In ‘De buitendeur’, een verhaal van Maarten ’t Hart uit De moeder van Ikabod, wordt de schrijver belaagd door een groepje jonge boefjes die hem aanvankelijk de inhoud van zijn portemonnee afhandig willen maken. Maar als blijkt dat daar maar vijftig eurocent in zit (voor het zwembadkluisje) zetten ze hem in als lokaas om iemand anders (een slager in zijn winkel) te beroven. Op zeker moment, bij het naderen van een patrouillewagen, weet Maarten aan zijn belagers te ontkomen en zich in een lange sprint te verzekeren van de bescherming van het blauw op straat. Maar het blauw op straat wil hem niet erg geloven.

‘“Weet je ’t zeker? Kerels? Ik heb geen kerels gezien.”
“Ik ook niet,” zei de agent.’ Even aandachtig als achterdochtig keek de agente mij aan, ze zei: “O, kijk nou, als dat die schrijver niet is. Wat was de naam ook weer? Biesheuvel? Nee, nee, Van ’t Hart, ja het is hem, Van ’t Hart, die vent van die moestuin en van die vieze recepten, kom, stap weer in, we gaan naar het bureau.”
“Nee, wacht, misschien dat die vier knullen hier nog ergens…” zei ik.
“Het is Van ’t Hart,” zei de agente koppig, “die heeft nogal een dikke duim. Vier kerels, ga toch weg, we hebben niks niemendal gezien, we hebben alleen maar een idioot de straat op zien sprinten die met zijn armen begon te zwaaien alsof hij Sinterklaas zag aankomen op een dwergezeltje.”’

Dit zegt ongetwijfeld het nodige over hoe de sterke arm schrijvers percipieert (als een bende fantasten die het ook in de werkelijkheid niet te nauw nemen met de feiten), maar daar gaat het me nu niet om.

Het gaat me om Maarten Biesheuvel, die andere Leidse (en omstreken) schrijver die in De moeder van Ikabod zo vaak ten tonele verschijnt dat het welhaast onbetamelijk was geweest als deze verhalenbundel van Maarten ’t Hart afgelopen zondag (19 februari 2017) niet was bekroond met de J.M.A. Biesheuvelprijs.

vdh9789029505673

Dat is natuurlijk allemaal achteraf praten. Want toen iets minder dan twee weken geleden de nominaties voor de prijs bekend werden gemaakt (naast Maarten ’t Hart ook A.H.J. Dautzenberg met De dag dat de gieren buigen, Bertram Koeleman met Engels voor leugens, A.N. Ryst met De blauwe maanvis en Kira Wuck met Noodlanding), was het lang niet zeker dat Maarten ’t Hart die prijs in de wacht zou slepen. Hij mag dan met voorsprong de bekendste schrijver van dit vijftal zijn, maar die andere vier waren echt niet voor niks genomineerd. Daar komt nog bij dat Maarten ’t Hart een zeer weinig bekroond auteur is. Een jaar of veertig geleden kreeg hij de Multatuliprijs voor Het vrome volk en halverwege de jaren negentig werd zijn roman Het woeden der gehele wereld bekroond met de Gouden Strop. Dat was het wel zo’n beetje voor wat betreft de literaire erkenning in de Nederlandstalige letteren.

Die feiten dwingen tot scepsis. En ook Maarten liet me weten dat hij er zeker van was dat hij die prijs niet zou krijgen. Daar kwam nog bij dat er omstandigheden waren die het hem praktisch erg lastig maakten aanwezig te zijn bij de bekendmaking en uitreiking van de prijs in het Lloyd Hotel aan de Oostelijke Handelskade in Amsterdam. ‘Wat die prijsuitreiking betreft,’ schreef hij zijn redacteur Michel van de Waart, ‘ik weet niet of het mij zal lukken daarheen te gaan. Ik kamp met een eigenaardig euvel. Op onvoorspelbare momenten krijg ik opeens een bloedneus. […] Als dat dit weekend nog niet over is, ga ik niet, want daar in de zaal zitten met opeens een bloedneus – dat is akelig en lastig. Om het bloeden te stelpen moet ik gaan liggen met mijn hoofd achterover en iets heel kouds in mijn nek – zie je mij dat doen midden onder de prijsuitreiking?’

Nee, dat leek ons zelf ook geen feestelijk gezicht. En vanzelfsprekend zouden wij met plezier de honneurs waarnemen, al hadden we (ten overvloede!) het liefst gezien dat Maarten er zelf bij was geweest.

Deze situatie was wel een gelegenheid bij uitstek om eens te kijken of het niet mogelijk was op voorhand wat informatie in te winnen over de kansen van onze genomineerde. Ik deed zélf of mijn neus bloedde en mailde Arjen Fortuin (een van de initiatiefnemers van de J.M.A. Biesheuvelprijs) om hem te laten weten dat Maarten hoogstwaarschijnlijk verstek zou moeten laten gaan: ‘Met andere woorden: is bij afwezigheid van Maarten komende zondag mijn overkomst dringend gewenst (als je begrijpt wat ik bedoel)? Soms heeft een mens al aan een half woord genoeg.’

Maar Arjen Fortuin liet zich niet kennen: ‘Ik zit niet in de jury, dus halve woorden heb ik niet… Daar staat tegenover dat je natuurlijk wel moet komen, om Maarten te steunen, zijn champagne te drinken of anders om hem te vertegenwoordigen. Bovendien werken we aan een (figuurlijk) doekje voor het bloeden voor alle genomineerden.’

Terugkijkend op vanmiddag neem ik aan dat hij doelde op het feit dat alle genomineerden een ‘schrijfretraite’ werd aangeboden in De Buitenwerkplaats te Starnmeer ‘om even afstand te nemen van het stedelijk leven met alle reuring, prijsuitreikingen en dagelijkse beslommeringen. Van vrijdagmiddag tot zondagmiddag kunt u in alle rust schrijven. Wij zorgen voor een tafel, een bed en een ontbijt- en lunchpakket.’

Welnu, ik hoop zeer dat Maarten op dat aanbod wil ingaan. Want als dat niet een nieuw hilarisch verhaal oplevert, dan weet ik het ook niet meer.

Eén ding is zeker. Ik was daar vanmiddag niet voor noppes en niemendal. Ik werd, nadat Babs Gons het juryrapport* had voorgelezen (‘Maarten ’t Hart weet aanstekelijk schrijfplezier te verenigen met een grote ambachtelijkheid en een ongeëvenaarde stijl’), naar voren geroepen om bij afwezigheid van Maarten (en in aanwezigheid van die andere Maarten!) de prijs (groot € 5105,70) in ontvangst te nemen. Ik sprak namens de auteur door te zeggen hoe verrast wij waren dat deze prijs naar hem gegaan was en namens mijzelf door (ik zeg het nogmaals) te melden dat het ook bijna onbetamelijk was geweest hem niet te winnen bij zoveel verwijzing naar Maarten Biesheuvel in één boek. En ik las ook de regels voor die hij me stuurde voor het geval hij volkomen onverwachts toch de prijs zou krijgen: ‘Ik ben een schrijver met heel veel lezers, maar ook met heel weinig prijzen. Dus ik ben er enorm verguld mee dat ik deze prijs heb gewonnen. Ik dank de jury dan ook hartelijk voor deze uitverkiezing.’

Daarna verwees ik nog naar een interview van Jamal Ouariachi, eerder deze week in Het Parool, naar aanleiding van de verschijning van diens nieuwe boek, Herinneringen in aluminiumfolie, waarin hij meldde dat zijn verhalenbundel onder meer een antwoord was op het alomtegenwoordige ‘droogklotenproza’ in de huidige Nederlandse literatuur. Ik greep die opmerking aan om te zeggen dat met Maarten ’t Harts De moeder van Ikabod weliswaar niet een bundel uitverkoren was die schittert in ontregelend proza of subtiel literair trapezewerk, maar dat het de bekroning was van een gulle verteller die uitblinkt in verhalen die bol staan van humor, kleurrijkheid en zeggingskracht. En van Maarten Biesheuvel dus.

Om dat te onderstrepen las ik het begin voor van het verhaal ‘De hoofdprijs’:

‘Wij schrijven het jaar van het beroemde boek van Orwell. Ik had het boekenweekgeschenk mogen maken. Ik signeerde bij boekhandel Kooyker te Leiden. Op een moment dat het aan mijn tafeltje even stil was sloop een bejaarde dame naderbij. Ze zei: “Dat vind ik nou zo geweldig, meneer Biesheuvel, dat u het boekenweekgeschenk hebt geschreven, zou u er eentje voor mij willen signeren?”

Jaren eerder was het mij, toen ik bij boekhandel Van der Galie in Utrecht signeerde, ook al overkomen dat een reuze aardig meisje voorstelde om na afloop van de signeersessie iets te gaan drinken. Eenmaal in de kroeg bleek dat ook zij dacht dat ik Maarten Biesheuvel was en toen ik haar uit de droom hielp, was zij niet alleen diep teleurgesteld, maar ging ze er terstond vandoor. Dus die oude dame bij Kooyker wou ik zo’n deceptie besparen. Vaak genoeg had ik bij signeersessies naast Bies gezeten, dus ik wist precies hoe hij signeerde. In De ortolaan zette ik derhalve zwierig zijn handtekening, J.M.A. Biesheuvel, met een klein tekeningetje van een kooikershondje eronder. Innig tevreden liep de oude dame met De ortolaan de winkel uit.’

De Arbeiderspers feliciteert Maarten ’t Hart uitbundig met de J.M.A. Biesheuvelprijs 2017.

*Het juryrapport van de J.M.A. Biesheuvelprijs bevatte ook nog een paar bijzondere vermeldingen. Een daarvan was die voor de verhalenbundel Huis voor het hiernamaals van Guido Snel, waarin ‘fictie en non-fictie op fascinerende wijze [worden] verenigd.’ Een meer dan terechte bijzondere vermelding voor een verhalenbundel met veel Midden-Europa waarin essay en vertellend proza een gloedvolle fusie aangaan. Ik kan iedereen deze bundel dan ook zeer aanraden. Ga dat ook lezen!

 

Advertenties