Op een enkele uitzondering na is De boom valt op mij, de vijfde bundel van Ilse Starkenburg, heel goed ontvangen. Het was haar eerste bundel in tien jaar. Het valt natuurlijk onmogelijk te bewijzen maar het zou best eens kunnen dat er een verband bestaat tussen dat lange stilzwijgen en die uiterst welwillende ontvangst. Daar zit een zelfkant aan (reculer pour mieux sauter) maar ook een andere kant. Laat de lezers (en mutatis mutandis de literaire kritiek) maar eens honger krijgen. Des te meer komt men een volgende keer aan zijn trekken.

Om er hier een paar (van die recensies) kort te noemen: Dieuwertje Mertens in Het Parool waardeert de gedichten van Starkenburg weliswaar positief, maar De boom valt op mij ziet ze al met al als een verzameling ‘fijne, gedegen, dromerige gedichten, die soms een verwijzing naar de filosofie of de literatuur bevatten en regelmatig eindigen met een twist of een grapje. […] De gedichten zijn aangenaam en vertrouwd als een eerste lentedag.’ Vreemd hoe iemand deze poëzie kan lezen als vooral aangenaam en ongevaarlijk.

Tot een heel andere conclusie – en mijns inziens eentje waarmee de vinger beter op de zere plek wordt gelegd – komt Janita Monna in Trouw, in een recensie waaruit overigens eveneens vooral waardering spreekt: ‘Achter dit soort lichte twinkelingen’ – Monna wijdt uit over een gedicht waarin vrolijkheid en humor weerklinken – ‘schuilt veel eenzaamheid. Dat gevoel probeert de dichter op de staart te trappen. Het ene moment laat ze zich er volledig door meeslepen. […] Om elders tot het nuchtere besef te komen dat échte eenzaamheid voor een ander onzichtbaar blijft.’

In soortgelijke bewoordingen laat ook Maria Barnas in de Volkskrant zich erover uit: ‘Starkenburg veroorzaakt met ultieme beheersing een verpletterend besef van eenzaamheid, schijnbaar achteloos en met de lichtste aanraking van het woord.’

Het scherpst in dat opzicht – dat van de (h)erkenning van angst en eenzaamheid als grondthema in het werk van Ilse Starkenburg – verwoordt Mario Molegraaf het in het tijdschrift Lychnari. Verkenningen in het Griekenland van nu, in een artikel waarin hij meteen maar het hele oeuvre van Starkenburg (vijf dichtbundels en een verhalenbundel) erbij betrekt: ‘Gedichten als noodsignalen, als afgeschoten vuurpijlen. Hier ben ik, een teken van mijn eiland. Of maak ik te veel psychologie van de poëzie van Ilse Starkenburg?’

Ik denk dat je – mits met verstand en niet al te veel koude grond bedreven – niet genoeg psychologie kunt maken van de poëzie van Ilse Starkenburg. In ieder geval heb ik me er ook zelf ‘schuldig’ aan gemaakt toen ik in april jongstleden de onderstaande woorden sprak tijdens de presentatie van de bundel op de met grote voorsprong kleinste podiumplek van Nederland, het Torpedo Theater in de Sint Pieterspoortsteeg in Amsterdam, een theater met een heuse bühne en een voorhang, een bar en zelfs een balustrade (al gaat het in praktische zin om een trompe l’oeil) dat nauwelijks de ruimte van een iets meer dan gemiddelde woonkamer overstijgt. (Er waren daar in het Torpedo Theater trouwens ook optredens van de dichters Peter Swanborn en Anne Büdgen alsook uiteraard van Ilse Starkenburg zelf, het zij gezegd.)

Ilse_Starkenburg_2 001

Hier wordt vandaag op glorieuze wijze een stilte verbroken. Misschien moest daar eerst met enig geweld een boom voor worden geveld, een barricade voor worden doorbroken, misschien moest er tijd verstrijken. Dat laatste is in elk geval wel gebeurd sinds de verschijning van Gekraakt klooster, de vorige bundel van Ilse Starkenburg.

Tien jaar is dat geleden! Tien jaar om van Gekraakt klooster naar De boom valt op mij te gaan. Maar wie Ilse Starkenburg wat beter kennen weten dat het allerminst zo is dat er in die tien jaar niet gewerkt is, niet geschreven, niet geleefd. Er is een hoop gebeurd, al voert het wat ver om te beweren dat dit ook allemaal verwerkt is in deze nieuwe bundel. Ilse Starkenburg is niet een autobiografisch dichter, al zouden we het desondanks eens kunnen zijn met schrijver en criticus Tim Parks wanneer die, in het onlangs in Nederland verschenen De roman als overlevingsstrategie beweert dat stijl, tekstsoort en de manier van vertellen samen de overlevingsstrategie vormen die de auteur – álle auteurs van álle literaire teksten – ontwikkelt als reactie op spanningen in zijn of haar persoonlijke leven.

Tussen 1990 en 2007 verschenen van Ilse Starkenburg vier andere dichtbundels en een verhalenbundel bij De Arbeiderspers. En daarna dus – nogmaals – tien jaar niets. Alleen al daarom vind ik de verschijning van De boom valt op mij een belangwekkende gebeurtenis. Nu ik twee derde van haar oeuvre als redacteur heb begeleid is het wellicht interessant om eens na te gaan, hoe ik haar werk in die afgelopen twintig jaar gezien heb. Ik kan het niet beter doen dan door naar de flapteksten te kijken, want die heb ik immers (zo goed als) zelf geschreven.

Over de verhalenbundel De blinde vlek op de kaart (1998) schreef ik dat daarin ‘kleine, alledaagse voorvallen het uitgangspunt vormen, maar door de manier van kijken van de hoofdpersonen, en doordat zij niets als vanzelfsprekend ervaren, neemt dit alledaagse vaak zeer onalledaagse proporties aan’. Die verhalen werden in 2003 gevolgd door een derde bundel, in plaats van alleen. Daar meldt de flaptekst dat ‘een verlangen naar werkelijkheid, naar contact met de dingen een van de terugkerende motieven’ is. ‘Haar poëzie, bedrieglijk eenvoudig vanwege haar directheid, is in diepste wezen anti-hermetisch. Een gesloten wereld met bijbehorende geheimtaal, is hier slechts vertrekpunt. Het oogmerk is niet tot een gedicht te komen dat de werkelijkheid vervangt, maar juist tot één dat die werkelijkheid ontsluit.’

Gekraakt klooster (2007) bevat nog wel een flaptekst maar blijkbaar hadden wij – Ilse en ik – samen besloten dat we het daarin niet weer over de thematiek en het wezen van haar werk moesten hebben (die immers niet wezenlijk was veranderd) maar dit keer vooral over de wapenfeiten. Dat haar werk in allerlei prestigieuze literaire tijdschriften verschijnt, dat het veel in (niet minder prestigieuze) bloemlezingen wordt opgenomen, dat het met stipendia en nominaties voor belangrijke prijzen was beloond.

En nu, vandaag, kunnen we constateren, dat dat een point of no return blijkt te zijn geweest, want De boom valt op mij heeft helemaal geen flaptekst meer. Geen blurb, geen bio, geen biblio, geen wapenfeiten, geen inhoudelijk tekstje (nog geen regel). Niks! Om met Jules Deelder te spreken: ‘geen klote, geen donder, geen reet’. Het moest maar eens voor zichzelf gaan spreken, die poëzie van Ilse Starkenburg, vond Ilse Starkenburg, en daar ging ik volledig in mee. Dat wil zeggen: voor de flaptekst.

Want we hebben natuurlijk altijd nog de prospectustekst achter de hand. Daar staat naar aanleiding van De boom valt op mij het volgende: ‘Vanaf haar debuut Verdwaald ontwaken werkt Ilse aan een dichterlijk oeuvre waarin verlangen naar aanwezigheid en contact met de ander constanten zijn. Haar gedichten zijn evenzovele pogingen om een voortdurend sluimerend dan wel concreet isolement te doorbreken. […] Ze doet dat in een taal die zich meer dan ooit beperkt tot de essentie en als zodanig waarmaakt wat Jan Arends ooit dichtte: ‘Ik/ schrijf gedichten/ als dunne bomen.// Wie kan zo mager/ praten/ met de taal/ als ik?’

Het antwoord, beste Jan Arends, luidt: Ilse Starkenburg.

En o, er valt nog zoveel meer te zeggen over haar poëzie. Zoals bijvoorbeeld dat haar poëzie vaak heel geestig is, iets wat Maria Barnas in haar uiterst lovende recensie van De boom valt op mij in de Volkskrant afgelopen zaterdag al constateerde: ‘De observaties over hoe anderen omgaan met elkaar zijn vaak teder en tragikomisch: o, ik vond het zo mooi denkt de ik-figuur bij een herinnering aan hoe Andrea een gedicht schreef “bij de eenzaamheid van Tanya”. Door het woord “bij” wordt “de eenzaamheid van Tanya” verheven tot iets belangwekkends.’

Hier komt het:

HOU JE BIJ JE LEEST

Andrea schreef een gedicht
bij de eenzaamheid van Tanya

het werd een eindeloos gedicht
begeleid door Tanya’s gitaar

akoestisch en met nylon snaren
o, ik vond het zo mooi

het werd een eindeloos gedicht
Tanya ging er beelden bij maken

je zag Tanya dansen met zichzelf
naast het bed waarin ze elke nacht

en het liedje ging maar door
dat liedje over eenzaamheid

je voelde haar in parken
monumenten aanspreken

alleen eten in eetcafé’s
o, ik vond het zo mooi
toch denk ik dat het nog
iets ingewikkelder ligt

het bed was zo opgemaakt
en Andrea
bleef er steeds maar bij

vdh9789029511780

 

 

 

 

Advertenties