Zoeken

Nijssen Schrijft

Over boeken, schrijvers, sport, cultuur, het dagelijks leven (en af en toe mijzelf)

Maand

juni 2018

De rest is geschiedenis. Over Wido Smeets, ‘Goed gerei. Opkomst en ondergang van een (meubelmakers)familie’

Wido Smeets presenteerde zijn boek Goede gerei, een onconventionele om niet te zeggen eigengereide familiegeschiedenis, niet één niet twee maar wel drie keer. Donderdag 24 mei was boekhandel De Tribune in Maastricht, waar hij werd geïnterviewd door Henk Groenewegen, plaats van handeling. Vrijdag 25 mei namen Harald Merkelbach en Cyrille Offermans met toespraken op een familiefeest de honneurs waar en zaterdag 26 mei voltrok de finale ceremonie zich in boekhandel Dominicanen. Daar werd Smeets geïnterviewd door Leon Verdonschot, verzorgde Peter Beeker (frontman van de geweldige Venlose rockband Ongenode Gaste) de muziek (eigen teksten begeleid op gitaar en mondharmonica) en sprak ikzelf over toeval en lot met betrekking tot de wijze waarop dit boek bij De Arbeiderspers terechtkwam.

Ergens in De ondraaglijke lichtheid van het bestaan, die onontkoombaar aangrijpende kitschroman van Milan Kundera, valt het volgende te lezen: ‘Ons dagelijks leven wordt gebombardeerd door toevalligheden, juister gezegd door toevallige ontmoetingen met mensen en door gebeurtenissen die men coïncidentie noemt.’ Kundera vertelt vervolgens dat dit principe ook werkt in romans en noemt als voorbeeld Tolstoi’s Anna Karenina. Aan het begin daarvan ontmoet Anna Karenina op een perron waar zojuist iemand voor de trein is gesprongen graaf Vronski op wie ze als getrouwde vrouw stapelgek zal worden. Aan het slot van de roman springt ze zelf voor de trein. Kundera noemt die symmetrische compositie ‘zeer romanesk’ en schrijft dan:

Wido Smeets 2018
Wido Smeets. Portret: Perry Schrijvers.

‘Want mensenlevens zijn exact zo gecomponeerd. Ze zijn gecomponeerd als een muziekstuk. De mens, geleid door zijn gevoel voor schoonheid, verandert een toevallige gebeurtenis (Beethovens muziek, dood op het station) in een motief dat voortaan in de compositie van het leven blijft. Hij keert ernaar terug, herhaalt het, wijzigt het en bouwt het uit als een componist het thema van zijn sonate.’

Welnu. In september 1986 studeerde ik Nederlands in Utrecht en kreeg ik – vanwege connecties met de Nederlandse filmdagen in Utrecht die weer het gevolg waren van een studie filmkunde in Amsterdam – de kans om de Australische (in 1940 in Venlo geboren) cineast Paul Cox te interviewen. Cox, die in de jaren zestig naar Down Under emigreerde (waar hij in 2016 in Brisbane overleed), had toen al een schitterend cinematografisch oeuvre tot stand gebracht met films als Kostas, Lonely Hearts, Man of Flowers en My First Wife. Omdat ik ook zelf uit die contreien afkomstig was, belde ik het Dagblad voor Noord-Limburg (in de volksmond de Vennelse Gezet). Of ze interesse hadden in een interview met Cox. Dat hadden ze, en zo kwam ik niet alleen aan mijn allereerste officiële publicatie (mijn bijdragen aan het literaire studentenblad Vooys even buiten beschouwing gelaten) maar ook aan mijn eerste podium als scribent. Want een paar jaar later kreeg ik het voor elkaar dat de krant tweewekelijks een halve krantenpagina voor me inruimde om een literaire kritiek, een rubriekje met nieuw verschenen titels en een column over de boekenwereld te schrijven.

De kunstredactie bestond destijds uit Lei Coopmans en Peter Janssen. Met hen maakte ik afspraken over de onderwerpen, de te bespreken boeken en de deadlines. Ik ben er in die jaren enkele keren over de vloer geweest en de eerste keer werd ik door Lei en Peter rondgeleid over de redactieburelen. Bij die gelegenheid heb ik – ik herinner het me vaag – ook handen geschud met de toen jonge journalist/verslaggever Wido Smeets. Nadat ik mijn rubriek gestopt was, zag ik Wido Smeets en Adri Gorissen (jawel, precies degene die hem deze week voor Dagblad de Limburger interviewde over Goed gerei) de literaire kolommen overnemen die goeddeels gevuld werden met korte recensies van nieuw verschenen boeken. En dat is, als ik het mij goed herinner, zo min of meer zo gebleven totdat Koen Eykhout de vaste literatuurrecensent van de krant werd. En bij mijn weten is hij dat nog steeds, al is het tot groot verdriet van Peter Buwalda.

In de tussentijd (in de eerste maanden van 1989) schreef ik voor het Dagblad voor Noord-Limburg een zesdelige interviewserie over de toekomst van het boek. Een van de degenen die ik uitgebreid sprak voor die serie was schrijver/essayist Cyrille Offermans, destijds woonachtig in Heel, niet heel ver van Echt waar hij als leraar Nederlands verbonden was aan de middelbare school. Wat ik toen nog niet wist: dat hij Wido Smeets in de klas had gehad. En wat ik toen nog helemaal niet had kunnen bevroeden: dat diezelfde Cyrille Offermans, met wie ik in de loop der jaren bevriend was geraakt, mij op 2 februari 2015 een brief zou schrijven met als onderwerp ‘Wido Smeets’:

‘Ik heb hem lang geleden leren kennen, namelijk in het prille begin van mijn leraarscarrière in het eveneens Midden-Limburgse Echt, waar hij op een van de hoogste klassen zat,’ schreef Cyrille me. ‘Erg hoge cijfers haalde hij geloof ik niet, maar mij viel hij meteen op door een zekere onaangepastheid en dwarse ideeën – een veelbelovende leerling kortom. […] Het gaat om een non-fictie boek […], een complexe familiegeschiedenis die zich uitstrekt over drie generaties, te beginnen in de late negentiende eeuw en doorlopend tot het heden, dus ook tot het leven van de onderzoekende, interpreterende en speculerende auteur. […] Het verslag van dat onderzoek bestaat uit een veelkleurig, vanuit verschillende perspectieven geschreven mozaïek van fragmenten waarin de grote en de kleine geschiedenis elkaar voortdurend verhelderen. De kleine geschiedenis is die van Leo Smeets (1884-1958), Wido’s grootvader, en diens trotse levenswerk, NV Smeets’ Houtindustrie te Wessem, dat na de Tweede Wereldoorlog uitgroeit tot een meubelfabriek, maar in de jaren zestig dramatisch in verval raakt. […] Die auteur is op zoek naar een uitgever die mogelijk iets ziet in zijn werkstuk in wording.’

Enfin, de rest is geschiedenis – zoals alles wat ik tot dusverre verteld heb geschiedenis is. Maar wat ik bedoel: de rest is niets meer maar vooral ook niets minder dan de verwezenlijking van dat boek bij De Arbeiderspers. De rest is er de oorzaak van waarom ik hier sta en u daar zit.

En nu ik hier in Maastricht sta in wat een paar jaar geleden zelfs de mooiste boekhandel ter wereld werd genoemd, zal wellicht ook de vraag opkomen of we dan te maken hebben met Limburgse geschiedenis. Het antwoord moet zijn dat ten aanzien van zowel mijn verhaal als het verhaal dat tussen de kaften van dit boek zit en inmiddels Goed gerei (Good grei) heet moeilijk ontkend kan worden dat er veel Limburg in zit, dat die verhalen geworteld zijn in Limburg. Maar antwoord geven op de vraag ‘Waar ligt Limburg?’ is bijna even lastig als antwoord geven op de vraag ‘Wat is literatuur?’. Die eerste vraag stelde ik mij najaar 1995 als samensteller en gastredacteur van een themanummer over Limburg van het literaire tijdschrift Maatstaf, dat destijds werd uitgegeven door De Arbeiderspers, waar ik toen net in dienst getreden was als redacteur. Dat inleidende stuk, gevolgd door bijdragen waaraan ik in mijn stuk refereer, besloot ik als volgt: ‘Eens een Limburger altijd een Limburger? Dat is bijna een ontologische vraag. Besta ik eigenlijk wel? En Limburg? “Limburg is virtual reality geworden,” verzuchtte Michel Maas. Het is leeg gebaggerd, ommuurd. Als Limburger is hij daarom liever nog dood dan overwonnen, en hij slaat op de vlucht.

Maar hij zal er terugkomen. Telkens weer, al was het alleen maar in zijn dromen. Connie Palmen weet waarom: “Als ik moet verklaren waarom ik geworden ben wie ik werd, dan is Limburg een onderdeel van de verklaring. Zodra je er eenmaal uit bent, maakt het wel degelijk verschil om er vandaan te komen.”’

Maar Wido Smeets worstelt niet zo met die imaginaire, problematische Limburgse identiteit, misschien ook wel omdat hij dat wat Limburg genoemd wordt nooit de rug heeft toegekeerd, zelfs niet nu hij in het buitenland woont (net over de grens in Rekkem, Belgisch Limburg). Het neemt niet weg dat, zuiver gemeten naar de ruimte waarin het zich afspeelt, Goed gerei door en door Limburgs is. Maar gelukkig heeft noch dit boek noch de auteur daar veel boodschap aan. Het is een gegeven dat het in Limburg gesitueerd is met alles wat daar aan couleur locale en heimatliche taal en cultuur bij hoort. Maar daar gaat het niet over. Dit boek is – en nu citeer ik mijn eigen woorden op het achterplat – ‘het levensverhaal van een meubelfabriek, een boek over vaders en zonen, over lotsbestemming en de onmacht eraan te ontsnappen. In een subtiel literaire weefwerk van documentaire teksten, interviews, reportages, beschouwingen en herinneringen reconstrueert de auteur een eeuw eigen familiegeschiedenis.’

Is het dan eigenlijk een roman? Nee.

Een essay? Nee.

Een geschiedenisboek? Nee.

Wat is het dan? Het is niets van dat alles en alles tegelijk. Wido Smeets hanteert in Goed gerei de zich aan alle genrewetten onttrekkende vrije slag, al hij heeft hij al freewheelend beslist ook gebruik gemaakt van Kundera’s symmetrische compositieprincipes.

Nu de vragen over Limburg en het genre zijn beantwoord, resteert de vraag: Wat is literatuur? Antwoord: Goed gerei – dat is literatuur. En wat betreft die symmetrische compositie: Paul Cox zal niet naar het land der levenden terugkeren om nogmaals te worden geïnterviewd en niemand hoeft van mij voor de trein te springen. Maar verder laat ik u weinig keus: als u zelf tot het juiste genre wilt behoren (en ook als u dat niet wilt), gaat u zo meteen onmiddellijk over tot aankoop van Goed gerei. Dat maakt dit verhaal voor mij al rond genoeg.

vdh9789029505260.jpg

Advertenties

Bewegingen onder de deklaag van het dagelijkse. Over Maria Vlaar, ‘Diepe aarde’

Bij Stichting Perdu aan de Oudezijdsburgwal presenteerden we op een snikhete woensdagavond 30 mei het literaire debuut van Maria Vlaar, Diepe aarde, een verhalenbundel die een lezer flink van zijn stuk kan brengen. Ze werd gloedvol toegesproken door K. Michel, Piet Meeuse en Anneke Brassinga en toegetekend [sic!] door Jean-Marc van Tol. Daarna leidde ik het boek in en schonk Maria de eerste drie exemplaren aan haar kinderen Lucian, Darja en Emilia. Hieronder treft u mijn tekst aan.

Heel diep hoef ik niet te graven om me de eerste (en trouwens ook enige) confrontatie met Maria Vlaar te herinneren. Ze moet ergens tussen najaar 1995 en voorjaar 1996 hebben plaatsgevonden. We kenden elkaar nog niet goed, maar we kénden elkaar. Maria was redacteur bij De Bezige Bij en ik was dat sinds kort (na jaren in de literaire journalistiek) bij De Arbeiderspers.

In die tijd was in de literaire uitgeverswereld het volgende gebod nog onverkort van kracht: ‘Gij zult geen schrijvers van andere uitgevershuizen begeren laat staan dat gij hun oneerbare voorstellen zult doen.’ Ik heb mij gedurende mijn hele loopbaan in de uitgeverij grotendeels (de moraal van een in katholieke zuidelijke contreien opgegroeid persoon is rekbaar) aan dat gebod gehouden.

Maar toen – misschien in een vlaag van jeugdige overmoed, misschien uit relatieve onervarenheid, misschien om voor mezelf aan te tonen dat ook ik op schokkende wijze een gehaaide literaire struikrover kon zijn – was ineens het ontembare verlangen in mij opgekomen de eminente essayist Piet Meeuse om een boek te vragen. Ik weet bij god niet meer wat ik hem gevraagd heb, maar het ging om iets specifieks, iets eenmaligs. Piet Meeuse was immers fondsauteur bij De Bezige Bij. En als dat rode hoofd van Albert Voster in paroxistische woede om mijn vlerkerige brutaliteit nog roder zou worden, kon ik, zo nam ik me voor, altijd tegenwerpen: ‘Maar meneer Voster, ik wil Piet alleen maar voor één keer van u huren!’

IMG_0329.jpg

Albert Voster kwam helemaal niet in beeld. Ik had buiten Maria Vlaar gerekend! Zij was het die na een paar dagen – wellicht nadat Piet zich enigszins bedremmeld bij Maria had gemeld met dat briefje van me in handen en de vraag wat hij daarmee aan moest of mocht – op hoge poten op me af stormde. Ik weet niet meer precies – ik moet dat hebben verdrongen – of die hoge poten per telefoon of per brief dan wel stampend over de traptreden van Singel 262 mijn kant op kwamen, maar de onverbiddelijke teneur was toch wel of ik voortaan met mijn tengels van haar auteur (en bij uitbreiding, geldend tot diep in een volgende eeuw: ál haar auteurs) wilde afblijven.

Ik kon niet anders dan in het stof bijten en mijn excuses maken. En daarmee was de kous ook af. Onze relatie heeft het niet blijvend bekoeld. Het was zand erover – en misschien bij Maria ook nog een laag kiezels en ondoordringbare klei – en dat was dat. Wij zijn elkaar in de jaren daarna veel blijven zien en spreken, ook (zij het veel later pas) over literair werk dat ze her en der publiceerde, zoals bij voorbeeld naar aanleiding van ‘Het pijngeheugen’, een essay dat ze in Terras (de erfgenaam van Raster) publiceerde.

Achteraf moet ik zeggen dat ik Maria Vlaar na al die jaren en ontmoetingen nog niet goed genoeg kende. Toen ik met haar begon te praten over eigen werk, over het publiceren van eigen werk – ook nog toen ze me verteld had dat ze verhalen, fictie dus, aan het schrijven was – dacht ik dat ze zou komen met sterk intellectualistische, misschien introspectieve maar toch in elk geval beschouwende en eerder essayistische dan verbeeldingsrijke teksten. Ook mensen zoals ik met een vergelijkbare achtergrond in het boekenvak – journalistiek, kritiek, redacteur bij een literaire uitgeverij (alleen het ambassadeurschap bij het Fonds voor de Letteren ontbreekt in mijn conduitestaat) – kunnen blijkbaar het vooroordeel koesteren dat iemand met een dergelijk track record vooral over beschouwend en in veel mindere mate over scheppend talent beschikt.

Daarom verrasten die verhalen me ook in sterke mate. Al in het eerste verhaal dat ik las, ‘De stetson’ (in Diepe aarde is het uiteindelijk ergens halverwege terechtgekomen) kruipt de schrijver in de huid van een man. Sterker: in die van een nogal pedante kwast van middelbare leeftijd die het, kwasten eigen, ontzettend met zichzelf getroffen heeft en er nauwelijks mee lijkt zitten dat hij er een dubbelleven in de liefde op nahoudt. Maar de wraak – en misschien ook wel de wraak van de auteur – is zoet. De weinig gewetensvolle narcist krijgt zijn trekken thuis.

In een ander verhaal, ‘Persona’, in Diepe aarde is het de opening geworden, zag ik mezelf als lezer gedropt worden in een setting die sterk doet denken aan het begin van Short cuts, die adembenemende film van Robert Altman naar verhalen van Raymond Carver. Je voelt je in het zog van een camera over een terras meegesleurd worden waar allerlei mensen – vermoedelijk op een zondagochtend – van de zon, een drankje, de rust en een goed gesprek zitten te genieten. Ondertussen glijdt de camera langs al die tafeltjes, zoomt in op de personen die daar zitten en wat we te zien en te horen krijgen is te erg voor woorden: pijnlijk, gênant, schandalig, ja in een enkel geval mensonterend.

In nog weer een ander verhaal, ‘Kan het nog?’, treffen we een oudere, ietwat hitsige therapeute die sterk in de ban is van een cliënt met relatieproblemen die al heel lang bij haar komt. Maar de cliënt heeft – snappen wij lezers al gauw– zijn prioriteiten elders liggen. Minstens zo tenenkrommend van ongemak is het verhaal, getiteld ‘Jouw pijn’, over een gescheiden vrouw die met een vriendin van vroeger nog eens op vakantie gaat. Gaandeweg blijkt dat deze vriendin een nogal desastreuze invloed op haar leven heeft gehad. De titel refereert aan een vraag van haar therapeute (‘Maar hoe is het dan nu met jouw pijn?’). En misschien, bedenken we tijdens het lezen van de bundel, is dat dan wel die therapeute uit ‘Kan het nog?’.

IMG_0456.jpg

Ja, nu ik er eens goed over nadenk: er zit onthutsend veel fysiek gesop en getob in, en behoorlijk wat zompig en sleezy geseks. Maar ook, in al zijn aardse intimiteit, heel tedere seks. In het aangrijpende verhaal ‘De tent’, waarmee Diepe aarde afsluit, herinnert een stokoude vrouw zich een subliem ingehouden vrijpartij met haar man tijdens een vakantie in een tent – de kinderen slechts van dit alles gescheiden door een stuk tentdoek.

Maria Vlaar kan zich in de meest uiteenlopende personen en situaties verplaatsen. In een door gigantisch overgewicht volkomen immobiel geworden wetenschapper, in een man die gebukt gaat onder het psychisch en fysiek geweld van zijn vader waarmee hij als kind te maken had, in een al wat oudere vrouw, een plattelandsonderwijzeres, met een burn-out, of in een kunsthistoricus die lichtelijk van het padje is geraakt nadat hij achtereenvolgens zijn dochter en zijn geliefde aan een religieuze sekte verliest.

Maar ze kan zich ook indenken in een (met de nodige satire geschilderde) nabije toekomst waarin Nederland veranderd is in een populistische dictatuur waarin het (intellectuele) establishment van weleer wordt onderdrukt en vernederd door platte onderbuiktypes met veel revanchegevoelens. Dystopische toestanden, zoals dat tegenwoordig heet, treffen we ook aan in een paar andere verhalen zoals in dat bevreemdende verhaal van een ambitieuze Nederlandse vrouw die onderweg terug van vakantie in Frankrijk haar droomhuis (lees: spookhuis) ontdekt en het later (na allerlei vreselijke lotsbestemmingen waarin ze alles behalve zichzelf verliest) het schopt tot minister van onderwijs in een Nederland dat te boek staat als de laatste democratische regering van Europa – een setting die me enigszins deed denken aan Michel Houellebecqs Soumission. Houellebecq is zo’n naam die een paar keer in me op kwam tijdens het lezen van Diepe Aarde. Of Roald Dahl. Of David Grossman. Gek genoeg allemaal mannen, en dan ook nog eens types die ik eigenlijk nooit met Maria Vlaar geassocieerd zou hebben. Tot deze toch ontregelende lectuur dan.

Diepe aarde, dat moge duidelijk zijn, kent vele lagen, rijk en subtiel geschakeerd. Op het achterplat van de bundel staat iets soortgelijks: namelijk dat in deze verhalen ‘wordt blootgewoeld wat er beweegt onder de deklaag van het dagelijkse’. Om in de metaforiek van de geologie en het graven te blijven: dit is schrijven als een vorm van soulmining, een woord dat ongetwijfeld bij me opkwam omdat ik al een jaar of 35 in het bezit ben van het gelijknamige debuutalbum van de Britse new-waveband The The.

Maria Vlaar is niet voor één gat te vangen. Een avontuurlijk (voor)uitzicht, kortom, voor de aanstaande lezers.

IMG_0378.JPG

De schoonheid van de pijn en het vallen. Over ‘Pijn in het peloton’ van Pieter Cramer & Frans Bevers*

Hoewel de pelotons in het professionele wielrennen kleiner zijn geworden (acht in plaats negen renners per ploeg in de grote ronden en zeven in plaats van acht renners in de overige koersen) en er minder ongelukken lijken te gebeuren (in die zin hebben de maatregelen van de UCI misschien succes) wordt er nog steeds – en hard – gevallen in het hogeschoolwielrennen – en niet alleen in die echelons, voeg ik er maar snel aan toe. Want vallen hoort bij wielrennen, ja ook bij de wijze waarop een wielertoerist als ik het bedrijft, zoals een dronkenlap bij een groot feest.

Alleen al in die zin zal Pijn in het peloton, het boek van Pieter Cramer en Frans Bevers dat we hier vanmiddag presenteren, altijd actueel zijn. Kijk maar naar afgelopen voorjaar. Er viel weer heel wat pijn in het peloton te bespeuren. Neem die vérstrekkende uitglijder van Wout Poels toen deze – in een fase waarin hij de gedoodverfde favoriet was voor de eindoverwinning – tijdens de zesde etappe van Parijs-Nice in de bocht van een afdaling onderuitging en tegen een vangrail caramboleerde. Gebroken sleutelbeen, gekneusde borstkas. Weg voorjaar. Wie hem in de Giro aan het werk zag (zij het helaas voor Chris Froome en niet voor zichzelf) mocht constateren dat alle leed en pijn misschien ook weer ergens goed voor waren. Kon dat maar gezegd worden van de val van de Belgische wielrenner Abel Goolaerts in Parijs-Roubaix. Die sloeg op zondag 8 april jongstleden in de Hel van het Noorden op de kasseienstrook van Saint Python tegen de grond en bleef op zijn rug in de berm liggen. Voor dood. En niet veel later, onderweg naar het ziekenhuis van Lille, dood. Oorzaak: een hartstilstand. Voor alle duidelijkheid: hier was de val niet oorzaak maar gevolg. De vraag (met verwijzing naar de ondertitel van het boek) of dat dan ook een blessure is, moeten we misschien maar niet stellen. Peter Winnen schreef er het volgende over zijn column in de Volkskrant: ‘Hartfalen? Het zal de Dood een worst wezen wat de autopsie oplevert. Hij is ongenaakbaar en viert de overwinning in stilte.’

IMG_3082

Ik was lang geleden de redacteur van een bij De Arbeiderspers verschenen wielerroman van Pascal Kolkhuis Tanke, De gladiolen en de dood. Dat boek gaat over de angst van de wielrenner (van menige wielrenner, maar in dit geval heette die Aart Haring) voor het vallen. Het boek verwees overduidelijk naar de fatale dodelijke val van Fabio Casartelli in de afdaling van de Peyresourde in de Tour de France van 1995. We hielden het duizend kilometer van onze burelen ten doop in Lugano aan de vooravond van het WK 1996, in zoverre een toepasselijke locatie dat de roman zich afspeelt aan de vooravond van een WK op de weg. In die roman zitten we voortdurend in het hoofd van Haring en dat hoofd zit vol valangst: ‘Het is bijna een ritueel geworden. In die mysterieuze schemerzone tussen bewustzijn en diepe slaap rijd ik in op een barricade van gevallen renners. Het gekraak van fietsen op asfalt, het gekerm van renners en bovenal het gierende geluid van voluit aangeknepen remmen zorgen voor een laaiende angst. En telkens, op het moment waarop ik besef dat ik onmogelijk een valpartij zal kunnen vermijden, word ik met stuiptrekkingen wakker.’

Wollt ihr den totalen Sturz? Nee! En toch is vallen een raison d’être, ook als de angst om te vallen totaal afwezig is. De meeste renners zijn niet bang om te vallen. Maar met of zonder angst: er zal altijd gevallen worden. Vragen om het einde van het vallen (hetzelfde geldt voor pijn) is vragen om het einde van het wielrennen. Dat willen wij – wielrenners en wielerliefhebbers – natuurlijk helemaal niet. Wij willen alleen vallen met mate – en áls het dan moet: niet met een klap, maar mooi en zacht en hooguit een beetje jankend.

Het vallen moet iets betrekkelijks blijven. De absolute val is een doodzonde. In dat verband schieten mij een paar veelbetekenende regels van Gerrit Kouwenaar te binnen uit het gedicht ‘Le poète Y sur son lit de mort’: ‘Van alle maken is doodmaken/ wel het volmaaktste’. Deze regel legt een paradoxaal verband tussen creativiteit en destructie, tussen scheppen en vastleggen (in de zin ook van: er de beweging uithalen). En als uit iets levends de beweging moet worden gehaald dan moeten we wel spreken van ‘ombrengen’ of ‘vermoorden’. Of in het geval van een wielrenner: onherroepelijk ten val brengen. Toch laat die regel van Kouwenaar zich niet eenvoudig transcriberen naar het cyclisme: ‘Van alle vallen is doodvallen wel het volmaaktste’. Dit is een abjecte regel, en niet alleen omdat hij onethisch is of een boodschap bevat waar wij helemaal niet aan willen. De schoonheid én de betekenis van de regel van Kouwenaar zit in het drievoudige maken: maken, doodmaken, volmaken.

Kortom, en nu onherstelbaar verbeterd: ‘Van alle vallen is doodvallen wel het valste’. In deze zin is vallen nu juist (als een van de betekenissen van ‘vals’) verkeerd. En door de overtreffende trap (erger kan je niet vallen) ook totaal verkeerd. Een kapitale val dus.

Bevers_Cramer (c) Wouter le Duc_RVtot 01032021.jpg
Frans Bevers en Pieter Cramer. Portret: Wouter le Duc

Daar willen we ver bij wegblijven. Er ligt al pijn genoeg in het gewone vallen, zoals we in dit wonderschone boek kunnen lezen maar vooral ook zien op de schitterende, onthutsende, treffende foto’s (waarvan ook een heleboel, in twee katernen, in kleur) van Klaas Jan van der Weij en Wouter Roosenboom. Het wordt nu trouwens de hoogste tijd maar eens te melden dat het niet álleen maar over vallen gaat en de pijn die daarvan het gevolg is. De ondertitel van het boek van Cramer en Bevers luidt immers: ‘13 beruchte blessures bij wielrenners & meer ellende’. Die dertien blessures passeren van hoofd tot voeten de revue in Pijn in het peloton, en al lezende ontdek je (wat je natuurlijk ook allang wel wist) dat er ook nog zoiets bestaat als pijn en blessures door overbelasting, overtraining en algehele uitputting, dat er zoiets als mentale pijn en wielerzielenpijn is, dat er blessures voortkomen uit verkeerd afgestelde fietsen of verkeerd op de fiets zittende renners en dat er inwendig van alles mis kan gaan door al dat keiharde fietsen en ongelukkig daarop aansluitende diëten. Pieter Cramer en Frans Bevers hebben dat in kaart gebracht in een boek dat barst van expertise en eigen ondervindingen (beide zijn geharde en getrainde fietsers). Van research, onder meer in de vorm van 45 interviews met wielrenners en ex-wielrenners (m/v), ploegleiders, mecaniciens, masseurs, psychiaters, psychologen, artsen, fotografen, koersdirecteuren, motards, journalisten en andere directbetrokkenen. En dat boek is dan ook nog geschreven in een lichtvoetige en bij vlagen lyrische stijl (en danseuse) die niet onderdoet voor die van menige literaire schrijver. In samenhang met de al gememoreerde prachtige fotografie en dito vormgeving door Scherpontwerp (met name: Marc Koppen) levert dat een boek op waarin pijn en lijden esthetische categorieën worden. En nee, Jan Siebelink: niet per se als in jouw wielerboekendebuut Pijn is genot, dat veelzeggend genoeg begint ‘bij de meiskes van Sauna Diana’ waardoor die esthetiek meteen weer in een erotische, sadomasochistische context wordt geplaatst, al schuilt er (het zij gezegd) in sommige beelden die dit boek bevat beslist iets van een sintsebastianeske homo-erotiek.

De esthetiek van Pijn in het peloton is veelomvattender en autonomer, zo groot als het leven zelf.

vdh9789029510578.jpg

[*Deze tekst sprak ik uit bij de presentatie van Pijn in het peloton in de Verkadefabriek in Den Bosch op zondag 3 juni. De middag werd gepresenteerd door Bert Wagendorp. Op het podium sprak hij behalve met de auteurs en de uitgever ook met vier mensen die de auteurs voor hun boek uitvoerig interviewden: Lucien de Louw, Marieke van Wanroij, Maarten Ducrot en Alex Roeka, die ook een aantal van zijn wielerliederen ten gehore bracht. Het boek is tevens een ode aan alle gevallen (en anderszins geblesseerd geraakte) wielrenners. Ik droeg mijn eigen exemplaar op (en daarmee over) aan mijn vriend Wout Heslinga, die begin mei zeer zwaar ten val kwam en inmiddels werkt aan een (misschien langdurige maar hopelijke succesvolle) revalidatie.]

Blog op WordPress.com.

Omhoog ↑