Das Bleibende, scheint mir, ist wo man sagen kann – ‘Anfang und Ende immerfort dasselbe’.
Hannah Arendt in een brief aan Martin Heidegger, 19 oktober 1966

 

Zaterdag 21 januari 2017 werd in De Zwarte Panter Nachtroer, de tweede dichtbundel van Charlotte Van den Broeck, ten doop gehouden. De beroemde Antwerpse galerie voor hedendaagse kunst, in 1968 opgericht door de aimabele en er nog altijd actieve Adriaan Raemdonck, gevestigd in een voormalig gesticht aan de Hoogstraat, was met zijn inpandige toog van meet af aan ook een favoriete ontmoetingsplek voor dichters en kunstenaars. Jan Vanriet, Paul Snoeck, Jan Decleir, Fred Bervoets, Eddy van Vliet, Pjeroo Roobjee en Hugo Claus waren er kind aan huis. Alleen al om die reden was het een welgekozen plek. De winterkoude kapel van De Zwarte Panter bood maar net genoeg ruimte aan de bijna tweehonderd bezoekers van de presentatie. Dat het bomvol was, had als voordeel dat men zich aan elkaar kon warmen, wat De Zwarte Panter een beetje de aanblik gaf van een duistere convocatie die een samenzwering aan het smeden was, een occult ritueel onder de noemer Nachtroer.

De samengedromde menigte zag optredens van Juicy Dune IJsselmuiden, die een ode aan de nacht kwam brengen; Arnon Grunberg (niet live aanwezig) met een videoboodschap voor de dichter van de avond; Mirjam van Hengel die  Charlotte Van den Broeck kort interviewde over haar nieuwe bundel en uiteraard Charlotte zelf in een indrukwekkende performance met zanger en pianist Gregory Frateur (met wie ze eerder al op de Frankfurter Buchmesse had opgetreden). De tekst hieronder is een uitgebreide bewerking van de toespraak die ik er hield.

 

*

 

We rollen onze tongen op, houden een mond vol

losbandig zwijgen. In het terrarium gloeit stilaan het kameleonwijfje.

Ze krijgt de kleur van wangen na het vrijen

van mannen die op vakantie enkel kaartjes naar hun stamkroeg schrijven.

Het soort rood dat elke schakering op schaamte doet lijken.

 

Het bovenstaande is een fragment van een van de twee titelgedichten uit de bundel Kameleon, waarmee Charlotte Van den Broeck iets minder dan twee jaar geleden debuteerde en die we toen – ook in januari, ook in Antwerpen, al was het toen in boekhandel De Groene Waterman – aan de mensheid voorstelden. Afgaande op de tekst van de toespraak die ik daar hield, moeten we euforisch zijn geweest. We hadden zelf al het gevoel met deze jonge (en vanzelfsprekend nog onbekende) dichter een groot talent in huis gehaald te hebben, maar hadden daarvoor bevestiging gevonden nu zij was toegevoegd aan de toch altijd prestigieuze line-up van Saint Amour, een van de grootste reizende literaire evenementen in Nederland en Vlaanderen dat onder de altijd bekwame leiding van Behoud de Begeerte en Luc Coorevits op het punt van beginnen stond.

Wat we toen uiteraard nog niet wisten: dat deze dichter tijdens Saint Amour zo van zich zou doen spreken. Charlotte Van den Broeck maakte een overdonderende entree in de literaire bovenwereld (underground had ze namelijk al een reputatie als performing poet) en was de sensatie van die afleveringenreeks van Saint Amour. Over haar gedichten schreef Humo dan ook: ‘Ze lijken op maat voor het podium geschreven, maar herbergen achter een bedrieglijke transparantie een rijke gelaagde veelheid.’

Die dubbele kwaliteit – zowel charme en acteertalent als poëticale diepgang – was wat iedereen meteen bijzonder aansprak in Charlotte Van den Broeck. En dan was Saint Amour nog maar de opmaat naar meer succes. Haar bundel werd overladen met enthousiaste recensies en begin vorig jaar bekroond met de Herman de Coninck-debuutprijs. Ze had de enorme eer om, veel later vorig jaar, samen met Arnon Grunberg de Frankfurter Buchmesse te openen, waar Nederland en Vlaanderen zich samen als gastland aan de (boeken)wereld toonden. En dat laatste heeft weer geleid tot een opvallende internationale belangstelling voor haar werk. Ze is net terug van een literaire tournee in Londen en had de afgelopen dagen tal van media-afspraken in Vlaanderen en Nederland. Maar wat wil je ook met een dichtbundel die inmiddels in zijn vierde druk zit en met een opvolger op komst.

Het moge duidelijk zijn: Charlotte’s opkomst in de literatuur schept verwachtingen voor de tweede bundel. In De Standaard van afgelopen vrijdag noemde dichter en criticus Luuk Gruwez – hij besprak er tevens zeer lovend de bundel Ontsnappingen van een andere Arbeiderspers-dichter, te weten de voor de Herman de Coninckprijs genomineerde Eva Gerlach – vijf bundels om dit voorjaar bijzonder naar uit te kijken. Nachtroer dus ook. ‘Met Kameleon […] gooide Van den Broeck hoge ogen,’ aldus Gruwez, die spreekt over ‘de aangrijpende manier waarop zij haar gedichten op een podium weet te brengen, met onovertroffen charisma en uit het hoofd’. En hij vervolgt: ‘Charlotte Van den Broeck ondernam in haar debuut een zoektocht naar de plaats van een mens in zijn lichaam en de plaats van dat lichaam in de wereld, met een opvallende aandacht voor vrouwelijkheid en moederschap. Benieuwd welke richting zij op gaat met Nachtroer.’

Welnu Luuk, richting… Dat is nog niet zo een-twee-drie duidelijk. De bundel vertrekt na een reeks onder de titel ‘Acht, ∞’ (het symbool dat deel uitmaakt van de titel is een lemniscaat, het oneindigheidsteken maar ook een omgevallen acht) waarin een voorbije liefde met terugwerkende kracht in een begin uitmondt, waarna er in het hele vervolg van de bundel opnieuw begonnen wordt om aan het eind uit te komen bij een soort gebruiksaanwijzing: het bouwpakket voor een boot waarmee nogmaals een reis zou kunnen worden aangevangen. Misschien wel een postume, postnucleaire of posthumane reis. Maar je kunt het ook, zoals Charlotte zelf deed in een dubbelinterview met Peter Verhelst in Humo betrekken op de barre maatschappelijke actualiteit: ‘Ja, dat beeld gaat voor mij over een afscheid, maar het kan door het vaak gebruikte beeld van de vluchtelingenboten in de media evengoed als engagement gelezen worden.’

Daarmee is, of het nu om een persoonlijk of maatschappelijk engagement gaat, al één belangrijk thema van deze bundel geduid, namelijk het perspectief dat het opnieuw beginnen, telkens opnieuw beginnen, menselijkerwijs biedt. Dat is uiteraard allerminst een op zichzelf staand, door haar als eerste verkend thema. Van den Broeck plaatst zich aldus nadrukkelijk in een twintigste-eeuwse literair-filosofische traditie (Hannah Arendt en Ernst Bloch voorop) van het levend houden van de hoop als kenmerkend voor de menselijke vitaliteit. Joke J. Hermsen verwoordt het in Kairos. Een nieuwe bevlogenheid in een essay over Arendt als volgt: ‘Het nieuwe begin was voor Arendt zo’n belangrijk filosofisch thema, omdat beginnen niet alleen de kringloop van gebeurtenissen weet te doorbreken, maar ook omdat de mens in haar visie ten diepste een initium is, “een begin en een nieuwkomer” die in staat is nieuwe initiatieven te nemen, een andere weg in te slaan of iets nieuws te initiëren.’

Precies dat is de drijfveer van deze tweede bundel, een drijfveer die zich in Nachtroer ontvouwt als een lange reis, als een schimmig, zo nu en dan ook suspensevol nachtelijk avontuur, als een vlucht naar voren, of om te spreken met Ingeborg Bachmann uit een van haar Frankfurter Colleges: ‘Zo is de literatuur, hoewel en zelfs omdat ze altijd een mengelmoes is van het voorbije en van wat we nu aantreffen, steeds het verhoopte, het gewenste, waaruit we naar ons verlangen een keuze maken – zo is ze een naar voren geopend rijk met onbekende grenzen.’

Die richting uit dus, als een soort moderne versie van de middeleeuwse reis van Sinte-Brandaan, zij het niet zoals in zijn geval als een straf voor het verbranden van een boek dat de waarheid over Gods wonderen bevatte maar vanuit een honger naar iets nieuws (na het verdriet van een gebroken liefde) en vanuit een soort verlangen naar ontheemding, naar verdwijning en naar een opgaan in de permanente stroom van het tomeloze leven. Het motto van Emmanuel Levinas dat aan de bundel zelf voorafgaat is in dat opzicht treffend gekozen: ‘Het innerlijke leven, het ik, de scheiding, zijn de ontworteling zelf, de niet-participatie en bijgevolg de ambivalente mogelijkheid van dwaling en van waarheid. Het kennende subject is geen deel van een geheel, het grenst nergens aan.’

Thema’s (aan)duiden is één ding, maar we moeten niet vergeten erop te letten hoe schitterend ze verwoord zijn en met welke pakkende beelden. Over de vergeefsheid van onze inspanningen of ruzies in ‘Drift’: doet het ertoe/ wie wat van wie heeft meegegraaid/ of wie er als laatste recht bleef staan?// feiten worden altijd door structuren ingehaald, ’s ochtends/ de tanden tot grind gebeten, de mond leeg van verweer. Of hoe in ‘Dorst’ een gevoel van uitputting en zelfverlies wordt opgeroepen: en we breken maar/ uit elkaars ribben, laten de poten willoos hangen/ als bij het nekvel gegrepen door een grotere tegenstander/ blijkt verte maar het testbeeld op de televisie, jij opgesloten/ in de smaak van hoe hij zich je mond herinnert/ zonder kloven of beloftes of lippenstift, bloedappelsien. Of in ‘Snede’ waarin een soortgelijke ervaring van depersonalisatie wordt gekoppeld aan het gevoel van hitte met een beklijvend beeld: juli, bleke hitte, uit mijn polsen druipen vingers, schaduw/ vind ik in ogen achter een zonnebril op mij gericht. Deze voorbeelden zijn enigszins willekeurig. Tientallen van zulke pregnante beelden en regels worden aangetroffen in deze bundel die ook voor de lezer kan uitpakken als een onthechtende ervaring.

Maar die onthechtende ervaring lijkt uiteindelijk misschien wel op niets zozeer dan op het grillige parcours van het onvoorspelbare leven zelf (een onderweg zijn als verzet tegen de dood of misschien – en paradoxaal genoeg – ook wel als verzet tegen het leven zelf). In een van de laatste gedichten uit de bundel (uit de zesdelige cyclus ‘Daar’) verwoordt Charlotte Van den Broeck dat als volgt: Ze zeggen dat je van hieruit maar één kant op kan, weg/ en eenmaal weg weet men snel dat er elders niet meer wereld is […]// maar wie opgroeit in een eindstation weet vanzelf/ dat aan het einde van de dingen onwrikbaar en altijd een gevolg ligt.

Dat komt dicht in de buurt van wat Patricia de Martelaere in een essay over Freud en de dood in Een verlangen naar ontroostbaarheid concludeerde over ons instinct tot zelfbehoud: ‘Er is geen andere keuze dan die tussen de onmiddellijke terugkeer en de omweg: een echte “weg” – die ergens anders aankomt dan waar hij vertrok – lijkt er voor het leven niet te zijn.

Enfin, de omweg dus, begin is einde en einde is begin, en die beleven wij met de dichter (of de ik) mee in deze (nogal urbane) omzwerving. (Nachtroer is tussen haakjes ook de naam van een Antwerpse nachtwinkel.) Etappe voor etappe leidt deze nomadische bundel ons zo niet tot splijtende inzichten en ongekende ervaringen dan toch in ieder geval naar steeds weer schitterende afzonderlijke gedichten.

Charlotte Van den Broeck bewondert de Oostenrijkse schrijfster en dichter Ingeborg Bachmann (1926-1973). Terecht en begrijpelijk. Haar werk is als geen ander doortrokken van verlangen naar ontheemding en ongeneeslijk Fernweh. Neem haar gedicht ‘Bohemen ligt aan zee’ uitmondend in de grootse regels (in de vertaling van Paul Beers): ‘Ik grens nog aan een woord en aan een ander land,/ ik grens, hoe weinig ook, aan alles immer meer’.

Dat schier grenzeloze herkennen we in Nachtroer. Begin er maar aan.

Advertenties