De verleiding is groot om het in memoriam van de gisteren op 78-jarige leeftijd overleden Nederlandstalige schrijver Paul Verhuyck achterstevoren op te stellen. Het literaire werk van Verhuyck, speels en barok, zit immers vol met dit soort ernstig bedoelde geintjes. In Hout en koper (1999), zijn vierde roman, wordt het leven van Guustaaf Lamfreit, daadwerkelijk van achter naar voor, van graf tot wieg verteld, zodat wij – om met Jan Hanlo te spreken – ter wereld komen ‘met rouw, uit de graven, met rouw die gepast is, omdat wij nog dood zijn.’ Het literaire oeuvre van Verhuyck, zwaar onderschat, de laatste jaren jammerlijk genegeerd en vol subtiele verwijzingen naar de wereldliteratuur (en met name de Franse literatuur), is vaak cyclisch van structuur, en behandelt uiteindelijk altijd existentiële thema’s, waarin De Dood, exuberant, grotesk of als dommekracht, voortdurend rondbanjert. In het leven van Lamfreit vormen hout en koper de materialen die zijn bestaan schragen. Hout heeft hij als ambachtsman leren bewerken, maar in de loop van zijn leven werkte hij zich op tot een man met schone handen en een witte boord en werd hij voorzitter van de plaatselijke harmonie (die zich aan de fanfare superieur waant doordat ze ook houtblazers kent). Maar de ambitie van Verhuyck was om aan de hand van het verzonnen leven van Lamfreit ook over óns leven, ónze voorbije eeuw te schrijven. Een ambitie die volledig waargemaakt werd.

Paul Verhuyck, geboren op 27 augustus 1940, debuteerde in 1990 bij De Arbeiderspers met De doodbieren. Deze roman, bekroond met zowel de Nederlandse Anton Wachterprijs als de Vlaamse Debuutprijs, speelt zich af rond tientallen bezoekers van een volkskroeg en doet in zijn groteske en barokke stijl bewust denken aan het werk van Jeroen Bosch. ‘Van hieruit,’ zo begint De doodbieren, ‘is de werkelijkheid een droge waan, een illusie die voortkomt uit een gebrek aan alcohol, dacht Evarist toen hij voor het eerst de kroeg Het Blazoen van Blasius betrad. Hij had meteen het warme gevoel deel te hebben aan een collectieve droom, een bizarre wereld van zelfverzonnen wezens. Dit minuscule café lag op de hoek van de Pluimenmarkt en de Walburgastraat in Antdorf, de havenstad aan de Dodeschelde.’ Het is niet moeilijk om in deze opgeroepen sfeer en ruimte Antwerpen te herkennen, Verhuycks geboorteplaats en de stad die hem zijn leven lang is blijven fascineren.

vdh9789029584395

Dat hij eerder een Nederlandstalig schrijver werd genoemd, is niet voor niets. Verhuyck studeerde tussen 1958 en 1962 Romaanse filologie in Gent maar vertrok in 1971 naar Nederland, meer bepaald naar Leiden, waar hij tot 1999 als universitair hoofddocent aan de universiteit verbonden was en oudere Franse en Occitaanse literatuur doceerde. Bovendien leerde hij er zijn tweede vrouw kennen, de schrijfster Corine Kisling, met wie hij veertig jaar samen was en met wie hij na zijn vertrek van de universiteit, rond de eeuwwisseling en inmiddels in veel opzichten even Nederlands als Vlaams, in Zeeuws-Vlaanderen (Graauw) ging wonen. Hij schreef daar nog diverse romans en boeken onder eigen naam, maar ook begon hij er samen met Corine Kisling aan een reeks in de literaire kritiek hogelijk geprezen historische (of liever de historie als gruwelijk speelveld bevattende) literaire thrillers met titels als Het leugenverhaal, Kwelgeest, De duim van Alva en Zwarte kant. Nog vorig jaar was er serieuze animo van een filmproducent om deze boeken tot verfilming te brengen (als speelfilm of als tv-serie), maar concreter heeft Verhuyck deze interesse helaas niet meer zien worden.

Verhuyck behoort tot de zeer weinigen die zowel bijna niets van bijna alles weten (zoals het een in de klassieke humaniora geschoolde intellectueel betaamt) als bijna alles van bijna niets. Dat laatste heeft te maken met zijn zeer specialistische kennis op deelgebieden van de poëzie van de twaalfde-eeuwse troubadours, waarin over de hele wereld thans verder nog hooguit een tiental wetenschappers zich verdiept. Hij was daarom uiteraard een veelgevraagd spreker op internationale literaire congressen. Zijn welhaast esoterische ingevoerdheid heeft hem er niet van weerhouden, onder de enthousiasmerende impulsen van uitgever Ronald Grossey, een aantal voor een breder publiek toegankelijke boeken over dit onderwerp te schrijven: De echte troubadours. De dichters die de wereld veranderden en het dit jaar bij Uitgeverij Vrijdag verschenen Minuten middeleeuwen, dat kort voor zijn dood een herdruk beleefde. Andere romans die hij onder eigen naam schreef – behalve de reeds genoemde – zijn Moord door geboorte, De binnendienst, De elektrische man en Inmiddels op aarde.

vdh9789029588911.jpg

In die zesde roman, Inmiddels op aarde (2014), draait het om elf jongens die in april 1958 op het Dürer Gymnasium eindexamen doen. Allen zijn briljant, allen hebben een buitengewoon geslaagde carrière, maar uiteindelijk plegen allen zelfmoord of iets wat daarop lijkt. Van degene die het laatst aan het woord komt en als laatste overblijft, Frederik (gemodelleerd naar Verhuyck zelf), staat dat nog te bezien. ‘Ik hoor mijn klasgenoten telkens weer roepen: “Kom nou, Frederik, kom nou.” Ze mogen roepen wat ze willen. Nog even geduld, jongens.’ Ook dit boek, een bedekte lofzang op een gymnasiale educatie en de verwerving van een ouderwetse eruditie, is een existentiële roman over noodlot en ambitie. Al meteen in de eerste zin op de eerste bladzijde van Inmiddels op aarde is het raak:

‘Er zijn nog altijd mensen die zich afvragen wat er na de dood gebeurt, waar we na onze dood naartoe gaan. Toch is dat simpel. Dan gaan we naar de maan. Na de dood verstijft het lichaam: de rigor mortis treedt in na één tot vier uur en duurt ongeveer twee etmalen. Na drie dagen begint het lichaam te ontbinden. Maar de ziel zweeft als de adem van een vlinder naar de maan. De maan is het vagevuur waarvan sprake is in oude religies, zo genoemd omdat de maan een zwak schijnsel in de hemel is, een vaag vuurtje. In dat vage vuur worden onze zielen gelouterd: ontdaan van de laatste illusies van individualiteit. Dat kan wel even duren.’