Zoeken

Nijssen Schrijft

Over boeken, schrijvers, sport, cultuur, het dagelijks leven (en af en toe mijzelf)

Maand

september 2017

Het vlijmscherpe gevoel voor stijl

Donderdag 7 september werd de eerder die week overleden Theo Sontrop, oud-uitgever van De Arbeiderspers, begraven op het kerkhof van Vlieland, het eiland waar hij de laatste twintig jaar van zijn leven heeft doorgebracht. In de aangrenzende zeventiende-eeuwse Nicolaaskerk was een dienst, bijgewoond door een delegatie van enkele tientallen uit de literaire wereld en een deel van de dorpsgemeenschap. Dominee sprak er, op verzoek van Sontrop, over ongelovigheid. Ook vriend en oud-collega Maarten Asscher voerde het woord. Jean-Pierre Rawie las een gedicht en Sontrops geliefde Els Bouwman (door hemzelf tientallen jaren steevast zijn maîtresse-en-titre genoemd) had het laatste woord. Zij memoreerde hoe Sontrop met zorg en liefdevolle aandacht werd omringd door de verpleegsters in verzorgingshuis de Uiterton (een plek waar hij niet terecht wilde komen maar waar hij niettemin zijn laatste dagen doorbracht) en daarvan danig onder de indruk was: ‘Wat is doodgaan toch mooi.’ De hilariteit was groot toen Els sprak te willen eindigen met een belofte die ze Theo lang geleden had gedaan. ‘Ik moest tegen jullie zeggen dat hij een geweldige minnaar is geweest.’ Aan gene zijde zat de oude sater schuddebuikend te gniffelen.

Hieronder de tekst van de door mij gehouden toespraak in de kerk in Vlieland.

Zo’n twintig jaar heeft hij, ver weg van het stadsgewoel en betrekkelijk anoniem, op dit eiland vertoefd: dat excentrieke boekenmannetje woonachtig aan de Champs Elysées van Vlieland. Maar tussen eind jaren zestig en halverwege de jaren negentig was dat mannetje in brede kringen een beroemdheid. Van 1972 tot 1991 was hij uitgever – literair uitgever – van De Arbeiderspers in een tijd dat zulke lieden nog aanzien hadden. En met Geert van Oorschot en Geert Lubberhuizen behoorde hij tot de allerbeste en meest karakteristieke uitgevers. Dat hij een legende werd kwam ook doordat hij abrupt van het toneel verdween. En op Vlieland vond hij een lege plek om te blijven.

Want wie kende Theo Sontrop niet in die jaren? De geestdriftige uitgeefkabouter met het bronzen stemgeluid, die overal op de grachtengordel kon worden aangetroffen, met jaspanden vol kwinkslagen en bon mots. En wie hem daar niet in de literaire kroegen of boekhandels tegenkwam, die hoorde hem op de radio of trof zijn naam aan bij citaten of verwijzingen in kranten en bladen.

Ik was nog maar net afgestudeerd toen Theo – achteraf bezien – al fin de carrière was. Maar ook ik kende hem, niet verwonderlijk voor iemand die in de literaire journalistiek opereerde en hem aldus weleens tegenkwam op Vers voor de Pers of bij een boekpresentatie. Maar samengewerkt met Theo heb ik nooit, want toen ik bij De Arbeiderspers in dienst trad, halverwege 1995, was hij daar al een paar jaar weg. Martin Ros, met wie hij een illuster duo vormde, was daar toen nog wel, en ik heb me bijzonder met hem geamuseerd, maar samenwerken in combinatie met Martin Ros, dat is een contradictio in terminis. Ik weet niet hoe samenwerken met Theo zou zijn geweest, maar hoeveel redacteuren en uitgevers er ook kwamen en gingen, paradoxaal genoeg ben ik altijd juist met hem contact blijven houden. Na verloop van tijd hij trouwens ook met mij, want eens in de pakweg drie maanden belde hij me op, strooide een confetti van vileine oneliners en vuige roddels door de phoon, debiteerde tussendoor zijn keur van leeservaringen (met altijd een paar goeie tips) om vervolgens uit de AP-oogst van de afgelopen maanden wat titels op te vragen die hem interesseerden.

Toch duurde het, toen ik net bij AP begonnen was, even voor ik zijn vertrouwen had gewonnen. En niet alleen omdat ik dertien centimeter langer was dan hij. Het was ook omdat ik was aangesteld door degenen die hem eruit hadden gewerkt. In de paar jaar die hij toen nog in Amsterdam vertoefde troffen we hem geregeld in een van de kroegen rond Athenaeum Boekhandel, vaak De Zwart, kijvend op de ‘managèrs’ die hem het leven zuur hadden gemaakt. Maar ook in die wat gekwetste conditie was hij nog altijd goed voor stapels wisecracks en woordspelingen en had hij de lachers op zijn hand. Ik herinner me dat ik, niet lang voordat hij naar Vlieland vertrok, met collega Aart Aarsbergen bij hem op bezoek was in zijn woning aan de Keizersgracht vanwege kwesties betreffende het verzameld werk van F.B. Hotz, toen er naar een asbak werd geïnformeerd (of misschien was hij er als kettingroker zelf naar op zoek). Waarna Theo: ‘You want an ashtray? My dear, the whole house is an ashtray!’ Om vervolgens te verklappen dat Mary McCarthy dit na een soortgelijke vraag tegen Cees Nooteboom had gezegd toen die haar begin jaren zestig in haar huis in New York interviewde voor de Avenue. Dit is een voorbeeld uit duizenden. En de eerlijkheid gebiedt te zeggen: van die duizenden kwamen er tientallen met regelmaat terug. Want Theo beschikte over een repertoire, dat overigens telkens weer werd aangevuld.

Zijn betekenis voor De Arbeiderspers reikt echter een stuk verder dan het effect dat hij als onbezoldigd cabaretier had. Toen hij daar begin jaren zeventig als uitgever aantrad was het een ietwat vermolmd socialistisch bolwerk met een handvol literaire auteurs (onder wie Louis Paul Boon en Simon Carmiggelt) en een ratjetoe van soms non-descripte boeken in vele andere genres, inclusief de oeverloze verzameling onder de imprint Wetenschappelijke Uitgeverij. Maar in de loop van dat decennium boog Theo het uitgavenbeleid op eigenzinnige wijze om in sterk literaire richting en kreeg het huis met die naam die zo weinig esthetiek oproept zijn voorname klank. Onder zijn leiding debuteerden succesauteurs als Maarten ’t Hart, F.B. Hotz, Tessa de Loo, Boudewijn Büch, Geerten Meijsing, Joost Zwagerman en Anna Enquist en kwamen grote namen als Cees Nooteboom en Jeroen Brouwers de rangen versterken. En mede door zijn toedoen kreeg Privé-domein, dat al sinds 1966 bestond, zijn prestigieuze karakter door schitterende delen toe te voegen van Gustave Flaubert, Stefan Zweig, Fernando Pessoa, Georges Perec en vele anderen. Een poëziefonds kende De Arbeiderspers tot zijn komst hoegenaamd niet. Maar daarin kwam snel verandering. Theo heeft dat zeer herkenbare fonds gestalte gegeven met door hem ontdekte dichters als Jan Eijkelboom, Rob Schouten, Ed Leeflang en Eva Gerlach. Ook Herman de Coninck voegde zich aan het eind van het Sontrop-tijdperk nog bij die inmiddels illustere rij. Dat alles dankzij zijn vlijmscherpe gevoel voor literaire stijl en kwaliteit en voor teksten van een bijzondere zeggingskracht.

Maar op die kwaliteiten wilde Theo zich, toen hij eind jaren negentig op Vlieland ging wonen, niet meer laten voorstaan, of in elk geval had hij er, met iets van desillusie in het hart, geen boodschap meer aan. Hij bleef vrijwel permanent op het eiland in splendid isolation, tuinierend, boeken verslindend als nooit tevoren en halsstarrig pipo (dat wil zeggen vitaal) blijvend, en hij kwam dus nog maar zelden, zoals hij dat noemde, ‘aan wal’. Een of twee keer per jaar maakte hij een stedentripje, iets wat we niet eens zouden hebben geweten als we geen ansichtkaarten van hem hadden ontvangen uit Praag, Parijs, Boedapest, Riga of Lissabon.

In al die twintig jaar ben ik er niet in geslaagd hem zijn memoires te laten schrijven (dat die in verkorte vorm toch nog, opgetekend door Onno Blom, in een hors concours Privé-domeintje onder de titel De conversationalist, bij AP verschenen, is vooral Onno’s verdienste van hardnekkig volhouden), en maar een paar keer is het me gelukt hem voor iets AP-feestelijks van het eiland te lokken, de laatste keer toen we het Het gedicht gebeurt nu, het verzameld werk van Eva Gerlach, ten doop hielden. Idem voor wat betreft verzoeken om bescheiden letterkundige bijdragen (ook niet voor het 80-jarig jubileumfeest). Slechts één keer heeft hij een uitzondering gemaakt, en wel voor de bundel Feestelijk verval ter gelegenheid van de zeventigste verjaardag van Dirkje Kuik. Tussen Kuik en Sontrop zat een (Utrechtse) band die veel verder terugging dan zijn uitgeverstijd. Theo zou wat insturen. Er werd een deadline overschreden. En nog een. En nog een, en zelfs toen het hele boek persklaar bij de drukker lag en er voor Theo een lege bladzij was gereserveerd omdat zijn bijdrage ‘geheid en zeker’ tijdig zou arriveren, hadden we nog steeds geen kopij.  Zodat de bijdrage van Th. A. Sontrop – een uniek geval – een lege bladzij is. Een laatste Arbeiderspesterijtje? Ik denk het niet. Luiheid heeft hij het zelf weleens genoemd, maar ik denk dat het eerder (en daarmee verwant) te maken heeft met het ambivalente gevoel dat alles ijdelheid is en het najagen van wind. Besef van de ondraaglijke lichtheid van het bestaan. Daarvan is die witte bladzij de perfecte uitdrukking. Een lege plek om te blijven. Of subliemer nog: de invulling van het hoogst haalbare, namelijk Mallarmé’s streven naar het totaal witte, volkomen lege gedicht. Het streven naar niets dat daarmee de uitdrukking van alles is.

In de literaire wereld – en bij De Arbeiderspers in het bijzonder – wordt de dood van Theo Sontrop betreurd. Wij bouwen – zij het niet klakkeloos – voort aan wat door hem is neergezet en we hopen dat dit niet onopgemerkt blijft.

 

 

Advertenties

Theo Sontrop (1931-2017)

In De conversationalist liet Onno Blom Theo Sontrop aldus beginnen aan zijn met veel bon mots en vileine kwinkslagen opgediende herinneringen: ‘Ik hoop dat mijn vijanden opschrikken als ze dit lezen. Is die nu nóg niet ex-pipo, de pijp uit? Nee, beste mensen, ik besta.’

De conversationalist, bij De Arbeiderspers verschenen als Privé-domein hors concours ter gelegenheid van de jaarwisseling 2014-2015, bevatte de (voornamelijk literaire) memoires die Sontrop, uit een moeilijk te duiden mengeling van gemakzucht en weerzin, zelf nooit had willen opschrijven. Uit de uitgave kwam ook duidelijk naar voren dat zijn leven zich sinds 1997 hoofdzakelijk afspeelde op Vlieland, ver weg van de inmiddels door hem vermaledijde uitgeverswereld en (dus) ver weg van Amsterdam waar hij tussen 1972 en 1991 directeur-uitgever was van De Arbeiderspers. Theo Sontrop was aldus een van de gezichtsbepalende figuren in het literaire leven.

Zondagmiddag 2 september overleed Sontrop en kwam er een einde aan die toestand waarin hij, genietend van een rustig eilandleven, tuinierend en boeken verslindend als nooit tevoren, pipo bleef. Zijn dood is een feit dat in uitgeverskringen – hoezeer hij die zelf ook de rug had toegekeerd – zeer wordt betreurd.

Theo Sontrop, 86 jaar geworden, was een van de laatste nog levende legendarische uitgevers. Voor De Arbeiderspers is hij van onschatbare betekenis geweest. Bij zijn aantreden in 1972 was het een uitgeverij met een handvol literaire auteurs zonder veel cachet. Onder zijn leiding kwamen of debuteerden succesauteurs als Maarten ’t Hart, Boudewijn Büch, Jeroen Brouwers, F.B. Hotz, Cees Nooteboom, Tessa de Loo en Anna Enquist, werden grote buitenlandse schrijvers als Paul Auster, Patrick Modiano en José Saramago binnengehaald en kreeg de reeks Privé-domein (met figuren als Flaubert, Zweig, Pessoa, Cioran en vooral heel veel tot dan toe onbekende Fransen) zijn prestigieuze karakter. Sontrop, ook een meer dan verdienstelijk zij het matig productieve dichter, is terecht altijd geprezen om zijn vlijmscherpe gevoel voor literaire stijl en voor teksten van een bijzondere zeggingskracht.

De Arbeiderspers is met zijn tijd meegegaan maar voelt zich onverminderd schatplichtig aan de traditie die door Sontrop is opgebouwd en doet zijn best die in ere te houden.

Blog op WordPress.com.

Omhoog ↑