Zoeken

Nijssen Schrijft

De weblog van Peter Nijssen

Maand

juli 2017

Poëzie als overlevingsstrategie. Over ‘De boom valt op mij’ van Ilse Starkenburg

Op een enkele uitzondering na is De boom valt op mij, de vijfde bundel van Ilse Starkenburg, heel goed ontvangen. Het was haar eerste bundel in tien jaar. Het valt natuurlijk onmogelijk te bewijzen maar het zou best eens kunnen dat er een verband bestaat tussen dat lange stilzwijgen en die uiterst welwillende ontvangst. Daar zit een zelfkant aan (reculer pour mieux sauter) maar ook een andere kant. Laat de lezers (en mutatis mutandis de literaire kritiek) maar eens honger krijgen. Des te meer komt men een volgende keer aan zijn trekken.

Om er hier een paar (van die recensies) kort te noemen: Dieuwertje Mertens in Het Parool waardeert de gedichten van Starkenburg weliswaar positief, maar De boom valt op mij ziet ze al met al als een verzameling ‘fijne, gedegen, dromerige gedichten, die soms een verwijzing naar de filosofie of de literatuur bevatten en regelmatig eindigen met een twist of een grapje. […] De gedichten zijn aangenaam en vertrouwd als een eerste lentedag.’ Vreemd hoe iemand deze poëzie kan lezen als vooral aangenaam en ongevaarlijk.

Tot een heel andere conclusie – en mijns inziens eentje waarmee de vinger beter op de zere plek wordt gelegd – komt Janita Monna in Trouw, in een recensie waaruit overigens eveneens vooral waardering spreekt: ‘Achter dit soort lichte twinkelingen’ – Monna wijdt uit over een gedicht waarin vrolijkheid en humor weerklinken – ‘schuilt veel eenzaamheid. Dat gevoel probeert de dichter op de staart te trappen. Het ene moment laat ze zich er volledig door meeslepen. […] Om elders tot het nuchtere besef te komen dat échte eenzaamheid voor een ander onzichtbaar blijft.’

In soortgelijke bewoordingen laat ook Maria Barnas in de Volkskrant zich erover uit: ‘Starkenburg veroorzaakt met ultieme beheersing een verpletterend besef van eenzaamheid, schijnbaar achteloos en met de lichtste aanraking van het woord.’

Het scherpst in dat opzicht – dat van de (h)erkenning van angst en eenzaamheid als grondthema in het werk van Ilse Starkenburg – verwoordt Mario Molegraaf het in het tijdschrift Lychnari. Verkenningen in het Griekenland van nu, in een artikel waarin hij meteen maar het hele oeuvre van Starkenburg (vijf dichtbundels en een verhalenbundel) erbij betrekt: ‘Gedichten als noodsignalen, als afgeschoten vuurpijlen. Hier ben ik, een teken van mijn eiland. Of maak ik te veel psychologie van de poëzie van Ilse Starkenburg?’

Ik denk dat je – mits met verstand en niet al te veel koude grond bedreven – niet genoeg psychologie kunt maken van de poëzie van Ilse Starkenburg. In ieder geval heb ik me er ook zelf ‘schuldig’ aan gemaakt toen ik in april jongstleden de onderstaande woorden sprak tijdens de presentatie van de bundel op de met grote voorsprong kleinste podiumplek van Nederland, het Torpedo Theater in de Sint Pieterspoortsteeg in Amsterdam, een theater met een heuse bühne en een voorhang, een bar en zelfs een balustrade (al gaat het in praktische zin om een trompe l’oeil) dat nauwelijks de ruimte van een iets meer dan gemiddelde woonkamer overstijgt. (Er waren daar in het Torpedo Theater trouwens ook optredens van de dichters Peter Swanborn en Anne Büdgen alsook uiteraard van Ilse Starkenburg zelf, het zij gezegd.)

Ilse_Starkenburg_2 001

Hier wordt vandaag op glorieuze wijze een stilte verbroken. Misschien moest daar eerst met enig geweld een boom voor worden geveld, een barricade voor worden doorbroken, misschien moest er tijd verstrijken. Dat laatste is in elk geval wel gebeurd sinds de verschijning van Gekraakt klooster, de vorige bundel van Ilse Starkenburg.

Tien jaar is dat geleden! Tien jaar om van Gekraakt klooster naar De boom valt op mij te gaan. Maar wie Ilse Starkenburg wat beter kennen weten dat het allerminst zo is dat er in die tien jaar niet gewerkt is, niet geschreven, niet geleefd. Er is een hoop gebeurd, al voert het wat ver om te beweren dat dit ook allemaal verwerkt is in deze nieuwe bundel. Ilse Starkenburg is niet een autobiografisch dichter, al zouden we het desondanks eens kunnen zijn met schrijver en criticus Tim Parks wanneer die, in het onlangs in Nederland verschenen De roman als overlevingsstrategie beweert dat stijl, tekstsoort en de manier van vertellen samen de overlevingsstrategie vormen die de auteur – álle auteurs van álle literaire teksten – ontwikkelt als reactie op spanningen in zijn of haar persoonlijke leven.

Tussen 1990 en 2007 verschenen van Ilse Starkenburg vier andere dichtbundels en een verhalenbundel bij De Arbeiderspers. En daarna dus – nogmaals – tien jaar niets. Alleen al daarom vind ik de verschijning van De boom valt op mij een belangwekkende gebeurtenis. Nu ik twee derde van haar oeuvre als redacteur heb begeleid is het wellicht interessant om eens na te gaan, hoe ik haar werk in die afgelopen twintig jaar gezien heb. Ik kan het niet beter doen dan door naar de flapteksten te kijken, want die heb ik immers (zo goed als) zelf geschreven.

Over de verhalenbundel De blinde vlek op de kaart (1998) schreef ik dat daarin ‘kleine, alledaagse voorvallen het uitgangspunt vormen, maar door de manier van kijken van de hoofdpersonen, en doordat zij niets als vanzelfsprekend ervaren, neemt dit alledaagse vaak zeer onalledaagse proporties aan’. Die verhalen werden in 2003 gevolgd door een derde bundel, in plaats van alleen. Daar meldt de flaptekst dat ‘een verlangen naar werkelijkheid, naar contact met de dingen een van de terugkerende motieven’ is. ‘Haar poëzie, bedrieglijk eenvoudig vanwege haar directheid, is in diepste wezen anti-hermetisch. Een gesloten wereld met bijbehorende geheimtaal, is hier slechts vertrekpunt. Het oogmerk is niet tot een gedicht te komen dat de werkelijkheid vervangt, maar juist tot één dat die werkelijkheid ontsluit.’

Gekraakt klooster (2007) bevat nog wel een flaptekst maar blijkbaar hadden wij – Ilse en ik – samen besloten dat we het daarin niet weer over de thematiek en het wezen van haar werk moesten hebben (die immers niet wezenlijk was veranderd) maar dit keer vooral over de wapenfeiten. Dat haar werk in allerlei prestigieuze literaire tijdschriften verschijnt, dat het veel in (niet minder prestigieuze) bloemlezingen wordt opgenomen, dat het met stipendia en nominaties voor belangrijke prijzen was beloond.

En nu, vandaag, kunnen we constateren, dat dat een point of no return blijkt te zijn geweest, want De boom valt op mij heeft helemaal geen flaptekst meer. Geen blurb, geen bio, geen biblio, geen wapenfeiten, geen inhoudelijk tekstje (nog geen regel). Niks! Om met Jules Deelder te spreken: ‘geen klote, geen donder, geen reet’. Het moest maar eens voor zichzelf gaan spreken, die poëzie van Ilse Starkenburg, vond Ilse Starkenburg, en daar ging ik volledig in mee. Dat wil zeggen: voor de flaptekst.

Want we hebben natuurlijk altijd nog de prospectustekst achter de hand. Daar staat naar aanleiding van De boom valt op mij het volgende: ‘Vanaf haar debuut Verdwaald ontwaken werkt Ilse aan een dichterlijk oeuvre waarin verlangen naar aanwezigheid en contact met de ander constanten zijn. Haar gedichten zijn evenzovele pogingen om een voortdurend sluimerend dan wel concreet isolement te doorbreken. […] Ze doet dat in een taal die zich meer dan ooit beperkt tot de essentie en als zodanig waarmaakt wat Jan Arends ooit dichtte: ‘Ik/ schrijf gedichten/ als dunne bomen.// Wie kan zo mager/ praten/ met de taal/ als ik?’

Het antwoord, beste Jan Arends, luidt: Ilse Starkenburg.

En o, er valt nog zoveel meer te zeggen over haar poëzie. Zoals bijvoorbeeld dat haar poëzie vaak heel geestig is, iets wat Maria Barnas in haar uiterst lovende recensie van De boom valt op mij in de Volkskrant afgelopen zaterdag al constateerde: ‘De observaties over hoe anderen omgaan met elkaar zijn vaak teder en tragikomisch: o, ik vond het zo mooi denkt de ik-figuur bij een herinnering aan hoe Andrea een gedicht schreef “bij de eenzaamheid van Tanya”. Door het woord “bij” wordt “de eenzaamheid van Tanya” verheven tot iets belangwekkends.’

Hier komt het:

HOU JE BIJ JE LEEST

Andrea schreef een gedicht
bij de eenzaamheid van Tanya

het werd een eindeloos gedicht
begeleid door Tanya’s gitaar

akoestisch en met nylon snaren
o, ik vond het zo mooi

het werd een eindeloos gedicht
Tanya ging er beelden bij maken

je zag Tanya dansen met zichzelf
naast het bed waarin ze elke nacht

en het liedje ging maar door
dat liedje over eenzaamheid

je voelde haar in parken
monumenten aanspreken

alleen eten in eetcafé’s
o, ik vond het zo mooi
toch denk ik dat het nog
iets ingewikkelder ligt

het bed was zo opgemaakt
en Andrea
bleef er steeds maar bij

vdh9789029511780

 

 

 

 

Advertenties

Alleen zo verrijst de feniks uit de as. Over ‘As, vuur’ van Hester Knibbe

Het was even wachten op echte (die naam waardige) recensies over As, vuur, de nieuwe eind mei verschenen dichtbundel van Hester Knibbe. Maar het wachten was de moeite en het ongeduld waard, want neem nou de beschouwing van Arie van den Berg op vrijdag 14 juli in NRC Handelsblad met als aankeiler op de voorpagina van de cultuurbijlage ‘Poëzie vol oerwoorden van onze beste dichter’. Het stuk zelf is één grote lofrede op het dichterschap van Knibbe en culmineert in de volgende regels: ‘Na elf bundels behoort Hester Knibbe wat mij betreft tot onze beste dichters, en per bundel is haar kwaliteit nog altijd stijgend. Tijd voor de P.C. Hooftprijs?’ Van mij mag het.

En het mocht van mij ook al, toen ik op zaterdagmiddag 27 eind mei – het was snikheet die dag – de onderstaande woorden uitsprak (voor deze blog enigszins bewerkt) op de presentatie van As, vuur in boekhandel Donner te Rotterdam. Het was een middag met muziek van de Rotterdamse band The Yes Please en bijdragen van Derek Otte, stadsdichter van Rotterdam (in die functie opvolger van Hester Knibbe), Peter Swanborn (collega-dichter, hoofdredacteur van het tijdschrift Tortuca en recensent van de Volkskrant), die Knibbe interviewde, dichter en oud-Letterkundig Museumdirecteur Anton Korteweg en Miriam Van hee die samen met Hester Knibbe elk vier gedichten uit de gedichtendialoog ‘Leeftocht’ voorlazen. Het aandeel van Knibbe in die dialoog is ook in As, vuur terechtgekomen.

In de stad van de schaars verwende kampioenen moet het gepermitteerd zijn nog één keer die uit zijn voegen geciteerde wisecrack van Gerard Cox te citeren: ‘Feyenoord-fan – dat ben je niet voor je lol.’ Dus beste Rotterdammers, Feyenoorders: geniet nog maar even van die landstitel, want de komende decaden zult u weer op water en brood moeten leven en nederlaag op nederlaag moeten lijden.

Ik zeg dit niet zomaar. En ik zeg het ook niet om de boel een beetje te provoceren. Ik zeg dit omdat ik hier uit liefde sta – dat moet u van me willen aannemen. Ik sta hier uit liefde voor Hester Knibbe, voor haar gebeitelde poëzie, voor de literatuur, ja zelfs voor Feyenoord en Rotterdam. Maar voor de lol sta ik hier ook niet, meneer Cox. Er is geen mens, en zeker geen Nederlands mens, die zelfs maar een beetje besmet is met de bacil der wielergekte die nu voor zijn lol ook maar ergens anders zou willen zijn dan in de koers of voor de buis om te kijken naar de Ronde van Italië, de Giro, die zich op dit eigenste uur in de beslissende fase bevindt, in de fase waarin Tom Dumoulin wel of niet gaat zegevieren. De renners beklimmen – terwijl ik dit zeg om 15.03 – de Monte Grappa in de voorlaatste etappe van Pordenone naar Asiago. En ik ken die berg, die vuile smeerlap. De eerste keer dat ik hem bedwong… Herstel, de eerste keer dat ik hem probéérde te bedwingen – mijn oudste zus woonde in die tijd in Marostica (in de Veneto) op een kilometer of dertig van deze magische col – raakte ik niet boven. Onbezonnen als ik toen was, begon ik er veel te hard aan en draaide ik mijn motor in de soep. Ik kookte over, de benen ontploften en ik brandde af als een luciferhoutje. De tweede keer was ik veel beter getraind en ging ik weloverwogen te werk. Niet te hard van stapel en eerst een goede cadans vinden. Zo kreeg ik vleugels en herrees ik op de Monte Grappa, gelijk een feniks uit de as van mijn eerste mislukte poging.  Ik had het gevoel te vliegen en ging dansend naar boven – en danseuse heet dat in wielertermen als je uit het zadel wiegend op de trappers voortbeweegt.

Eerst sterven, dan hoog opstijgen – dat is de juiste volgorde.

De nieuwe bundel van Hester Knibbe heet As, vuur. De eerlijkheid gebiedt mij te zeggen dat de werktitel heel lang een andere was (Wie gij worm, een titel nog gekker dan het toch ook al curieuze Archaïsch de dieren), maar het is een heel gelukkige ingreep van Hester geweest om daar te elfder ure nog verandering in aan te brengen. As, vuur is namelijk een uiterst betekenisvolle titel.

Knibbe_Koos_Breukel_BEW

De bundel valt in twee delen uiteen: ‘Drift’ en ‘Stromen’. Uitgangspunt voor het eerste deel, ‘Drift’, is een aantal zogenaamde ‘oerwoorden’ die alle Euraziatische families met elkaar verbinden. As en vuur zijn twee van die oerwoorden. En ‘As’ is de titel van het laatste gedicht van de afdeling ‘Mond’ uit dat eerste deel, terwijl het meteen daaropvolgende gedicht ‘Vuur’ het eerste gedicht uit de afdeling ‘Hand’ is.

‘As’ gaat als volgt:

wat van het gesprokkelde rest.
Hij port erin met een stok, ziet nog

hoe de vlammen zengden en vraten tot
de ziel van het dier was verdampt en het lijf
verdeeld tussen honger en tanden. Had gemerkt

dat het haar op zijn handen verschroeide, voelt
de gloed zijn voeten verwarmen, weet van.
Loom verlangen sluipt in de hand, blaast

in de nagloei en slaapt kruipt in hem nu
de jacht het vreten en waken voorbij.
Hij vlijt zich naast de restanten.

Er is nog een derde afdeling in dat eerste deel ‘Drift’, en die slotafdeling eindigt met het gedicht ‘Stromen’, dat weer eindigt met de regels ‘om / een monding een zee aan je voeten / te weten waarin / verdwijnen gewoon is’. Het tweede grote deel van de hele bundel heet als gezegd in zijn geheel ‘Stromen’. Het begint daar al meteen in het eerste gedicht te bewegen als een tierelier: ‘Er vliegt een vogel voorbij, vleugels zo wijd dat je / zijn slagpennen kunt tellen, maar wie ontrafelt zijn roep? // Iemand kan naakt op spitzen dansen, armen gespreid, / en toch zijn ziel verbergen achter een kleine tattoo’.

Om terug te komen op de titel van de hele bundel en het na elkaar geplaatst staan van de gedichten ‘As’ en ‘Vuur’: die volgorde roept onvermijdelijk de associatie op dat er alleen getriomfeerd en geleefd kan worden als er eerst is gestorven of een nederlaag geleden. Alleen zo verrijst de feniks uit de as. Alleen zo blijft de ziel bewaard. De beweging van dood naar het leven impliceert dat As, vuur een bundel is die vitaliteit benadrukt en dat ook wil uitstralen. De dood neemt niettemin een belangrijke plaats in – de hele eerste helft van de bundel wordt er in zekere zin door gedomineerd –, maar belangrijker is het leven dat eruit voortkomt en dat een centrale plaats inneemt in het tweede deel van de bundel.

Cruijff heeft ook bij Feyenoord gespeeld, dus ik neem geen aanstoot als ik deze filosoof citeer met de woorden: ‘Als je niet ken verliezen ken je ook niet winnen’. Dat is toch de teneur van deze bundel. Of, de jager/verzamelaars indachtig: het is eten of gegeten worden. Of om met de oude Zeeuwen te spreken: ‘Luctor et emergo’, worstel en kom boven. En waarom zouden we niet ook de oude Nietzsche er nog bij halen met zijn concept van ‘de eeuwige terugkeer van hetzelfde’.

Twee helften zijn er dus in As, vuur. Een eerste helft onder de noemer ‘Drift’ en een tweede onder de noemer ‘Stromen’. Laat die twee woorden even op je inwerken en je zult je realiseren dat ze in feite hetzelfde betekenen. Beide woorden suggereren dynamiek, een soort van drijven, een iets met een wil. Drift zou je kunnen zien als de gestolde, gesubstantiveerde vorm van stromen, zoals as het resultaat is (of het residu) van branden.

Afijn, ik wil maar zeggen: deze bundel zit verdraaid goed in elkaar.

De betekenis van de structuur van de bundel wijst in de richting van een vitalistische instelling, maar dat levenskrachtige, op het nu gerichte doet niets af aan het feit dat tegelijkertijd de traditie, de geschiedenis en de eeuwige waarden verdedigd worden. Voor Hester Knibbe kan het nieuwe alleen bestaan bij de gratie van het oude. Niet voor niks was ze zo hartstochtelijk opgetogen over de vondst van die Euraziatische oerwoorden. De gedichten die daarover gaan en die (ten overvloede) de eerste helft van deze bundel vormen zou je kunnen zien als de humus (toch ook een soort van as) voor het tweede deel waarin de gestolde drift tot leven komt en gaat uitstromen in (misschien ook wel wat meer autobiografisch) gedichten over het eigen, actuele leven en waarin bij voorbeeld nogal wat gereisd wordt, een activiteit waaraan Hester zich met graagte overgeeft.

Intussen zijn we alweer een minuut of zeven hoger op de Monte Grappa. En ik heb geen idee hoe onze Hollander, die dagenlang in het maglia rosa reed maar nu dus niet meer, het stelt. Ik hoop dat het hem vergaat zoals het mij verging. Als de Piancavallo, de aankomstberg van gisteren, een soort generale van de Monte Grappa is en hij vandaag kan verrijzen uit de as van gisteren en de shit van nog wat langer geleden dan mag vanavond wellicht het ‘Victorious’ van Muse luid opklinken of welk ander toepasselijk triomflied dan ook. (Voor mijn part ‘Geen woorden maar daden’, hoewel dat appèl in de context van vanmiddag wat moeizaam overkomt.)

Het moge duidelijk zijn dat ik mij voor deze gedachten heb laten inspireren door de nieuwe bundel van Hester Knibbe. Daarom tot slot nog het gedicht ‘Vuur’:

Hij was een beginneling, een eenling
met twee linkerhanden en men lachte
naar hem, men lachte om hem. Maar hij

kluitte uit, waste zijn lijf, liep weg
met zichzelf en verbaasde wereld
toen hij met lenige handen

hout schikte, steen tegen steen
sloeg en met dat simpel geweld sluipend
het smeulen begon, branden ontstond, toen hij

vuur kneedde tot vlam die de hemel beklom.
En het werd donker onder de zon
de aarde een vruchtbare roetkorst.

Hij lachte, piste en knielde erop.

As, vuur

Maak een gratis website of blog op WordPress.com.

Omhoog ↑