Vorige week kondigde Max Greyson de presentatie aan van zijn poëziedebuut Waanzin went niet. En wel op 30 januari 2017 in Antwerpen. ‘Krijg nou wat!’ roepen de kenners. Die bundel werd toch vorig jaar oktober al ten doop gehouden in de Arenbergschouwburg in Antwerpen? Het moet niet gekker worden. En toch is het zo. De Orde van de Prinsen (een soort van prestigieuze Antwerpse herenclub) heeft die bundelvoorstelling inclusief alle optredens geboekt als show. Een besloten voorstelling, waarin alleen ondergetekende zal ontbreken. Vorig jaar werd mijn rol tijdens die middag in de uitnodiging aangekondigd als die van ‘een sprekende uitgever in de gedaante van Peter Nijssen’. Geef toe: dat klinkt een beetje alsof een horrorclown alle aanwezigen de stuipen op het lijf komt jagen. Gaan we niet nog een keer doen. Maar mijn toespraak mogen ze hebben. Als ik het goed begrepen heb, heeft ‘presentator Matthias’ zich erover ontfermd. De tekst vindt u hieronder.

 

*

 

U hebt het allemaal kunnen lezen in de uitnodiging die u hebt ontvangen voor deze helemaal te gekke boekpresentatie. Op het programma van vanmiddag staat onder andere een gedaante, en wel de gedaante van een sprekende uitgever. Welnu, dat ben ik. Ecce homo. Ziedaar de mens! Dat klinkt al verontrustend, nietwaar. Is die meneer wel helemaal compos mentis?

En wat presenteren we vanmiddag? Juist, Waanzin went niet, de debuutbundel van Max Greyson. Een van de vragen die hier moeten worden beantwoord is dan ook of Max Greyson gek is. Mad Max Greyson. Een tweede vraag is overigens of de titel slaat op de zender of de ontvanger.

Ecce homo. Dat was zo ongeveer het laatste geschrift dat Friedrich Nietzsche – in nog geen drie weken tijd – voltooide. De ondertitel ervan luidt: Hoe iemand wordt wat hij is. Twee maanden later, begin 1889, viel hij in Turijn wenend een mishandeld en afgetobd paard om de hals. Het begin van een ongeneeslijke krankzinnigheid. De laatste twaalf jaar van zijn leven bracht hij door in bed, starend in een onpeilbare verte en volkomen sprakeloos. Zo gek als het paard van Christus. Het megalomane genie had het intellect en de actieradius van een kamerplant gekregen, al zou je ook nog kunnen beweren dat hij eindelijk had bereikt wat hij wilde: een volkomen ‘freier Geist’ zijn.

Maar goed, dat was na het bijeen pennen van een omvangrijk en nog altijd wereldwijd gelezen wijsgerig oeuvre. Max Greyson, beste mensen, is daarentegen nog ternauwernood begonnen. Hij komt net kijken met zijn Waanzin went niet. Gelukkig stelt Max ons met het motto waarmee hij zijn bundel laat beginnen vooralsnog gerust. ‘Jusqu’ici tout va bien…’ En dat staat er tot drie keer toe. Nu moet ik er wel bij zeggen dat het gedacht wordt door een vent die van een vijftig verdiepingen hoge flat aan het vallen is. Laten we dan meteen maar doorstomen naar de tweede afdeling van deze debuutbundel met de titel ‘Tussen waan en zin’. Of nee, laten we dat nog even niet doen.

 

Laat ik eerst eens vertellen hoe ik Max Greyson op het spoor kwam. Dat spoor werd voor mij uitgezet door Ilja Leonard Pfeijffer, die mij als auteur van De Arbeiderspers maar eerst en vooral als jurylid van het open Nederlands kampioenschap Poetry Slam 2015 tipte over de dichter die dat jaar tweede was geworden, hoewel de jury hem met kop en schouders boven de rest vond uitsteken. Daar dacht het aanwezige klapvee met stemrecht anders over. Die koos voor een gelikte snoeshaan met een allemansrepertoire. Ilja wist wel beter. Max Greyson moesten we hebben: ‘Hij is een echte dichter, virtuoos en talig’

Wat Ilja beweert is maar zelden onzin, dus ik legde contact met Max. Hij stuurde mij nieuwe poëzie en we maakten een afspraak in Gent op de avond dat Christophe Vekeman zijn roman Hotel Rozenstok presenteerde. En daar ontmoette ik hem voor het eerst tussen de ruïnes rondom de Sint-Baafsabdij, waar hij op me zat te wachten op een steen in het gras, peinzend als een Van Gogh die in het open veld zit te penselen aan een nieuw schilderij. Dat werd nog een heel erg starry, starry night daar met alle toespelingen van dien, maar spijt zullen we daar allebei niet van hebben overgehouden.

Want het was begin van de bundel die vandaag ten doop gehouden wordt: Waanzin went niet. Dat we met Max een dichter hadden binnengehaald die de podia en de voordracht – zelfs internationaal, het afgelopen voorjaar zat hij een paar maanden met een zeer kleurrijk gezelschap in Keulen – niet schuwt, was misschien wel het eerste wat we ons realiseerden. Ook hier – op het Mestizo Arts Festival – staat hij weer op de planken. En afgelopen week ontving ik de uitnodiging voor de openingsavond op 2 november van Crossing Border, het literatuur- en muziekfestival in Den Haag waar Smutfish onder de naam Smetvis een Nederlandstalig album presenteert in het Paard van Troje. Dat album bevat tekstbijdragen van bekende figuren als Freek de Jonge, Levi Weemoedt, Bart Chabot en Maartje Wortel. En wie leverde er ook een bijdrage. Juist: Max Greyson. Voor al uw teksten en geluiden!

Maar dat theatrale is één kant van zijn literaire medaille. Het is de kant waar ook zijn maatschappelijke betrokkenheid bij hoort. Het is de kant waarop die zin slaat die op het achterplat van zijn bundel geschreven staat: ‘Hij schuwt het engagement niet, de wereld niet en de liefde nog minder.’ Het is iets dat hij deelt met zijn land- en generatiegenoot Charlotte Van den Broeck die vorig jaar zo waanzinnig succesvol bij De Arbeiderspers debuteerde met Kameleon: het naar buiten toe gerichte en de ambitie om ook een spoken word dichter te zijn. Maar er is toch ook nog iets anders dat hij met haar deelt: namelijk dat ook voor hem geldt dat zijn gedichten in de allereerste plaats gemaakt zijn van taal. Dat staat ook in datzelfde tekstje op achterkant van de bundel vermeld: ‘Zijn poëzie is een hartstochtelijk onderzoek naar klank en ritme met als doel een ongenadige stem te vinden die alles en iedereen (ook zichzelf) op de proef stelt.’

 

Laten we dan nu nog eens teruggaan naar die afdeling in Waanzin went niet getiteld ‘Tussen waan en zin’. Die afdeling opent met het gedicht ‘Mal’. En de tweede strofe daarvan luidt als volgt:

‘Wanneer we ontwaken in een boog

van negentig graden, met onze tenen in een kramp

en onze vingertoppen badend in weke huid

hoor ik hoe je luidop een vorm ontwerpt

om op je lichaam te passen’.

Dat is inderdaad mal, maar niet alleen maar als gekte maar ook als een passende vorm – als euforie, als koortsachtige liefde, als iets wat lijkt op wat het omslag ons toont.

Waanzin went niet

Van die talige euforie, al dan niet op sinistere wijze van het padje geraakt, staat deze bundel vol. Neem bij voorbeeld (en daarmee ook ten slotte) het gedicht ‘Geef hem een naam’ dat als volgt begint:

 

‘Spreek hem aan zoals hij is gebekt, vergelijk hem met de stank, de dranklucht

die tijdens lange winters en hete zomers in de metro hangt, jaag hem buiten

als een kruimeldief, kraker, wanbetaler, gootloper, zonder schroom, vind hem

vadsig rijmelaar, schimmig dichter in honderdenéén gezichten verroest

en versteend, geslepen in ongrijpbaarheid, jezuïet of huichelaar,

einzelgänger, subsidiemelker en cultuurbarbaar, hij gaat niet naar theater’

 

En dat gedicht eindigt met de regels:

 

‘[…] zie hem inktzwart ogen op een witte muur

spreek hem aan, geef hem een naam, noem hem niet je mens’

 

Die aansporing neem ik ter harte. Ik noem hem niet ‘je mens’. Niks Ecce homo. Ik, de gedaante van de sprekende uitgever, noem hem Max Greyson. Die van de waanzin die niet went.

Max Greyson is lang niet gek.

Max Greyson is helemaal te gek.

Advertisements