Zoeken

Nijssen Schrijft

Over boeken, schrijvers, sport, cultuur, het dagelijks leven (en af en toe mijzelf)

Maand

mei 2018

Een plant geteeld ver van Holland. Over A.H.J. Dautzenberg, ‘Ik bestaat uit twee letters’

Zaterdag 19 mei werd op het Pancratiusplein in Heerlen in café Pelt het nieuwe immense boek van A.H.J. Dautzenberg, Ik bestaat uit twee letters (nummer 298), gepresenteerd. Met een programma waarin dj Westoning Boy, Merlijn Huntjes (stadsdichter van Heerlen), Sander Blom (uitgever Contact die het simultaan ter gelegenheid van Dautzenbergs vijfstigste verjaardag verschenen Vijftig verhalen lanceerde), Anton Dautzenberg zelf, Gerbrand Bakker (die hem interviewde) en de snoeiharde, experimentele metalband Beton Fraktion een aandeel hadden. Zelf kreeg ik in dat programma vijf minuten om iets te komen vertellen over Ik bestaat uit twee letters. Ik vond dat wat weinig. En wel hierom:

Vijf minuten, Anton?
Krijg ik vijf minuten voor een toespraak?
Vijf minuten voor een aubade over die Privé-domein van je die – het woord aubade impliceert het al – toch niet al te zuinig mag uitvallen?
Vijf lullige minuutjes om iets steekhoudends te zeggen over Ik bestaat uit twee letters?

Wacht even hè, dat zijn driehonderd seconden, Anton. Driehonderd seconden voor een boek van (wat was het ook al weer) 210.000 woorden. Of – als dat indrukwekkender klinkt – 720 bladzijden. En die 210.000 woorden dan dus gedeeld door 300 seconden. Dan hebben we het over 700 woorden per seconde. Kan je net zo goed proberen een giraffe in een lucifersdoosje te schuiven. Gaat ook niet lukken.

ecc15ab7-8f15-4903-b10d-8bf643c76df3

Wat zeg je? Dat je er toch (wat was het ook al weer) zo’n 100.000 woorden uit geschrapt hebt en aldus een boek van 1100 bladzijden hebt voorkomen. Ja, wrijf dat er maar lekker in. Die heb ik godmiljaar ook nog allemaal gelezen. Dat was – daar heb jij weer gelijk in – helemaal geen straf. Maar dat is het ‘m nou juist. Eigenlijk zou ik het daarover ook nog uitgebreid willen hebben, al zitten er flinke lappen bij die het daglicht niet kunnen velen en waarover het goed is te zwijgen als het graf. Gelukkig staat er nog ontzettend veel in waarover eigenlijk ook zou moeten worden gezwegen als het graf, controversieel en subversief als die passages zijn. Niemand snapt beter dan jij dat ik dit zeg om de lezers nieuwsgierig te maken.

Maar daar gaat het mij niet om. Het gaat mij om die gierige vijf minuten. Die nietige driehonderd seconden om een boek van € 27,99 in samen te vatten. Nog geen dubbeltje per seconde. Dat is toch niks. Ja, ook bijna vóór niks – je hebt al weer gelijk. We moeten de potentiële kopers hongerig maken.

Vijf minuten geef je me, terwijl jij je een jaar lang, van 13 december 2016 tot en met 13 december 2017, hebt mogen uitleven om dit boek te schrijven. En dat heb je gedaan ook. Als een wilde! Over die Tilburgse cocon van je, dat gloppenhol zoals jij het noemt, waar je je wentelt in je gelukkige eenzaamheid en meters maakt, literaire meters, en waar je soms – als het jou beliefde – je teerbeminde (in de loop van dat jaar ineens je echtgenote) Maartje ontving en verder, op een vriend in geestelijke nood na, vrijwel niemand.

9557472f-9aa9-4c02-9b84-8ffcabe2ed9e

Vijf minuten om iets zinnigs te zeggen over de extensieve en veelvormige reconstructie van een doorgaans gelukkige jeugd in de Limburgse Mijnstreek. Over je ouders: een springlevende, volop aanwezige moeder en een betreurde dode vader die zich niettemin laat horen als zat hij naast je. Over een broer (een tweelingbroer – je bent de vijf minuten jongere van tswei jöngsjer) bij wie je in de loop van dat jaar tijdelijk intrekt. Over je neefjes over wie je je ontfermt als Donald Duck over Kwik, Kwek en Kwak. En nu we het daar toch over hebben: over het blad Donald Duck, waarop je al tientallen jaren geabonneerd bent en waarvan je alle afleveringen recenseert in je dagboek. Je bent zo’n groot fan dat je zelfs je eigen Donald Duck-strips hebt gemaakt, speciaal voor Ik bestaat uit twee letters, met (voor alle duidelijkheid) eigen teksten.

Vijf minuten voor al de gelezen boeken waarover je verslag doet, voor je lange brieven aan Gerbrand Bakker, Ted van Lieshout en tutti quanti en de stapels ontmoetingen, ervaringen, herinneringen en anekdotes uit en over het literaire leven. Over de Limburgse Tachtiger Frans Erens, afkomstig uit Schaesberg, en auteur van een andere titel (Vervlogen jaren) uit de reeks Privé-domein: ‘Ik ben een plant geteeld ver van Holland, in het Zuiden van Limburg, dicht bij de Duitsche grens’. Over de voormalige uitgever en dichter Theo Sontrop, over wiens begrafenis op Vlieland gedetailleerd verslag wordt gedaan. Over Marcel Möring, het Boekenbal, Oek de Jong, Michail Zosjtsjenko en Maartje Wortel. En over optredens her en der en over het aanhoudend belabberde literair-economische leven van jou, Anton, en van je schrijvende lotgenoten in het letterenriool.

c8b57dca-d111-4bed-aa8d-23880f165464

Vijf minuten om zelfs maar iets te kunnen aanstippen over die eindeloze filmmarathonsessies van je, je exploraties van je favoriete muziekgenre, heavy metal (‘Mijn leven is meer verankerd met muziek dan met literatuur of film’), je uitweidingen over voetbal als gematigd Roda JC-aanhanger, maar ook over je eigen voetbalverleden, dat beslist niet zonder talent moet zijn geweest, zij het dat broer Hub over nog meer talent beschikte.

Een miezierige vijf minuutjes, die al om zijn als je een deuntje fluit op weg naar de bakker, voor al je terzijdes over de politieke werkelijkheid, de terreur in de wereld, over vrienden in nood, gekken op straat, heibel met diverse instanties, poepvlekken, soep koken, snooker kijken. Over de Quiet 500 (een initiatief waarvoor men je niet hoog genoeg kan prijzen) over Martijn.

Vijf minuten voor een serieus en pijnlijk onderzoek naar het oorlogsverleden van je grootouders, voor al je angsten, evenwichtsstoornissen en depressies, je euforie en je geilheid, je perioden van stabiliteit en je aanhoudende werkkracht, Rolduc, Diederik Stapel, vakanties naar Rome, Malta (met gewaagd schrijfexperiment!), de Provence en Vlieland, en een werkverblijf te Bergen in Noord-Holland in het spookhuisje van Adriaan Roland Holst alwaar die onthutsende, ongemakkelijke ontmoeting met Prof. dr. Wiel Kusters.

Vijf minuten voor al jouw excursies in de sneeuw van weleer, zwervend in de oude biotoop langs lieux de mémoire: ‘Het danscafé bestaat al lang niet meer, maar er blijkt maandelijks een Femina-avond te worden georganiseerd in de Heerlense kroeg Pelt. Ik ga een kijkje nemen. Ik ben benieuwd of ik oude bekenden zie, en zo ja, hoe we op elkaar reageren. Love, love will tear us apart again.

Dan zijn we, weten de kenners, aanbeland bij Joy Division, de new wave band uit begin jaren tachtig met die navrante naamsverwijzing. Het is zoveel, Anton, het is zoveel. Het is, dat realiseert de lezer zich in de sleutelpassages, een aangrijpend organisch geheel. Maar in vijf minuten kan ik dit imposante boek alleen maar tekortdoen en versplintert het tot een berg lemma’s uit een encyclopedie.

Vijf minuten, Anton? Mijn ik bestaat ook uit twee letters, al zijn het misschien twee heel andere. Vijf minuten, daar kan ik niet aan beginnen. Geef mijn portie maar aan Fikkie. Ik geef je hier mijn opdracht terug.

2995b5fc-795b-4a68-8b7e-b2d6f4775e52

vdh9789029524117

 

Advertenties

Amerika als nieuw begin. Over Björn Soenens, ‘Dagen zonder Trump. Berichten uit Amerika’

Sinds begin 2017 woont en werkt Björn Soenens, Amerika-correspondent van de VRT, in de Verenigde Staten. Over zijn ervaringen als nieuwe Amerikaan schreef hij een boek voor de lancering waarvan hij eind april en begin mei een poos terug was in de Lage Landen. De boekpresentatie in Gent was in de Kopergietery. Björn Soenens las er voor uit zijn nieuwe boek, Geert Verdickt (Buurman) bracht compatiebele muziek ten gehore en ik leidde de avond. Ongeveer met de woorden hieronder.

IMG_2867

Het mooiste boek over Amerika – en de etiquette van de lofredenaar dicteert dat ik zeg: tot vandaag dan, met de verschijning van Dagen zonder Trump van Björn Soenens  – is een roman (een verzinsel dus), geschreven door iemand die nooit een voet in Amerika heeft gezet. Ik heb het over Franz Kafka’s Der Verschollene, in het Nederlands (en trouwens ook in het Duits) verschenen onder de zakelijke titel Amerika omdat Kafka’s vriend en zelfbenoemd literair erfgenaam Max Brod het zo noemde.

Het is ook een zeer passende titel want Amerika – deze Unvollendete – valt te lezen als een onderzoek (nogmaals: volstrekt hypothetisch) naar hoe het zou kunnen voelen om alleen aan te spoelen in dit onmetelijke en ook in de verbeelding van veel emigranten uit die tijd (we hebben over de eerste decennia van de vorige eeuw) zowel ruimtelijk als qua ontplooiingsmogelijkheden onbegrensde land. Amerika toont de culture shock die de aankomst en de verkenning van dat nieuwe land teweegbrengt bij de zeventienjarige Karl Rossmann. Die aankomst begint voor  hem (zoals voor vrijwel alle emigranten uit die tijd) in New York, preciezer gezegd op Ellis Island. Dat wordt niet met name genoemd, maar Karl ziet het beeld van de vrijheidsgodin als zijn schip de haven binnenvaart. De jongen is door zijn onbemiddelde vader in Hamburg op de boot naar Amerika gezet omdat hij een dienstmeisje heeft bezwangerd. Zijn emigratie is dus ook een vorm van verbanning, maar Rossmann beleeft die culture shock even laconiek als onthecht. De fijngevoelige lezer echter voelt de onderhuidse pijn van de ontheemde jongen en de schuld die tot zijn gedwongen vertrek heeft geleid. Maar de lezer voelt ook het avontuur van het volkomen nieuwe en de ervaring van het soort vrijheid dat dicht in de buurt komt van Janis Joplins ‘Freedom’s just another word for nothin’ left to lose’. Rossmann, zo heet het dan, zoekt een nieuwe bestemming en ook een soort nieuwe vader, maar erg verbeten doet hij dat niet. Die zoektocht begint weliswaar in New York, in het ondoorgrondelijke, hectische stadsgewoel maar leidt steeds verder landinwaarts, eerst naar een landhuis in de omgeving van New York, dan richting Butterford (op twee dagreizen van New York) en vervolgens nog verder weg naar een oord waar Hotel Occidental ligt om gaandeweg into the great wide open een onzekere bestemming tegemoet te gaan in de Amerikaanse onmetelijkheid, zeker wanneer hij eenmaal wordt aangenomen voor  het Grote Theater van Oklahama [sic]. Dat het boek onvoltooid bleef, is eigenlijk heel toepasselijk.

Björn Soenens valt in allerlei opzichten moeilijk te vergelijken met de zeventienjarige Karl Rossmann. Hij werd vorig jaar niet door zijn vader naar Amerika gestuurd, en ook niet (al weet ik dat niet helemaal zeker) omdat hij een kind zou hebben verwekt bij een jonge vrouw. Hij is vermoedelijk ook met het vliegtuig gegaan en niet met een schip dat er een week over deed om zijn passagiers op Ellis Island van boord te laten gaan in een toestand van tijdelijke quarantaine. Björn Soenens was al vele malen, zij het voor kortere tijd, in Amerika geweest en kon zonder enige overdrijving Amerika-expert genoemd worden, al ruim voordat hij zich er metterwoon vestigde. Amerika-watcher was hij tot 2016 in combinatie met het hoofdredacteurschap van het Vlaamse televisiejournaal. Wie kent hem daar niet van. In de trein op weg hierheen legde ik Dagen zonder Trump vanmiddag even op het tafeltje voor me om nog een paar aantekeningen te maken. Ineens een stem achter me. De conducteur. ‘Allez, is het er al?! Ik hoorde hem er gisteravond op de radio over praten.’

‘Wat Soenens niet weet van Amerika kun je op de achterkant van een postzegel schrijven,’ citeren we Johan Depoortere, de voormalige VRT-correspondent in Washington op het achterplat van dit boek. Maar veel weten over Amerika is nog iets heel anders dan de ervaring van het Amerikaan-zijn met de Amerikanen (wat vanuit de melting pot-gedachte per definitie een ongrijpbaar iets is). Naar die ervaring verlangde Soenens zo hevig dat hij er begin 2017 met zijn geliefde ging wonen. En hij streek neer (net als Karl Rossmann en zovele miljoenen anderen) in New York. Of nee: eigenlijk juist niet in New York. New York was, ten tijde van Rossmann, nog wat we nu Manhattan noemen. Kafka schrijft: ‘De brug die New York met Boston verbindt hing ijl over de Hudson en leek te gaan trillen als ze hun ogen dichtknepen.’ Dat was inderdaad een fata morgana en een vergissing. Kafka bedoelde met Boston natuurlijk Brooklyn, en vandaaruit (Soenens woont er nog steeds: op de cover treffen we hem aan, staande op een hoek van Washington Avenue) is hij begonnen met zijn gevoelsexploratie van Amerika.

Het is natuurlijk onmogelijk alle kennis, ervaringen en beelden (tv-beelden!) die Björn Soenens de afgelopen tientallen jaren over Amerika heeft opgeslagen te vergeten. ‘Ik heb een intense verhouding met Amerika. Het is een langdurige affaire,’ schrijft hij in de inleiding van zijn boek. En toch is dat een beetje zijn ambitie geweest toen hij vanuit Brooklyn verslag begon te doen en de blogteksten begon te schrijven waarop dit schitterende boek gebaseerd is: Amerika tegemoet treden met de onbevangenheid en argeloosheid waarmee Karl Rossmann het land leerde kennen, heel bewust op zoek naar datzelfde aangename, zacht weeë gevoel van ontheemding. Maar algauw komt hij erachter dat hij die onbevangenheid helemaal niet hoeft te spelen. Ook voor hem blijkt Amerika nog steeds een grote ontdekkingstocht. Hij valt van de ene in de andere verbazing (over alledaagse bureaucratie, over de nachtrechtbank van New York, over de graduates van Brooklyn College) leert de ene na de andere bijzondere mens kennen (in de eerste plaats zijn buurtgenoten, die hem inmiddels herkennen als de garbage man vanwege Björns onbedwingbare neiging een paar keer per dag al het vuilnis van de stoep te rapen en in de vuilnisbak te kieperen) en van de ene illusie in de andere desillusie: over het eetgedrag van de doorsnee-Amerikaan en de obese mensheid die dat oplevert alsook – door het hele boek heen – over de sociale en raciale segregatie die, voor wie goed kijkt, alomtegenwoordig is. En net als Karl Rossmann trekt Björn Soenens op een gegeven moment de binnenlanden in. Maar anders dan schrijver dezes die vorige zomer een paar weken met zijn gezin in New York en omstreken verbleef (ook in Brooklyn, Macon Street, niet heel ver van waar Soenens woont) trekt Soenens niet noordwaarts langs de Oostkust naar de relatieve rijkdom en luxe van Cape Cod, Boston en de Catskill Mountains, maar zuidelijk en zuidwestelijk richting de Appalachen, naar East Ridge, Tennessee in het spoor van een mobiele kliniek en dus in het schuimende kielzog van zieke en ongezonde Amerikanen (en het falende ziekteverzekeringssyssteem in Amerika) of naar Gatlinburg in de Smoky Mountains om voornamelijk uitzichtloze blanke armoede (denigrerend white trash genoemd) op heterdaad te betrappen. Uit die stukken spreekt een enorm gevoel van betrokkenheid en mededogen en ook van ingehouden woede.

Dat kan Trump nu eens niet direct in de schoenen geschoven worden. Die ellende bestond al. Maar het is natuurlijk veelzeggend dat Björn Soenens met zijn verkenning van Amerika begon op het moment dat The Donald onbehouwen met de scepter begon te zwaaien. Ook tot zijn frustratie, maar Soenens schrijft er genuanceerd over en legt de verantwoordelijkheid voor het aan de macht komen van Trump voor een deel ook bij zijn collega’s van de Amerikaanse media. Hij wijdt in drie korte stukken het eerste part van zijn boek aan Trump om hem vervolgens resoluut en tamelijk effectief te vergeten. Dit boek heet niet voor niks Dagen zonder Trump. Het is heerlijk om dagen zonder Trump te hebben. Ook daarom is dit boek een verademing.

vdh9789029523875

Maak een gratis website of blog op WordPress.com.

Omhoog ↑