het juryrapport van de Constantijn Huygens-prijs 2016. Dat komt dan mooi uit, want binnenkort – om precies te zijn op 21 februari – verschijnt er met Het fluïde tijdperk weer zo’n typisch eclectisch Jongstra-boek. Eentje dus waarin het barst van uiteenzettingen over beeldende kunst en dat (dus ook) vergeven is van de (kleuren)plaatjes. Zoals gewoonlijk, kan je wel zeggen, alhoewel plaatjes in Aan open zee, zijn vorige boek nu juist schitterden door afwezigheid. Sterker nog: eruit gestolen leken te zijn.

We vierden de verschijning van Aan open zee vorig jaar maart met een feestje bij de schrijver thuis in Osdorp, in het hol van de leeuw, in de ruime woon- annex werkkamer waar de roman grotendeels geschreven is. Ik hield er een toespraak aan de hand van een stapel boeken en een bos verroeste sleutels zonder uitgeschreven tekst. Wat nu volgt is een reconstructie (niet geheel betrouwbaar dus, maar dat is geheel in Jongstra’s geest) van wat ik daar gezegd zou kunnen hebben.

 

*

 

Omdat je sleutels nodig hebt om ergens binnen te komen, begin ik met het volgende. Vorig jaar, misschien wel anderhalf jaar geleden, reed ik met mijn schoonmoeder naar De Lindenhof in Baambrugge om gastronomisch inkopen te doen voor een familiemaaltijd. Ze verkopen in die boerderijwinkel vlees van eigen landerijen, groente en fruit van omliggende bedrijven, overheerlijke kazen en wijnen van heinde en verre, en noem maar op. Ga daar ook een keer boodschappen doen, maar neem een welgevulde portemonnee mee. (Zo, nu heb ik weer genoeg reclame gemaakt om mijn portemonnee bij een volgend bezoek thuis te kunnen laten.)

Wat ik die vorige keer wel meende bij me te hebben maar waar ik niet mee thuiskwam: mijn sleutels! Bij thuiskomst bleek ik mijn sleutels kwijt te zijn. Ik heb nog een paar keer naar De Lindenhof gebeld. Maar nee hoor, ze hadden geen sleutels gevonden, niets wat daar op leek. Ze waren voorgoed kwijt. Ze moesten daar ergens in de varkens- of koeiendrek zijn blijven steken… (Dit is geen antireclame, dit is om de rustieke, bucolische sfeer van het gelukzalige boerenbuitenleven te benadrukken.)

Maar hoe dan ook: dit verhaal komt haperend op gang met een slechte tijding, dat was u ook al opgevallen.

Laten we daarom vervolgen met het goede nieuws. Terwijl we de nieuwe roman van Atte Jongstra nota bene hier en nu ten doop houden, hebben we de eerste viersterrenrecensie al binnen. Die komt van Janet Luis en stond eergisteren in nrc Handelsblad onder de kop ‘Vergeet dat lijk, let vooral op de zee’. Een magnifieke start, maar het advies zou ik toch liever niet volgen. Let nou eens vooral wel op dat lijk! Het is met Jongstra namelijk altijd hetzelfde liedje in de kritiek. De recensenten wijzen graag – of men nu pro of contra is – op het ontregelende, onaffe, ontsporende in dat werk, ook als er, zoals in dit geval, nu juist eens wél sprake is van een (ja, zelfs spannend) verhaal. Nu doet Jongstra aan het eind van het boek ook weer alle moeite om ons te doen geloven dat dat hele boek van hem als vanouds een soepzooitje is. In het laatste hoofdstuk (heel gotisch ‘Slut’ geheten) van dat boek, spelend op een piepklein eiland in de Oostzee, staat het namelijk het volgende, dat door Janet Luis gretig geparafraseerd wordt:

 

‘Misschien moest hij Mette de baaierd aan stukken en brokken maar eens laten lezen. Wie weet kon zij eruit opmaken wat hij eigenlijk met zijn boek zou willen zeggen. Zijn uitgever had al een om een voorlopige samenvatting gevraagd, het was Axel niet gelukt.

“Godbewaarme…” had de uitgever teruggemaild. “Is het wel een roman? Als je een reisverhaal bedoelt: daar is geen markt voor. Bovendien had je me een thriller beloofd, weet je nog.”

Niet achteromkijken, dacht Axel. Voorwaarts! Eenmaal aan de schepping begonnen, dan ook doorzetten. En anders word ik maar timmerman of visser. Daarbij: de liefde wacht!’

Uiteindelijk was ik als uitgever van het boek van Atte Jongstra enorm gerustgesteld: een echte Atte, maar ook een echt verhaal en ja, met een beetje goede wil ook nog eens een echte thriller. Drie keer waar voor uw geld!

En dan was er, nog iets eerder vorige week, zelfs nog een tweede viersterrenrecensie van ene Maryse op de boekrecensiewebsite Scriptor, onder de kop ‘Het water neemt de vorm aan van de vaas waarin men het giet’. Maryse begint als volgt: ‘Op Christiansø, een honderd zieleneilandje aan de rand van Denemarken, gebeurt nooit iets. Daarom is het de ideale plek voor een auteur die in alle rust een roman wil schrijven. Toch heeft Axel Borg, de hoofdfiguur uit Aan open zee, nog niet eens een beginidee voor zijn fictieproject. Hij denkt er zelfs aan plagiaat te plegen en zich Het ravijn, een minder bekend boek van Ivan Gontsjarov, geestelijk toe te eigenen… tot hij ontdekt dat er rondom hem spannende dingen gebeuren en eender wie een verborgen agenda kan hebben.’

Het water in dit boek neemt als snel de vorm aan van een pakkend winterverhaal, rechttoe rechtaan verteld, zo lijkt het. We kunnen het nauwelijks geloven, want dat is nooit eerder vertoond bij Jongstra. En misschien is het ook wel te mooi om waar te zijn.

 

Van zijn eerste (De psychologie van de zwavel) tot zijn voorlaatste (Worst) blinken de boeken van Atte Jongstra uit door een totaal gebrek aan rechtlijnigheid of doelmatigheid. Kenmerkend, een enkele uitzondering daargelaten, is verder dat er altijd plaatjes in staan. Veel vieze en ook vaak rare plaatjes, bijvoorbeeld van een mannetje dat zijn hoofd in een vagina steekt, van een schema van de hel, van lustvuurwerk of van een mankepoot in een soort middeleeuwse voorloper van een rolstoel. Dat werk. En behalve plaatjes bevatten de boeken ook voetnoten, motto’s, bibliografieën en registers. Kortom: de constante in al die boeken is alles wat juist afleidt van de kern. En constant is ook dat er altijd van alles gejat wordt. In zijn boeken wemelt het van de citaten zonder bronvermelding. Atte Jongstra steelt als de raven.

In mijn exemplaar van zijn debuut De psychologie van de zwavel uit 1989 (waarschijnlijk door Atte gesigneerd tijdens een optreden in het Utrechts Literair Café in Zeezicht; het kan niet anders of ik moet dat boek toen al gerecenseerd hebben voor het Utrechts Nieuwsblad) staat: ‘17/12/89: voor Peter Nijssen, vorser in voetnoten, zo heb ik begrepen, en dat was ook de bedoeling.’ De boef die bewust sporen achterlaat en er prijs op stelt als die ook worden aangetroffen.

Maar het kan nog brutaler. Atte heeft eens een boek vertaald van Peter Cornell, De paden naar het paradijs. Noten bij een verloren manuscript. Dat boek bestaat, zoals de ondertitel al impliceert, volledig uit noten en plaatjes die verwijzen naar een afwezige tekst, een lege kern. Jaren later verscheen er een boek (is het wel een boek? het is eerder een glossy tijdschrift dat bij nadere beschouwing een catalogus blijkt) met vrijwel dezelfde titel, Paden naar het paradijs – alleen het eerste lidwoord ontbreekt –, dat ook voor een groot deel uit plaatjes bestaat en een tentoonstellingscatalogus van Rijksmuseum Twenthe blijkt te zijn. De ondertitel verraadt genoeg aan de kenners: Klompen aan en gaan! Neo-wetenschappelijke wegen naar de eeuwigheid. Daar kan niemand anders dan Atte Jongstra, obscurantist der vaderlandse letteren, achter zitten, al is het ding daadwerkelijk in opdracht van het Rijksmuseum Twenthe gemaakt.

De uitgave bevat verwijzingen naar god mag weten wat, maar niet naar Cornell. En ze is bij elkaar geschreven en geredigeerd door een keur van figuren als (naast Atte Jongstra) Robert Junius, Agna Eygenraam, Tom Wispolius, Gaston Tarjet en Arno Breekveld. Let vooral op de anagrammen, pseudoniemen naamverbasteringen en -verwijzingen. Charlatanerie uit één koker!

 

Wie de moeite neemt Aan open zee niet alleen als een spannend winterverhaal maar eveneens (en dus aandachtig) te lezen als een geestig en subtiel spel van referenties, komt ook daarin een heleboel briljant jatwerk tegen. Ik noem slechts Flaubert, Simenon, bekenden uit de Nederlandse onderwereld, de Deense politieke geschiedenis. Het verhaal op zich vormt een soepel strakgetrokken bovenlaag, maar daaronder blijkt dat niets is wat het lijkt, of in ieder geval dat alles ook nog iets anders is dan het lijkt. Zelfs het lijk blijkt niet het lijk dat het lijkt.

Toen ik deze roman als redacteur eind vorige zomer doornam, had ik al het plezier tal van verwijzingen op te merken. Maar je ziet natuurlijk nooit alles, soms ook het kapitale niet. Afgelopen najaar zat ik wat te grasduinen in mijn boekenkasten en stuitte daar bij toeval op een nooit gelezen of in elk geval nooit meer dan provisorisch gelezen roman van August Strindberg. Wie schetst mijn verbazing dat dit boek (dat ik toch al een jaar of vijfentwintig in bezit heb en waarschijnlijk ooit bij De Slegte op de kop heb getikt) de titel droeg van het nieuwe boek van Atte Jongstra onder welke het inmiddels ook al in de prospectus stond. Op de achterflap ervan las ik dat het Strindbergs ‘aanvankelijke bedoeling was een vissersverhaal te schrijven dat evolueerde tot een roman over kunst en de godgelijke kunstenaar, waarin de ontkiemende subjectivistische wereldbeschouwing het wint van de idealistische maatschappijkritische tendens waaraan Strindberg zijn werk tot het eind van de jaren tachtig ondergeschikt gemaakt had. De teloorgang van de visserijinspecteur Axel Borg […] groeide tijdens het werk aan het boek uit tot een symbool van Strindbergs breuk met zijn geloof in het directe maatschappelijke nut van de literatuur.’

Krijg nou toch pek en veren! Niet alleen die titel, maar ook het personage plus een heel scala aan thematische noties had de vogel naar zijn eigen nest in aanbouw verplaatst.

Voor alle duidelijkheid: dit zijn geen beschuldigingen maar uitingen van aanhoudende verbazing. Dat is en blijft de lol van het lezen van Atte Jongstra – ook in een boek zonder illustraties en voetnoten, ook in een boek dat een straightforwardly vertelde geschiedenis uit de doeken doet.

 

Straightforward is niet een in het oog springende eigenschap van deze causerie geworden. Mijn verontschuldigingen. Maar ik moest – om een en ander duidelijk te maken over de kleptomane werkwijze van de schrijver in kwestie in wiens roversnest wij thans vertoeven – een omtrekkende beweging maken. Die beweging nadert zijn einde.

Mijn zoon Derek was vanochtend met vriend Joep aan het voetballen in het aan ons huis grenzende parkje. Op zeker moment trapte een van hen de bal op het dak van het transformatorhuisje. Met vereende krachten – Joep met ineengevouwen handen, Derek die daar op gaat staan en zich naar de rand van het dak wurmt – slaagden ze er in die bal van dat dak te halen. Maar niet alleen die bal. Hij trof er ook de bos sleutels aan die ik al bijna een jaar kwijt was, verroest en onder de viezigheid van halfvergane bladeren.

Hoe kan dat nou? Hoe kunnen die sleutels daar terechtgekomen zijn?

Ineens begon mij iets te dagen. Naast dat transformatorhuisje staat een wel twintig meter hoge populier. En hoog in die populier verschanst zich al jaren een koppel eksters in een nest. Eksters. Daarover weet de website van de Vogelbescherming het volgende te melden: ‘Eksters staan er in de volksmond om bekend glimmende voorwerpen als sieraden en zilveren theelepeltjes te “stelen” en naar het nest te brengen. Dit gedrag komt voort uit de onverzadigbare nieuwsgierigheid van eksters; alles dat er “anders” uitziet, wordt onderzocht en eventueel begraven onder enkele bladeren voor later gebruik.’

Ja, ook eksters, Gerrit Dekzeil, stelen als de raven. Ik blijf ten slotte zitten met een vraag. Illustreert dit verhaal over het terugvinden van mijn sleutels nu dat Atte Jongstra een ekster is of heeft toch de Heilige Antonius, beste vrind, mij die sleutels helpen terugvinden? Eén ding weet ik wel: ook de Heilige Antonius schittert in het werk van Atte Jongstra. In elk geval in zijn De hele santenkraam. Nieuw christelijk lexicon (De Arbeiderspers, 1997).

 

Advertisements