Bas Kwakman is sinds vorige week niet alleen de directeur van Poetry International. Hij is nu ook de schrijver van Hotelkamerverhalen, waarin verhalen en tekeningen een sprankelende eenheid vormen en waarin we met de verteller een wereldreis maken vol bizarre belevenissen, steeds in het kielzog van de poëzie. Het boek werd vrijdag 10 maart gepresenteerd bij boekhandel Donner in Rotterdam, van stonde af aan de stad van Poetry International, maar ook al heel lang van Bas Kwakman.

58352_9789029510394_cvr

Dat begint al goed in die Hotelkamerverhalen van Bas Kwakman. Zoran, de programmeur van het Poëziefestival in Struga, Macedonië, staat op de landingsbaan in Skopje onder aan de vliegtuigtrap en stelt zijn collega Kwakman – dit verhaal had ook Onder poëziefestivaldirecteuren kunnen heten – de volgende ontwapenende welkomstvraag: ‘Hoeveel dichters zijn er op jouw festival gestorven?’

‘Op mijn festival al drie,’ beantwoordt Zoran zijn eigen vraag. ‘Twee Serven en een Rus. Verdronken in het meer van Ohrid. Starnakel.’ Maar directeur Kwakman weet van de prins geen kwaad: ‘Het festival in Rotterdam is bijna vijftig jaar oud en er ging nooit iemand dood.’

Daar geloof ik niks van, Bas. Laten we nu eens even een ander voorzetsel in die vraag zetten. Geen op maar aan. ‘Hoeveel dichters zijn er aan jouw festival gestorven?’ Ik vermoed dat de directeur van Poetry International daar wat minder stellig op zou antwoorden. Voor dichters zijn poëziefestivals oorden van fatale mondaine verleiding.

Het sterven en lijden van dichters – ik kom erop omdat ik deze week To stay alive van Erik Lieshout zag, een film geïnspireerd op het essay ‘Leven, lijden, schrijven – methode’ van Michel Houellebecq (opgenomen in De koude revolutie, uitgegeven door De Arbeiderspers). Houellebecq figureert zelf in die innemende en ontroerende film, maar de hoofdrol is weggelegd voor punklegende Iggy Pop die zich als kunstenaar volledig herkende in dat essay. In de film zet hij zijn diepdonkere stem in om grote delen van die even aangrijpende als meedogenloze tekst te laten klinken als cymbalen in de ure des doods: ‘In een permanente, algehele oorlogssfeer bevindt de dichter zich in de frontlinie van alle levenden. Door zijn dagelijkse aanraking met het ondraaglijke zal hij worden blootgesteld aan de verleiding van de desertie, de euthanasie. Hij moet zich verzetten, de waardigheid verachten, bestaan tot hij erbij neervalt. Wie werkelijk wil overleven, moet eerst zien te overleven in beperkte zin. Houd moed. […] Een dode dichter schrijft niet meer. Het is dus belangrijk dat u blijft leven.’

En heel de rest van dat betoog is een in imperatieven gestelde snelcursus in het articuleren van het lijden, het kweken van ressentiment jegens het leven en het leren te slaan waar het pijn doet. ‘Streef niet naar kennis om de kennis alleen. Alles wat niet rechtstreeks voortvloeit uit emotie is in de poëzie van nul en gener waarde.’

*

Met dit alles in gedachten dringt zich de vraag op of we Bas Kwakman – deze wereldreiziger, deze gezant in de poëzie – wel moeten benijden. Ogenschijnlijk wel, want wie wil er nou niet de culturele grand seigneur uithangen op alle continenten, ondertussen in luxueuze hotels verblijvend om vandaaruit te worden rondgereden langs plekken van verbijsterende schoonheid, en dat in het gezelschap van grote dichters (als Cees Nooteboom, Derek Walcott of Breyten Breytenbach) aan wier vanzelfsprekend joie de vivre en even achteloos als niettemin genereus uitgedeelde bewijzen van intellectuele en artistieke verhevenheid je je gretig kunt laven.

Van de eenenveertig plaatsen die Bas Kwakman in deze Hotelkamerverhalen aandoet – en neemt u van mij aan dat hij er in die ruim twaalf jaar dat hij dit werk verricht in die hoedanigheid een veelvoud heeft bezocht – ben ik alleen in Rotterdam, Tel Aviv, Dublin, Brussel, Chicago, Berlijn, Dordrecht, Antwerpen, Londen, Maastricht en Parijs geweest. Ulaanbaatar, Medellín, Sjanghai, Durban of Chisinau – voor mij zijn het vooralsnog exotische, onbezochte oorden, om maar te zwijgen van Khamriin Khiidd of Huangshan – nog nooit van gehoord!

En van de hotels verbleef ik, voor zover ik me kan herinneren, alleen ooit in Hotel Metropole in Brussel, het Theater Hotel in Antwerpen en Villa Augustus in Dordrecht (in alle drie de gevallen zelfs meermaals).

Nogmaals die vraag: is Bas Kwakman te benijden? Het hangt er bijvoorbeeld maar van af hoe je de volgende passage, iets verderop in dat eerste verhaal dat speelt in Macedonië, waardeert en interpreteert: ‘De volgende dag ga ik tijdens het ontbijt naast Don [het hoofd van de plaatselijke maffia] zitten en bied hem een sigaar aan. Hij nodigt me uit om samen met Zoran in zijn grote zwarte Volvo naar Albanië te rijden, omdat je daar het mooiste zicht hebt op het Meer van Ohrid. We roken onze sigaren op, stappen in de auto en rijden de bergen in.

“Kogelvrij,” zegt Zoran terwijl hij op het glas van het portier tikt.’

Ik zou zeggen dat dit, hoewel een tikkeltje verontrustend, nog tot daaraan toe is. Maar verderop in dit boek zien we Bas Kwakman ook brandalarmen bezweren in Rotterdam in het kielzog van een knettergek geworden dichter, helse hoofdpijnen trotseren in een dor, warm en stoffig Tel Aviv, gedwongen naar het stupide, lichtelijk kwaadaardige gekissebis van Derek Walcott en zijn echtgenote luisteren, door ratten en boeven belaagd worden in New Delhi, bivakkeren met een bijkans doodbloedende Mongoolse consul, en in een tent in  de Gobi-woestijn bijna in een bed gaan liggen waarop het krioelt van de torren, terwijl we in datzelfde verhaal al lazen: ‘Ik eet glibberige zeekomkommer, gefermenteerde haai en gefrituurde schorpioen en drink daar een baijiu van 85 procent bij, dubbelgestookt op dierenkadavers.’ Enzovoorts, enzovoorts.

Eén ding is zeker: aan de gevaren en ontberingen waaraan onze handelsreiziger in poëzie wordt blootgesteld komt maar geen einde.

Moeten wij dat betreuren? Geenszins! Het heeft prachtige, soms aan het ongelooflijke grenzende verhalen opgeleverd.

Moeten wij hem benijden? Nee, dus. Laat hem maar reizen. Wij reizen met hem mee vanuit onze warme, veilige huiselijke leesfauteuil.

En vanaf nu is Bas Kwakman bovendien niet alleen meer die ploeterende poëziediplomaat die zich, gelijk Indiana Jones, in de meest hachelijke avonturen stort, maar ook zelf een schrijver. Vanaf nu is hij toegetreden tot de kringen van hen die waarlijk moeten lijden en schrijven om ons – lezers – met de neus op de feiten te drukken.

Ik word altijd een beetje kriegel van mensen die zeggen: ‘Dat is een mooi boek om te lezen.’ Of: ‘Een mooie film om te kijken.’ Wat zou je in vredesnaam anders met een boek of een film moeten doen? Nu Bas Kwakman zelf een dichter (een schrijver) is geworden, houden we hem de woorden van Houellebecq nog eens voor: Houd moed, want een dode dichter schrijft niet meer. Het is dus belangrijk dat je blijft leven. Dat weten we des te beter na het lezen van de Hotelkamerverhalen. En het kijken ernaar, want dat moet op de valreep nog gezegd: dit boek telt eenenveertig verhalen, maar het bevat evenzovele magnifieke tekeningen, steeds van de hotelkamer waar Bas in het desbetreffende verhaal verbleef. De beeldend kunstenaar Bas Kwakman komt in dit boek al evenzeer tot zijn recht en staat misschien zelfs wel aan de basis ervan: ‘Ik teken hotelkamers om mijn herinneringen vast te houden. Ik maak notities tijdens mijn reizen omdat ik mijn belevenissen nooit meer wil vergeten.’

Mooi boek, Kwakman.

Om te lezen.

En om te kijken.

Advertisements