pijperAfgelopen zondag 19 maart had ik als wegatleet op leeftijd willen starten in het Nederlands Kampioenschap Halve Marathon. Dat NK werd gehouden als onderdeel van de Stevensloop in Nijmegen. Ik had me er al voor ingeschreven en was sinds begin januari vol toewijding aan het trainen met het oog op dat evenement. Het feest ging niet door. Voor mij tenminste. Welbeschouwd was een verkoudheid – nee, godbetert niet zo eufemistisch: een majeure, hemeltergende griep die me een paar weken in een benauwende greep hield – er debet aan dat ik in plaats van de Stevensloop de afgelopen twee zondagen in het levensspoor van de componist Willem Pijper een parcours aflegde van Zeist naar Zorgvlied. Ofte wel van het oord waar hij in 1894 geboren werd naar de plaats waar hij sinds 1947, toen hij op 52-jarige leeftijd overleed, begraven ligt. Memento mori.

Dat zit zo.

Zondag 12 maart, net weer een beetje opgekrabbeld, besloot ik me met het oog op dat NK nog maar eens te testen. Een duurloop van een dikke twintig kilometer met een paar forse blokken in het beoogde halve marathontempo. Het kostte erg veel moeite, en het was ook een veeg teken dat ik met een te hoge hartfrequentie liep. Derhalve zat ik die middag nog nahijgend, een zweem van zweet op het voorhoofd en het gevoel dat ik me in een ruimte bevond waar de verwarming op meer dan dertig graden stond, in Theater Figi te Zeist, om preciezer te zijn in de Willem Pijperzaal, in de voorstellingenserie Jong Talent te luisteren naar dochter Janna, zingend in een close to close harmonie-groepje van negen meiden, begeleid op piano en drums, dat optreedt als The Jump (onthoudt die naam, daar gaat u nog van horen!). The Jump, veelal arrangementen vertolkend van moderne muziek (pop, soul, jazz) werd voorafgegaan door een jonge harpiste die fraaie en ongetwijfeld licht gearrangeerde vertolkingen van stukken van Bach, Chopin en Debussy uit haar harp toverde. Maar dus niet van Willem Pijper, hoe toepasselijk dat in Zeist op dat moment ook was geweest. Precies een week later zou namelijk herdacht worden dat Pijper, van wie me niet bekend is of hij werk voor harp heeft gecomponeerd, zeventig jaar geleden overleed.

Die zeventigste sterfdag, op zondag 19 maart dus, werd door de Willem Pijper Stichting aangegrepen om een herdenkingsconcert te houden in de Aula van begraafplaats Zorgvlied. Arthur van Dijk, betrokken bij de Stichting, had me ervoor uitgenodigd. En niet zomaar, want Van Dijk bezorgt voor De Arbeiderspers een in 2018 in de reeks Privé-domein te verschijnen uitgave van de brieven van Willem Pijper onder de titel In het Licht van de Eeuwigheid. Een leven in brieven. Zeventig jaar na iemands dood is met het oog op auteursrecht een omineuze datum. Vanaf dat moment vervallen namelijk de aanspraken van erven op auteursrecht en wordt een persoon (en diens artistieke nalatenschap) publiek domein. Je zou kunnen zeggen dat het voor uitgevers vanaf dat moment makkelijker wordt om iemands werk te publiceren. Maar de Willem Pijper Stichting greep het moment ook aan om als het ware te zeggen: kijk, Willem Pijper mag dan zeventig jaar dood zijn, maar wij zijn er nog als hoeders van zijn nalatenschap.

Willem Pijper geldt als een van de belangrijkste Nederlandse componisten van de vorige eeuw. Gelet op zijn korte leven, dat niettemin twee wereldoorlogen en een langdurige economische depressie omspande, heeft hij toch een vrij imposant muzikaal oeuvre nagelaten. En een minstens zo imposant corpus brieven. Pijper schreef er tussen 1917, het begin van zijn loopbaan als componist en muziekcriticus, en 1947 meer dan tweeduizend. Ze waren gericht aan collega’s uit de muziekwereld als Willem en Karel Mengelberg, Alphons Diepenbrock en Maurice Ravel, aan schrijvers als Simon Vestdijk, Hendrik Marsman (ook uit Zeist) en Frans Coenen en aan tal van vrouwen die in zijn leven een belangrijke rol speelden, zoals echtgenote en schrijfster Emmy van Lokhorst en studente/geliefde Iet Stans. Pijper leidde bepaald geen rimpelloos leven, beheerst als het werd door tumultueuze liefdes, artistieke conflicten, armoe en oorlog. Aanvankelijk kon hij als niettemin gewaardeerd componist nauwelijks de kost verdienen. Dat veranderde pas toen hij in 1930 directeur van het Rotterdams conservatorium werd, vaste medewerker van De Groene Amsterdammer en in binnen- en buitenland succes oogstte als componist en de opdrachten binnenstroomden. Maar bij het bombardement op Rotterdam, aan het begin van de Tweede Wereldoorlog (toen zowel het conservatorium als zijn huis met de grond gelijk gemaakt werden) raakte Pijper zo ongeveer alles kwijt wat hij bezat. Kortom: een boeiend, turbulent en deels tragisch leven dat een magnifiek Privé-domeindeel lijkt te gaan opleveren.

Maar goed, die zondag op Zorgvlied. Ik had Arthur van Dijk al moeten teleurstellen. Ik kon er niet zijn, want ik zou die wedstrijd lopen. Niet dus. Een ultieme test op dinsdagavond wees uit dat de naweeën van die griep mijn halve-marathondroom definitief aan gruzelementen hadden gegooid.

Op naar Zorgvlied dus, zij het met iets van – ik moet het eerlijk toegeven – blues in het gemoed. Dat humeur verdween toen ik eenmaal in de Aula had plaatsgenomen, waar ik onder het publiek tot mijn verrassing ook Arbeiderspers-auteur Anne-Marieke Samson ontwaarde. Samson blijkt een vurig bewonderaar van Willem Pijper en was de afgelopen maanden juist bezig enkele sonatines van Pijper in te studeren. Dat je daarvoor een meer dan behoorlijk beetje piano moet kunnen spelen, bleek wel uit de glasheldere en subtiele uitvoeringen van de Sonatines 1, 2 en 3 door Hans Erik Dijkstra, die die middag ook nog samen met fluitist Tim Wintersohl de extatische sonate voor fluit en piano uit 1925 ten gehore bracht. Het programma werd muzikaal afgesloten met een uitvoering door het strijkkwartet van het Koninklijk Conservatorium van Pijpers onvoltooid gebleven Strijkkwartet nr. 5 uit 1946.

Tussen die muzikale bedrijven door las Arthur van Dijk voor uit de vaak uiterst geestige en soms heerlijk malicieuze brieven van Pijper. Aan Corrie Hartong schreef hij op 8 mei 1942: ‘Ik heb me er altijd een beetje grimmig over verbaasd, over de ons allen ingeboren ambitie “een leegte na te laten,” met andere woorden gemist te willen worden als we er als zoogdier niet meer zijn. We zouden dan immers het leven uithollen, er een soort gigantische Emmentaler kaas van maken. Ik geloof, dat we juist niet als leegte, maar als volte voortbestaan.’

Opgebeurd door die woorden begaf ik mij na afloop naar buiten om – nu ik niet over het Nijmeegse asfalt hoefde te hollen – met het boek Wandelen over Zorgvlied van Marcel Bergen en Irma Clement in de hand nog een poos over Zorgvlied te scharrelen langs de graven van beminde en betreurde overledenen als Margit Widlund (de dochter van Anna Enquist), Jean-Paul Franssens, Martin Bril, Henk van Woerden en mijn goede vriend Aad de Groot. En natuurlijk langs het graf van Willem Pijper. Maar hoe ik ook zocht naar graf 18-II-421 – ik kon het niet vinden. Zij het dat ik, alweer op de terugweg ergens vlak langs de Fluwelen Hoofdgang, stuitte op Willem de Pijper. Maar Willem de Pijper is geen Willem Pijper.

Weg van Zorgvlied dan maar. Weg van de griep. Weg van de leegte. Op naar de lente en het volle leven. Op naar Ilja Leonard Pfeijffer met wie ik in Leiden had afgesproken. Ook al een Pijper als je z’n naam verhollandst. Daar komt nog bij dat hij er net dat weekend een tourneetje met het Nederlands Blazersensemble op had zitten. Overal zit muziek in! Ook een Pijper dus, maar dan een heel levende met heel lange haren van wie nog vele composities mogen worden verwacht, zo concludeerden we die avond na een diner in The Bishop en het nuttigen van enige flessen bruiswater.

 

*Michel Butter werd Nederlands kampioen in 1u05 nog wat. Maar dat was gelukkig geen concurrent voor mij. Mijn tegenstanders bevonden zich in de categorie M55 (leeftijd 55-60 jaar). Alex Stienstra behaalde de titel in 1u17. Ik had hem beslist niet kunnen verslaan.

 

 

Advertisements