Het was even wachten op echte (die naam waardige) recensies over As, vuur, de nieuwe eind mei verschenen dichtbundel van Hester Knibbe. Maar het wachten was de moeite en het ongeduld waard, want neem nou de beschouwing van Arie van den Berg op vrijdag 14 juli in NRC Handelsblad met als aankeiler op de voorpagina van de cultuurbijlage ‘Poëzie vol oerwoorden van onze beste dichter’. Het stuk zelf is één grote lofrede op het dichterschap van Knibbe en culmineert in de volgende regels: ‘Na elf bundels behoort Hester Knibbe wat mij betreft tot onze beste dichters, en per bundel is haar kwaliteit nog altijd stijgend. Tijd voor de P.C. Hooftprijs?’ Van mij mag het.

En het mocht van mij ook al, toen ik op zaterdagmiddag 27 eind mei – het was snikheet die dag – de onderstaande woorden uitsprak (voor deze blog enigszins bewerkt) op de presentatie van As, vuur in boekhandel Donner te Rotterdam. Het was een middag met muziek van de Rotterdamse band The Yes Please en bijdragen van Derek Otte, stadsdichter van Rotterdam (in die functie opvolger van Hester Knibbe), Peter Swanborn (collega-dichter, hoofdredacteur van het tijdschrift Tortuca en recensent van de Volkskrant), die Knibbe interviewde, dichter en oud-Letterkundig Museumdirecteur Anton Korteweg en Miriam Van hee die samen met Hester Knibbe elk vier gedichten uit de gedichtendialoog ‘Leeftocht’ voorlazen. Het aandeel van Knibbe in die dialoog is ook in As, vuur terechtgekomen.

In de stad van de schaars verwende kampioenen moet het gepermitteerd zijn nog één keer die uit zijn voegen geciteerde wisecrack van Gerard Cox te citeren: ‘Feyenoord-fan – dat ben je niet voor je lol.’ Dus beste Rotterdammers, Feyenoorders: geniet nog maar even van die landstitel, want de komende decaden zult u weer op water en brood moeten leven en nederlaag op nederlaag moeten lijden.

Ik zeg dit niet zomaar. En ik zeg het ook niet om de boel een beetje te provoceren. Ik zeg dit omdat ik hier uit liefde sta – dat moet u van me willen aannemen. Ik sta hier uit liefde voor Hester Knibbe, voor haar gebeitelde poëzie, voor de literatuur, ja zelfs voor Feyenoord en Rotterdam. Maar voor de lol sta ik hier ook niet, meneer Cox. Er is geen mens, en zeker geen Nederlands mens, die zelfs maar een beetje besmet is met de bacil der wielergekte die nu voor zijn lol ook maar ergens anders zou willen zijn dan in de koers of voor de buis om te kijken naar de Ronde van Italië, de Giro, die zich op dit eigenste uur in de beslissende fase bevindt, in de fase waarin Tom Dumoulin wel of niet gaat zegevieren. De renners beklimmen – terwijl ik dit zeg om 15.03 – de Monte Grappa in de voorlaatste etappe van Pordenone naar Asiago. En ik ken die berg, die vuile smeerlap. De eerste keer dat ik hem bedwong… Herstel, de eerste keer dat ik hem probéérde te bedwingen – mijn oudste zus woonde in die tijd in Marostica (in de Veneto) op een kilometer of dertig van deze magische col – raakte ik niet boven. Onbezonnen als ik toen was, begon ik er veel te hard aan en draaide ik mijn motor in de soep. Ik kookte over, de benen ontploften en ik brandde af als een luciferhoutje. De tweede keer was ik veel beter getraind en ging ik weloverwogen te werk. Niet te hard van stapel en eerst een goede cadans vinden. Zo kreeg ik vleugels en herrees ik op de Monte Grappa, gelijk een feniks uit de as van mijn eerste mislukte poging.  Ik had het gevoel te vliegen en ging dansend naar boven – en danseuse heet dat in wielertermen als je uit het zadel wiegend op de trappers voortbeweegt.

Eerst sterven, dan hoog opstijgen – dat is de juiste volgorde.

De nieuwe bundel van Hester Knibbe heet As, vuur. De eerlijkheid gebiedt mij te zeggen dat de werktitel heel lang een andere was (Wie gij worm, een titel nog gekker dan het toch ook al curieuze Archaïsch de dieren), maar het is een heel gelukkige ingreep van Hester geweest om daar te elfder ure nog verandering in aan te brengen. As, vuur is namelijk een uiterst betekenisvolle titel.

Knibbe_Koos_Breukel_BEW

De bundel valt in twee delen uiteen: ‘Drift’ en ‘Stromen’. Uitgangspunt voor het eerste deel, ‘Drift’, is een aantal zogenaamde ‘oerwoorden’ die alle Euraziatische families met elkaar verbinden. As en vuur zijn twee van die oerwoorden. En ‘As’ is de titel van het laatste gedicht van de afdeling ‘Mond’ uit dat eerste deel, terwijl het meteen daaropvolgende gedicht ‘Vuur’ het eerste gedicht uit de afdeling ‘Hand’ is.

‘As’ gaat als volgt:

wat van het gesprokkelde rest.
Hij port erin met een stok, ziet nog

hoe de vlammen zengden en vraten tot
de ziel van het dier was verdampt en het lijf
verdeeld tussen honger en tanden. Had gemerkt

dat het haar op zijn handen verschroeide, voelt
de gloed zijn voeten verwarmen, weet van.
Loom verlangen sluipt in de hand, blaast

in de nagloei en slaapt kruipt in hem nu
de jacht het vreten en waken voorbij.
Hij vlijt zich naast de restanten.

Er is nog een derde afdeling in dat eerste deel ‘Drift’, en die slotafdeling eindigt met het gedicht ‘Stromen’, dat weer eindigt met de regels ‘om / een monding een zee aan je voeten / te weten waarin / verdwijnen gewoon is’. Het tweede grote deel van de hele bundel heet als gezegd in zijn geheel ‘Stromen’. Het begint daar al meteen in het eerste gedicht te bewegen als een tierelier: ‘Er vliegt een vogel voorbij, vleugels zo wijd dat je / zijn slagpennen kunt tellen, maar wie ontrafelt zijn roep? // Iemand kan naakt op spitzen dansen, armen gespreid, / en toch zijn ziel verbergen achter een kleine tattoo’.

Om terug te komen op de titel van de hele bundel en het na elkaar geplaatst staan van de gedichten ‘As’ en ‘Vuur’: die volgorde roept onvermijdelijk de associatie op dat er alleen getriomfeerd en geleefd kan worden als er eerst is gestorven of een nederlaag geleden. Alleen zo verrijst de feniks uit de as. Alleen zo blijft de ziel bewaard. De beweging van dood naar het leven impliceert dat As, vuur een bundel is die vitaliteit benadrukt en dat ook wil uitstralen. De dood neemt niettemin een belangrijke plaats in – de hele eerste helft van de bundel wordt er in zekere zin door gedomineerd –, maar belangrijker is het leven dat eruit voortkomt en dat een centrale plaats inneemt in het tweede deel van de bundel.

Cruijff heeft ook bij Feyenoord gespeeld, dus ik neem geen aanstoot als ik deze filosoof citeer met de woorden: ‘Als je niet ken verliezen ken je ook niet winnen’. Dat is toch de teneur van deze bundel. Of, de jager/verzamelaars indachtig: het is eten of gegeten worden. Of om met de oude Zeeuwen te spreken: ‘Luctor et emergo’, worstel en kom boven. En waarom zouden we niet ook de oude Nietzsche er nog bij halen met zijn concept van ‘de eeuwige terugkeer van hetzelfde’.

Twee helften zijn er dus in As, vuur. Een eerste helft onder de noemer ‘Drift’ en een tweede onder de noemer ‘Stromen’. Laat die twee woorden even op je inwerken en je zult je realiseren dat ze in feite hetzelfde betekenen. Beide woorden suggereren dynamiek, een soort van drijven, een iets met een wil. Drift zou je kunnen zien als de gestolde, gesubstantiveerde vorm van stromen, zoals as het resultaat is (of het residu) van branden.

Afijn, ik wil maar zeggen: deze bundel zit verdraaid goed in elkaar.

De betekenis van de structuur van de bundel wijst in de richting van een vitalistische instelling, maar dat levenskrachtige, op het nu gerichte doet niets af aan het feit dat tegelijkertijd de traditie, de geschiedenis en de eeuwige waarden verdedigd worden. Voor Hester Knibbe kan het nieuwe alleen bestaan bij de gratie van het oude. Niet voor niks was ze zo hartstochtelijk opgetogen over de vondst van die Euraziatische oerwoorden. De gedichten die daarover gaan en die (ten overvloede) de eerste helft van deze bundel vormen zou je kunnen zien als de humus (toch ook een soort van as) voor het tweede deel waarin de gestolde drift tot leven komt en gaat uitstromen in (misschien ook wel wat meer autobiografisch) gedichten over het eigen, actuele leven en waarin bij voorbeeld nogal wat gereisd wordt, een activiteit waaraan Hester zich met graagte overgeeft.

Intussen zijn we alweer een minuut of zeven hoger op de Monte Grappa. En ik heb geen idee hoe onze Hollander, die dagenlang in het maglia rosa reed maar nu dus niet meer, het stelt. Ik hoop dat het hem vergaat zoals het mij verging. Als de Piancavallo, de aankomstberg van gisteren, een soort generale van de Monte Grappa is en hij vandaag kan verrijzen uit de as van gisteren en de shit van nog wat langer geleden dan mag vanavond wellicht het ‘Victorious’ van Muse luid opklinken of welk ander toepasselijk triomflied dan ook. (Voor mijn part ‘Geen woorden maar daden’, hoewel dat appèl in de context van vanmiddag wat moeizaam overkomt.)

Het moge duidelijk zijn dat ik mij voor deze gedachten heb laten inspireren door de nieuwe bundel van Hester Knibbe. Daarom tot slot nog het gedicht ‘Vuur’:

Hij was een beginneling, een eenling
met twee linkerhanden en men lachte
naar hem, men lachte om hem. Maar hij

kluitte uit, waste zijn lijf, liep weg
met zichzelf en verbaasde wereld
toen hij met lenige handen

hout schikte, steen tegen steen
sloeg en met dat simpel geweld sluipend
het smeulen begon, branden ontstond, toen hij

vuur kneedde tot vlam die de hemel beklom.
En het werd donker onder de zon
de aarde een vruchtbare roetkorst.

Hij lachte, piste en knielde erop.

As, vuur

Advertenties