Bij Stichting Perdu aan de Oudezijdsburgwal presenteerden we op een snikhete woensdagavond 30 mei het literaire debuut van Maria Vlaar, Diepe aarde, een verhalenbundel die een lezer flink van zijn stuk kan brengen. Ze werd gloedvol toegesproken door K. Michel, Piet Meeuse en Anneke Brassinga en toegetekend [sic!] door Jean-Marc van Tol. Daarna leidde ik het boek in en schonk Maria de eerste drie exemplaren aan haar kinderen Lucian, Darja en Emilia. Hieronder treft u mijn tekst aan.

Heel diep hoef ik niet te graven om me de eerste (en trouwens ook enige) confrontatie met Maria Vlaar te herinneren. Ze moet ergens tussen najaar 1995 en voorjaar 1996 hebben plaatsgevonden. We kenden elkaar nog niet goed, maar we kénden elkaar. Maria was redacteur bij De Bezige Bij en ik was dat sinds kort (na jaren in de literaire journalistiek) bij De Arbeiderspers.

In die tijd was in de literaire uitgeverswereld het volgende gebod nog onverkort van kracht: ‘Gij zult geen schrijvers van andere uitgevershuizen begeren laat staan dat gij hun oneerbare voorstellen zult doen.’ Ik heb mij gedurende mijn hele loopbaan in de uitgeverij grotendeels (de moraal van een in katholieke zuidelijke contreien opgegroeid persoon is rekbaar) aan dat gebod gehouden.

Maar toen – misschien in een vlaag van jeugdige overmoed, misschien uit relatieve onervarenheid, misschien om voor mezelf aan te tonen dat ook ik op schokkende wijze een gehaaide literaire struikrover kon zijn – was ineens het ontembare verlangen in mij opgekomen de eminente essayist Piet Meeuse om een boek te vragen. Ik weet bij god niet meer wat ik hem gevraagd heb, maar het ging om iets specifieks, iets eenmaligs. Piet Meeuse was immers fondsauteur bij De Bezige Bij. En als dat rode hoofd van Albert Voster in paroxistische woede om mijn vlerkerige brutaliteit nog roder zou worden, kon ik, zo nam ik me voor, altijd tegenwerpen: ‘Maar meneer Voster, ik wil Piet alleen maar voor één keer van u huren!’

IMG_0329.jpg

Albert Voster kwam helemaal niet in beeld. Ik had buiten Maria Vlaar gerekend! Zij was het die na een paar dagen – wellicht nadat Piet zich enigszins bedremmeld bij Maria had gemeld met dat briefje van me in handen en de vraag wat hij daarmee aan moest of mocht – op hoge poten op me af stormde. Ik weet niet meer precies – ik moet dat hebben verdrongen – of die hoge poten per telefoon of per brief dan wel stampend over de traptreden van Singel 262 mijn kant op kwamen, maar de onverbiddelijke teneur was toch wel of ik voortaan met mijn tengels van haar auteur (en bij uitbreiding, geldend tot diep in een volgende eeuw: ál haar auteurs) wilde afblijven.

Ik kon niet anders dan in het stof bijten en mijn excuses maken. En daarmee was de kous ook af. Onze relatie heeft het niet blijvend bekoeld. Het was zand erover – en misschien bij Maria ook nog een laag kiezels en ondoordringbare klei – en dat was dat. Wij zijn elkaar in de jaren daarna veel blijven zien en spreken, ook (zij het veel later pas) over literair werk dat ze her en der publiceerde, zoals bij voorbeeld naar aanleiding van ‘Het pijngeheugen’, een essay dat ze in Terras (de erfgenaam van Raster) publiceerde.

Achteraf moet ik zeggen dat ik Maria Vlaar na al die jaren en ontmoetingen nog niet goed genoeg kende. Toen ik met haar begon te praten over eigen werk, over het publiceren van eigen werk – ook nog toen ze me verteld had dat ze verhalen, fictie dus, aan het schrijven was – dacht ik dat ze zou komen met sterk intellectualistische, misschien introspectieve maar toch in elk geval beschouwende en eerder essayistische dan verbeeldingsrijke teksten. Ook mensen zoals ik met een vergelijkbare achtergrond in het boekenvak – journalistiek, kritiek, redacteur bij een literaire uitgeverij (alleen het ambassadeurschap bij het Fonds voor de Letteren ontbreekt in mijn conduitestaat) – kunnen blijkbaar het vooroordeel koesteren dat iemand met een dergelijk track record vooral over beschouwend en in veel mindere mate over scheppend talent beschikt.

Daarom verrasten die verhalen me ook in sterke mate. Al in het eerste verhaal dat ik las, ‘De stetson’ (in Diepe aarde is het uiteindelijk ergens halverwege terechtgekomen) kruipt de schrijver in de huid van een man. Sterker: in die van een nogal pedante kwast van middelbare leeftijd die het, kwasten eigen, ontzettend met zichzelf getroffen heeft en er nauwelijks mee lijkt zitten dat hij er een dubbelleven in de liefde op nahoudt. Maar de wraak – en misschien ook wel de wraak van de auteur – is zoet. De weinig gewetensvolle narcist krijgt zijn trekken thuis.

In een ander verhaal, ‘Persona’, in Diepe aarde is het de opening geworden, zag ik mezelf als lezer gedropt worden in een setting die sterk doet denken aan het begin van Short cuts, die adembenemende film van Robert Altman naar verhalen van Raymond Carver. Je voelt je in het zog van een camera over een terras meegesleurd worden waar allerlei mensen – vermoedelijk op een zondagochtend – van de zon, een drankje, de rust en een goed gesprek zitten te genieten. Ondertussen glijdt de camera langs al die tafeltjes, zoomt in op de personen die daar zitten en wat we te zien en te horen krijgen is te erg voor woorden: pijnlijk, gênant, schandalig, ja in een enkel geval mensonterend.

In nog weer een ander verhaal, ‘Kan het nog?’, treffen we een oudere, ietwat hitsige therapeute die sterk in de ban is van een cliënt met relatieproblemen die al heel lang bij haar komt. Maar de cliënt heeft – snappen wij lezers al gauw– zijn prioriteiten elders liggen. Minstens zo tenenkrommend van ongemak is het verhaal, getiteld ‘Jouw pijn’, over een gescheiden vrouw die met een vriendin van vroeger nog eens op vakantie gaat. Gaandeweg blijkt dat deze vriendin een nogal desastreuze invloed op haar leven heeft gehad. De titel refereert aan een vraag van haar therapeute (‘Maar hoe is het dan nu met jouw pijn?’). En misschien, bedenken we tijdens het lezen van de bundel, is dat dan wel die therapeute uit ‘Kan het nog?’.

IMG_0456.jpg

Ja, nu ik er eens goed over nadenk: er zit onthutsend veel fysiek gesop en getob in, en behoorlijk wat zompig en sleezy geseks. Maar ook, in al zijn aardse intimiteit, heel tedere seks. In het aangrijpende verhaal ‘De tent’, waarmee Diepe aarde afsluit, herinnert een stokoude vrouw zich een subliem ingehouden vrijpartij met haar man tijdens een vakantie in een tent – de kinderen slechts van dit alles gescheiden door een stuk tentdoek.

Maria Vlaar kan zich in de meest uiteenlopende personen en situaties verplaatsen. In een door gigantisch overgewicht volkomen immobiel geworden wetenschapper, in een man die gebukt gaat onder het psychisch en fysiek geweld van zijn vader waarmee hij als kind te maken had, in een al wat oudere vrouw, een plattelandsonderwijzeres, met een burn-out, of in een kunsthistoricus die lichtelijk van het padje is geraakt nadat hij achtereenvolgens zijn dochter en zijn geliefde aan een religieuze sekte verliest.

Maar ze kan zich ook indenken in een (met de nodige satire geschilderde) nabije toekomst waarin Nederland veranderd is in een populistische dictatuur waarin het (intellectuele) establishment van weleer wordt onderdrukt en vernederd door platte onderbuiktypes met veel revanchegevoelens. Dystopische toestanden, zoals dat tegenwoordig heet, treffen we ook aan in een paar andere verhalen zoals in dat bevreemdende verhaal van een ambitieuze Nederlandse vrouw die onderweg terug van vakantie in Frankrijk haar droomhuis (lees: spookhuis) ontdekt en het later (na allerlei vreselijke lotsbestemmingen waarin ze alles behalve zichzelf verliest) het schopt tot minister van onderwijs in een Nederland dat te boek staat als de laatste democratische regering van Europa – een setting die me enigszins deed denken aan Michel Houellebecqs Soumission. Houellebecq is zo’n naam die een paar keer in me op kwam tijdens het lezen van Diepe Aarde. Of Roald Dahl. Of David Grossman. Gek genoeg allemaal mannen, en dan ook nog eens types die ik eigenlijk nooit met Maria Vlaar geassocieerd zou hebben. Tot deze toch ontregelende lectuur dan.

Diepe aarde, dat moge duidelijk zijn, kent vele lagen, rijk en subtiel geschakeerd. Op het achterplat van de bundel staat iets soortgelijks: namelijk dat in deze verhalen ‘wordt blootgewoeld wat er beweegt onder de deklaag van het dagelijkse’. Om in de metaforiek van de geologie en het graven te blijven: dit is schrijven als een vorm van soulmining, een woord dat ongetwijfeld bij me opkwam omdat ik al een jaar of 35 in het bezit ben van het gelijknamige debuutalbum van de Britse new-waveband The The.

Maria Vlaar is niet voor één gat te vangen. Een avontuurlijk (voor)uitzicht, kortom, voor de aanstaande lezers.

IMG_0378.JPG

Advertenties