Vandaag is de conclusie gerechtvaardigd dat ik op 27 april 2016 een niet volslagen onbeduidende mail heb verstuurd: ‘Onze dichter Hester Knibbe maakte ons attent op uw poëzie. Ik las uw (als ik dat zo mag zeggen) ‘peren’-gedicht en vond dat erg goed. U hebt ongetwijfeld (zijnde de winnaar van de poëziewedstrijd in Oostende) meer werk liggen. Zou u dat ter beoordeling kunnen of willen opsturen naar De Arbeiderspers?’ Het antwoord van Radna Fabias, een week later, was ingehouden en zakelijk: ‘Bedankt voor uw interesse. Ik ga daar graag op in. Ik zou u mijn nieuwste werk ter beoordeling willen opsturen. Binnen welke termijn wenst u dit te ontvangen? Ik hoor graag van u hoeveel tijd ik heb om te schaven.’ Blij met dat bericht reageerde ik terstond: ‘Dank dat u wilt ingaan op mijn suggestie. Dat doet mij veel plezier. Ik zou bijna zeggen: ik geef u alle tijd. Maar dat is misschien niet slim. Daarom: zou u voor of rond het begin van de zomervakantie iets kunnen sturen?’ Heel die mailwisseling geschiedde aanvankelijk op formele toon, waarbij we elkaar mevrouwden en meneerden.

Ik had me vanwege dat in Oostende bekroonde gedicht, getiteld ‘gieser wildeman’, ook al een bepaalde voorstelling gemaakt van de dichter. Ik stelde me een vrouw voor van middelbare leeftijd, een bedeesde, door enkele ongelukkige liefdes wat vereenzaamde dame van (ingegeven door haar voornaam) hindoestaanse komaf, wonende in een buitenwijk van Eindhoven. Waar ik die laatste notie vandaan heb gehaald is me achteraf gezien een raadsel. Hoe dan ook: ik had toen al beter moeten weten, want ‘gieser wildeman’ – als je dat gedicht goed leest…

ik ben een vrouw
dat is het troebele vocht dat uit een spaanse perzik langs zijn lippen loopt en ik ben helaas het vocht.

En:

een man
is geen vleeshaak geen fileermes geen geweer geen heet merkijzer geen heilig boek
een man is geen wapen geen hobby

een man is geen hobby
een man is een hobby
een man is geen hobby

Het is dus eigenlijk, en niet eens tussen twee haakjes, al een subversieve daad dat ik – man (en daarmee vertegenwoordiger van dat deel der mensheid dat bepaald geen hobby is) – u hier sta toe te spreken. Ik verontschuldig me daar maar voor, want ik ben nog niet klaar.

Op 1 september 2016 schreef ik na ontvangst van twee reeksen: ‘Ik vond ze prachtig, beste Radna, vooral (om het zomaar te zeggen) ‘de mannencyclus’.  […] Ik zat te aarzelen of ik u om meer zou durven vragen en ik doe dat bij dezen!’ Maanden later, op 29 november 2016, ineens antwoord: ‘Wat fijn dat u ze prachtig vond. Dat is erg leuk om te lezen. En natuurlijk krijgt u meer werk.’ En inderdaad volgde er een nieuwe zending, poëzie die op de redactie van De Arbeiderspers unaniem sterk werd gevonden. Niet meer gedraald dus, en spoedig volgde dan ook de eerste ontmoeting (waarover zo meer) en een contract.

Radna_Diels_(c) Wouter le Duc_RVtot05102020kb
De bundel (Habitus geheten), zoals die uiteindelijk geworden is, opent weliswaar met een omvangrijke afdeling onder de titel ‘uitzicht met kokosnoot’, waarin gedichten die ontegenzeggelijk gesitueerd zijn in caribische contreien, maar schilderachtige poëzie kan je dit bepaald niet noemen. Er lijkt me weinig schilderachtigs aan:

de overreden zwerfhonden
de onder olie lekkende auto’s slapende zwerfhonden
de kogels die klinken als vuurwerk

En er is werkelijk niets pittoresks aan:

u kunt de kerken bezoeken die feitelijk dezelfde zijn als de kerken die u al kende
maar dan bontgekleurd om af te leiden
van de schaamte en het bloed op de muren

Ook in het gedicht ‘reisgids v’ wil het maar niet echt arcadisch worden:

golfresorts liggen als littekens in het natuurlijke landschap

rode mensen en zij die daarbij horen willen

worden in golfkarren rondgereden door volgens hun functie-eisen breed glimlachende negers

En in een volgend gedicht staat:

de zon komt op boven het bloeiende tropische landschap maar elders
slaat iemand op een donkere parkeerplaats met een knuppel op de voorruit van een auto.

Lieflijk is anders.
Nee, schilderachtig is hooguit het ongebreidelde en overgeërfde arsenaal aan listigheden waarvan de ik (die hier ongetwijfeld een hele gemeenschap aan vrouwen vertegenwoordigt) zich kan bedienen om de man aan huis te binden:

waaronder vier brouwsels voor een strakkere kut
een recept voor blijf-hier-water
en een in de loop der jaren geactualiseerd boek met levensreddende instructies voor de weerloze deerne waarin ik lees:

je moet je man bewieroken als hij slaapt
als je niet verder dan de eikel komt, word je nooit zwanger en
de eerste drie centimeters leiden sowieso niet tot waardeverlies.

Ik kan zo nog even doorgaan, maar u wilt niet al het malse gras voor de voeten weggemaaid krijgen.

In elk geval had ik – u begrijpt dat inmiddels – mijn voorstelling van Radna, nog voor ik haar voor het eerst in levenden lijve ontmoette, al enigszins bijgesteld. Op zijn minst een stuk minder bedeesd en gedupeerd. Toen ze zich hier mei vorig jaar voor het eerst meldde stond er een ravissante behoorlijk jonge vrouw voor me. Tikkeltje verlegen, of misschien nog even op haar hoede, maar toch met iets prettig zelfbewusts en zelfrelativerends en – dat vooral – een twinkeling in de ogen die iets van ondeugd wilde uitstralen. In de vele mails die volgden kreeg onze correspondentie al gauw iets van een kwinkslagenfestival waarin scherts, ironie en sarcasme vaak de boventoon voeren. En meestal had Radna daarin dat het laatste woord, zoals ze ook straks het laatste woord zal hebben.

Een steekspelletje van begin deze week verliep bij voorbeeld als volgt:
Radna: ‘Jij haalt tuig in huis, wat wil je. (Emoticon met bendeteken.)’
Ik: ‘Wat wil je ook als je van De Arbeiderspers bent. Geteisem trekt geteisem!’

df.jpg

Radna: ‘Ik houd van geteisem.’
Ik: ‘Je snapt dat ik die bewaar voor mijn toespraak.’
Radna: ‘Nu heb ik spijt van alle slechte grappen die ik in onze correspondentie maakte.’
Ik: ‘Wees gerust: mijn gesel zal liefdevol op je neerdalen.’
Radna, dodelijk en zegevierend: ‘Is dat de openingszin uit Vijftig tinten grijs? Of een citaat uit een geschiedenisboek over een blauwogige meneer en zijn hardwerkende onderdanen?’

Alsof de grote norse neger uit het beroemde gedicht van Lucebert grinnikend in haar en op mij neerdaalde. Een daverende linkse directe. Démasqué en schaamte. We hebben nu besloten samen in relatietherapie te gaan.

Ik zei daarnet al dat ik niet blijf citeren uit deze poëzie omdat ik graag wil dat er veel ongerepts voor u te lezen overblijft. Wel wil ik er in algemene zin nog iets over zeggen. Deze bundel – Habitus van Radna Fabias – staat vol poëzie zoals je maar zelden poëzie zult hebben gelezen. En niet alleen vanwege het volstrekt eigen idioom waarin een volstrekt onderbelichte werkelijkheid wordt opgeroepen. Dit is poëzie die je overvalt vanuit een hinderlaag en soms is het ook poëzie die als een kalme panoramische golfslag naar je toe deint om je dan ineens te verrassen met een vloedgolf waarin je bijna verzuipt. Dit is verraderlijke poëzie van een nieuw stralend licht die je soms ademloos en blootgewoeld achterlaat. En ook dit is een poëzie vol kleine, ritselende revoluties die een wereld toont waarin schoonheid zijn gezicht heeft verbrand.

Een essay over identificatie, toeval en trots dat Radna onlangs schreef en voorlas op een avond over black feminist poetry opent met de veelzeggende woorden: ‘Took me a while to learn the good words’. Ik citeer daaruit deze naar mijn idee belangwekkende passage: ‘Ik zocht regels waarin zwarte vrouwen geen godinnen, maar zwarte vrouwen waren. En misschien moeten ze in de eerste plaats vooral mensen zijn. Eindige mensen, zoals elk andere mens. Feilbaar, zoals elk ander mens. Onderhevig aan leed en aftakeling en elke dag een stapje dichter bij de dood zoals elk ander mens. […] Nu zijn we hier. Mijn debuutbundel verschijnt binnenkort. Ik ben daar voorzichtig trots op. Ik heb er immers voor gewerkt. En de dichter die ik in de bundel gereflecteerd zie is voor een groot deel de dichter die ik wil zijn.’

Het is in elk geval ook een dichter die wij er graag bij wilden hebben. En dat dit met de verschijning van dit onverschrokken existentialistische debuut nu een feit is, is niet iets waar ik voorzichtig trots op ben maar stomweg apetrots, of zoals wij hier plegen te zeggen AP-trots.

vdh9789029523806.jpg