Zoeken

Nijssen Schrijft

Over boeken, schrijvers, sport, cultuur, het dagelijks leven (en af en toe mijzelf)

Maand

januari 2018

Witwassen wat gebroken is. Toespraak bij de presentatie van ‘Gebroken wit’, de nieuwe bundel van Victor Vroomkoning

Als er een Nijmeegse literaire maffia bestaat – en laat ik die bekentenis met gevaar voor eigen leven maar ogenblikkelijk doen: ik beschik over nauwelijks te weerleggen signalen dat ze bestaat aangezien deze organisatie zijn activiteiten sinds vele jaren heeft uitgebreid naar Amsterdam, en meer bepaald ook succesvol is geïnfiltreerd in de fondsen van De Arbeiderspers – dan kan het niet anders zijn dan dat het echtpaar Victor Vroomkoning en Stella Napels aan het hoofd staat van deze malafide onderneming. Dan kan het niet anders of – aangezien het in het geval van Vroomkoning en Napels om schuilnamen gaat – Walter van de Laar de Godfather is van deze invloedrijke en sinistere organisatie.

IMG_2691

Een dezer dagen, beste Nijmegenaren, zal Frouke Arns bij De Arbeiderspers een contract tekenen voor een over niet al te lange tijd te verschijnen dichtbundel. Het geval wil dat ik haar, ex-stadsdichter van uw fraaie stad, voor het eerst tegenkwam – ruim anderhalf jaar geleden – op de presentatie van de bundel Ergens slapen de anderen van Marijke Hanegraaf, een andere ex-stadsdichter uwer stad. Sinds die ontmoeting heeft Walter van de Laar bij herhaling geïnformeerd – ik gebruik een eufemisme – of dat geen aanwinst voor De Arbeiderspers zou zijn. Nu is Frouke Arns een schitterende dichter die zich ongetwijfeld ook zonder de Godfather diep bij ons in de kijker zou hebben gespeeld. Maar dat wil nog niet zeggen dat we zijn ogenschijnlijk luchtig en terloops gestelde vragen niet als dreigementen hebben opgevat. En over Marijke Hanegraaf gesproken. Ik heb lang de illusie gekoesterd dat ik die dichter geheel op eigen kracht had ontdekt, maar in de loop de jaren begon het me op te vallen dat bij werkelijk ieder evenement waar Hanegraaf een publieke rol had op de voor- of achtergrond ook Walter van de Laar aanwezig was.

Afgelopen donderdag greep Marije Langelaar met Vonkt net naast de winst in de laatste editie van wat wel de belangrijkste dichtersprijs genoemd wordt, de VSB Poëzieprijs. Jammer, want als ze die prijs wel in de wacht had gesleept, had dat een grand slam betekend. Voor datzelfde Vonkt had ze afgelopen zondag immers al de Jan Campert-prijs ontvangen en komende woensdag krijgt ze er de Awater-prijs voor, de prijs van de Groot-Nederlandse poëziekritiek. Toen ik laatst met haar een herinnering ophaalde aan de eerste keer dat ik haar, als een nog piepjonge dichter, had zien optreden waarbij ze zoveel indruk maakte dat ik na afloop meteen naar haar ben toegelopen met de uitnodiging om bij De Arbeiderspers een hele bundel met zulke gedichten te publiceren – het was helemaal aan het begin van deze eeuw, het was hier in Luxor – wees ze me terecht toen ik beweerde dat het om de presentatie van een bundel van Th. van Os ging. Ja, die had daar ook opgetreden die avond, verbeterde ze me, maar in werkelijkheid draaide alles om een nieuwe bundel – vermoedelijk Bij verstek – van, jawel hoor: Victor Vroomkoning alias Walter van de Laar alias de ongekroonde Karelkeizer van de Nijmeegse literaire underground. Ik weet niet hoeveel literaire troeven onze Vroomkoning nog in handen heeft maar ik zag voor vanmiddag alweer een optreden aangekondigd van Heidi Koren, een omineuze veelbelovende naam. We wachten geduldig af waartoe dat gaat leiden.

vdh9789029511681

Tot u spreekt – ten overvloede – Peter Nijssen, sinds lange tijd in dienst van De Arbeiderspers, sinds mensenheugenis de redacteur van eerst Stella Napels en algauw uitsluitend Victor Vroomkoning. Toen hun Overkoepelende Instantie mij vroeg of ik de inzegening van het nieuwe kindje van het echtpaar Vroomkoning-Napels (als ik niet al letterlijk citeer, parafraseer ik zeer getrouw) voor mijn rekening wilde nemen, stemde ik daarin onmiddellijk toe. Mijn spreekstalmeestersalter-ego Bisschop Zwijsen heeft (zeker ook op de feesten van Van de Laar) menigmaal de doopkwast of (als er wat meer satire gewenst was) de pleeborstel gehanteerd om wauwelend wijwater te sprenkelen. Ik liet weten dat ik er zou zijn en zalvende woorden zou spreken. Zalvende woorden, dat hoefde nou ook weer niet, reageerde Walter terstond. Nou, dan geen zalvende woorden, maar wat olie op het vuur dat we al in de doopvont hadden aangestoken.

Zoals het een echte Godfather betaamt oogst ook deze in de oudewijvenzomer van zijn leven niet alleen (zijn eigen) mooie woorden (die we – daarover zo meer – bijeengebracht hebben in een nieuw ensemble onder de titel Gebroken wit) maar ook nakomelingen in de tweede graad. Half november vorig jaar – de nieuwe bundel was zo goed als klaar om gedrukt te worden – schreef hij me:

IMG_2692

‘Het weekend ging op aan de viering van een nieuw kleinkind en stamhouder in Utrecht: Max van de Laar!’ Apetrots, zoals het een patriarch betaamt. Maar ook een patriarch die op zijn ouwe dag zijn zonden telt en bevangen raakt door regressieve bevliegingen van katholieke aandoening. Mail van een korte poos later: ‘Vanochtend een ouwerwetse Gregoriaanse mis (door Mgr. De Korte) bijgewoond; ik kon al die Latijnse liederen vlot meezingen (en dacht voortdurend aan mijn vader).’ Geen wonder dat zijn nieuwe bundel één veelbetekenende zetfout telt: het woord ‘misssaal’ met drie s’en! Dat noemen we alvast slijmen met Onze Lieve Heer: kijk eens, Almachtige Vader, hoe dik mijn kerkboek is en hoe katholiek ik ben. Die arglistig gemaakte fout gaan we voor de herdruk natuurlijk verbeteren. Dus spoedt u zo meteen naar de toonbank om een exemplaar met deze unieke drukfout te bemachtigen. Opdat u het na aanschaf meteen kunt opzoeken. De fout staat in ‘Zie ons aan’ en bevindt zich in de eerste strofe die ik nu voorlees:

Zie mij zitten met vijf melige appels
en twee beurse bananen. Mijn bril rust naast
het lint dat uit een goudomrand misssaal over de tafel rafelt.
Drie sansevieria’s versterven op de vensterbank
tegen de achtergrond van een slome sloot.

Als dat geen stilleven, geen vanitaskunst, is! En dan zijn we nog maar halverwege dat gedicht. In de wetenschap dat we te maken hebben met nieuw werk van een pater familias op leeftijd, terugkijkend op het leven, mijmerend over wat eindig is en komen zal, kan het niet verbazen dat deze nieuwe bundel, bij alle onverwoestbare vitalisme (getuige alleen al de toch weer rijkelijk presente erotisch gekleurde verzen), meer dan ooit in het teken staat van afscheid en vergankelijkheid, afbraak en gemis. Maar Vroomkoning zou Vroomkoning niet zijn als dat alles niet gepaard ging met veel humor, understatement en zelfspot.

Om dat te illustreren lees ik nog één kort gedicht, ‘Rimpels’, uit de nieuwe bundel:

Zegt een meisje tegen haar moeder:
‘Hij heeft wel veel rimpels.’
Antwoordt de moeder met wie ik sinds kort verkeer:
‘Moet je niet zeggen, vanmorgen,
naast me in bed sliep hij zo gaaf
als een jongen van achttien.’
‘Wil ik zien’ hoor ik dochterlief
tussen de schuifdeuren.
Mijn nieuwe liefde op geduldige toon:
‘Wacht maar tot hij in de kist ligt.
Je zult je ogen niet geloven.’

vdh9789029523622.jpg

En dan een korte brief om te eindigen.

Beste Walter,

Ik hoorde vorige week Ilja Leonard Pfeijffer op de presentatie van Waar geschreeuwd wordt is taal vacant – een mooi boekje over diens taal, geschreven door Marc van Oostendorp, taalkundehoogleraar in Nijmegen, en verschenen bij gelegenheid van Ilja’s vijftigste verjaardag – de woorden citeren die Ronald Reagan sprak bij de inauguratie van zijn tweede termijn: ‘You ain’t seen nothing yet!’ Jij, als pater familias van de Nijmeegse schrijversfamilie, zei nog wat anders. Je fluisterde me met hete hese adem Marlon Brando als Don Corleone (in de film The Godfather) citerend het volgende in de oren: ‘I am gonna make you an offer you can’t refuse.

En inderdaad Walter, dat mag ik niet weigeren. Dus ergens rond de komende jaarwisseling zal De Arbeiderspers ter gelegenheid van je aanstaande tachtigste verjaardag met een bloemlezing uit je werk komen: Tachtig voor tachtig.

Was getekend, je liefhebbende maffiamaatje, je gebroken witwasser

Peter Nijssen

*De presentatie vond plaats op zaterdag 27 januari bij Boekhandel Dekker van de Vegt in Nijmegen. De burgemeester van Nijmegen, Hubert Bruls, nam het eerste exemplaar in ontvangst. Er waren optredens van dichter Heidi Koren en van Karel Bosman, vriend en vaste begeleider van wijlen Willem Wilmink, die als lied bewerkte teksten uit Mariken van Nieumeghen zong.

Advertenties

Een licht dat alles verheldert maar niets verklaart

Bij de dood van Paul Otchakovsky-Laurens (1944-2018)

tentije

Om en nabij is de vooralsnog laatste dichtbundel van Hans Tentije wiens oeuvre, grotendeels gewijd aan de poëzie, zondag 21 januari 2018 in Den Haag bekroond werd met de Constantijn Huygens-prijs. De omslagfoto van die bundel, zo lezen we in de verantwoording achterin, toont de bovenzaal van Hotel Reale te Asti, Italië. De lege, ouderwets ingerichte ruimte ademt met zijn auberginekleurig gecapitonneerde wanden, de met gesteven linnen overdekte ronde tafels omgeven door donkerbruine stoelen, zijn zware, vermoedelijk fluwelen gordijnen en de twee strepen zwak daglicht die daar doorheen vallen een sfeer van vergane glorie, nog versterkt door die titel – een van weemoed zacht zuchtende en knerpende titel. Om en nabij. Tentije (1944) las er, nadat hij de prijs in ontvangst had genomen, sonoor en breekbaar op cello begeleid door Ernst Reijseger, het laatste gedicht, ‘Van over zee’ geheten, uit voor. Ik citeer het hier in zijn geheel:

 

Een strijklicht dat zijn schaduwen uitstrekt

naar onbereikbaar geworden, al verwilderde plekken

om wat zich er ooit voltrokken heeft

en misschien nog steeds niet is gewist –

 

met de wolken wegdrijvende, weer te binnen

geschoten, willekeurige, grillige momenten, maar er is zoveel

horizon waarachter ze vervolgens

moeten verdwijnen, terwijl een afgelegen

landschap als dit ze zich zelfs

zou horen te herinneren

 

als het kijken eindelijk het vergeten inwilligt

zijn alle beelden teruggebracht

tot hun essentie, het onderhuidse waar elk woord, elk lied

immer uit voortgekomen is

 

in een van over zee, van over duinvalleien

en verstuivingen komend licht, dat alles verheldert

maar niets verklaart

 

Terwijl Tentije zijn gedicht voorlas dreven mijn gedachten weg naar de Franse uitgever Paul Otchakovsky-Laurens. Hij overleed op 2 januari, ver van huis en overzee, ten gevolge van een noodlottig verkeersongeval tijdens een vakantie in Marie-Galante op Guadeloupe. Hij was drieënzeventig jaar en van hetzelfde geboortejaar als Hans Tentije. Dat u lezer – er gemakshalve van uitgaande dat u een Nederlander of een Vlaming bent – hem niet kent (u hoort hierin een licht verwijt doorklinken) zou hém weinig hebben gedeerd. Paul streefde niet naar persoonlijke roem en was zeer onfrans in zijn bescheidenheid. Hij kwam zelfs enigszins timide over in het sociale verkeer. Ik heb hem tientallen malen ontmoet tussen najaar 1995 en afgelopen herfst, meestal op zijn paar vierkante meter in de stand waar de Franse literaire uitgevers zich op de Buchmesse in Frankfurt gemeenschappelijk presenteren of op zijn uitgeverij (P.O.L) aan de rue Saint-André-des-Arts in Parijs, in het kantoortje van (vroeger Frédéric Maria en nu al sinds vele jaren) Vibeke Madsen, die de buitenlandse rechten van P.O.L vertegenwoordigt. Daar schoof hij dan meestal na een kwartiertje ietwat aarzelend naar binnen met een espresso en (indertijd) een sigaret in de aanslag. Hij vulde schoorvoetend aan wat Vibeke over de nieuwe boeken te berde bracht, maar als hij eenmaal op stoom was gekomen, was er meestal geen houden meer aan. Dat alles speelde zich steevast af in een conversatie die afwisselend in het Engels (waarin ik mij iets bekwamer voelde) en het Frans (zijn talige comfortzone) geschiedde.

Paul Otchakovsky-Laurens raakte als éditeur bekend toen hij bij Hachette werkte waar hij een eigen reeks had onder de naam ‘Collection P.O.L’ en redacteur was van grootheden als Marguerite Duras en Georges Perec, van wie hij onder meer Het leven, een gebruiksaanwijzing uitgaf, een van de grote meesterwerken uit de twintigste-eeuwse literatuur. Getriggerd door de dood van zijn poulain Perec (1982) en geërgerd door de opgedreven rendementseisen van Hachette, richtte hij in 1983 uitgeverij P.O.L op. De letters vormen, voor wie het nog niet had opgemerkt, de initialen van zijn naam. In dat opzicht was hij dan weer zeer zelfbewust. Terecht, want ook onder volledig eigen vlag zijn onder zijn hoede schrijvers groot geworden. En enkele daarvan werden en worden door De Arbeiderspers uitgegeven: Emmanuel Carrère (zijn Sneeuwklas was een van mijn eerste buitenlandse acquisities), Robert Bober ( Nog nieuws over de oorlog?; Bober was primair documentairefilmmaker en heeft samen met Georges Perec een documentaire over Ellis Island gemaakt met een bijbehorend boek onder de titel Récits d’Ellis Island) en natuurlijk Marie Darrieussecq (auteur van onder andere Zeugzoenen, Je moet veel van mannen houden en Hier zijn is heerlijk, over de Duitse schilderes Paula Modersohn-Becker). Maar er waren en zijn nog zoveel andere auteurs die bij hem een solide onderdak vonden. Paul was een uitgever met een zeer brede smaak (de auteurs die hij publiceerde vallen bepaald niet onder één literaire of politieke noemer te vatten), maar op dat brede terrein was hij met zijn fijne neus voor stilistische kwaliteiten en zijn hang naar idiosyncratische verbeeldingswerelden zeer kieskeurig.

 

PAUL
Paul Otchakovsky-Laurens (c) Editions P.O.L.

 

Ik heb heel wat door Paul gerecommandeerde boeken gelezen en zeer gewaardeerd die we toch niet hebben uitgegeven. Of preciezer – die ik, bij een gevreesd gebrek aan Nederlandstalige lezers, niet heb durven uitgeven, maar waarvan ik ook geen afstand heb kunnen doen: Acné festival van Iegor Gran, een groteske roman over een paleontoloog die paradoxaal genoeg door een promotie op zijn werk in een bureaucratische maalstroom terechtkomt die hem te gronde richt; La Gloire des Pythre van de reactionaire Richard Millet, een omvangrijke rurale roman, spelend in de verste uithoeken van het Centraal Massief, die reminiscenties oproept aan John Bergers trilogie De vrucht van hun arbeid; of La Traversée de la France à la nage van Pierre Patrolin, een krankjorum, kolossaal boek (is het wel een roman?) waarin de hoofdpersoon (een ik-figuur) zwemmend van rivier naar rivier heel Frankrijk doorkruist. Een ongekende leeservaring! Al die boeken staan nog steeds in mijn boekenkast. Paul was ook de uitgever van, op z’n minst in Frankrijk zeer gerenommeerde schrijvers als Jean Rolin, Martin Winckler, Leslie Kaplan, Frédéric Boyer, Atiq Rahimi, Camille Laurens, Christine Montalbetti, Patrick Lapeyre en dozijnen anderen.

Paul Otchakovsky-Laurens werd – ik ontleen deze kennis grotendeels aan de krantenberichten die in Frankrijk na zijn dood gepubliceerd werden – op 10 oktober 1944 geboren in Valréas (in de Vaucluse) als zoon van de joods-Franse, uit Bessarabië (in het huidige Moldavië) afkomstige kunstschilder Zelman Otchakovsky. Toen Paul nog maar drie maanden oud was overleed zijn vader aan de gevolgen van een hartaanval en vertrouwde zijn moeder, een lerares Frans en klassieke talen, hem toe aan de zorg van een nicht, Berthe Laurens, wier achternaam hij adopteerde en toevoegde aan zijn eigen naam. Dat klinkt als een prille jeugd die ernstige en onuitwisbare schroeiplekken op de ziel moet hebben achtergelaten. Paul ontwikkelde zich (zoals het een uitgever in hart en nieren betaamt) in de allereerste plaats als een lezer, een verwoed lezer, een welhaast maniakale lezer. Er zijn foto’s waarop hij met een hele stapel manuscripten op schoot zit. Ik zag een filmpje waarin de karrevrachten aan hem gezonden manuscripten maltentig geordend op planken staan als betrof het een kostbare bibliotheek. In diverse berichten in Franse media naar aanleiding van zijn overlijden werd gememoreerd dat Paul in een interview in Le Monde afgelopen november heeft gezegd dat lezen (en vervolgens het uitgeven van boeken) in zekere zin zijn leven heeft gered. Hij legde daarbij een verband met het (seksueel) misbruik waarvan hij als dertienjarige slachtoffer is geweest. In Le Monde staat dat zo: ‘Publier les livres écrits par d’autres lui avait “sauvé la vie”. Victime à 13 ans d’un abus sur lequel il avait dû garder le silence, il avait réussi à s’exprimer par la voix d’écrivains: “C’est la solution que j’ai trouvée pour ne pas devenir fou, pour rester à peu près maître de ce que je faisais.”’

Toen het nieuws van zijn overlijden doordrong schreef Françoise Nyssen, de huidige Franse minister van cultuur en tot voor kort uitgeefdirecteur van Actes Sud (de Franse uitgever van onder anderen Anna Enquist, Abdelkader Benali en Cees Nooteboom): ‘Paul Otchakovsky-Laurens est mort. Très grand éditeur, découvreur de tellement de talents, la France lui doit la maison P.O.L. Ma tristesse est immense, j’ai perdu un ami cher, mes pensées vont à sa femme et à toute l’équipe P.O.L.’

Je maakt een overzeese vakantiereis en je komt dood thuis. Het is een feit, maar het is onbegrijpelijk. Of, onder verwijzing naar geciteerd gedicht van Hans Tentije, het licht van over zee verheldert alles maar verklaart niets. Het is een raadsel dat hij er ineens niet meer is. Ik ben snel geneigd te denken dat iedereen vervangbaar is, maar in zijn geval staat dat nog te bezien. P.O.L droeg in zeer sterke mate de signatuur van Paul Otchakovsky-Laurens. Het verlies daar moet aanvoelen als een amputatie van hoofd en hart. Zijn uitvaart was maandag 22 januari op Père Lachaise in Parijs. Ik kon daar niet bij zijn en daarom schrijf ik dit stuk.

Onze laatste ontmoeting, in Frankfurt, was een vluchtige. Omdat ik in september in Parijs al op de uitgeverij was geweest (en kort daarna de vertaalrechten kocht voor de nieuwe roman van Marie Darrieussecq, Notre vie dans les forêts) had ik op de Buchmesse geen afspraak met P.O.L. Vlak bij de Alte Oper stond ik op groen licht te wachten bij een breed zebrapad aan een drukke verkeersweg. Ik wandelde naar een paar afspraken in de Frankfurter Hof. Aan de overkant stonden Vibeke Madsen en hij te wachten, ongetwijfeld op weg naar de Messe, waar een paar uur later de Fransen, eregast van de afgelopen Buchmesse, hun openingsprogramma hadden. We zwaaiden naar elkaar en staken elkaar een hand toe bij het oversteken. Bonjour Paul, au revoir Paul.

 

otchakovskyenperec
Paul Otchakovky-Laurens met auteur Georges Perec bij een receptie van Hachette in 1978, ter ere van het winnen van de Prix Médicis. (D.R.)

 

 

Superlatieven

Als een draai om de oren, zo voelde die beschouwing van Olaf Tempelman in de Volkskrant van 16 december onder de kop ‘Superlatieven schieten tekort!’. Waarover dat ging? Over de steeds uitbundiger wordende aanprijzingen op boekomslagen. Uitgevers zijn een soort zichzelf constant overschreeuwende meloenenverkopers geworden, zonder gevoel voor raffinement, talent om te verleiden of te doseren. Alles is almaar even… uniek en ultiem.

Tempelman wil er niet meer in trappen, en gelijk heeft hij. Wij, uitgevers, gedragen ons al te vaak als die – laten we hem onze eeuwig overenthousiaste, elke conversatie annexerende oom noemen (maar je hebt in je eigen kring vast iemand anders of je moet nu schuldbewust aan jezelf denken) – die altijd alles wat hij gelezen en gezien heeft, iedere metropool of buitenpost waar hij zijn hoef heeft gezet verabsoluteert in lofgezangen die ons aanvankelijk steeds weer met verpletterende schaamte achterlaten. Wij onwetenden, ongeletterden, ongelikten – wij hebben nog een hoop in te halen. Maar hoe vaak komt het niet voor dat, als we dat eenmaal gedaan hebben, we onze schouders ophalen en verzuchten: ‘Was dat nou alles?’

Terwijl – met wat minder bombarie hadden we het misschien best op waarde kunnen schatten. Maar Onkel Besserwisser had onze onbevangenheid al finaal aan gruzelementen gejubeld.

En toch – nog één keer dan – kroop het bloed waar het niet meer moet gaan. (Ja, mijn goede uitgeversvoornemen voor 2018 is om de loftrompet minder obligaat, ongedifferentieerd en eentonig fortissimo te laten schallen.) Ik was namelijk diezelfde 16de december (van dat stuk van Tempelman in de zaterdagkrant) toevallig met Arthur Japin op pad voor een miniboekhandelstournee die ik niet beter zou kunnen omschrijven dan als een Ronde van ’t Gooi. Japin deed vier boekhandels aan waar hij een korte lezing gaf over zijn nieuwe roman Kolja en vervolgens signeerde en een praatje maakte met zijn fans. Ik was die dag zijn chauffeur.

Ik wist die dag ook al dat we het jaar weer netjes volgens begroting en met een bescheiden positief resultaat, zij het met hangen en wurgen, zouden afsluiten. En ik wist ook dat de gemiddelde boekhandel dat misschien nog niet eens zou kunnen zeggen. Het was weer geen makkelijk jaar geweest, had ik verschillende boekverkopers horen verzuchten. Zo’n waanzinnige eindsprint als vorig jaar, met dat boek van Astrid Holleeder, zat er dit jaar niet in. Ja, Dan Brown verkoopt lekker, maar kan de vergelijking met Holleeder niet doorstaan, laat staan die nieuwe Holleeder: ‘Een pingpongbal vergelijken met een voetbal!’

Wat doe je dan – als betrokken burger? Als cultureel gutmensch? Dan steun je de goede zaak, al was het maar uit welbegrepen eigenbelang. Dus nam ik me voor die dag in elk van de vier boekhandels een boek te kopen. In Amersfoort, bij boekhandel Veenendaal, moest ik me al reppen. Het duurde zolang eer ik daar, in de middeleeuwse binnenstad, een parkeerplek had gevonden dat Arthur klaar was met zijn lezing (boven in de winkel) en al de trappen afdaalde om te komen signeren met in zijn kielzog tientallen lezers die in alle vroegte waren komen opdraven. En ook los daarvan was het bij Veenendaal die vroege ochtend al een drukte van belang. Ik kocht er Nobel streven van Frits van Oostrom, bij wie ik begin jaren tachtig nog werkcolleges middeleeuwse letterkunde had gevolgd, onder andere over de stoplappen in Karel ende Elegast. En Slingerbeweging van György Konrád, die weliswaar niet meer de schrijver is van boeken als De bezoeker en Tuinfeest, maar dit boek (afgeprijsd, daarom telde het ook als half) over de invloed van de Hongaarse geschiedenis op zijn eigen leven interesseerde me toch.

Op naar boekhandel Bouwman in De Bilt, waar rond het middaguur opnieuw een trouwe schare Japin-lezers achter in de winkel op hem zat wachten. Ook hier gezellige drukte, ook vanwege de lui die aanvankelijk niet voor Japin kwamen, zoals (net als in Amersfoort) een dame die tot haar grote vreugde bij toeval op haar signerende favoriete auteur stuitte. Bij Bouwman kocht ik Philipp Bloms Wat op het spel staat, auteur van De duizelingwekkende jaren, een boek dat ik jaren geleden met veel plezier gelezen had. En nou ja, omdat het niet voor mezelf was maar voor mijn dochter schafte ik ook De heilige Rita van Tommy Wieringa aan.

En voort ging het, naar Bussum waar Arthur bij boekhandel Los tijdens het spitsuur helemaal, nou ja los ging. Drommen mensen daar, wel tien man personeel achter de pinautomaten (die zouden rinkelen als ze dat zouden kunnen). En dat – ik wil niemand voor het hoofd stoten – in de provincie! Van pure weeromstuit kocht ik van Robert Seethaler De Weense sigarenboer (waarover ik in NRC een recensie van Marco Kamphuis had gelezen) en (omdat een Rainbow-pocket niet echt telt) Winesburg, Ohio, een nooit gelezen klassieker van Sherwood Anderson.

Verlicht en lichter legden we de laatste etappe af naar Baarn voor een bezoek aan de wonderschone boekhandel Den Boer. Om ons nog een laatste keer, het begon al te schemeren, onder te dompelen in de drukte. In Baarn legde ik de hand op Wedervaring van Bodo Kirchhoff, een Duitse schrijver die ik al sinds eind jaren tachtig volg (als ik me daarmee kan verantwoorden). Tja, en nu ik voor mijn dochter al een boek had gekocht, moest ik toch ook iets voor vrouw en zoon meenemen. Zo kwam ik nog thuis met (voor mijn zoon) het boek van onze goede vriend Edwin Krijgsman, Ben ik nou zo slim? (over de taal van Louis van Gaal), en (voor mijn vrouw, maar stiekem omdat ik zelf toch langzamerhand ook eens wil weten waar die hype op berust) De geniale vriendin van Elena Ferrante.

Nog één keer (en ook om het af te leren) schoten superlatieven tekort. Wat zijn er toch nog goede en gepassioneerde boekverkopers, nog veel mooie boekwinkels met adembenemende assortimenten, nog hordes gretige lezers die met stapels boeken de winkel uitlopen. Wat hebben we toch een schitterend vak! En hoe krijgen we het volk dat hiervan nog onwetend is komend jaar de boekwinkels in? Niet door luid te trompetteren dus, maar door ze te verleiden zonder dat ze het in de smiezen hebben. Door het te brengen in de vorm van een waarschuwing bijvoorbeeld, voor de thrillseekers: ‘Berg u voor de goede boekhandel. Het zijn sinistere voorraadschuren waar je alles vindt wat je nooit hebt gezocht.’ Of voor degenen die juist op zoek zijn naar sereniteit en stilte: ‘Kom naar de boekhandel tussen half januari en begin maart: een oase van rust!’

 

*Met dank voor de gastvrijheid en hun enthousiasme aan alle boekverkopers van Boekhandel Veenendaal, Boekhandel Bouwman, Boekhandel Los en Boekhandel Den Boer.

Maak een gratis website of blog op WordPress.com.

Omhoog ↑