Vorige week werd bij boekhandel Kooyker in Leiden, in aanwezigheid van Karina Wolkers en een zeventigtal andere gasten, het nieuwe boek van Onno Blom gepresenteerd. Memoires van een biograaf, verschenen in de reeks Privé-domein, handelt over de periode van ruim tien jaar waarin hij aan zijn biografie van Jan Wolkers werkte. Een herdruk is inmiddels al ingezet. Het is dan ook een heel smeuïg boek. Hieronder de woorden door mij in Leiden gesproken.

Een leven van circa 30.000 dagen en een oeuvre van – ruw geschat – 3 miljoen woorden condenseren in een boek van 1100 bladzijden. Dat is wat Onno Blom gedaan heeft in Het litteken van de dood, zijn roemruchte biografie van Jan Wolkers. Vervolgens de biografie van 400.000 woorden transsubstantiëren in een autobiografie die hooguit 16% daarvan beslaat. Die reductie is Blom gelukt in wat Privé-domein nummer 299 is geworden: Memoires van een biograaf. In de voetsporen van Jan Wolkers, een autobiografie over het schrijven van een biografie. En dan nu aan mij de schone taak om die 65.000 woorden te comprimeren tot iets houtsnijdends van ongeveer 1000 woorden over de ontstaansgeschiedenis van de autobiografie over het schrijven van een biografie.

Wat zijn we hier aan het doen? We zijn de wereld aan het vereenvoudigen.  Zoals, aldus Koos van Zomeren, een sperwer dat doet door, zijn prooi verslindend, van twee vogels er een te maken, zo vereenvoudigt de schrijvende mens de wereld door die samen te vatten en te ontleden. Onno zelf aan het begin van deze memoires: ‘Is het toeval dat het vak van biograaf wordt vergeleken met dat van de patholoog-anatoom?’

Goed. De wordingsgeschiedenis dus van dit deel uit de reeks Privé-domein. Dat autobiografische vereenvoudigingsidee kreeg Onno al toen hij nog maar koud begonnen was aan zijn Wolkers-project, aan wat hij ‘de opdracht van zijn leven’ heeft genoemd. Ergens op de eerste bladzijden van zijn boek staat: ‘Vanaf het moment dat ik met Wolkers overeenkwam dat ik zijn biografie zou schrijven, 26 september 2006, heb ik geregeld korte aantekeningen gemaakt – en daar ben ik tot de dag van vandaag niet mee gestopt.’ Hij legde zijn plan voor aan Lex Jansen, destijds uitgever bij De Arbeiderspers, en die was enthousiast genoeg om er Onno een contract voor aan te bieden. Al gauw kwam daar nog een podium bij (want ja, in huize Blom moet de schoorsteen ook roken): ‘Vanaf 14 oktober 2015 begon ik “memoires” van een biograaf, gebaseerd op mijn notities, wekelijks te publiceren in de Volkskrant.’

Blom, Onno - Memoires van een biograaf - Cover

Welnu, die Volkskrant-columns – daarover geen enkel misverstand – vormen het solide fundament van dit boek. Wat beslist niet wil zeggen – haast ik me eraan toe te voegen – dat dit domweg een bundeling is van die columns. Want aan die krantenstukken is nog naarstig geslepen en zijn nog flinke lappen toegevoegd. Wat levert dat op? In elk geval een excellent geschreven boek. Op basis van de notities die Onno maakte ontstond een tekst waaruit blijkt hoe zijn leven noodgedwongen, maar niet noodzakelijk à contrecoeur, verweven raakte met dat van Wolkers. Tot in zijn dromen toe. Het is een eerlijke, intieme, sprankelende en soms om je te bescheuren zo geestige kroniek geworden.

Dit boek bevat te veel om op te noemen. Toch een paar voorbeelden. Er staat een verhaal in over hoe de elfjarige Onno Jan Wolkers voor de eerste keer ontmoet in een boek. Er staat een verhaal in over hoe hij hem voor de eerste keer in levenden lijve ontmoet, op de Leidse markt in de lente van 2004. Er staan diverse verhalen in over het jaar, aanleunend tegen zijn dood, waarin Onno Jan bijna dagelijks sprak; over het zeer intensieve contact met Karina Wolkers in de jaren na Jans dood of over de levenslange angst van Maarten ’t Hart om door Jan Wolkers in elkaar geslagen te worden. ‘t Hart had zich de oudtestamentische woede van Wolkers op de hals had gehaald nadat hij in NRC/Handelsblad de roman De kus had afgedaan als afkomstig van een schrijver die ‘men misschien nog het beste kan omschrijven als de André van Duin van de Nederlandse literatuur getuige ook het soort stompzinnige moppen.’ Er staan tal van dit soort smeuïge passages in dit boek, alle te maken hebbend met belevenissen van Onno zelf tijdens zijn langdurige Wolkers-engagement of met gebeurtenissen uit Wolkers leven zelf die om wat reden ook geen plek in de biografie hebben gekregen.

Bij dat alles springt ten slotte één consistentie zeer in het oog. Memoires van een biograaf is volgestouwd met een lading smerigheid en vuilspuiterij waaraan Ilja Leonard Pfeijffer zelfs in Het grote baggerboek nog een ranzig puntje kan zuigen. Onno verdedigt zich daarvoor door ergens op te merken dat zijn métier qualitate qua vuil werk genereert: ‘Als biograaf ben je een strontvlieg die zich moet voeden met wat zijn held heeft achtergelaten.’ De snotjes bijvoorbeeld die de vader van Olga in Turks fruit onder zijn stoel draait. En daar wordt dan omstandig het historisch waarheidsgehalte van uitgevogeld. Of de kunstopvattingen van Wolkers erbij halen om al die vunzigheid te verklaren: ‘“Beeldende kunst is verkapte viezigheid, daar valt niet aan te tornen,” beweerde Wolkers in een essay. “Al dat liederlijke geveeg en gesmeer over het maagdelijke linnen en dat geklonter in de klei moet wel geworteld zijn in de anaal-erotische periode. Van de broek naar het doek.”’

We zijn lang geneigd te denken dat het allemaal de schuld is van Jan Wolkers – die preoccupatie in dit boek met de drekkige kanten van het bestaan. Maar op den duur is de conclusie toch onontkoombaar dat dr. Blom ook zelf nogal stevig heeft doorgeleerd in de wetenschap van het viezentisme. Hij schrijft het net iets te verlustigd op. Toen ik afgelopen zaterdag de Volkskrant doornam en in de bijlage Sir Edmund stuitte op een nieuwe bijdrage van Onno (een interview met P.F. Thomése naar aanleiding van zijn nieuwste boek Ik, J. Kessels) was ik er helemaal zeker van. De vette kop boven dat interview: ‘Stront, seks, foute grappen’. Ik moet schoorvoetend toegeven: bij mij is hij met die gore praatjes aan het goede adres. Vrij naar Keats: ‘A dirty mind is a joy forever’. Maar ook met een iets minder dirty mind moet men met dit boek danig aan zijn trekken kunnen komen. Ik voorspel: wie aan dit boek geen plezier beleeft, zal van zijn levensdagen geen plezier meer hebben.

Het plezier waarmee Blom zelf dit boek heeft geschreven strooit hij gul uit over elke pagina, en trouwens niet alleen in de meer schunnige fragmenten: ‘Als Jezus Christus had gevoetbald, al was het maar in het tweede van Bethlehem of bij de sabbatmiddagamateurs, dan was het Jan Wolkers door zijn vader nooit verboden geweest om op zondag te neuzen van zijn schoenen kaal te trappen tegen een bal.’ En zo kon ik nog wel even doorgaan als ik de grens van 1000 woorden inmiddels niet allang gepasseerd was. Mijn vereenvoudiging zit erop.

Advertenties