‘Ik weet nog wel wat anders,’ zei hij.

Wat hij daarna zei en aldus aan me voorlegde moest ik even tot me laten doordringen, want daarvoor was ik niet bij hem gekomen. Ik was voor het schrijven van een boek gekomen. In het vroege voorjaar van 1995 had ik op papier een plan uitgewerkt (tegenwoordig heet zoiets een proposal en daarmee ga je naar een literair agent) voor een boek over mijn hartstocht voor de wielersport, en dan met name voor de Tour de France. Ik had mij voorgenomen een reis te maken – een soort grand tour zoals welgestelde jongeren die in vroeger eeuwen maakten ter voltooiing van hun opvoeding en als rite de passage naar volwassenheid en een maatschappelijke loopbaan – langs mythische plekken van de Tour, ook wel een beetje om te kunnen nagaan waar die wielerpassie vandaan kwam. Naar het voorbeeld van Claudio Magris’ Donau, dat ik in de zomer van 1989 had meegenomen op een reis door Midden-Europa en dat mij buitengewoon geïnspireerd had, wilde ik een boek schrijven (werktitel De grote bocht, refererend aan de bijnaam van de Tour, die weer verwijst naar de grote lus die de wedstrijd meestal door Frankrijk maakt) dat behalve wieler- en reisboek ook (cultuur)geschiedenis en autobiografie zou kunnen zijn.

Toen ik met Ronald Dietz, uitgeefdirecteur van De Arbeiderspers en zelf wielerliefhebber, over mijn plannen te spreken kwam, aarzelde hij niet en nodigde hij mij uit om er op de uitgeverij eens uitgebreider over te komen praten. Dat boek wilde hij misschien wel uitgeven. Ik stuurde hem mijn plan en maakte een afspraak voor een bezoek. De uitkomst van dat alles was niet dat hij dat boek niet meer zag zitten – dat kon ik nog altijd schrijven, oreerde hij –, maar dat hij nog iets anders wist.

‘Wat dan?’
‘Moet jij hier niet redacteur worden?’
‘Eh…’
‘En denk erom: het schip vaart maar één keer voorbij.’

Dat was niet veel minder dan een dreigement, maar hij stond me gelukkig toe er nog een nachtje over te slapen. Redacteur worden bij een gerenommeerde literaire uitgeverij was wel degelijk iets wat ik ambieerde. Alleen: hoe moest dat dan met de schrijverij? Als ik daar nu mee zou stoppen, zou die loopbaan gesmoord worden in niet veel meer dan wat literaire schijnbewegingen. Maar de volgende ochtend dacht ik: ‘Als ik dat redacteurschap niet leuk vind, dan stop ik er toch gewoon weer mee.’ Met woorden van die strekking liet ik Ronald Dietz  weten dat ik wel op die (door mij op dat moment als volstrekt zeewaardig beoordeelde literaire) oceaanlijner van hem wilde scheepgaan. Aldus werd ik in de zomer acquirerend redacteur van Uitgeverij De Arbeiderspers. En de rest is geschiedenis, heet het dan. Maar dat is een bedroevend cliché. De rest is, om even iets te noemen, uitgelopen op meer dan een half werkzaam leven in de literaire uitgeverij. En de rest is bovendien een verhaal dat veelbewogen genoeg is om er een vierdelig epos aan te wijden. Maar zover ben ik nog niet.

IMG_3249.jpg

‘Het schip vaart maar een keer voorbij.’ Ik had er toen nog geen flauwe notie van dat Dietz al snel daarna op apocalyptische toon begon rond te bazuinen – zelfs toen al, in die achteraf bezien gouden jaren van het boekindustrie – dat we zesbaksduwvaarten nodig hadden om te voorkomen dat onze afzet zou stagneren in de flessenhalzen die de in zijn ogen inerte boekhandels waren geworden, maar wat ik al helemaal niet had kunnen en durven voorzien is dat ik ruim drieëntwintig jaar later nog steeds op die (mettertijd drastisch afgeslankte) oceaanlijner zou vertoeven die inmiddels heel wat zwaar weer te verduren had gehad.

Ik wist al vroeg wat ik wilde worden. Ik wilde schrijver worden. Iemand die in kranten of die boeken schreef. En ik wilde veel weten, maar ik wist toen nog niet genoeg om te weten dat je dan eigenlijk intellectueel wilde worden. Pas later wilde ik ook nog gedurende korte tijd wielrenner worden, maar daar staken mijn ouders een stokje voor. Die vreesden dat dat ten koste van mijn studie zou gaan (ze zagen, misschien terecht, het schrikbeeld voor zich van een jongen die zich niets ontziend op dat fietsen zou toeleggen) en dat ik zou belanden in kringen van laag allooi (het vooroordeel dat wielrenners uitsluitend uit de heffe des volks voortkwamen) en binnen de kortste keren gedrogeerd door het peloton zou zwalken.

Intussen (nou ja, zeg maar gerust in de loop van vele jaren) had De grote bocht in mijn hoofd langzaam toch een paar afslagen genomen. Het idee om een route in de vorm van een min of meer complete ronde te construeren langs een aantal mythische plekken liet ik los om daarvoor in de plaats een parcours te willen gaan volgen dat ook in werkelijkheid (etappe na etappe) zo was verreden, en wel die van 1970. Niet alleen omdat die Tour de France in 2020 exact vijftig jaar geleden verreden werd en daarom maf genoeg extra in de aandacht komt te staan maar ook – en veel belangrijker – omdat dit de ronde was die ik, nog net geen negen jaar oud, van begin tot eind vanuit bed volgde. Heel die zomer lang, van begin juni tot begin augustus, was ik geveld door geelzucht. Ik herinner me de lusteloosheid en het (een zeker voor een kind) moeilijk te duiden gevoel van melancholie die me overvielen en die ik toeschreef aan de benauwende zomerhitte. En ik herinner me ook – nadat ik koorts kreeg en duidelijk werd dat het om geelzucht ging – de ontstellende vermoeidheid die aanvankelijk zo groot was dat ik nauwelijks op mijn benen kon staan. Om precies te zijn ging het om het uiterst besmettelijke hepatitis A (een epidemie onder kinderen eind jaren zestig, begin jaren zeventig) waardoor ik ook min of meer in quarantaine moest worden gehouden. Het isolement en de bedlegerigheid maakten dat ik maar een paar dingen kon doen om mezelf bezig te houden: lezen (heel veel lezen) en op de radio naar de Tour luisteren. Een zwartwit televisie stond beneden in de woonkamer, maar daar mocht ik me pas na enige tijd, en dan nog alleen in de weekends, een korte poos vertonen. Zo heb ik herinneringen aan beeldreportages van weekendetappes die de Deen Mogens Frey (hij versloeg de Portugees Joaquin Agostinho) en een week daarna Rini Wagtmans en Albert van Vlierberghe wonnen.

Later, veel later ben ik ben me ervan bewust geworden dat zo’n periode van langdurige ziekte als kind misschien wel vormend kan zijn voor een mens. En als ik dan toch met vergelijkingen kom, dan maar met grote voorbeelden: Alberto Moravia (tuberculose) en Marcel Proust (astma) maar ook James Joyce en Franz Kafka schreven hun wording als schrijver ten dele toe aan (al dan niet jeugdige) ziekte en bedlegerigheid. Wat ik me dus afvraag: of er in mijn geval een verband bestaat tussen wat ik die zomer heb doorstaan en wie ik geworden ben. Is er een link te leggen tussen mijn geelzucht en het feit dat ik een lezer, een schrijver en een wielerliefhebber ben geworden? Dat ik in de literaire wereld ben gaan werken? Ik zou dat graag willen onderzoeken door dat boek, De grote bocht 2.0, alsnog te gaan schrijven. Die mogelijkheid ga ik benutten. Ik maak, voor het eerst in de drieëntwintig jaar dat ik in de uitgeverij werk, gebruik van de gelegenheid tot het nemen van een sabbatical of (als dat een beter woord is) een forse periode van verlof. Pas eind november keer ik terug op kantoor. Vanaf eind augustus ga ik de Tour de France 1970 nareizen, zoveel mogelijk over het parcours dat voor die (zevenenvijftigste) editie was uitgezet. Een traject dat, beginnend in Limoges, grofweg via de Vendée, Bretagne, Normandië, Noord-Frankrijk, een stukje België en Duitsland naar de Vogezen afzakte om vervolgens via de Alpen, de Provence (Mont Ventoux!) en de Midi naar de Pyreneeën te gaan, waarna via Bordeaux en Tours comme toujours in Parijs werd aangekomen.

Peter Nijssen. Foto: Abdelkader Benali

Het boek dat dit moet gaan opleveren zal – als het er al komt – om elke schijn van belangenverstrengeling te vermijden, niet bij De Arbeiderspers verschijnen. En het zal – hoewel mij dit inmiddels al van verschillende kanten gesuggereerd is – ook niet Geelzucht, gaan heten, ook al is dat een woord dat perfect zowel de passie voor het fietsen als het lijden van de ziekte zou dekken. Er is al een hele serie wielerboeken (onder redactie van Patrick Cornillie) met die titel. Nee, er zal vast een betere titel komen voor De grote bocht 2.0.

Maar voor het zover is ga ik eerst meer eens naar de echte, actuele Tour. Hoe vaak heb ik niet langs de kant gestaan om de karavaan voorbij te zien trekken of bij de start van een etappe of een proloog? Ik was in Scheveningen, Bastenaken, Leiden, Gronsveld, Antwerpen, op de Mont Cenis, in Valkenburg, Rotterdam, Utrecht en ongetwijfeld op nog een paar plekken die ik nu vergeet, maar in de Tourkaravaan verkeerd, er deel van uit gemaakt, heb ik nooit. Daarin komt spoedig verandering. Komende zondag sluit ik me in de kasseienetappe naar Roubaix aan bij Jeroen Wielaert (deze weken dagelijks te volgen met geschreven en gesproken blogs op de websites van HP/De Tijd en Tout de France). De rustdag op maandag gebruiken we om door te reizen naar Annecy, waar we vanaf dinsdag de Alpenetappes gaan volgen. Tot in de rit naar Valence, waarin de renners de Alpen achter zich laten, zal ik Jeroen (‘Mijn Citroen DS 4 heeft inmiddels de sticker Presse 1111 op de voorruit) geaccrediteerd en wel  vergezellen als bijrijder en embedded schrijver. Ik zal notities maken en binnenkort (met behulp daarvan) opnieuw van me laten horen op deze blog. Vive le Tour!

Advertenties