Zoeken

Nijssen Schrijft

De weblog van Peter Nijssen

Maand

maart 2017

ANNIE ERNAUX, HÔNNETE FEMME VAN DE LITERATUUR

Vijfhonderd mensen waren er afgelopen zondag 26 maart, tijdens een van de hoofdprogramma’s van het Passa Porta Festival in Brussel, afgekomen op een avond met Annie Ernaux. Een uitverkochte zaal van Bozar. Het festival zelf kondigde haar in de folder als volgt aan: ‘Annie Ernaux bekleedt een vooraanstaande plaats in de hedendaagse Frans literatuur. In haar grotendeels autobiografische oeuvre gaat ze op zoek naar zichzelf, als was ze een vreemde die ze zich herinnert.’ De Franstalige Belgische actrice Virginie Efira las fragmenten voor uit Mémoire de fille, Ysaline Parisis interviewde Annie Ernaux over haar werk en ik, zijnde haar Nederlandse uitgever, mocht haar het eerste exemplaar overhandigen van de magnifieke Nederlandse vertaling door Rokus Hofstede van Mémoire de fille, eerder afgelopen week verschenen onder de titel  Meisjesherinneringen. Annie Ernaux had ik daarvoor twee keer eerder ontmoet, maar dat was lang geleden. De laatste keer was in 2004 tijdens een Boekenweek rond het thema Frankrijk, toen ze in Haarlem over haar werk sprak met Abdelkader Benali als interviewer. Voor ik haar dat zogenaamde eerste exemplaar uitreikte, sprak ik een ingekorte versie van onderstaande woorden.

I26A4352

foto: Hatim Kaghat van Le Soir

  V.l.n.r. Rokus Hofstede, Virginie Efira, Ysaline Parisis, Annie Ernaux, Peter Nijssen

 

 

Het moet rond 1990 zijn geweest – en dus al meer dan vijfentwintig jaar geleden – dat mijn goede vriend Theo Rooijakkers mij aanspoorde om een literaire ontdekking van hem ook eens te gaan lezen. Hij had van Annie Ernaux La place en Les armoires vides gelezen (die allebei bij De Arbeiderspers in vertaling zouden verschijnen als respectievelijk De plek en Lege kasten) en was zeer onder de indruk geraakt van deze schrijfster. Ik heb die aansporing ter harte genomen en moest mij al snel gewonnen geven. Ja, dit was in al zijn intense beknoptheid grandioze literatuur.

Misschien, zo redeneer ik achteraf, heeft ook het feit dat wij allebei  bewonderaars waren van het werk van E. du Perron (en daarmee in zekere zin ook van zijn literaire opvattingen en levenshouding waarin de vent een belangrijk begrip was) een rol gespeeld in onze appreciatie. Eerlijkheid is een kernbegrip in de poëtica van Du Perron, een woord dat niet louter niet  morele maar ook allerlei stilistische implicaties heeft: geen krullendraaierij, geen woordenvloed maar kernachtigheid, geen vorm als maskerade. Ook in stilistisch opzicht ging het erom een zogenaamde hônnete homme te zijn, een begrip dat Du Perron, die daarnaast ook het bijna synonieme ‘smalle mens’ (als verkozen politiek-maatschappelijke levenshouding) hanteerde, zelf ook weer ontleende aan de Franse letteren, waarin het al voorkomt bij schrijvers als Montaigne en La Rochefoucauld. Van die hônnetes hommes bestaan natuurlijk ook vrouwelijke representanten – al ben ik er niet zeker van dat ze dan hônnetes femmes zouden moeten worden genoemd. Misschien betekent dat in het Frans toch weer net iets anders.

En toch. Ik denk dat Annie Ernaux een hônnete femme van de literatuur is. Haar complete, sterk autobiografische literaire werk – van Les armoires vides en La place tot en met La honte (De schaamte) en Mémoire de fille, waarvan de net verschenen vertaling bij De Arbeiderspers al uitgebreid is besproken in de Belgische pers – is doordrenkt van die literaire inzet en die levenshouding waarin eerlijkheid een centrale plaats inneemt. In Lege kasten gaat het dan over de breuk tussen ‘een jongere generatie, die de kans kreeg zich te ontwikkelen, met de ouders die maatschappelijke vooruitgang van hun kinderen op zichzelf wel wensen maar lijden onder de kloof die aldus ontstaat; in De bevroren vrouw om de verstarring die voortkomt uit een huwelijk met een man uit een hoger maatschappelijk kader; in De plek over de vader die, anders dan de hoofdpersoon, is gebleven wie hij was en op de plek waar hij geboren werd (‘Les livres, la musique, c’est bon pour toi. Moi, je n’en ai besoin pour vivre’), in Een vrouw over de moeder vanuit eenzelfde soort pijn om de afstand die ontstaan is tussen de hoofdpersoon die zich maatschappelijk ontwikkeld heeft en de eenvoudig en nuchter gebleven moeder met als resultaat ‘een schrijnend en ontroerend verslag dat in het ontveinzen van elke emotie juist een heel persoonlijke en universele smart onthult’; en in Alleen maar hartstocht  over de even gepassioneerde als pijnlijk verlopende affaire tussen een vrouw en een jongere, getrouwde man.

Het eerste boek van Annie Ernaux dat ik als redacteur van De Arbeiderspers begeleidde was La honte, waarvan de vertaling in 1998 verscheen onder de titel De schaamte. Dat boek gaat over de impact van een voorval in 1952 waarbij haar vader haar moeder met een mes naar het leven stond: de schaamte die daar het gevolg van is, schaamte over het taalgebruik, de tafelmanieren en het sociale gedrag van haar ouders, die zo krampachtig proberen zich te distantiëren van hun sociale afkomst uit de laagste klassen. Daarna verschenen in Nederlandse vertaling bij De Arbeiderspers nog Het voorval (L’événement), handelend over de abortus die ze begin jaren zestig laat plegen en die veel sporen in haar heeft nagelaten en De blik naar buiten (een samenbundeling van Journal du dehors en La vie extérieure) dat de notities bevat die Ernaux tussen 1985 en 1999 maakte over het uitwendige leven in een groeistad net buiten Parijs: flatgebouwen, winkelcentra, een kale straat met losstaande villaatjes, en een metroverbinding met Parijs. Juist door over de buitenkant te schrijven komt ze meer te weten over haar eigen innerlijk. En dan was er dus vorig voorjaar ineens dat boek, Mémoire de fille, dat maandenlang hoog in de Franse bestsellerlijsten stond, dat ik op de terugreis van een bezoek aan de London Bookfair las nadat ik diezelfde ochtend op de stand van Gallimard een exemplaar had gekregen van Anne-Solange Noble, hoofd rechten van die uitgeverij. Dat boek waarvoor Annie Ernaux diep in zomer van 1958 dook, en diep in haar eigen pijn en ontreddering omdat het gaat over het verwarrende zomerkamp waarin ze voor het eerst met een man naar bed ging. Ernaux gaat er (vermoedelijk terecht) vanuit dat dit voorval allang uit het bewustzijn van iedereen die op dat kamp was en er eventueel weet van heeft gehad is verdwenen: ‘Ook ik heb dat meisje willen vergeten. Haar echt vergeten, oftewel geen zin meer hebben om nog over haar te schrijven. Niet meer denken dat ik moet schrijven over haar, over haar verlangen, haar waanzin, haar stompzinnigheid en haar hoogmoed, haar honger en haar opgedroogde bloed. Het is me nooit gelukt.’ En voor de literatuur is dat maar goed ook.

In haar hele werk, van Lege kasten tot en met Meisjesherinneringen, bedrijft Ernaux een soort microsociologie, een studie van de eigen persoon in de ruimtelijke en sociale context waarin die verkeert en (vaker) heeft verkeerd. Maar omdat daarin ook wetmatigheden kunnen worden aangewezen wordt het een onderzoeksveld waarin men (Ernaux) dingen aan de weet komt die toch weer iets over ons allemaal zeggen. De eerlijkheid waarmee Annie Ernaux die literaire sociale wetenschap bedrijft wordt echter bepaald niet als een makkelijk te bereiken doel uitgespeeld. Het geheugen is bedrieglijk (Ernaux put veel uit haar persoonlijke herinneringen), de taal een bevroren meer door het gebruik waarvan men zich voortdurend op glad ijs begeeft, de werkelijkheid een uiterst complex (en als zodanig vrijwel onkenbaar) iets, waardoor het nodig is voortdurend van perspectief te wisselen om iets meer te weten te komen.

Annie Ernaux lezen is – hoe autobiografisch haar werk mag zijn – ook over jezelf en je omgeving lezen. Over de ingewikkeldheid van je zelf, over schaamte, ongemak, nietsontziend maar toch ook met mededogen gepresenteerd. Lees Annie Ernaux en leer iets over jezelf.

Ernaux_Meisjesherinneringen_3D

HET BOEKENBAL DER VERLEIDINGEN*

Preambulante fase

16.46 Bushalte Korianderstraat Utrecht naar Centraal Station

Op het perron van spoor 5 een man in een zuurstokroze kostuum. Vast op weg naar het Boekenbal der Verleidingen

17.23 NS Intercity naar Station Amsterdam Amstel

17.43 Metro 54 naar Weesperplein

17.53 Tram 10 naar Weteringcircuit. Ik neem plaats tegenover Coen Verbraak. Achter mij zitten Ivo Victoria en Griet Op de Beeck. De conclusie moet zijn dat ik op de goede weg ben. Vanaf halte Weteringcircuit teruglopend in de richting waar de tram kwam de vaststelling dat ik ook (en beter) had kunnen uitstappen op halte Frederiksplein.

18.02 Aankomst op Weteringschans 259, vanaf eind april de nieuwe locatie van Singel Uitgeverijen en voor deze avond decor van het aan het Boekenbal voorafgaande auteursdiner van onze uitgeverijen.

 

Weteringschans 259

18.02 Bij de ingang Bram Kleiweg (eenmanswelkomstcomité van de uitgeverij)**, Annette Portegies, Kees ’t Hart en zijn vrouw, Greta Le Blansch (glaasje bubbelspul), Loek Hermans, Kester Freriks en vrouw, Rob Zweedijk, Paulien Loerts (een kus, wat nu dan toch?!), Elik Lettinga, Guido den Aantrekker, Jesse Hoek;

18.05 Anne Eekhout, Ineke Riem, Lucas Zandberg (eerste rondleiding door pand);

18.12 Anne-Marieke Samson (concerteert morgen op de piano, dat vergt discipline voor vanavond), Iris Hannema;

18.26 Paulien Loerts (opent buffet met toespraak over nieuwe pand en big- dataloze literatuur), Bas Kwakman, Atte Jongstra & Dorien (glas witte wijn), Abdelkader en Saïda Benali (de eerste met zijn Leica in de aanslag), Maria Vlaar (Stetson! Deze mysterieuze mededeling zal nog betekenis krijgen, maar niet in dit stuk);

Foto door Abdelkader Benali

18.36 (Bordje lopend buffet) Joke Hermsen, Henk van der Waal, Charlotte Van den Broeck & vriend (over rap & middelnederlandse poëzie);

18.52 (Nog een bordje lopend buffet en nog een glaasje witte wijn)

19.04 Tweede rondleiding (glas water), met aantal eerder genoemden en Gustaaf Peek, Hester Helming, Josje Kraamer, Arie Storm & Lola, Tom Hofland;

19.14 (Glas witte wijn) Esther van Dijk, Michel van de Waart, Jan-Willem Anker, Marja Pruis, Marije Vos, Martijn Neggers, Jeroen van Kan;

19.44 (Glas water) Derk Haank (‘Water? Dat is de boel flessen.’) en zijn vrouw, Caroline Reeders, Nathalie Doruijter, Jaap Robben, Barbara den Ouden.

 

Ambulante fase – Weteringschans-Wachtrij voor de ingang van-Paradiso

20.25 Rutger Vahl, Stan van Engelen (over boeken in de uitgeverij en boeken op televisie), Carolina Lo Galbo, Bert Wagendorp, Wilma de Rek, Bert Natter & Hester, Jeroen Wielaert (‘Ik schiet even achter Jesse Klaver aan’).

 

In Paradiso

21.10 (Glaasje Spaanse vermouth bij binnenkomst) (Grote zaal) Benjamin Moser, Arthur Japin, Patty Voorsmit, Lex Jansen (gesprek in schreeuwend fortissimo want Disco inferno) (Gauw weg daar) (Richting de grote entree:) Connie Palmen (kiss & ride), Ron van Roon & partner, Chris van Houts (foto, tweede glaasje Spaanse vermouth);

21.40 (Op naar de kelder, mellow sfeertje, god zij dank!) Jeroen Wielaert (over onderduikers, liefde en oorlog) (glas rode wijn), Anton Korteweg (over fietsen, poëzie en Belgische poëziezomers) (glas rode wijn en nog een glas rode wijn), Rob Schouten (terug van dochterbezoek in Chili!);

22.55 Elik Lettinga (twee biertjes tegelijk, want dat is gemakkelijker), Alexandra Koch, Hans Peters (over voetbalboekenschrijvers), Pieter Boskma (‘er zijn hier helemaal geen dichters’), Maaike Pereboom (gelukwens voor Max), Jessica Durlacher, Joost Nijsen, Floor Zijlstra, Pieter Eckhardt, Suzanne Holtzer (nog een biertje);

IMG_6491
Peter Nijssen in gesprek met Pieter Boskma

00.15 Op weg weer naar boven weer Anton Dautzenberg, Jurgen Maas, Charlotte Huizink (wat een leuk weerzien, biertje mee gedeeld) (moet intussen ontstellend nodig plassen);

00.40 Van de gepornificeerde toiletten op de weg terug naar waar ik was: Bas Heijne (lang niet gesproken, uitgeven in onze tijden, Parijs, Guy Hocquenghem) (maar Charlotte is nu foetsie) (Charlotje, waar was je nou?) (En wie ook niet heb gezien maar die er wel waren: Lieke Kézer, Christiaan Weijts & Maaike, Marion Bloem & Ivan Wolffers).

 

Postambulante fase

1.05 Noodtrappen naar het morgenlicht. Bevrijdend pis-aller. Lopen van Paradiso naar Amsterdam Centraal (kroket uit de muur van de Febo op de Leidsestraat) (Vlaams frietje op het Damrak).

1.33 Aankomst op Centraal Station, ijsberen op de perrons en over de traversen (flesje water).

2.29 Marja Pruis (was jij dat daar een heel stuk verder op het perron, gebogen over je mobieltje, het Boekenbal der Verleidingen voorbij?)

2.39 Trein naar Utrecht CS

3.14 Taxi naar huis.

3.25 Thuis. Wat een (toi)letteren (woordgrapje van Ronald Giphart). Wat een leven.

 

*Het genre van deze tekst heet ‘lijstje’ en is in die zin geïnspireerd door Georges Perec, die er vele heeft gemaakt en gepubliceerd. Het onderwerp is: mensen die ik tegenkwam op het Boekenbal 2017. De oulipiaanse beperking (contrainte) is in dit geval dat alleen mensen mogen worden genoemd met wie ik twee of meer zinnen heb gewisseld deze avond. Uitzonderingen zijn namen in cursief. Ze komen in deze tekst voor (om diverse redenen) maar ik heb ze niet of nauwelijks gesproken.

**Dank aan alle andere collega’s van de uitgeverij die de gastheerrol met verve vervulden: Marije Vos, Esther van Dijk, Hugo van Doornum, Martijn Prins, Mirjam Renting, Greta Le Blansch, Rolinka Boot en excuus aan degenen die ik in deze opsomming vergeet.

Van Zeist naar Zorgvlied in het spoor van Willem Pijper

 

pijperAfgelopen zondag 19 maart had ik als wegatleet op leeftijd willen starten in het Nederlands Kampioenschap Halve Marathon. Dat NK werd gehouden als onderdeel van de Stevensloop in Nijmegen. Ik had me er al voor ingeschreven en was sinds begin januari vol toewijding aan het trainen met het oog op dat evenement. Het feest ging niet door. Voor mij tenminste. Welbeschouwd was een verkoudheid – nee, godbetert niet zo eufemistisch: een majeure, hemeltergende griep die me een paar weken in een benauwende greep hield – er debet aan dat ik in plaats van de Stevensloop de afgelopen twee zondagen in het levensspoor van de componist Willem Pijper een parcours aflegde van Zeist naar Zorgvlied. Ofte wel van het oord waar hij in 1894 geboren werd naar de plaats waar hij sinds 1947, toen hij op 52-jarige leeftijd overleed, begraven ligt. Memento mori.

Dat zit zo.

Zondag 12 maart, net weer een beetje opgekrabbeld, besloot ik me met het oog op dat NK nog maar eens te testen. Een duurloop van een dikke twintig kilometer met een paar forse blokken in het beoogde halve marathontempo. Het kostte erg veel moeite, en het was ook een veeg teken dat ik met een te hoge hartfrequentie liep. Derhalve zat ik die middag nog nahijgend, een zweem van zweet op het voorhoofd en het gevoel dat ik me in een ruimte bevond waar de verwarming op meer dan dertig graden stond, in Theater Figi te Zeist, om preciezer te zijn in de Willem Pijperzaal, in de voorstellingenserie Jong Talent te luisteren naar dochter Janna, zingend in een close to close harmonie-groepje van negen meiden, begeleid op piano en drums, dat optreedt als The Jump (onthoudt die naam, daar gaat u nog van horen!). The Jump, veelal arrangementen vertolkend van moderne muziek (pop, soul, jazz) werd voorafgegaan door een jonge harpiste die fraaie en ongetwijfeld licht gearrangeerde vertolkingen van stukken van Bach, Chopin en Debussy uit haar harp toverde. Maar dus niet van Willem Pijper, hoe toepasselijk dat in Zeist op dat moment ook was geweest. Precies een week later zou namelijk herdacht worden dat Pijper, van wie me niet bekend is of hij werk voor harp heeft gecomponeerd, zeventig jaar geleden overleed.

Die zeventigste sterfdag, op zondag 19 maart dus, werd door de Willem Pijper Stichting aangegrepen om een herdenkingsconcert te houden in de Aula van begraafplaats Zorgvlied. Arthur van Dijk, betrokken bij de Stichting, had me ervoor uitgenodigd. En niet zomaar, want Van Dijk bezorgt voor De Arbeiderspers een in 2018 in de reeks Privé-domein te verschijnen uitgave van de brieven van Willem Pijper onder de titel In het Licht van de Eeuwigheid. Een leven in brieven. Zeventig jaar na iemands dood is met het oog op auteursrecht een omineuze datum. Vanaf dat moment vervallen namelijk de aanspraken van erven op auteursrecht en wordt een persoon (en diens artistieke nalatenschap) publiek domein. Je zou kunnen zeggen dat het voor uitgevers vanaf dat moment makkelijker wordt om iemands werk te publiceren. Maar de Willem Pijper Stichting greep het moment ook aan om als het ware te zeggen: kijk, Willem Pijper mag dan zeventig jaar dood zijn, maar wij zijn er nog als hoeders van zijn nalatenschap.

Willem Pijper geldt als een van de belangrijkste Nederlandse componisten van de vorige eeuw. Gelet op zijn korte leven, dat niettemin twee wereldoorlogen en een langdurige economische depressie omspande, heeft hij toch een vrij imposant muzikaal oeuvre nagelaten. En een minstens zo imposant corpus brieven. Pijper schreef er tussen 1917, het begin van zijn loopbaan als componist en muziekcriticus, en 1947 meer dan tweeduizend. Ze waren gericht aan collega’s uit de muziekwereld als Willem en Karel Mengelberg, Alphons Diepenbrock en Maurice Ravel, aan schrijvers als Simon Vestdijk, Hendrik Marsman (ook uit Zeist) en Frans Coenen en aan tal van vrouwen die in zijn leven een belangrijke rol speelden, zoals echtgenote en schrijfster Emmy van Lokhorst en studente/geliefde Iet Stans. Pijper leidde bepaald geen rimpelloos leven, beheerst als het werd door tumultueuze liefdes, artistieke conflicten, armoe en oorlog. Aanvankelijk kon hij als niettemin gewaardeerd componist nauwelijks de kost verdienen. Dat veranderde pas toen hij in 1930 directeur van het Rotterdams conservatorium werd, vaste medewerker van De Groene Amsterdammer en in binnen- en buitenland succes oogstte als componist en de opdrachten binnenstroomden. Maar bij het bombardement op Rotterdam, aan het begin van de Tweede Wereldoorlog (toen zowel het conservatorium als zijn huis met de grond gelijk gemaakt werden) raakte Pijper zo ongeveer alles kwijt wat hij bezat. Kortom: een boeiend, turbulent en deels tragisch leven dat een magnifiek Privé-domeindeel lijkt te gaan opleveren.

Maar goed, die zondag op Zorgvlied. Ik had Arthur van Dijk al moeten teleurstellen. Ik kon er niet zijn, want ik zou die wedstrijd lopen. Niet dus. Een ultieme test op dinsdagavond wees uit dat de naweeën van die griep mijn halve-marathondroom definitief aan gruzelementen hadden gegooid.

Op naar Zorgvlied dus, zij het met iets van – ik moet het eerlijk toegeven – blues in het gemoed. Dat humeur verdween toen ik eenmaal in de Aula had plaatsgenomen, waar ik onder het publiek tot mijn verrassing ook Arbeiderspers-auteur Anne-Marieke Samson ontwaarde. Samson blijkt een vurig bewonderaar van Willem Pijper en was de afgelopen maanden juist bezig enkele sonatines van Pijper in te studeren. Dat je daarvoor een meer dan behoorlijk beetje piano moet kunnen spelen, bleek wel uit de glasheldere en subtiele uitvoeringen van de Sonatines 1, 2 en 3 door Hans Erik Dijkstra, die die middag ook nog samen met fluitist Tim Wintersohl de extatische sonate voor fluit en piano uit 1925 ten gehore bracht. Het programma werd muzikaal afgesloten met een uitvoering door het strijkkwartet van het Koninklijk Conservatorium van Pijpers onvoltooid gebleven Strijkkwartet nr. 5 uit 1946.

Tussen die muzikale bedrijven door las Arthur van Dijk voor uit de vaak uiterst geestige en soms heerlijk malicieuze brieven van Pijper. Aan Corrie Hartong schreef hij op 8 mei 1942: ‘Ik heb me er altijd een beetje grimmig over verbaasd, over de ons allen ingeboren ambitie “een leegte na te laten,” met andere woorden gemist te willen worden als we er als zoogdier niet meer zijn. We zouden dan immers het leven uithollen, er een soort gigantische Emmentaler kaas van maken. Ik geloof, dat we juist niet als leegte, maar als volte voortbestaan.’

Opgebeurd door die woorden begaf ik mij na afloop naar buiten om – nu ik niet over het Nijmeegse asfalt hoefde te hollen – met het boek Wandelen over Zorgvlied van Marcel Bergen en Irma Clement in de hand nog een poos over Zorgvlied te scharrelen langs de graven van beminde en betreurde overledenen als Margit Widlund (de dochter van Anna Enquist), Jean-Paul Franssens, Martin Bril, Henk van Woerden en mijn goede vriend Aad de Groot. En natuurlijk langs het graf van Willem Pijper. Maar hoe ik ook zocht naar graf 18-II-421 – ik kon het niet vinden. Zij het dat ik, alweer op de terugweg ergens vlak langs de Fluwelen Hoofdgang, stuitte op Willem de Pijper. Maar Willem de Pijper is geen Willem Pijper.

Weg van Zorgvlied dan maar. Weg van de griep. Weg van de leegte. Op naar de lente en het volle leven. Op naar Ilja Leonard Pfeijffer met wie ik in Leiden had afgesproken. Ook al een Pijper als je z’n naam verhollandst. Daar komt nog bij dat hij er net dat weekend een tourneetje met het Nederlands Blazersensemble op had zitten. Overal zit muziek in! Ook een Pijper dus, maar dan een heel levende met heel lange haren van wie nog vele composities mogen worden verwacht, zo concludeerden we die avond na een diner in The Bishop en het nuttigen van enige flessen bruiswater.

 

*Michel Butter werd Nederlands kampioen in 1u05 nog wat. Maar dat was gelukkig geen concurrent voor mij. Mijn tegenstanders bevonden zich in de categorie M55 (leeftijd 55-60 jaar). Alex Stienstra behaalde de titel in 1u17. Ik had hem beslist niet kunnen verslaan.

 

 

Berichten en beelden van een mondiaal opererende poëziediplomaat Over Hotelkamerverhalen van Bas Kwakman

Bas Kwakman is sinds vorige week niet alleen de directeur van Poetry International. Hij is nu ook de schrijver van Hotelkamerverhalen, waarin verhalen en tekeningen een sprankelende eenheid vormen en waarin we met de verteller een wereldreis maken vol bizarre belevenissen, steeds in het kielzog van de poëzie. Het boek werd vrijdag 10 maart gepresenteerd bij boekhandel Donner in Rotterdam, van stonde af aan de stad van Poetry International, maar ook al heel lang van Bas Kwakman.

58352_9789029510394_cvr

Dat begint al goed in die Hotelkamerverhalen van Bas Kwakman. Zoran, de programmeur van het Poëziefestival in Struga, Macedonië, staat op de landingsbaan in Skopje onder aan de vliegtuigtrap en stelt zijn collega Kwakman – dit verhaal had ook Onder poëziefestivaldirecteuren kunnen heten – de volgende ontwapenende welkomstvraag: ‘Hoeveel dichters zijn er op jouw festival gestorven?’

‘Op mijn festival al drie,’ beantwoordt Zoran zijn eigen vraag. ‘Twee Serven en een Rus. Verdronken in het meer van Ohrid. Starnakel.’ Maar directeur Kwakman weet van de prins geen kwaad: ‘Het festival in Rotterdam is bijna vijftig jaar oud en er ging nooit iemand dood.’

Daar geloof ik niks van, Bas. Laten we nu eens even een ander voorzetsel in die vraag zetten. Geen op maar aan. ‘Hoeveel dichters zijn er aan jouw festival gestorven?’ Ik vermoed dat de directeur van Poetry International daar wat minder stellig op zou antwoorden. Voor dichters zijn poëziefestivals oorden van fatale mondaine verleiding.

Het sterven en lijden van dichters – ik kom erop omdat ik deze week To stay alive van Erik Lieshout zag, een film geïnspireerd op het essay ‘Leven, lijden, schrijven – methode’ van Michel Houellebecq (opgenomen in De koude revolutie, uitgegeven door De Arbeiderspers). Houellebecq figureert zelf in die innemende en ontroerende film, maar de hoofdrol is weggelegd voor punklegende Iggy Pop die zich als kunstenaar volledig herkende in dat essay. In de film zet hij zijn diepdonkere stem in om grote delen van die even aangrijpende als meedogenloze tekst te laten klinken als cymbalen in de ure des doods: ‘In een permanente, algehele oorlogssfeer bevindt de dichter zich in de frontlinie van alle levenden. Door zijn dagelijkse aanraking met het ondraaglijke zal hij worden blootgesteld aan de verleiding van de desertie, de euthanasie. Hij moet zich verzetten, de waardigheid verachten, bestaan tot hij erbij neervalt. Wie werkelijk wil overleven, moet eerst zien te overleven in beperkte zin. Houd moed. […] Een dode dichter schrijft niet meer. Het is dus belangrijk dat u blijft leven.’

En heel de rest van dat betoog is een in imperatieven gestelde snelcursus in het articuleren van het lijden, het kweken van ressentiment jegens het leven en het leren te slaan waar het pijn doet. ‘Streef niet naar kennis om de kennis alleen. Alles wat niet rechtstreeks voortvloeit uit emotie is in de poëzie van nul en gener waarde.’

*

Met dit alles in gedachten dringt zich de vraag op of we Bas Kwakman – deze wereldreiziger, deze gezant in de poëzie – wel moeten benijden. Ogenschijnlijk wel, want wie wil er nou niet de culturele grand seigneur uithangen op alle continenten, ondertussen in luxueuze hotels verblijvend om vandaaruit te worden rondgereden langs plekken van verbijsterende schoonheid, en dat in het gezelschap van grote dichters (als Cees Nooteboom, Derek Walcott of Breyten Breytenbach) aan wier vanzelfsprekend joie de vivre en even achteloos als niettemin genereus uitgedeelde bewijzen van intellectuele en artistieke verhevenheid je je gretig kunt laven.

Van de eenenveertig plaatsen die Bas Kwakman in deze Hotelkamerverhalen aandoet – en neemt u van mij aan dat hij er in die ruim twaalf jaar dat hij dit werk verricht in die hoedanigheid een veelvoud heeft bezocht – ben ik alleen in Rotterdam, Tel Aviv, Dublin, Brussel, Chicago, Berlijn, Dordrecht, Antwerpen, Londen, Maastricht en Parijs geweest. Ulaanbaatar, Medellín, Sjanghai, Durban of Chisinau – voor mij zijn het vooralsnog exotische, onbezochte oorden, om maar te zwijgen van Khamriin Khiidd of Huangshan – nog nooit van gehoord!

En van de hotels verbleef ik, voor zover ik me kan herinneren, alleen ooit in Hotel Metropole in Brussel, het Theater Hotel in Antwerpen en Villa Augustus in Dordrecht (in alle drie de gevallen zelfs meermaals).

Nogmaals die vraag: is Bas Kwakman te benijden? Het hangt er bijvoorbeeld maar van af hoe je de volgende passage, iets verderop in dat eerste verhaal dat speelt in Macedonië, waardeert en interpreteert: ‘De volgende dag ga ik tijdens het ontbijt naast Don [het hoofd van de plaatselijke maffia] zitten en bied hem een sigaar aan. Hij nodigt me uit om samen met Zoran in zijn grote zwarte Volvo naar Albanië te rijden, omdat je daar het mooiste zicht hebt op het Meer van Ohrid. We roken onze sigaren op, stappen in de auto en rijden de bergen in.

“Kogelvrij,” zegt Zoran terwijl hij op het glas van het portier tikt.’

Ik zou zeggen dat dit, hoewel een tikkeltje verontrustend, nog tot daaraan toe is. Maar verderop in dit boek zien we Bas Kwakman ook brandalarmen bezweren in Rotterdam in het kielzog van een knettergek geworden dichter, helse hoofdpijnen trotseren in een dor, warm en stoffig Tel Aviv, gedwongen naar het stupide, lichtelijk kwaadaardige gekissebis van Derek Walcott en zijn echtgenote luisteren, door ratten en boeven belaagd worden in New Delhi, bivakkeren met een bijkans doodbloedende Mongoolse consul, en in een tent in  de Gobi-woestijn bijna in een bed gaan liggen waarop het krioelt van de torren, terwijl we in datzelfde verhaal al lazen: ‘Ik eet glibberige zeekomkommer, gefermenteerde haai en gefrituurde schorpioen en drink daar een baijiu van 85 procent bij, dubbelgestookt op dierenkadavers.’ Enzovoorts, enzovoorts.

Eén ding is zeker: aan de gevaren en ontberingen waaraan onze handelsreiziger in poëzie wordt blootgesteld komt maar geen einde.

Moeten wij dat betreuren? Geenszins! Het heeft prachtige, soms aan het ongelooflijke grenzende verhalen opgeleverd.

Moeten wij hem benijden? Nee, dus. Laat hem maar reizen. Wij reizen met hem mee vanuit onze warme, veilige huiselijke leesfauteuil.

En vanaf nu is Bas Kwakman bovendien niet alleen meer die ploeterende poëziediplomaat die zich, gelijk Indiana Jones, in de meest hachelijke avonturen stort, maar ook zelf een schrijver. Vanaf nu is hij toegetreden tot de kringen van hen die waarlijk moeten lijden en schrijven om ons – lezers – met de neus op de feiten te drukken.

Ik word altijd een beetje kriegel van mensen die zeggen: ‘Dat is een mooi boek om te lezen.’ Of: ‘Een mooie film om te kijken.’ Wat zou je in vredesnaam anders met een boek of een film moeten doen? Nu Bas Kwakman zelf een dichter (een schrijver) is geworden, houden we hem de woorden van Houellebecq nog eens voor: Houd moed, want een dode dichter schrijft niet meer. Het is dus belangrijk dat je blijft leven. Dat weten we des te beter na het lezen van de Hotelkamerverhalen. En het kijken ernaar, want dat moet op de valreep nog gezegd: dit boek telt eenenveertig verhalen, maar het bevat evenzovele magnifieke tekeningen, steeds van de hotelkamer waar Bas in het desbetreffende verhaal verbleef. De beeldend kunstenaar Bas Kwakman komt in dit boek al evenzeer tot zijn recht en staat misschien zelfs wel aan de basis ervan: ‘Ik teken hotelkamers om mijn herinneringen vast te houden. Ik maak notities tijdens mijn reizen omdat ik mijn belevenissen nooit meer wil vergeten.’

Mooi boek, Kwakman.

Om te lezen.

En om te kijken.

Maak een gratis website of blog op WordPress.com.

Omhoog ↑