Zoeken

Nijssen Schrijft

De weblog van Peter Nijssen

Maand

februari 2017

‘Die vent van die moestuin en van die vieze recepten.’ J.M.A. Biesheuvelprijs 2017 voor Maarten ’t Hart

In ‘De buitendeur’, een verhaal van Maarten ’t Hart uit De moeder van Ikabod, wordt de schrijver belaagd door een groepje jonge boefjes die hem aanvankelijk de inhoud van zijn portemonnee afhandig willen maken. Maar als blijkt dat daar maar vijftig eurocent in zit (voor het zwembadkluisje) zetten ze hem in als lokaas om iemand anders (een slager in zijn winkel) te beroven. Op zeker moment, bij het naderen van een patrouillewagen, weet Maarten aan zijn belagers te ontkomen en zich in een lange sprint te verzekeren van de bescherming van het blauw op straat. Maar het blauw op straat wil hem niet erg geloven.

‘“Weet je ’t zeker? Kerels? Ik heb geen kerels gezien.”
“Ik ook niet,” zei de agent.’ Even aandachtig als achterdochtig keek de agente mij aan, ze zei: “O, kijk nou, als dat die schrijver niet is. Wat was de naam ook weer? Biesheuvel? Nee, nee, Van ’t Hart, ja het is hem, Van ’t Hart, die vent van die moestuin en van die vieze recepten, kom, stap weer in, we gaan naar het bureau.”
“Nee, wacht, misschien dat die vier knullen hier nog ergens…” zei ik.
“Het is Van ’t Hart,” zei de agente koppig, “die heeft nogal een dikke duim. Vier kerels, ga toch weg, we hebben niks niemendal gezien, we hebben alleen maar een idioot de straat op zien sprinten die met zijn armen begon te zwaaien alsof hij Sinterklaas zag aankomen op een dwergezeltje.”’

Dit zegt ongetwijfeld het nodige over hoe de sterke arm schrijvers percipieert (als een bende fantasten die het ook in de werkelijkheid niet te nauw nemen met de feiten), maar daar gaat het me nu niet om.

Het gaat me om Maarten Biesheuvel, die andere Leidse (en omstreken) schrijver die in De moeder van Ikabod zo vaak ten tonele verschijnt dat het welhaast onbetamelijk was geweest als deze verhalenbundel van Maarten ’t Hart afgelopen zondag (19 februari 2017) niet was bekroond met de J.M.A. Biesheuvelprijs.

vdh9789029505673

Dat is natuurlijk allemaal achteraf praten. Want toen iets minder dan twee weken geleden de nominaties voor de prijs bekend werden gemaakt (naast Maarten ’t Hart ook A.H.J. Dautzenberg met De dag dat de gieren buigen, Bertram Koeleman met Engels voor leugens, A.N. Ryst met De blauwe maanvis en Kira Wuck met Noodlanding), was het lang niet zeker dat Maarten ’t Hart die prijs in de wacht zou slepen. Hij mag dan met voorsprong de bekendste schrijver van dit vijftal zijn, maar die andere vier waren echt niet voor niks genomineerd. Daar komt nog bij dat Maarten ’t Hart een zeer weinig bekroond auteur is. Een jaar of veertig geleden kreeg hij de Multatuliprijs voor Het vrome volk en halverwege de jaren negentig werd zijn roman Het woeden der gehele wereld bekroond met de Gouden Strop. Dat was het wel zo’n beetje voor wat betreft de literaire erkenning in de Nederlandstalige letteren.

Die feiten dwingen tot scepsis. En ook Maarten liet me weten dat hij er zeker van was dat hij die prijs niet zou krijgen. Daar kwam nog bij dat er omstandigheden waren die het hem praktisch erg lastig maakten aanwezig te zijn bij de bekendmaking en uitreiking van de prijs in het Lloyd Hotel aan de Oostelijke Handelskade in Amsterdam. ‘Wat die prijsuitreiking betreft,’ schreef hij zijn redacteur Michel van de Waart, ‘ik weet niet of het mij zal lukken daarheen te gaan. Ik kamp met een eigenaardig euvel. Op onvoorspelbare momenten krijg ik opeens een bloedneus. […] Als dat dit weekend nog niet over is, ga ik niet, want daar in de zaal zitten met opeens een bloedneus – dat is akelig en lastig. Om het bloeden te stelpen moet ik gaan liggen met mijn hoofd achterover en iets heel kouds in mijn nek – zie je mij dat doen midden onder de prijsuitreiking?’

Nee, dat leek ons zelf ook geen feestelijk gezicht. En vanzelfsprekend zouden wij met plezier de honneurs waarnemen, al hadden we (ten overvloede!) het liefst gezien dat Maarten er zelf bij was geweest.

Deze situatie was wel een gelegenheid bij uitstek om eens te kijken of het niet mogelijk was op voorhand wat informatie in te winnen over de kansen van onze genomineerde. Ik deed zélf of mijn neus bloedde en mailde Arjen Fortuin (een van de initiatiefnemers van de J.M.A. Biesheuvelprijs) om hem te laten weten dat Maarten hoogstwaarschijnlijk verstek zou moeten laten gaan: ‘Met andere woorden: is bij afwezigheid van Maarten komende zondag mijn overkomst dringend gewenst (als je begrijpt wat ik bedoel)? Soms heeft een mens al aan een half woord genoeg.’

Maar Arjen Fortuin liet zich niet kennen: ‘Ik zit niet in de jury, dus halve woorden heb ik niet… Daar staat tegenover dat je natuurlijk wel moet komen, om Maarten te steunen, zijn champagne te drinken of anders om hem te vertegenwoordigen. Bovendien werken we aan een (figuurlijk) doekje voor het bloeden voor alle genomineerden.’

Terugkijkend op vanmiddag neem ik aan dat hij doelde op het feit dat alle genomineerden een ‘schrijfretraite’ werd aangeboden in De Buitenwerkplaats te Starnmeer ‘om even afstand te nemen van het stedelijk leven met alle reuring, prijsuitreikingen en dagelijkse beslommeringen. Van vrijdagmiddag tot zondagmiddag kunt u in alle rust schrijven. Wij zorgen voor een tafel, een bed en een ontbijt- en lunchpakket.’

Welnu, ik hoop zeer dat Maarten op dat aanbod wil ingaan. Want als dat niet een nieuw hilarisch verhaal oplevert, dan weet ik het ook niet meer.

Eén ding is zeker. Ik was daar vanmiddag niet voor noppes en niemendal. Ik werd, nadat Babs Gons het juryrapport* had voorgelezen (‘Maarten ’t Hart weet aanstekelijk schrijfplezier te verenigen met een grote ambachtelijkheid en een ongeëvenaarde stijl’), naar voren geroepen om bij afwezigheid van Maarten (en in aanwezigheid van die andere Maarten!) de prijs (groot € 5105,70) in ontvangst te nemen. Ik sprak namens de auteur door te zeggen hoe verrast wij waren dat deze prijs naar hem gegaan was en namens mijzelf door (ik zeg het nogmaals) te melden dat het ook bijna onbetamelijk was geweest hem niet te winnen bij zoveel verwijzing naar Maarten Biesheuvel in één boek. En ik las ook de regels voor die hij me stuurde voor het geval hij volkomen onverwachts toch de prijs zou krijgen: ‘Ik ben een schrijver met heel veel lezers, maar ook met heel weinig prijzen. Dus ik ben er enorm verguld mee dat ik deze prijs heb gewonnen. Ik dank de jury dan ook hartelijk voor deze uitverkiezing.’

Daarna verwees ik nog naar een interview van Jamal Ouariachi, eerder deze week in Het Parool, naar aanleiding van de verschijning van diens nieuwe boek, Herinneringen in aluminiumfolie, waarin hij meldde dat zijn verhalenbundel onder meer een antwoord was op het alomtegenwoordige ‘droogklotenproza’ in de huidige Nederlandse literatuur. Ik greep die opmerking aan om te zeggen dat met Maarten ’t Harts De moeder van Ikabod weliswaar niet een bundel uitverkoren was die schittert in ontregelend proza of subtiel literair trapezewerk, maar dat het de bekroning was van een gulle verteller die uitblinkt in verhalen die bol staan van humor, kleurrijkheid en zeggingskracht. En van Maarten Biesheuvel dus.

Om dat te onderstrepen las ik het begin voor van het verhaal ‘De hoofdprijs’:

‘Wij schrijven het jaar van het beroemde boek van Orwell. Ik had het boekenweekgeschenk mogen maken. Ik signeerde bij boekhandel Kooyker te Leiden. Op een moment dat het aan mijn tafeltje even stil was sloop een bejaarde dame naderbij. Ze zei: “Dat vind ik nou zo geweldig, meneer Biesheuvel, dat u het boekenweekgeschenk hebt geschreven, zou u er eentje voor mij willen signeren?”

Jaren eerder was het mij, toen ik bij boekhandel Van der Galie in Utrecht signeerde, ook al overkomen dat een reuze aardig meisje voorstelde om na afloop van de signeersessie iets te gaan drinken. Eenmaal in de kroeg bleek dat ook zij dacht dat ik Maarten Biesheuvel was en toen ik haar uit de droom hielp, was zij niet alleen diep teleurgesteld, maar ging ze er terstond vandoor. Dus die oude dame bij Kooyker wou ik zo’n deceptie besparen. Vaak genoeg had ik bij signeersessies naast Bies gezeten, dus ik wist precies hoe hij signeerde. In De ortolaan zette ik derhalve zwierig zijn handtekening, J.M.A. Biesheuvel, met een klein tekeningetje van een kooikershondje eronder. Innig tevreden liep de oude dame met De ortolaan de winkel uit.’

De Arbeiderspers feliciteert Maarten ’t Hart uitbundig met de J.M.A. Biesheuvelprijs 2017.

*Het juryrapport van de J.M.A. Biesheuvelprijs bevatte ook nog een paar bijzondere vermeldingen. Een daarvan was die voor de verhalenbundel Huis voor het hiernamaals van Guido Snel, waarin ‘fictie en non-fictie op fascinerende wijze [worden] verenigd.’ Een meer dan terechte bijzondere vermelding voor een verhalenbundel met veel Midden-Europa waarin essay en vertellend proza een gloedvolle fusie aangaan. Ik kan iedereen deze bundel dan ook zeer aanraden. Ga dat ook lezen!

 

Nomadisch dichten Over Nachtroer van Charlotte Van den Broeck

Das Bleibende, scheint mir, ist wo man sagen kann – ‘Anfang und Ende immerfort dasselbe’.
Hannah Arendt in een brief aan Martin Heidegger, 19 oktober 1966

 

Zaterdag 21 januari 2017 werd in De Zwarte Panter Nachtroer, de tweede dichtbundel van Charlotte Van den Broeck, ten doop gehouden. De beroemde Antwerpse galerie voor hedendaagse kunst, in 1968 opgericht door de aimabele en er nog altijd actieve Adriaan Raemdonck, gevestigd in een voormalig gesticht aan de Hoogstraat, was met zijn inpandige toog van meet af aan ook een favoriete ontmoetingsplek voor dichters en kunstenaars. Jan Vanriet, Paul Snoeck, Jan Decleir, Fred Bervoets, Eddy van Vliet, Pjeroo Roobjee en Hugo Claus waren er kind aan huis. Alleen al om die reden was het een welgekozen plek. De winterkoude kapel van De Zwarte Panter bood maar net genoeg ruimte aan de bijna tweehonderd bezoekers van de presentatie. Dat het bomvol was, had als voordeel dat men zich aan elkaar kon warmen, wat De Zwarte Panter een beetje de aanblik gaf van een duistere convocatie die een samenzwering aan het smeden was, een occult ritueel onder de noemer Nachtroer.

De samengedromde menigte zag optredens van Juicy Dune IJsselmuiden, die een ode aan de nacht kwam brengen; Arnon Grunberg (niet live aanwezig) met een videoboodschap voor de dichter van de avond; Mirjam van Hengel die  Charlotte Van den Broeck kort interviewde over haar nieuwe bundel en uiteraard Charlotte zelf in een indrukwekkende performance met zanger en pianist Gregory Frateur (met wie ze eerder al op de Frankfurter Buchmesse had opgetreden). De tekst hieronder is een uitgebreide bewerking van de toespraak die ik er hield.

 

*

 

We rollen onze tongen op, houden een mond vol

losbandig zwijgen. In het terrarium gloeit stilaan het kameleonwijfje.

Ze krijgt de kleur van wangen na het vrijen

van mannen die op vakantie enkel kaartjes naar hun stamkroeg schrijven.

Het soort rood dat elke schakering op schaamte doet lijken.

 

Het bovenstaande is een fragment van een van de twee titelgedichten uit de bundel Kameleon, waarmee Charlotte Van den Broeck iets minder dan twee jaar geleden debuteerde en die we toen – ook in januari, ook in Antwerpen, al was het toen in boekhandel De Groene Waterman – aan de mensheid voorstelden. Afgaande op de tekst van de toespraak die ik daar hield, moeten we euforisch zijn geweest. We hadden zelf al het gevoel met deze jonge (en vanzelfsprekend nog onbekende) dichter een groot talent in huis gehaald te hebben, maar hadden daarvoor bevestiging gevonden nu zij was toegevoegd aan de toch altijd prestigieuze line-up van Saint Amour, een van de grootste reizende literaire evenementen in Nederland en Vlaanderen dat onder de altijd bekwame leiding van Behoud de Begeerte en Luc Coorevits op het punt van beginnen stond.

Wat we toen uiteraard nog niet wisten: dat deze dichter tijdens Saint Amour zo van zich zou doen spreken. Charlotte Van den Broeck maakte een overdonderende entree in de literaire bovenwereld (underground had ze namelijk al een reputatie als performing poet) en was de sensatie van die afleveringenreeks van Saint Amour. Over haar gedichten schreef Humo dan ook: ‘Ze lijken op maat voor het podium geschreven, maar herbergen achter een bedrieglijke transparantie een rijke gelaagde veelheid.’

Die dubbele kwaliteit – zowel charme en acteertalent als poëticale diepgang – was wat iedereen meteen bijzonder aansprak in Charlotte Van den Broeck. En dan was Saint Amour nog maar de opmaat naar meer succes. Haar bundel werd overladen met enthousiaste recensies en begin vorig jaar bekroond met de Herman de Coninck-debuutprijs. Ze had de enorme eer om, veel later vorig jaar, samen met Arnon Grunberg de Frankfurter Buchmesse te openen, waar Nederland en Vlaanderen zich samen als gastland aan de (boeken)wereld toonden. En dat laatste heeft weer geleid tot een opvallende internationale belangstelling voor haar werk. Ze is net terug van een literaire tournee in Londen en had de afgelopen dagen tal van media-afspraken in Vlaanderen en Nederland. Maar wat wil je ook met een dichtbundel die inmiddels in zijn vierde druk zit en met een opvolger op komst.

Het moge duidelijk zijn: Charlotte’s opkomst in de literatuur schept verwachtingen voor de tweede bundel. In De Standaard van afgelopen vrijdag noemde dichter en criticus Luuk Gruwez – hij besprak er tevens zeer lovend de bundel Ontsnappingen van een andere Arbeiderspers-dichter, te weten de voor de Herman de Coninckprijs genomineerde Eva Gerlach – vijf bundels om dit voorjaar bijzonder naar uit te kijken. Nachtroer dus ook. ‘Met Kameleon […] gooide Van den Broeck hoge ogen,’ aldus Gruwez, die spreekt over ‘de aangrijpende manier waarop zij haar gedichten op een podium weet te brengen, met onovertroffen charisma en uit het hoofd’. En hij vervolgt: ‘Charlotte Van den Broeck ondernam in haar debuut een zoektocht naar de plaats van een mens in zijn lichaam en de plaats van dat lichaam in de wereld, met een opvallende aandacht voor vrouwelijkheid en moederschap. Benieuwd welke richting zij op gaat met Nachtroer.’

Welnu Luuk, richting… Dat is nog niet zo een-twee-drie duidelijk. De bundel vertrekt na een reeks onder de titel ‘Acht, ∞’ (het symbool dat deel uitmaakt van de titel is een lemniscaat, het oneindigheidsteken maar ook een omgevallen acht) waarin een voorbije liefde met terugwerkende kracht in een begin uitmondt, waarna er in het hele vervolg van de bundel opnieuw begonnen wordt om aan het eind uit te komen bij een soort gebruiksaanwijzing: het bouwpakket voor een boot waarmee nogmaals een reis zou kunnen worden aangevangen. Misschien wel een postume, postnucleaire of posthumane reis. Maar je kunt het ook, zoals Charlotte zelf deed in een dubbelinterview met Peter Verhelst in Humo betrekken op de barre maatschappelijke actualiteit: ‘Ja, dat beeld gaat voor mij over een afscheid, maar het kan door het vaak gebruikte beeld van de vluchtelingenboten in de media evengoed als engagement gelezen worden.’

Daarmee is, of het nu om een persoonlijk of maatschappelijk engagement gaat, al één belangrijk thema van deze bundel geduid, namelijk het perspectief dat het opnieuw beginnen, telkens opnieuw beginnen, menselijkerwijs biedt. Dat is uiteraard allerminst een op zichzelf staand, door haar als eerste verkend thema. Van den Broeck plaatst zich aldus nadrukkelijk in een twintigste-eeuwse literair-filosofische traditie (Hannah Arendt en Ernst Bloch voorop) van het levend houden van de hoop als kenmerkend voor de menselijke vitaliteit. Joke J. Hermsen verwoordt het in Kairos. Een nieuwe bevlogenheid in een essay over Arendt als volgt: ‘Het nieuwe begin was voor Arendt zo’n belangrijk filosofisch thema, omdat beginnen niet alleen de kringloop van gebeurtenissen weet te doorbreken, maar ook omdat de mens in haar visie ten diepste een initium is, “een begin en een nieuwkomer” die in staat is nieuwe initiatieven te nemen, een andere weg in te slaan of iets nieuws te initiëren.’

Precies dat is de drijfveer van deze tweede bundel, een drijfveer die zich in Nachtroer ontvouwt als een lange reis, als een schimmig, zo nu en dan ook suspensevol nachtelijk avontuur, als een vlucht naar voren, of om te spreken met Ingeborg Bachmann uit een van haar Frankfurter Colleges: ‘Zo is de literatuur, hoewel en zelfs omdat ze altijd een mengelmoes is van het voorbije en van wat we nu aantreffen, steeds het verhoopte, het gewenste, waaruit we naar ons verlangen een keuze maken – zo is ze een naar voren geopend rijk met onbekende grenzen.’

Die richting uit dus, als een soort moderne versie van de middeleeuwse reis van Sinte-Brandaan, zij het niet zoals in zijn geval als een straf voor het verbranden van een boek dat de waarheid over Gods wonderen bevatte maar vanuit een honger naar iets nieuws (na het verdriet van een gebroken liefde) en vanuit een soort verlangen naar ontheemding, naar verdwijning en naar een opgaan in de permanente stroom van het tomeloze leven. Het motto van Emmanuel Levinas dat aan de bundel zelf voorafgaat is in dat opzicht treffend gekozen: ‘Het innerlijke leven, het ik, de scheiding, zijn de ontworteling zelf, de niet-participatie en bijgevolg de ambivalente mogelijkheid van dwaling en van waarheid. Het kennende subject is geen deel van een geheel, het grenst nergens aan.’

Thema’s (aan)duiden is één ding, maar we moeten niet vergeten erop te letten hoe schitterend ze verwoord zijn en met welke pakkende beelden. Over de vergeefsheid van onze inspanningen of ruzies in ‘Drift’: doet het ertoe/ wie wat van wie heeft meegegraaid/ of wie er als laatste recht bleef staan?// feiten worden altijd door structuren ingehaald, ’s ochtends/ de tanden tot grind gebeten, de mond leeg van verweer. Of hoe in ‘Dorst’ een gevoel van uitputting en zelfverlies wordt opgeroepen: en we breken maar/ uit elkaars ribben, laten de poten willoos hangen/ als bij het nekvel gegrepen door een grotere tegenstander/ blijkt verte maar het testbeeld op de televisie, jij opgesloten/ in de smaak van hoe hij zich je mond herinnert/ zonder kloven of beloftes of lippenstift, bloedappelsien. Of in ‘Snede’ waarin een soortgelijke ervaring van depersonalisatie wordt gekoppeld aan het gevoel van hitte met een beklijvend beeld: juli, bleke hitte, uit mijn polsen druipen vingers, schaduw/ vind ik in ogen achter een zonnebril op mij gericht. Deze voorbeelden zijn enigszins willekeurig. Tientallen van zulke pregnante beelden en regels worden aangetroffen in deze bundel die ook voor de lezer kan uitpakken als een onthechtende ervaring.

Maar die onthechtende ervaring lijkt uiteindelijk misschien wel op niets zozeer dan op het grillige parcours van het onvoorspelbare leven zelf (een onderweg zijn als verzet tegen de dood of misschien – en paradoxaal genoeg – ook wel als verzet tegen het leven zelf). In een van de laatste gedichten uit de bundel (uit de zesdelige cyclus ‘Daar’) verwoordt Charlotte Van den Broeck dat als volgt: Ze zeggen dat je van hieruit maar één kant op kan, weg/ en eenmaal weg weet men snel dat er elders niet meer wereld is […]// maar wie opgroeit in een eindstation weet vanzelf/ dat aan het einde van de dingen onwrikbaar en altijd een gevolg ligt.

Dat komt dicht in de buurt van wat Patricia de Martelaere in een essay over Freud en de dood in Een verlangen naar ontroostbaarheid concludeerde over ons instinct tot zelfbehoud: ‘Er is geen andere keuze dan die tussen de onmiddellijke terugkeer en de omweg: een echte “weg” – die ergens anders aankomt dan waar hij vertrok – lijkt er voor het leven niet te zijn.

Enfin, de omweg dus, begin is einde en einde is begin, en die beleven wij met de dichter (of de ik) mee in deze (nogal urbane) omzwerving. (Nachtroer is tussen haakjes ook de naam van een Antwerpse nachtwinkel.) Etappe voor etappe leidt deze nomadische bundel ons zo niet tot splijtende inzichten en ongekende ervaringen dan toch in ieder geval naar steeds weer schitterende afzonderlijke gedichten.

Charlotte Van den Broeck bewondert de Oostenrijkse schrijfster en dichter Ingeborg Bachmann (1926-1973). Terecht en begrijpelijk. Haar werk is als geen ander doortrokken van verlangen naar ontheemding en ongeneeslijk Fernweh. Neem haar gedicht ‘Bohemen ligt aan zee’ uitmondend in de grootse regels (in de vertaling van Paul Beers): ‘Ik grens nog aan een woord en aan een ander land,/ ik grens, hoe weinig ook, aan alles immer meer’.

Dat schier grenzeloze herkennen we in Nachtroer. Begin er maar aan.

TO TRUMPET 1984

orwellsticker

‘Nou, zeg het maar… Willen jullie meer of minder alternatieve feiten!’

‘Meer, meer, meer. We willen meer alternatieve feiten!’

‘Geweldig. Jullie willen meer alternatieve feiten. Dan gaan we dat regelen.’

‘Misschien een ongepaste vraag, meneer de uitgever, maar hoe gaat u dat doen? En hoe kunt u die verspreiden?’

‘Goeie vraag. Zal ik jullie vertellen. 1984. Dat boek van George Orwell. Niet dat ik het zelf gelezen heb – ik lees nóóit een boek, ik heb wel wat béters te doen – maar echt, een gewéldig boek. Staat vol alternatieve feiten die helemaal waar zijn. En u verdient het om eindelijk eens de waarheid te horen. In plaats van al die volgelogen boekjes van andere uitgevers. Allemaal leugenaars, die uitgevers. In 1984 wordt tenminste gezegd waar het op staat. Dat dat twee plus twee vijf is, als de partij DAT zegt. Vijf dus, dan hoort u dat ook nog eens van mij. Een echte, alternatieve absolute waarheid, zoals ik die in pacht heb. Geloof me maar, ik zeg wat ik denk en ik doe wat ik zeg.

‘En wat zégt u dan precies?’1984-omslag

        ‘Ik zeg dat we een muur van boeken gaan aanleggen in de
boekhandel in Nederland
en Vlaanderen, en ook in de elektronische boekhandel. Een manshoge muur. Of ze nou willen of niet, die boekhandels. Die komen daar ook niet onderuit. Nee mooi niet! Een múúr van boeken zeg ik. En iedereen van jullie gaat zo’n boek kopen voor 12 + 2 = 15 euro. Wat natuurlijk voor niks is, dat begrijpen jullie ook wel, want jullie he
bben als de besten door hoe dat zit met al die bedriegers van andere uitgevers die die boeken veels te duur maken. En dat er dan ook nog onzin in staat.

En ik zeg jullie nog iets. Ik zeg jullie: de boekhandel gaat hiervoor opdraaien. Die boekverkopers gaan die muur van boeken zelf betalen. Gelóóf mij maar. Maar dat doen ze altijd al wel hoor, die boekhandels, dat is geweldig volk. Great people.

Dus van nu af aan, beste mensen, is het 1984 eerst, 1984 eerst! Make 1984 great again.’

 

Groet,

Peter Nijssen,

Uitgever van De Arbeiderspers

 

preview

 

 

 

Maak een gratis website of blog op WordPress.com.

Omhoog ↑