Zoeken

Nijssen Schrijft

Over boeken, schrijvers, sport, cultuur, het dagelijks leven (en af en toe mijzelf)

Maand

juli 2018

De lange aanloop naar een grote bocht

‘Ik weet nog wel wat anders,’ zei hij.

Wat hij daarna zei en aldus aan me voorlegde moest ik even tot me laten doordringen, want daarvoor was ik niet bij hem gekomen. Ik was voor het schrijven van een boek gekomen. In het vroege voorjaar van 1995 had ik op papier een plan uitgewerkt (tegenwoordig heet zoiets een proposal en daarmee ga je naar een literair agent) voor een boek over mijn hartstocht voor de wielersport, en dan met name voor de Tour de France. Ik had mij voorgenomen een reis te maken – een soort grand tour zoals welgestelde jongeren die in vroeger eeuwen maakten ter voltooiing van hun opvoeding en als rite de passage naar volwassenheid en een maatschappelijke loopbaan – langs mythische plekken van de Tour, ook wel een beetje om te kunnen nagaan waar die wielerpassie vandaan kwam. Naar het voorbeeld van Claudio Magris’ Donau, dat ik in de zomer van 1989 had meegenomen op een reis door Midden-Europa en dat mij buitengewoon geïnspireerd had, wilde ik een boek schrijven (werktitel De grote bocht, refererend aan de bijnaam van de Tour, die weer verwijst naar de grote lus die de wedstrijd meestal door Frankrijk maakt) dat behalve wieler- en reisboek ook (cultuur)geschiedenis en autobiografie zou kunnen zijn.

Toen ik met Ronald Dietz, uitgeefdirecteur van De Arbeiderspers en zelf wielerliefhebber, over mijn plannen te spreken kwam, aarzelde hij niet en nodigde hij mij uit om er op de uitgeverij eens uitgebreider over te komen praten. Dat boek wilde hij misschien wel uitgeven. Ik stuurde hem mijn plan en maakte een afspraak voor een bezoek. De uitkomst van dat alles was niet dat hij dat boek niet meer zag zitten – dat kon ik nog altijd schrijven, oreerde hij –, maar dat hij nog iets anders wist.

‘Wat dan?’
‘Moet jij hier niet redacteur worden?’
‘Eh…’
‘En denk erom: het schip vaart maar één keer voorbij.’

Dat was niet veel minder dan een dreigement, maar hij stond me gelukkig toe er nog een nachtje over te slapen. Redacteur worden bij een gerenommeerde literaire uitgeverij was wel degelijk iets wat ik ambieerde. Alleen: hoe moest dat dan met de schrijverij? Als ik daar nu mee zou stoppen, zou die loopbaan gesmoord worden in niet veel meer dan wat literaire schijnbewegingen. Maar de volgende ochtend dacht ik: ‘Als ik dat redacteurschap niet leuk vind, dan stop ik er toch gewoon weer mee.’ Met woorden van die strekking liet ik Ronald Dietz  weten dat ik wel op die (door mij op dat moment als volstrekt zeewaardig beoordeelde literaire) oceaanlijner van hem wilde scheepgaan. Aldus werd ik in de zomer acquirerend redacteur van Uitgeverij De Arbeiderspers. En de rest is geschiedenis, heet het dan. Maar dat is een bedroevend cliché. De rest is, om even iets te noemen, uitgelopen op meer dan een half werkzaam leven in de literaire uitgeverij. En de rest is bovendien een verhaal dat veelbewogen genoeg is om er een vierdelig epos aan te wijden. Maar zover ben ik nog niet.

IMG_3249.jpg

‘Het schip vaart maar een keer voorbij.’ Ik had er toen nog geen flauwe notie van dat Dietz al snel daarna op apocalyptische toon begon rond te bazuinen – zelfs toen al, in die achteraf bezien gouden jaren van het boekindustrie – dat we zesbaksduwvaarten nodig hadden om te voorkomen dat onze afzet zou stagneren in de flessenhalzen die de in zijn ogen inerte boekhandels waren geworden, maar wat ik al helemaal niet had kunnen en durven voorzien is dat ik ruim drieëntwintig jaar later nog steeds op die (mettertijd drastisch afgeslankte) oceaanlijner zou vertoeven die inmiddels heel wat zwaar weer te verduren had gehad.

Ik wist al vroeg wat ik wilde worden. Ik wilde schrijver worden. Iemand die in kranten of die boeken schreef. En ik wilde veel weten, maar ik wist toen nog niet genoeg om te weten dat je dan eigenlijk intellectueel wilde worden. Pas later wilde ik ook nog gedurende korte tijd wielrenner worden, maar daar staken mijn ouders een stokje voor. Die vreesden dat dat ten koste van mijn studie zou gaan (ze zagen, misschien terecht, het schrikbeeld voor zich van een jongen die zich niets ontziend op dat fietsen zou toeleggen) en dat ik zou belanden in kringen van laag allooi (het vooroordeel dat wielrenners uitsluitend uit de heffe des volks voortkwamen) en binnen de kortste keren gedrogeerd door het peloton zou zwalken.

Intussen (nou ja, zeg maar gerust in de loop van vele jaren) had De grote bocht in mijn hoofd langzaam toch een paar afslagen genomen. Het idee om een route in de vorm van een min of meer complete ronde te construeren langs een aantal mythische plekken liet ik los om daarvoor in de plaats een parcours te willen gaan volgen dat ook in werkelijkheid (etappe na etappe) zo was verreden, en wel die van 1970. Niet alleen omdat die Tour de France in 2020 exact vijftig jaar geleden verreden werd en daarom maf genoeg extra in de aandacht komt te staan maar ook – en veel belangrijker – omdat dit de ronde was die ik, nog net geen negen jaar oud, van begin tot eind vanuit bed volgde. Heel die zomer lang, van begin juni tot begin augustus, was ik geveld door geelzucht. Ik herinner me de lusteloosheid en het (een zeker voor een kind) moeilijk te duiden gevoel van melancholie die me overvielen en die ik toeschreef aan de benauwende zomerhitte. En ik herinner me ook – nadat ik koorts kreeg en duidelijk werd dat het om geelzucht ging – de ontstellende vermoeidheid die aanvankelijk zo groot was dat ik nauwelijks op mijn benen kon staan. Om precies te zijn ging het om het uiterst besmettelijke hepatitis A (een epidemie onder kinderen eind jaren zestig, begin jaren zeventig) waardoor ik ook min of meer in quarantaine moest worden gehouden. Het isolement en de bedlegerigheid maakten dat ik maar een paar dingen kon doen om mezelf bezig te houden: lezen (heel veel lezen) en op de radio naar de Tour luisteren. Een zwartwit televisie stond beneden in de woonkamer, maar daar mocht ik me pas na enige tijd, en dan nog alleen in de weekends, een korte poos vertonen. Zo heb ik herinneringen aan beeldreportages van weekendetappes die de Deen Mogens Frey (hij versloeg de Portugees Joaquin Agostinho) en een week daarna Rini Wagtmans en Albert van Vlierberghe wonnen.

Later, veel later ben ik ben me ervan bewust geworden dat zo’n periode van langdurige ziekte als kind misschien wel vormend kan zijn voor een mens. En als ik dan toch met vergelijkingen kom, dan maar met grote voorbeelden: Alberto Moravia (tuberculose) en Marcel Proust (astma) maar ook James Joyce en Franz Kafka schreven hun wording als schrijver ten dele toe aan (al dan niet jeugdige) ziekte en bedlegerigheid. Wat ik me dus afvraag: of er in mijn geval een verband bestaat tussen wat ik die zomer heb doorstaan en wie ik geworden ben. Is er een link te leggen tussen mijn geelzucht en het feit dat ik een lezer, een schrijver en een wielerliefhebber ben geworden? Dat ik in de literaire wereld ben gaan werken? Ik zou dat graag willen onderzoeken door dat boek, De grote bocht 2.0, alsnog te gaan schrijven. Die mogelijkheid ga ik benutten. Ik maak, voor het eerst in de drieëntwintig jaar dat ik in de uitgeverij werk, gebruik van de gelegenheid tot het nemen van een sabbatical of (als dat een beter woord is) een forse periode van verlof. Pas eind november keer ik terug op kantoor. Vanaf eind augustus ga ik de Tour de France 1970 nareizen, zoveel mogelijk over het parcours dat voor die (zevenenvijftigste) editie was uitgezet. Een traject dat, beginnend in Limoges, grofweg via de Vendée, Bretagne, Normandië, Noord-Frankrijk, een stukje België en Duitsland naar de Vogezen afzakte om vervolgens via de Alpen, de Provence (Mont Ventoux!) en de Midi naar de Pyreneeën te gaan, waarna via Bordeaux en Tours comme toujours in Parijs werd aangekomen.

Peter Nijssen. Foto: Abdelkader Benali

Het boek dat dit moet gaan opleveren zal – als het er al komt – om elke schijn van belangenverstrengeling te vermijden, niet bij De Arbeiderspers verschijnen. En het zal – hoewel mij dit inmiddels al van verschillende kanten gesuggereerd is – ook niet Geelzucht, gaan heten, ook al is dat een woord dat perfect zowel de passie voor het fietsen als het lijden van de ziekte zou dekken. Er is al een hele serie wielerboeken (onder redactie van Patrick Cornillie) met die titel. Nee, er zal vast een betere titel komen voor De grote bocht 2.0.

Maar voor het zover is ga ik eerst meer eens naar de echte, actuele Tour. Hoe vaak heb ik niet langs de kant gestaan om de karavaan voorbij te zien trekken of bij de start van een etappe of een proloog? Ik was in Scheveningen, Bastenaken, Leiden, Gronsveld, Antwerpen, op de Mont Cenis, in Valkenburg, Rotterdam, Utrecht en ongetwijfeld op nog een paar plekken die ik nu vergeet, maar in de Tourkaravaan verkeerd, er deel van uit gemaakt, heb ik nooit. Daarin komt spoedig verandering. Komende zondag sluit ik me in de kasseienetappe naar Roubaix aan bij Jeroen Wielaert (deze weken dagelijks te volgen met geschreven en gesproken blogs op de websites van HP/De Tijd en Tout de France). De rustdag op maandag gebruiken we om door te reizen naar Annecy, waar we vanaf dinsdag de Alpenetappes gaan volgen. Tot in de rit naar Valence, waarin de renners de Alpen achter zich laten, zal ik Jeroen (‘Mijn Citroen DS 4 heeft inmiddels de sticker Presse 1111 op de voorruit) geaccrediteerd en wel  vergezellen als bijrijder en embedded schrijver. Ik zal notities maken en binnenkort (met behulp daarvan) opnieuw van me laten horen op deze blog. Vive le Tour!

Advertenties

De avond is nog lang: over de nieuwe roman van Anna Enquist

Het jaar was koud begonnen of het werd al zonneklaar dat Anna Enquist een nieuwe roman zo goed als af had. Hartverwarmend nieuws in donkere dagen. We rekenden uit dat dat boek – Want de avond getiteld – nog voor de zomer zou kunnen verschijnen. Dan hadden de mensen toch weer iets leuks om te lezen tijdens de vakantie. Nou ja leuk, dat stond nog maar te bezien en dat was, Enquist kennende, misschien niet de meest adequate omschrijving. Maar met enige zekerheid hadden we wel iets te bieden dat de mensen kon raken of waarin ze zichzelf zouden herkennen en dat aanleiding zou kunnen zijn tot zinvolle contemplatie. En het liefst véél mensen. Met die dingen houd je rekening als uitgever, al was het maar omdat je uit welbegrepen eigenbelang ook zelf prettig op vakantie kunt als je hele horden begerig kunt maken naar een boek. Vele jaren geleden sprak ik Joost Nijsen van Uitgeverij Podium eens vlak na de zomer op de Uitmarkt. Hij had dat jaar een megabestseller met Komt een vrouw bij de dokter van Kluun en was net terug van een waanzinnig dure en luxe vakantie aan de Amerikaanse Westkust. Lag hij daar aan het strand en viel hij gedurig weg in dutjes van een minuutje of tien. En telkens als hij daaruit ontwaakte die opbeurende gedachte: ‘Zo, weer een paar honderd Kluuns verkocht!’ Nee, chic is het niet, zo’n confessie, maar wel jaloersmakend begrijpelijk.)

Anna Enquist
Anna Enquist (foto: Bianca Sistermans)

Los van die vuige reden, leek het ons ook wel toepasselijk om een boek dat Want de avond heet en toch een zekere melancholie impliceert om het morte saison van een levensfase die stilaan richting winter strompelt nu juist te laten verschijnen rond het solstitium aan deze zijde van het jaar: de zomerzonnewende, de dagen rond de langste dag als alles is vergeven van licht en alles tiert en woekert van leven. De schrijfster van Want de avond mag dan volledig doordrongen zijn van haar herfst (of althans in die waan verkeren) en geen gelegenheid onbenut laten om erop te wijzen dat haar levensfase (en trouwens in één moeite door de hele toestand in de wereld) gelijkstaat aan neergang, afbraak, verlies, krachteloosheid en moedeloosheid: ik voel mij geroepen te wijzen op een paradox in deze voorstelling van zaken. Herinnert u zich, om te beginnen, nog de commotie die ontstond toen het indertijd spraakmakende maandblad Opzij wist te melden dat Anna Enquist ging stoppen met schrijven? Zomer 2008 was dat, tien jaar geleden, kort na de verschijning van de roman Contrapunt. Maar die gedachte bleek gebaseerd op enkele volledig uit hun context gelichte uitspraken in een interview. De kritiek op dat staaltje rampzalig hineininterpretieren in diverse andere media was dan ook fors: ‘Er spreekt weinig begrip uit voor het wezen van het schrijverschap: het komt immers vaak voor dat een auteur na het voltooien van een boek niet meteen het volgende boek op het netvlies heeft staan. Bovendien is een schrijver geen voetballer. Schrijvers kondigen zelden het einde van hun carrière aan en nemen geen afscheid in een overvol stadion.’

Zo is het maar net. Anna Enquist oud en der dagen zat, gestopt met schrijven? Mooi niet. Weinig auteurs waren sindsdien productiever dan Anna Enquist. De afgelopen tien jaar verscheen van haar respectievelijk de dichtbundel Nieuws van nergens, een boek vol monologen en portretten onder de titel Twaalf keer tucht, de cd De uittocht (muziek en teksten) samen met Ivo Janssen, de roman De verdovers, de voetbalbundel Kool!, een nieuwe aangevulde editie van haar verzamelde poëzie Gedichten 1991-2012, het poëzieweekgeschenk Een kooi van klank, de roman Kwartet, de dichtbundel Hoor de stad en – iets meer dan een jaar geleden (velen van u stonden hier toen ook om de verschijning ervan te vieren) Een tuin in de winter, de Privé-domein met haar herinneringen aan Gerrit Kouwenaar. Ik zeg zonder enige overdrijving dat er heel wat schrijvers zijn die zouden tekenen voor de productie van alleen al dat oeuvre gedurende een heel leven. Laten we ons bovendien realiseren dat die elf titels van de laatste tien jaren zijn geschreven terwijl er kleinkinderen werden geboren (die veel verstrooiende vreugde met zich meebrachten en op wie intensief gepast werd), er (tot op de dag van vandaag) een psychotherapeutische praktijk werd aangehouden en er in al die jaren ook nog veel werd gemusiceerd en opgetreden. Van wegdommelen achter uitgebloeide geraniums of mokkend en vergeetachtig naar de achterdeur sjokken is geen sprake. Lees die zo nu en dan bijna jubelend vrolijke gedichten uit Hoor de stad of lees het verrassende einde van Want de avond. Het valt onmogelijk vol te houden dat het werk van Enquist alleen maar in mineur geschreven staat, ook niet als ze dat zelf beweert.

In het schrijversleven van Anna Enquist is het onverminderd hoogzomer. Er zijn vandaag de dag nog maar weinig schrijvers van wie we bij verschijning van een nieuwe titel meteen zulke aantallen naar de winkels verslepen. En er zijn nog minder schrijvers van wie we de vertaalrechten van een boek (in dit geval heb ik het over Want de avond) nog voor het boek in de winkel ligt al hebben verkocht aan gerenommeerde buitenlandse uitgevers als Luchterhand (in Duitsland) en het tot voor kort door de huidige minister van cultuur, Françoise Nyssen, geleide Actes Sud (in Frankrijk). En daarom trekken we ons vooral niets aan van wat Anna Enquist eergisteren in Het Parool zei in een interview van Marjolijn de Cocq: ‘Die laatste levensfase, eigenlijk zou je daarover moeten schrijven. Maar dat is zo deprimerend. Ik weet niet of ik daar zin in heb. Ouder worden is verschrikkelijk. Al die boeken over “lachend tachtig worden”, die zie ik meer als collectieve afweer. Het is gewoon afzien. Er is ontzettend veel verlies. Mensen om je heen vallen weg en als je pech hebt krijg je ook nog fysieke ellende. Ik zie niet dat ik daar nou een boek over zou moeten schrijven. Bovendien: ik heb de afgelopen jaren zoveel gedaan. […] Nu maar weer een beetje regelmatig piano spelen.’ Ja, wacht even. Piano spelen. Zo zijn we niet getrouwd! Niks piano spelen. Als je niet over ouder worden wil schrijven, schrijf je maar over iets anders. Afzien is goed voor een mens en als je geen zin hebt dan maak je maar zin. Anna Enquist moet en zal, weer of geen weer, vrolijk verder schrijven.

Anna Enquist - Want de avond - Cover.jpg

Maak een gratis website of blog op WordPress.com.

Omhoog ↑