Hoewel de pelotons in het professionele wielrennen kleiner zijn geworden (acht in plaats negen renners per ploeg in de grote ronden en zeven in plaats van acht renners in de overige koersen) en er minder ongelukken lijken te gebeuren (in die zin hebben de maatregelen van de UCI misschien succes) wordt er nog steeds – en hard – gevallen in het hogeschoolwielrennen – en niet alleen in die echelons, voeg ik er maar snel aan toe. Want vallen hoort bij wielrennen, ja ook bij de wijze waarop een wielertoerist als ik het bedrijft, zoals een dronkenlap bij een groot feest.

Alleen al in die zin zal Pijn in het peloton, het boek van Pieter Cramer en Frans Bevers dat we hier vanmiddag presenteren, altijd actueel zijn. Kijk maar naar afgelopen voorjaar. Er viel weer heel wat pijn in het peloton te bespeuren. Neem die vérstrekkende uitglijder van Wout Poels toen deze – in een fase waarin hij de gedoodverfde favoriet was voor de eindoverwinning – tijdens de zesde etappe van Parijs-Nice in de bocht van een afdaling onderuitging en tegen een vangrail caramboleerde. Gebroken sleutelbeen, gekneusde borstkas. Weg voorjaar. Wie hem in de Giro aan het werk zag (zij het helaas voor Chris Froome en niet voor zichzelf) mocht constateren dat alle leed en pijn misschien ook weer ergens goed voor waren. Kon dat maar gezegd worden van de val van de Belgische wielrenner Abel Goolaerts in Parijs-Roubaix. Die sloeg op zondag 8 april jongstleden in de Hel van het Noorden op de kasseienstrook van Saint Python tegen de grond en bleef op zijn rug in de berm liggen. Voor dood. En niet veel later, onderweg naar het ziekenhuis van Lille, dood. Oorzaak: een hartstilstand. Voor alle duidelijkheid: hier was de val niet oorzaak maar gevolg. De vraag (met verwijzing naar de ondertitel van het boek) of dat dan ook een blessure is, moeten we misschien maar niet stellen. Peter Winnen schreef er het volgende over zijn column in de Volkskrant: ‘Hartfalen? Het zal de Dood een worst wezen wat de autopsie oplevert. Hij is ongenaakbaar en viert de overwinning in stilte.’

IMG_3082

Ik was lang geleden de redacteur van een bij De Arbeiderspers verschenen wielerroman van Pascal Kolkhuis Tanke, De gladiolen en de dood. Dat boek gaat over de angst van de wielrenner (van menige wielrenner, maar in dit geval heette die Aart Haring) voor het vallen. Het boek verwees overduidelijk naar de fatale dodelijke val van Fabio Casartelli in de afdaling van de Peyresourde in de Tour de France van 1995. We hielden het duizend kilometer van onze burelen ten doop in Lugano aan de vooravond van het WK 1996, in zoverre een toepasselijke locatie dat de roman zich afspeelt aan de vooravond van een WK op de weg. In die roman zitten we voortdurend in het hoofd van Haring en dat hoofd zit vol valangst: ‘Het is bijna een ritueel geworden. In die mysterieuze schemerzone tussen bewustzijn en diepe slaap rijd ik in op een barricade van gevallen renners. Het gekraak van fietsen op asfalt, het gekerm van renners en bovenal het gierende geluid van voluit aangeknepen remmen zorgen voor een laaiende angst. En telkens, op het moment waarop ik besef dat ik onmogelijk een valpartij zal kunnen vermijden, word ik met stuiptrekkingen wakker.’

Wollt ihr den totalen Sturz? Nee! En toch is vallen een raison d’être, ook als de angst om te vallen totaal afwezig is. De meeste renners zijn niet bang om te vallen. Maar met of zonder angst: er zal altijd gevallen worden. Vragen om het einde van het vallen (hetzelfde geldt voor pijn) is vragen om het einde van het wielrennen. Dat willen wij – wielrenners en wielerliefhebbers – natuurlijk helemaal niet. Wij willen alleen vallen met mate – en áls het dan moet: niet met een klap, maar mooi en zacht en hooguit een beetje jankend.

Het vallen moet iets betrekkelijks blijven. De absolute val is een doodzonde. In dat verband schieten mij een paar veelbetekenende regels van Gerrit Kouwenaar te binnen uit het gedicht ‘Le poète Y sur son lit de mort’: ‘Van alle maken is doodmaken/ wel het volmaaktste’. Deze regel legt een paradoxaal verband tussen creativiteit en destructie, tussen scheppen en vastleggen (in de zin ook van: er de beweging uithalen). En als uit iets levends de beweging moet worden gehaald dan moeten we wel spreken van ‘ombrengen’ of ‘vermoorden’. Of in het geval van een wielrenner: onherroepelijk ten val brengen. Toch laat die regel van Kouwenaar zich niet eenvoudig transcriberen naar het cyclisme: ‘Van alle vallen is doodvallen wel het volmaaktste’. Dit is een abjecte regel, en niet alleen omdat hij onethisch is of een boodschap bevat waar wij helemaal niet aan willen. De schoonheid én de betekenis van de regel van Kouwenaar zit in het drievoudige maken: maken, doodmaken, volmaken.

Kortom, en nu onherstelbaar verbeterd: ‘Van alle vallen is doodvallen wel het valste’. In deze zin is vallen nu juist (als een van de betekenissen van ‘vals’) verkeerd. En door de overtreffende trap (erger kan je niet vallen) ook totaal verkeerd. Een kapitale val dus.

Bevers_Cramer (c) Wouter le Duc_RVtot 01032021.jpg
Frans Bevers en Pieter Cramer. Portret: Wouter le Duc

Daar willen we ver bij wegblijven. Er ligt al pijn genoeg in het gewone vallen, zoals we in dit wonderschone boek kunnen lezen maar vooral ook zien op de schitterende, onthutsende, treffende foto’s (waarvan ook een heleboel, in twee katernen, in kleur) van Klaas Jan van der Weij en Wouter Roosenboom. Het wordt nu trouwens de hoogste tijd maar eens te melden dat het niet álleen maar over vallen gaat en de pijn die daarvan het gevolg is. De ondertitel van het boek van Cramer en Bevers luidt immers: ‘13 beruchte blessures bij wielrenners & meer ellende’. Die dertien blessures passeren van hoofd tot voeten de revue in Pijn in het peloton, en al lezende ontdek je (wat je natuurlijk ook allang wel wist) dat er ook nog zoiets bestaat als pijn en blessures door overbelasting, overtraining en algehele uitputting, dat er zoiets als mentale pijn en wielerzielenpijn is, dat er blessures voortkomen uit verkeerd afgestelde fietsen of verkeerd op de fiets zittende renners en dat er inwendig van alles mis kan gaan door al dat keiharde fietsen en ongelukkig daarop aansluitende diëten. Pieter Cramer en Frans Bevers hebben dat in kaart gebracht in een boek dat barst van expertise en eigen ondervindingen (beide zijn geharde en getrainde fietsers). Van research, onder meer in de vorm van 45 interviews met wielrenners en ex-wielrenners (m/v), ploegleiders, mecaniciens, masseurs, psychiaters, psychologen, artsen, fotografen, koersdirecteuren, motards, journalisten en andere directbetrokkenen. En dat boek is dan ook nog geschreven in een lichtvoetige en bij vlagen lyrische stijl (en danseuse) die niet onderdoet voor die van menige literaire schrijver. In samenhang met de al gememoreerde prachtige fotografie en dito vormgeving door Scherpontwerp (met name: Marc Koppen) levert dat een boek op waarin pijn en lijden esthetische categorieën worden. En nee, Jan Siebelink: niet per se als in jouw wielerboekendebuut Pijn is genot, dat veelzeggend genoeg begint ‘bij de meiskes van Sauna Diana’ waardoor die esthetiek meteen weer in een erotische, sadomasochistische context wordt geplaatst, al schuilt er (het zij gezegd) in sommige beelden die dit boek bevat beslist iets van een sintsebastianeske homo-erotiek.

De esthetiek van Pijn in het peloton is veelomvattender en autonomer, zo groot als het leven zelf.

vdh9789029510578.jpg

[*Deze tekst sprak ik uit bij de presentatie van Pijn in het peloton in de Verkadefabriek in Den Bosch op zondag 3 juni. De middag werd gepresenteerd door Bert Wagendorp. Op het podium sprak hij behalve met de auteurs en de uitgever ook met vier mensen die de auteurs voor hun boek uitvoerig interviewden: Lucien de Louw, Marieke van Wanroij, Maarten Ducrot en Alex Roeka, die ook een aantal van zijn wielerliederen ten gehore bracht. Het boek is tevens een ode aan alle gevallen (en anderszins geblesseerd geraakte) wielrenners. Ik droeg mijn eigen exemplaar op (en daarmee over) aan mijn vriend Wout Heslinga, die begin mei zeer zwaar ten val kwam en inmiddels werkt aan een (misschien langdurige maar hopelijke succesvolle) revalidatie.]

Advertenties