John-Alexander Janssen is een naam die u moet onthouden. Hij is geen man van  half werk. Die wil de zaken meteen grondig aanpakken, en dat verwacht hij ook van zijn uitgever, ook al komt hij als debutant en jonge schrijver net kijken in de literaire wereld.

Die grondigheid is mogelijk diep verankerd en aldus een van de pijlers van zijn karakterstructuur. Een blik op zijn curriculum vitae leert ons dat hij afstudeerde in geschiedenis, maar niet alleen in geschiedenis. Om die studie een beetje stevig te stutten doorliep hij ook een complete studie in filosofie en rechten. Enkel in Nederland wonen was hem blijkbaar ook wat te eenzijdig. John-Alexander Janssen woonde in Harrisonburg, Parijs en ook in Jeruzalem. Dat laatste is niet onbelangrijk geweest voor het ontstaan van zijn literaire debuut. Vanuit Israël trok hij met een vriend namelijk de grens over naar Syrië, alwaar hij stof opdeed voor Een verhaal uit de Zonnestad, een andere naam voor Damascus, waar dat verhaal zich grotendeels afspeelt. En thans is hij docent geschiedenis maar hij was ook enige tijd in opleiding om rechter te worden. Het verlangen om recht te spreken kan echter ook gesublimeerd worden in literatuur, misschien heeft dat hem van zijn rechterspoor afgehaald. Lees zijn boek maar, en u snapt wellicht wat ik hier wil zeggen. Zijn ambities reiken evenwel nog wat verder, want naast die onderwijsbaan en die literaire bezigheden (die echt niet zullen ophouden bij dit ene boek) werkt hij ook nog eens aan een proefschrift. Geen half werk dus bij deze man.

 

ffff

Zo heeft John-Alexander Janssen zichzelf bewust in een situatie gemanoeuvreerd die hem in staat staalde aan die roman te werken. In 2014 won hij namelijk de Prix de Paris. Die prijs is gericht op het stimuleren van innoverend geschiedkundig onderzoek, wordt toegekend (als ik het goed onthouden heb) aan excellente afstudeerscripties en ging gepaard met een geldbedrag dat hem in staat stelde zich een tijdlang vrij te kopen van zijn dagelijkse verplichtingen.

Geen half werk dus! Dat had ik me ook moeten realiseren toen zijn agent Remco Volkers mij ruim een jaar geleden zijn manuscript toestuurde, waarvan ik al lezende danig onder de indruk raakte. Remco is al jaren actief als literair agent en heeft mij menig interessant werk voorgelegd, maar dit vond ik met voorsprong het beste wat ik tot nu toe via hem te lezen had gekregen. Een boek als een exotische verrassing, gesitueerd in een land en in een tijd (net voor het uitbreken van de burgeroorlog in Syrië) die je niet meteen verwacht van een jonge oerhollandse auteur, en geschreven in een heldere, geserreerde, welhaast klassieke stijl, draaiend om een jongeman die obsessief verliefd wordt op een meisje uit een hoogburgerlijk milieu. Het meisje woont in een grandioze, immense, ommuurde villa in het oude deel van de stad en is lid van een extended family van artsen en wetenschappers met een meer dan gewone culturele belangstelling – alsof je zo te midden van een oriëntaalse variant van de familie Mann bent aangeland. De liefde van die jongeman voor dat meisje neemt Vestdijkiaanse proporties aan als in Terug tot Ina Damman. En heel terloops wordt er dan ook nog van alles gezegd en getoond over de politieke situatie in Syrië zoals die bestond aan de vooravond van de opstand die zulke funeste gevolgen heeft gehad. Máár… ik vond het wel wat kort om te kunnen spreken van een echte roman en wat onaf in de manier waarop de verhaallijnen aan elkaar geknoopt waren om te kunnen spreken van een overtuigend einde. In het manuscript was ik zo’n beetje terechtgekomen bij een situatie waarin de jongeman (Hamza) zich inmiddels toegang had weten te verschaffen tot de villa van de familie Al-Iskandri en hij tot op zekere hoogte een intieme relatie met de dochter des huizes Zania had weten op te bouwen. Maar haar krijgen (of verliezen) ho maar. Het verhaal eindigde zo’n beetje met de woorden: ‘Als ik met haar wilde blijven omgaan, dan kon ik mij dus maar beter voorbereiden op nu en dan wat onenigheid.’ Tsja.

Ik nam me voor de auteur en zijn agent daarmee te confronteren in een gesprek waarvoor ik ze uitnodigde. Want spreken wilde ik ze. Ik zag immers op zijn minst de contouren van een interessant schrijverschap. Wat bleek? Ik had om onbegrijpelijke redenen maar de helft van het boek in print. Misschien wel door eigen schuld – dat viel niet meer na te gaan. Maar tot mijn schaamte was ik dus nog maar halverwege geraakt en moest ik mijn oordeel opschorten.

Ook dit gegeven maakt duidelijk dat Janssen geen auteur is van half werk (tenzij je zo stom bent om het maar half tot je te nemen).

vdh9789029511841

Het hele werk dus maar, en dat bracht uitkomst, want toen ik ook de rest eenmaal had gelezen viel alles wel degelijk op zijn plek: de liefde van Hamza voor Zania (ik laat hier in het midden hoe dat eindigt; u wilt dat zelf lezen), de geheimen van de familie Al-Iskandri (die nogal politiek verknoopt blijken te zijn), de toedracht rond de dood van Hamza’s vader en de moeilijkheden waarin Hamza geraakt (die tegen wil en dank eveneens nogal politiek getekend blijken te worden).

Niet dat ik nu niets meer had aan te merken op deze bepaald meeslepende geschiedenis, maar ten aanzien daarvan liet John-Alexander er geen gras over groeien. Alle commentaar werd buitengewoon serieus genomen en uiterst consciëntieus en kritisch verwerkt. Zelfs in dat geval: géén half werk! Toen ik hem ergens in de loop van onze redactionele meetings een keer vroeg of ik hem John of Alex of voor mijn part Alexander kon noemen – of dat niet zelfs usance was in zijn eigen kringen – in plaats van voortdurend dat tongstruikelende John-Alexander te moeten zeggen (bij voorbeeld in situaties die nu eenmaal enige kordaatheid en beknoptheid vergen: ‘John-Alexander, pas op voor die auto van links!’), was het antwoord kort en krachtig. John-Alexander is de naam. Geen half werk. Mijn voorganger bij De Arbeiderspers, wierp ik nog tegen, heet ook Alexander Jansen, en die noemden we kortweg Lex, dat mocht van hem. En mij noemen ze vaak Peet (al ben ik daar ook niet echt blij mee) en mijn dochter Janna wordt door haar vriendinnen Jan genoemd. Maar nee hoor: John-Alexander!

Maar wanneer ik hem mail, kan hij me wat. Dan roep ik hem consequent aan als J-A. Tot dusverre is me dat nog niet verboden. Begin van de week mailde ik hem met de vraag of hij blij was met het boek, waarvan we hem een vooruitexemplaar over de post hadden toegezonden. John-Alexander schreef terug: ‘En of ik er blij mee ben, mijn boek! Maar: als een begin.’

Een goed begin is het hele werk. U gaat vast nog van hem horen. John-Alexander Janssen, onthoud die naam.

beb

 

 

 

Advertenties