Amper twee weken geleden was ik, tijdens een verrukkelijke korte rondreis in Italië, een paar dagen in Venetië. We hadden een appartement in de wijk Canareggio, en op een namiddag las ik daar in het serene binnentuintje dat er deel van uitmaakte en waar de stadsgeluiden zo goed als verstomden de laatste hoofdstukken van Thomas Eyskens’ biografie over Herman de Coninck die binnenkort onder de titel Toen met een lijst van nu errond verschijnt bij De Arbeiderspers. Het was warm, het was zonnig. Ik belandde ten slotte bij de laatste regels van het boek: over hoe Herman op straat in Lissabon, tijdens een tournee van Nederlandstalige schrijvers in Portugal, mei 1997, sterft in de armen van Anna Enquist. Hij slaat nog één keer zijn ogen op en zegt dan: ‘O, jij bent het.’

Toen Gerrit Kouwenaar stierf was het zeventien jaar en een paar maanden later. Anna Enquist was er niet bij toen het gebeurde, maar ze was er wel de avond tevoren en zorgde ervoor dat op aandringen van Kouwenaar zelf diens zoon nog aan zijn sterfbed kwam te staan. Ik ontleen die wetenschap aan het nieuwe boek van Enquist, Een tuin in de winter. Herinneringen aan Gerrit Kouwenaar: ‘In die nacht is Gerrit gestorven. Alles waar hij op gewacht had was gebeurd, hij kon opgelucht in de kussens leunen, het was klaar. We werden ’s morgens vroeg gebeld en waren niet verrast.’

We schrijven 4 september 2014.

Ondertussen verstreken er bijna drie jaar en verschijnt ten huize van Singel Uitgeverijen behalve het genoemde Een tuin in de winter als nummer 294 in de reeks Privé-domein (bij De Arbeiderspers) ook een door Anna Enquist geselecteerde en ingeleide bloemlezing uit de gedichten van Gerrit Kouwenaar (bij Querido) onder de betekenisvolle titel Van woorden gemaakt.

vdh9789021402314

In Van woorden gemaakt doet Anna Enquist een eigenzinnige greep uit Kouwenaars volledige werk: ‘Ik begon de gedichten in chronologische volgorde te lezen. Een kleine 750, alles bijeen. Tussen debuut en dood liggen 73 jaren, de productie bedroeg dus zo’n 10 gedichten per jaar. De vrij bescheiden hoeveelheid zou kunnen duiden op een oeuvre waarin alles degelijk is overdacht, gerijpt, vele malen bijgevijld en onder het vergrootglas gelegd. […] Zo ben ik uiteindelijk gekomen tot 100 gedichten, gerangschikt in 7 thematische afdelingen. De afdelingen zelf weerspiegelen de levensloop: ze gaan over vroeger, over de oorlog, de gang door het leven, de verbintenissen in liefde en vriendschap, de betekenis van huis en tuin, de poëtica en, ten slotte, de dood.’

Literatuur is (om de titel van de bloemlezing nog wat explicieter te duiden) van woorden gemaakt, en gedichten – zeker die van Gerrit Kouwenaar, in wiens werk dat besef op de spits gedreven is – zijn dat in bijzondere mate. Maar de literatuur als biotoop, in zijn wekere delen, is een verzameling mensen en een onontwarbaar kluwen van menselijke betrekkingen. Ik vind het steeds weer fascinerend en ontroerend om me dat te realiseren. En om daar deel van uit te maken. Anna Enquist denkt daar niet anders over. Zo bezien is Een tuin in de winter niet alleen een getuigenis van de kwarteeuw die die vriendschap tussen haar en Kouwenaar ongeveer duurde, begonnen op een editie van Poetry International begin jaren negentig en bestendigd in jaarlijkse bezoeken aan Kouwenaars huis in Zuid-Frankrijk, gezamenlijke literaire excursies in het buitenland en geregelde ontmoetingen in Amsterdam, maar geeft het ook (en tegelijkertijd) een beeld van de sociale context waarbinnen die vriendschap bloeide, bestaande uit tal van mensen onder wie de wederzijdse echtgenoten Bengt en Paula, maar vooral ook literaire vrienden als Eva en Henk Bernlef, Rutger (Rudi) Kopland, Remco Campert en noem maar op.

Over sociale context gesproken. Toen Gerrit Kouwenaar op 4 september 2014 overleed, bevond ik me, kort nadat ik daarvan op de hoogte was geraakt, in de trein naar Maastricht. Ik was op weg naar boekhandel De Tribune om de presentatie bij te wonen van een nieuw boek van Cyrille Offermans, getiteld Wat er op het spel staat. Literatuur en kunst na 1945. De beide uitgevers van dat boek, het echtpaar Eva Cossee en Christoph Buchwald, waren er ook. Eva Cossee was merkbaar geraakt door de annonce van het overlijden van Kouwenaar en citeerde ter plekke en zo goed als uit hoofd dat meesterlijke gedicht ‘men moet’, beginnend met de regels: ‘Men moet zijn zomers nog tellen, zijn vonnis/ nog vellen, men moet zijn winter nog sneeuwen’, en eindigend met ‘men moet nog een kuil graven voor een vlinder/het ogenblik ruilen voor zijn vaders horloge –’

Zulk soort poëzie is voormalig studenten Neerlandistiek aan de Rijksuniversiteit Utrecht wel toevertrouwd. Die hebben colleges poëtica en poëzie bijgewoond bij Guus Sötemann en Redbad Fokkema. Ik ben er daar een van en heb nog met Eva Cossee colleges literaire kritiek gevolgd bij genoemde Fokkema.

En Christoph Buchwald, ooit gedurende korte tijd als troonopvolger van Siegfried Unseld boegbeeld bij Suhrkamp, was Enquists eerste Duitse uitgever bij Luchterhand Verlag. Onder zijn bekwame redactionele hand zijn in het Duits minstens twee of drie van haar boeken verschenen. Laat bovendien in dat gloednieuwe boek van Cyrille Offermans een heel essay aan Kouwenaar zijn gewijd. Dat stuk, ‘Dus vredig de avond’, is nota bene gebaseerd op een toespraak geschreven ter gelegenheid van de feestelijke presentatie van vallende stilte in 2008 bij Querido, toen nog gevestigd op Singel 262. Ik was die middag vanaf dat adres – dat we op dat moment nog een paar maanden ons adres zouden kunnen noemen (op 1 januari 2015 verhuisden we naar het Spui) – richting Maastricht vertrokken. In dat essay van Offermans, een scherpzinnige analyse van de ontwikkelingen in het werk van Kouwenaar, wordt de zojuist genoemde Sötemann terecht opgevoerd als een van Kouwenaars interpreten van het eerste uur. Offermans: ‘Ik weet niet precies of het qua jaartallen klopt, maar ik denk dat Kouwenaar pas eindeloos per woord is gaan wikken en wegen, schaven, schrappen en comprimeren, toen hij geen toneelteksten meer hoefde te vertalen om brood op de plank te krijgen en hij zich volledig op de poëzie kon richten.’ De suggestie is daarbij ook dat die tendens naar versobering en schrijven over  essentialia zijn beste werk heeft opgeleverd.

Maar goed, Guus (officieel A.L.) Sötemann. Ik heb ontzettend veel van die man geleerd. Zijn colleges over poëtica (hij onderscheidt er vier: de romantische, realistische, classicistische en symbolistische) hebben mijn denken over literatuur wezenlijk beïnvloed. Het werk van Kouwenaar behoorde volgens Sötemann overigens duidelijk tot de symbolistische poëtica, die mét de classicistische de zuivere traditie in de literatuur vormt, waar realisme en romantiek de onzuivere lijn vertegenwoordigen.

In dat baanbrekende stuk in over Kouwenaar, gebundeld in Over poëtica en poëzie gaat Sötemann diep in op de poëticale drijfveren van Kouwenaar. De zin van de poëzie voor Kouwenaar is, aldus Sötemann, gelegen in de poging ‘’t vlies van ’t onmogelijke te verbreken’. Iedere kunstenaar moet volgens hem ‘sluiers van het bestaan aftrekken, nieuwe verbanden in de werkelijkheid aanbrengen.’ Of, nog anders gezegd – en Sötemann citeert uit een interview met Kouwenaar door Bibeb (over wie vorige week bij Querido een biografisch portret verscheen van Adinda Akkermans en Roos Menkhorst): ‘Je staat voor de osmose van eeuwigheid en tijdelijkheid. Die ervaring, daarvan zeg ik: oi, oi, hier gaat het om. Die osmose wil ik laten stollen in mijn poëzie.’

ae

En verdraaid als het niet waar is, maar nu zijn we ineens weer terug bij Herman de Coninck. De Coninck en Sötemann, zo las ik in dat Venetiaanse binnentuintje, leerden elkaar begin jaren negentig kennen op in een literair congres in Zuid-Afrika. Dat is niet zonder gevolgen gebleven. De Coninck, die overigens pas laat bewondering wist op te brengen voor Kouwenaars poëzie, kon het meteen al heel goed vinden met Guus Sötemann. Tot zijn grote schaamte moest Sötemann echter bekennen dat hij – de internationaal vermaarde emeritus hoogleraar – het werk van De Coninck niet kende. Terug in Nederland schafte hij zich meteen De Conincks laatste dichtbundel Schoolslag aan en schreef hem: ‘Ik kan niet anders zeggen dan dat ik er buitengewoon enthousiast over ben. Je schrijft verzen naar mijn hart, ingehouden, haast karig, maar treffend, ontroerend, ironisch en verrassend.’ Niet veel later zaten ze, De Coninck als voorzitter, samen in de jury van de VSB Poëzieprijs 1996. Het jaar daarvoor had De Coninck er als gewoon jurylid al mede voor gezorgd dat de prijs toen naar Leo Vroman ging voor Psalmen en andere gedichten. Nu werd de prijs aan – jawel – Gerrit Kouwenaar toegekend voor zijn bundel De tijd staat open. Tijdens de juryberaadslagingen kreeg De Coninck dat voorjaar (we hebben het over 1997, de prijs wordt uitgereikt in het jaar na de beoordeelde oogst) een ingeving. Waarom niet een bloemlezing maken met de 100 beste gedichten van 1996. Dat idee legde hij voor aan zijn uitgeverij, en die uitgeverij was De Arbeiderspers en bij die uitgeverij was ik sinds enige tijd in dienst. Het idee werd omarmd en zo werd ik de redacteur van de allereerste editie van De 100 beste gedichten, een jaarlijkse bloemlezing die nog steeds bestaat. In die eerste editie staan ook drie gedichten uit Anna Enquists in 1996 verschenen bundel Klaarlichte dag. Te bevreemden hoeft dat niet. Herman de Coninck was een verklaard bewonderaar van haar werk en heeft meerdere malen gedichten van haar in zijn Nieuw Wereldtijdschrijft opgenomen.

Treurig is wel dat De Coninck zijn bloemlezing, met daarin zes gedichten van winnaar Kouwenaar, zelf nooit meer heeft zien verschijnen. Hij stierf, zoals aan het begin gememoreerd, op 22 mei 1997 in Lissabon. Geen drie weken later, op 10 juni 1997 werd de prijs in de Rode Hoed uitgereikt en verscheen ook de bloemlezing.

En geloof het of niet, maar ook Gerrit Kouwenaar was mee op die literaire reis in Portugal. Dat weten we uit Een tuin in de winter. Anna Enquist schrijft: ‘Ik was bij hem (Herman), hij had me geroepen toen hij achterbleef omdat hij het wandeltempo van de groep niet kon bijhouden. […] Gerrit was pas later op de fatale ochtend uit het hotel vertrokken en op weg gegaan naar het festival. Hij was langs de onheilsplaats gekomen, het terrasje van een klein café. Daar had hij een lichaam zien liggen, opgerold in een oud tapijt, dicht tegen de muur geschoven. Hij was enorm geschrokken toen hij later besefte dat dat Herman was.’

Ook hij, de dichter met de koele reputatie, dus aangeslagen. Maar poëzie is van woorden gemaakt en in de woorden van Gerrit Kouwenaar zouden deze regels uit ‘Plaatselijke tijd’ (uit De tijd staat open, door Herman opgenomen in de 100 beste gedichten) toepasselijk zijn: ‘De nacht vindt plaats/de tijd is rond/men proeft het rijpe woord meloen/warm als de afgekoelde grond/en op de rand van het bederf//omdat men zich in vlees verbergt/schenkt het moment een eau de vie/waarbij een gast verzwijgen moet/dat hij tot geest bestierf/de zomer rilt al van de herfst […]’.

Poëzie, kortom, is van woorden gemaakt. En dat is maar goed ook. Maar de literatuur is, ik zei het al, óók van mensen en menselijke betrekkingen gemaakt. Gerrit Kouwenaar zou hier misschien niet bijzonder in geïnteresseerd zijn. ‘Het was niet de opzet dat de dichter zijn gevoelens uitstortte in het gedicht en dat de lezers op hun beurt hun gevoelens daarin verwoord zagen,’ schrijft Christa in de inleiding van haar bloemlezing over de literaire intenties van Kouwenaar. ‘Al helemaal niet dat zij zich door de woorden getroost zouden voelen. Gerrit vond dat een sentimentele, verwerpelijke gedachte. […] Wat moeten gedichten dan wel? Ze moeten gebouwd worden, van woorden gemaakt, zodat van alles wat de dichter meemaakt en overdenkt een afdruk in taal wordt achtergelaten.’

Anna Enquist daarentegen beschikt wél over bijzondere antennes voor die gewone menselijke kant van het kunstbedrijf. Enquist heeft niet alleen verstand van literatuur maar ook, en misschien wel beroepshalve als psychoanalytica, ‘verstand van gevoel’, zoals Aleid Truijens het ooit treffend formuleerde. Om het in een poëticaal perspectief te plaatsen: de romantiek en het realisme – de onzuivere richtingen in de kunst tout court – willen ook hun dorst kunnen lessen. Men lave zich dus met volle teugen aan Een tuin in de winter en bewaart Van woorden gemaakt voor de meer sublieme en droge momenten tussendoor.

tHart Dienstreisopm

Advertenties