Zoeken

Nijssen Schrijft

Over boeken, schrijvers, sport, cultuur, het dagelijks leven (en af en toe mijzelf)

Maand

oktober 2018

En sjit persen voor yp kachelvuur

De onderstaande tekst is een lichte bewerking van mijn toespraak tijdens het afscheid  van Paul Verhuyck op 2 oktober in het kerkgebouw van Graauw in Zeeuws-Vlaanderen, steen aan steen grenzend aan de pastoriewoning met de immense en idyllische tuin die hij sinds eind jaren negentig met Corine Kisling bewoonde. Hij werd aansluitend begraven op het tegenoverliggende kerkhof van Graauw.

In het in memoriam dat ik onlangs op deze plek aan Paul Verhuyck wijdde, toen ik van zijn partner Corine Kisling had vernomen dat hij was overleden, schreef ik dat de verleiding groot was om dat verhaal achterstevoren op te stellen. Ik heb dat toch maar niet gedaan en in plaats daarvan geprobeerd zijn werk kort de revue te laten passeren, literair te duiden en er het (helaas te weinig onderkende) belang van aan te geven. Maar wat er hooguit impliciet in tot uitdrukking kwam is hoezeer ik hem gedurende de bijna kwarteeuw dat ik met hem heb samengewerkt ben gaan beschouwen als veel meer dan alleen maar zijn redacteur. Toch nog even dit, om uit te leggen hoe ik op de gedachte van die neiging tot achterstevoren vertellen kwam. ‘Het literaire werk van Verhuyck, speels en barok,’ schreef ik, ‘zit immers vol met dit soort ernstig bedoelde geintjes. In Hout en koper, zijn vierde roman uit 1999, wordt het leven van Guustaaf Lamfreit, daadwerkelijk van achter naar voor, van graf tot wieg verteld, zodat wij – om met Jan Hanlo te spreken – ter wereld komen ‘met rouw, uit de graven, met rouw die gepast is, omdat wij nog dood zijn.’

44771637_566572103779809_133226273454424064_n

Taalspel en literaire rederijkersfratsen zaten Paul in het bloed. En niet alleen als hij schreef voor de bühne. Om dat te illustreren breng ik – zodoende alsnog toegevend aan mijn verleiding – een paar van zijn mails van de afgelopen jaren in omgekeerd chronologische volgorde ter sprake. Zijn laatste mail aan mij van dit voorjaar, waarin hij liet weten dat zijn boek Minuten middeleeuwen sinds kort in de boekhandel verkrijgbaar was, richtte hij aan Senne IJspret, een anagram van Peter Nijssen. Het was zijn favoriete, althans meest gebruikte, anagram van mijn naam. Maar er waren er nog veel meer in omloop, van Jip Teensnert, Restje in Pen, Nisje Nepster tot Jis ter Pensen, om er enkele te noemen. Ik meen me te herinneren dat het nog bar koud was voor de tijd van het jaar toen hij dat bericht verstuurde, dus die IJspret was heel toepasselijk. ‘We denken veel aan je,’ sloot hij af. ‘Veel liefs namens P&C’.

De gewoonte om elkaar te mailen in anagrammatische naamgevingen dateert uit de tijd dat Corine en Paul, in navolging van illustere voorgangers als Nicci French en Monaldi & Sorti als schrijvend echtpaar met Het leugenverhaal hun debuut gingen maken als auteursduo. Dat moest natuurlijk gepaard gaan met een eigen nom de plume en het kan niet anders of het moet Paul geweest zijn die vervolgens met de naam Irving Chukelsky op de proppen kwam – inderdaad een anagram van beider achternamen. Dat het uiteindelijk conform Monaldi & Sorti Kisling & Verhuyck is geworden, om puur marketingtechnische redenen, heeft, denk ik, vooral Paul verdroten. Hij was zo in zijn nopjes met de vondst van Irving Chukelsky dat hij veel van zijn mails (op de uiterst serieuze na) met die naam is blijven ondertekenen.

Vorig jaar november, kort nadat mijn schoonzus was overleden, wilden mijn vrouw en ik van alle commotie en emoties een paar dagen bijkomen in een Zuid-Limburgs hotel, maar niet dan nadat ik op de ochtend voor mijn vertrek samen met Paul, Corine en collega Janny Nijhoff in Amsterdam op bezoek was geweest bij Pupkin, de filmproductiemaatschappij die interesse had (en wellicht nog steeds heeft) voor het verfilmen van hun spannende romans. Na die bijeenkomst schreef Paul me: ‘Goed dat je enkele dagen in Limburg vakantie neemt. Leuk dat je er bij was om ons in Pupkin bij te staan. We wachten met spanning af of het een film of tv wordt. Wat denk jij?’ Ik hoopte alleen maar (en hoop nog steeds) dat het een keer gaat gebeuren. De door mij uit mijn eigen bibliotheek aan Pupkin uitgeleende boeken – Het leugenverhaal, Kwelgeest, De duim van Alva en Zwarte kant – liggen daar nog steeds en vormen de reden waarom ik iets over Tijl Uilenspiegel dat in Kwelgeest voorkomt en had willen gebruiken in deze toespraak niet kon opzoeken en dus ook niet gebruik. Wat bij dit alles erg betreurenswaardig is: dat Paul de triomf van die eventuele verfilmingen niet zal mogen beleven.

2834_A5_KoenBroos

Een maand of vier eerder, ergens juli vorig jaar, reageerde Paul op een uitnodiging van mij, op hun beider mobiele telefoons achtergelaten, om aanwezig te zijn bij de presentatie van de heruitgave van Paul de Wispelaere’s Het verkoolde alfabet bij boekhandel  De Reyghere in Brugge. In die mail, gericht aan zowel Senne IJspret als beste Peter, stond het volgende: ‘Zeer blij ben ik dat jij en de AP bereid zijn mijn dichtbundel t.z.t. te beschouwen (waarschijnlijk duurt dit nog wel enkele maanden). We hopen beiden jou zelve spoedig nog eens te zien, ontmoeten en omhelzen. Jij had het ook over een hommage in Brugge op dinsdag 4 juli (zonder plaats en uur), maar we kunnen toch niet. Paul de Wispelaere zag en sprak ik destijds vaak op de intercity-trein na terugreis uit de Amsterdamse AP (ik stapte toen nog uit in Leiden, hij spoorde verder tot Antwerpen).’ Was getekend, mede namens Corine, door Paul Verhuyck alias Yp Kachelvuur.

Ruim een maand eerder, begin juni 2017, schreef hij me: ‘Lang geleden, helaas, te lang. Gaat het nog goed met je? Bij mij zijn er enkele gezondheidsproblemen geweest, maar nu gaat het weer de goede kant op. Vandaar een vraagje. Ik ben een poëziebundel aan het maken, waar nog even wat werk aan is (woorden en letters vijlen en schaven, zoals de twaalfde-eeuwse Occitaanse troubadour Arnaut Daniel het noemde).  Maar als ik klaar ben, waarschijnlijk over een paar maanden, kan ik de bundel dan aan jou, aan de AP, voorleggen?’ Een bericht ondertekend door en als Paul Verhuyck.

En ten slotte, een jaar eerder, ergens in augustus 2016, antwoordde Paul op een mail waarin ik hem aanspoorde werk te blijven maken van zijn werk. Ik schreef om precies te zijn: ‘En lekker verder schrijven! (Ben natuurlijk ook benieuwd waaraan.) En Sjit Persen.’ Dat laatste overkomt ons van de AP, al uitgevend en  arbeiderspersend, uiteraard ook wel eens, maar de goede verstaander heeft al begrepen dat ‘En Sjit Persen’ een anagram is van mijn naam. Paul reageerde daarop met de volgende mededeling: ‘Ik ben – tentatief – begonnen aan een nieuwe roman met als voorlopige werktitel Weet je wie er ook dood is. Het project bevindt zich nog in statu nascendi. Hopelijk lukt het. Liefs namens Irving Chukelsky, Paul.’

Vermoedens omtrent Henk Ester. Naar aanleiding van het verschijnen van Het vermoeden van Witten. Bijgeluiden XXXIII t/m LIII

Vrijdag 28 september werd in de Lutherse Kerk in de Hamburgerstraat te Utrecht de nieuwe (derde) dichtbundel van Henk Ester, getiteld Het vermoeden van Witten, ten doop gehouden met een orgelconcert van de Nederlandse organist en componist Klaas Hoek met simultane voordracht door Henk Ester. Je zou ook kunnen zeggen dat de spectaculaire uitvoering, waarbij Hoek de meest ongehoorde geluiden uit het kerkorgel wist te wringen, een soort opera (geen compositie maar improvisatie volgens Hoek) behelsde met een libretto in de vorm van een aantal door Hoek gekozen gedichten uit Het vermoeden van Witten, eclatant door Henk Ester zelf voorgedragen. De presentatie van de avond was in handen van Ivar van Bekkum en werd gesponsord door Henk Esters hoogstpersoonlijke mecenas Theo Mulder. Henk vroeg mij om na het concert iets over de bundel te zeggen: ‘Waarom “het precies is wat het moet zijn”.’ Hieronder volgt mijn poging.

Sinds ik weet dat Henk Ester de inspiratie voor zijn poëzie voornamelijk opdoet, nee zelfs grotendeels schrijft (in zijn hoofd dan toch) tijdens lange eenzame wandelingen over de Maasvlakte en door de Hollandse duinen, zie ik hem in mijn verbeelding altijd rondstruinen door dramatische landschappen. Maar rondstruinen is niet het goede woord. Henk wandelt daar veel romantischer, ongeveer zoals Friedrich Nietzsche zijn brisante denkbeelden oogstte gedurende dagelijkse urenlange excursies in het Zwitserse hooggebergte van Sils Maria.  De wandeltochten van Henk Ester doen zich aan mij voor als homerische omzwervingen, bij nacht en ontij, bij weer en wind om met een buit van versregels of misschien wel een heel gedicht huiswaarts te keren. Of, zoals het in het gedicht ‘Verlangen’ (nummer 5 uit Bijgeluiden XLII, ook wel geheten ‘Vermoeden 3’, uit zijn nieuwe bundel) geschreven staat: ‘een zonovergoten dag / in het zuiden, aan zee, is hij / doodgemoedereerd gaan lopen // zijn verlangen tot aanloop / teruggebracht gelijk / vermoed geschreven’.

ester

Ik zie de hoes voor me van de elpee met de uitvoering door Maurizio Pollini van de ‘Wanderer-Fantasie’ van Schubert en ‘Fantasie op. 17’ van Schumann van het label Deutsche Grammophon, rond mijn zeventiende aangeschaft bij platenzaak Rambam te Venlo, met daarop dat overbekende schilderij van Caspar David Friedrich Wandelaar boven de nevelen, van die van achteren (en alleen zo krijgen we hem ook te zien) zeer op Schubert gelijkende man die boven op een rots neerkijkt over een inderdaad hartstochtelijk beneveld landschap. Zo zie ik daar op die Maasvlakte en in die duinen, maar dan in beweging – in denk- en gevoelsbeweging – ook Henk Ester groots en meeslepend, bij vlagen gekweld en woedend, dan weer extatisch en met sereen gemoed, maar meestal toch roepend, luid in zichzelf pratend, terwijl hij de hem zojuist geworden poëzieregels beproeft, gesticulerend, maaiend met de armen zoals de dirigent die een symfonieorkest in aanzwellende tonen tot een fortissimo moet brengen. Met het schuim op de lippen, bezweet dan wel drijfnat van de regen, zie ik hem aan het eind van zo’n détour naar adem snakkend neerzijgen op een in de halflandelijkheid geplaatst bankje waarvandaan hij wederom de bewoonde wereld kan betreden, al dan niet een grandioos poëem rijker.

De persona en de artistieke omstandigheden die hij aldus voor zichzelf (maar ook voor ons) creëert maken bij de argeloze nog-niet lezer vermoedens los van een diep romantische dichter, die een anachronistische, zwaar met sensibiliserende adjectieven opgetuigde poëzie schrijft. Dat vermoeden zou nog verder bevestigd kunnen worden voor wie weet dat Ester met zijn poëzie bezig is een complex bouwwerk bij elkaar te dichten – een soort toren van Babel – onder de overkoepelende titel Bijgeluiden, zoals ook de debuutbundel (bekroond met C. Buddingh’-prijs) heette. De volgende bundels – E-groot is rood en het gloednieuwe Het vermoeden van Witten – hebben die aanduiding als ondertitel. En het bouwwerk is nog niet af, er zullen nog meer Bijgeluiden komen.

En toch – dat al bijna in beton gegoten idee van doen te hebben met een romantische dichter (tenminste in de wat archetypische verbeelding zoals daarnet door mij opgeroepen) wordt binnen de kortste keren, namelijk zodra je Henk Ester eenmaal begint te lezen, volledig onderuitgehaald. Zijn poëzie kenmerkt zich op het eerste gezicht juist vooral door helderheid, soberheid en een bijna compulsieve hang naar orde en ordening. Het is misschien overdreven om te zeggen dat je bij hem met een vergrootglas naar adjectieven op zoek moet, maar spaarzaam is hij er zeker mee, evenals met lange, meanderende, door enjambementen in versregels gekanaliseerde zinnen.

vdh9789029525626

Wat valt je eigenlijk op als je deze verre van eenvoudig verstaanbare poëzie aandachtig leest? Dat die vol filosofische en natuurwetenschappelijke verwijzingen zit, wat het er (zeker met het oog op dat laatste) voor mij niet makkelijker op maakt, en dat er heel veel onmogelijk te veronachtzamen referenties naar muziek in staan. Sterker nog: als je nog een tijdje doorleest, half hardop het liefst, ontdek je dat die poëzie zelf een soort elementaire muziek is, dat onder en tussen de woorden door een gedurig kosmisch suizen en onderaards trillen hoorbaar is, een ‘fugatisch vonken’, ‘zeegefluister’, ‘zacht thermisch ruisen’ – en ga zo maar door. Je zou nog bijna gaan denken dat de dichter met die overkoepelende titel, bijgeluiden, ook nog eens een aanhoudend zoemen wil evoceren, maar ik geloof dat hij zulke woordspeligheid zelf niet beoogt. Anders is dat misschien met de titel van deze nieuwe bundel. Ik kan me tenminste niet voorstellen dat Henk Ester er geen rekening mee heeft gehouden dat de titel Het vermoeden van Witten bij de argeloze lezer aanvankelijk heel andere associaties dan de feitelijk bedoelde oproept. Je denkt dat witten een werkwoord is. De doorgewinterde poëzielezer is dan al onmiskenbaar op het spoor gebracht van de school rond Kouwenaar die in de jaren tachtig zo dominant een kale, minimalistische, hermetische poëzie uitwasemde waarin de weinige woorden als het ware zwemmen in het wit van de bladzijde. Witten is dan een activiteit die wijst op het elimineren van zo veel mogelijk overbodige taal. Evenmin wordt door Ester het meervoud bedoeld van het zelfstandig naamwoord in oppositie tot zwarten. Nee, Witten is een naam van een wiskundig natuurkundige (u vindt deze informatie ook het achterplat van deze bundel) die ooit door een tv-journalist suffend in zijn kamer werd aangetroffen waarna deze hem de vraag stelde wat hij zat te doen. Zijn antwoord luidde: ‘Ik heb een lastig wiskundig probleem, de oplossing ken ik wel, maar zij moet mij nog te binnen schieten.’ Maar wat die Witten en zijn vermoedens met de onderhavige poëzie van doen heeft, blijft aanvankelijk tamelijk duister.

Ik geloof trouwens ook niet – en dat is veel belangrijker – dat Ester van ons lezers verwacht dat we zijn gedichten moeten lezen als mededelingen (als content bevattende teksteenheden) die een volledige en min of meer eenduidige anekdotische betekenis hebben die na goed lezen ook begrepen zal worden. Dit is poëzie die je (net als de moderne muziek waarnaar zo intensief verwezen wordt) weliswaar niet hersenloos maar vooral niet puur rationeel te lijf moeten willen gaan, maar die je eerder met inzet van alle zintuigen moet ondergaan.

Net zoals het geval is in veel moderne klassieke (atonale) muziek en minimal music rijgt Ester – maar dan met het materiaal dat taal heet, met woordvelden – motieven aaneen, verweeft ze met elkaar en zet ze in weldoordachte fraseringen naast en onder elkaar waardoor iets bijna autonooms ontstaat, iets dat allereerst naar zichzelf verwijst. Bijna. Want wat met klank (die immers geen referentiële betekenis heeft) wel kan, kan met woorden nu eenmaal per definitie niet. Woorden verwijzen altijd naar iets en roepen dus als vanzelf en onvermijdelijk al beelden op.

Neem ‘Percussie’ (nummer 4 uit Bijgeluiden XXXIV). Wie dit gedicht – ik zal het zo voorlezen – probeert te begrijpen als een reeks causale en temporele relaties die een al dan niet historische werkelijkheid oproepen komt bedrogen uit. Men realisere zich bovendien dat dit vers, opgenomen als het is in een reeks van 4 die weer deel uitmaakt van een hele bundel bestaande uit 21 van zulke reeksen, die weer deel uitmaakt van een grote gedichtencyclus waarvan deze de derde is, in een omvangrijke (nog niet volledig gekende) context staat. Kernwoorden als ‘skelet’, ‘echo’, ‘ruisen’ en ‘vlees’ komen op tal van plaatsen in deze bundel terug. Het klinkt zo:

iemand het skelet uit handen slaan
om de echo van een beeld te horen
ruisen van de weg door een geopend
raam eendrachtig slaan heeft het vlees
gehoor gegeven luister na het afstaan van
de huid hoe het ruisen oplicht in gebaren
componeren is luisteren, zegt Philip Glass
hameren van vlees in ’t kloppen van organen

Wat wil deze dichter daarmee zo ongeveer zeggen? Of liever: waar is hij naar op zoek? Toegegeven, het is een speculatie, een vermoeden. Maar ik denk dat Henk Ester op zoek is naar de harmonie der sferen. Naar niets minder dan de ontsluiering van het wereldraadsel, hoezeer hij ook zal beseffen (zij het dat die twijfel in deze poëzie nergens wordt uitgesproken) dat die zoektocht tot mislukken gedoemd is. In die zin is Henk Ester geen romantische dichter, maar je reinste symbolist.

Het is zoals Esters geestverwant Gerrit Achterberg (ook in hoge mate een symbolistisch dichter) het zo fraai verwoord heeft in de slotregel van het gedicht ‘Woord’ uit Cryptogamen: ‘En nochtans moet het woord bestaan dat met u samenvalt.’

Het vermoeden van Witten is op een bepaalde manier ook het vermoeden van Ester. Je weet dat het raadsel er is om ontsluierd te worden en je hebt er ook een bepaalde voorstelling van hoe dat eruitziet. Je moet alleen de toegang nog vinden naar de geheime ruimte waar het zich bevindt. De gedichten uit deze bundel (evenals de twee vorige, evenals die ons nog te wachten staan) zijn evenzovele pogingen om die toegang te vinden. En die wandelingen – dat zijn evenzovele wegen daarnaartoe.

Dat, dames en heren, is het vermoeden van Nijssen. Ik dank u voor uw aandacht.

Er is alles in de wereld van Cyrille Offermans

Enkele herinneringen en overwegingen naar aanleiding van het verschijnen van Een iets beschuttere plek misschien.

 *

Donderdagavond 27 september werd het nieuwe boek van Cyrille Offermans, Een iets beschuttere plek misschien (Privé-domein nr. 302), gepresenteerd in de Maastrichtse boekhandel De Tribune. Rob Bindels hield er een lezing en Ben van Melick interviewde de auteur die een fragment uit het boek voorlas. De inleiding werd door mij verzorgd en staat hieronder te lezen.

*

Omdat ik geen misverstand wil laten bestaan over hoe ik mijn universitaire studie heb ervaren – het begin van deze causerie zou daar namelijk aanleiding toe kunnen geven – lijkt het me verstandig te beginnen met de mededeling dat ik aan het Instituut De Vooys in Utrecht, waar ik in 1980 Nederlands ben gaan studeren met als specialisatie Moderne Letterkunde, ontzettend veel geleerd heb.

In de eerste (en misschien ook laatste) plaats heb ik daar heel goed leren lezen. Of liever: close readen. Want close reading is een bewustere, meer doorgewinterde, wetenschappelijkere manier van lezen. Het is een vorm van literaire kritiek waarbij de tekst en niets dan de tekst zelf centraal staat en het (zeker in die tijd, zeker aan het Instituut De Vooys) misschien niet uit den boze maar toch ongeoorloofd was om interpreterenderwijze gebruik te maken van enigerlei kennis op biografisch of historisch terrein voor zover die niet al in de tekst lag opgesloten. Het idee daarachter was dat in goede teksten alles met elkaar samenhangt (de bekende mus van Hermans) en er niets zomaar staat. En als er wel zomaar iets staat, kom je daar met close readen achter en kan je beargumenteren waarom die tekst (of dat deel van die tekst) niet deugt.

Aan ons instituut werd dan ook gestudeerd en onderwezen in de traditie van Merlyn, het tijdschrift voor literatuurbeschouwing van Kees Fens, H.U. Jessurun d’Oliveira en J.J. Oversteegen, van wie ik in het tweede jaar als theater zo amusante en spectaculaire colleges Algemene Literatuurwetenschap bijwoonde die me ver over de grenzen van de Nederlandstalige literatuur leerden kijken. Maar ook onze hoogleraar Moderne Nederlandse Letterkunde Guus Sötemann was tamelijk nauw verbonden met die redactie en was de merlinistische uitgangspunten sterk toegedaan. Zijn briljante proefschrift over de structuur van Max Havelaar was helemaal in de geest van Merlyn en de literatuurtheorieën (met name het Russisch formalisme en zijn opvolgers Wellek & Warren en de Praagse school) waarop het tijdschrift gestoeld was.

Met dat merlinistisch academisme was op zich natuurlijk weinig mis, niet in theorie en in principe ook niet in de praktijk. Sterker nog: je zou willen dat er nog wat van Merlyn over was op de (steeds verder afkalvende) letterenuniversiteiten en mutatis mutandis op de middelbare scholen. Want daar moet tegenwoordig alles maatschappelijk relevant zijn dan wel aansluiten bij de persoonlijke belevingswereld van de scholier of student. Begrip van de tekst is niet meer het doel maar een middel om het eigenlijk over iets anders (dat belangrijker of groter geacht wordt) te hebben.

Maar dit gezegd hebbende zat er toch wel degelijk ook een schaduwrandje aan die niet genoeg te roemen habitus van close reading. Het werkte – in elk geval aan ons instituut – een scrupuleuze manier van wetenschap bedrijven in de hand die op velen een verlammende uitwerking had. Er heerste een academisch klimaat waarin terughoudendheid, prudentie en acribie als opperste deugden te boek stonden, waardoor er nauwelijks een bewering kon worden gedaan zonder op grote en onmiddellijke scepsis te stuiten, met als gevolg dat er een angstcultuur heerste ten aanzien van publiceren. Dat klimaat heerste overigens op het hele instituut en niet alleen bij Moderne Letterkunde. Het schrijven van een boek (of een dissertatie) werd zo als vanzelf een levenswerk waarmee men zich in atlashouding zuchtend en steunend richting een emeritaat sleepte dat die naam nauwelijks verdiende omdat er geen oeuvre tegenover stond, een artikel in een wetenschappelijk tijdschrift vergde minstens een olympiade en een alinea schrijven kwam neer op het verslinden van een hele bibliotheekplank. Sommigen van ons – wellicht degenen die daar met schrijfambities studeerden – zagen dat met verwondering aan. Zelf was ik, zodra ik de gelegenheid kreeg, tot de redactie van het door studenten gemaakte – en overigens op allerlei manieren fideel door het instituut geschraagde – letterentijdschrift Vooys toegetreden. Een van de eerste boeken die ik daarin mocht bespreken was Het literair klimaat 1970-1985, een verzameling essays die al met al een beeld van een aantal verschijnselen en ontwikkelingen in vijftien jaar Nederlandse literatuur wilde geven onder redactie van Tom van Deel, Nicolaas Matsier en… niemand minder dan Cyrille Offermans.

Omdat ik tijdens mijn studie eerder kennis had gemaakt met Literair Lustrum 1 en Literair Lustrum 2 begreep ik dat Het literair klimaat een vervolg was op deze beide boeken, en als ik het niet begrepen had, was ik er ook achter gekomen, want zo staat het achter op het boek: ‘Het valt […] te beschouwen als een vervolg op de twee delen Literair Lustrum van… Fens, Jessurun d’Oliveira en Oversteegen.’

Jazeker, die twee eerdere delen, stonden niet alleen onder redactie van het gezelschap rond Merlyn maar waren uiteraard ook geheel in die geest geschreven. Intussen waren er al vijftien jaar (dus eigenlijk drie uitgaven) zonder Literair Lustrum verstreken. De vraag luidde daarom of Het literair klimaat ook naar de geest een voortzetting van die twee eerdere delen was of dat deze nieuwe club (bestaande uit twee heren van de redactie van Raster en een – Van Deel – van De Revisor) andere uitgangspunten was toegedaan? Het korte antwoord daarop is: iets daartussenin oftewel de ontdekking van Cyrille Offermans.

Het lange antwoord is de rest van dit betoog. Ik geloof namelijk dat die ontdekking inhield dat ik ineens begreep dat er ook nog een synthese mogelijk was tussen al te scrupuleuze, filologische scherpslijperij en het joyeuze, maar o zo efemere flierefluiten dat veel literaire en culturele krantenjournalistiek nu eenmaal noodgedwongen behelsde.

Ik heb lang moeten zoeken naar mijn recensie in Vooys maar toen ik die eenmaal gevonden had, zag ik dat de openingsalinea al op een bepaalde manier van die daarnet genoemde ontdekking gewag maakt: ‘In een uitstekende bijdrage in Het literair klimaat 1970-1985 van Anthony Mertens over de problemen en de probleemrelaties van de literatuurwetenschap komt hij tot de volgende conclusie, vervat in een dilemma: “of ze aanvaardt een zwak wetenschappelijk statuut en komt tot interessante inzichten of ze aanvaardt een streng wetenschappelijk statuut en komt met weinig opmerkelijke maar wel goed gefundeerde beweringen.”’ En dat was blijkbaar niet het enige essay dat mij aan het denken had gezet: ‘Zonder twijfel erudiet is Offermans’ “Buiten alle verhoudingen”. De essayist-pur-sang opent er de aanval op de extremist in eigen gelederen: Sybren Polet. Offermans maakt zich sterk in de plaats van Polets “liternatuur”, “die andere, duistere kant van het schrijfwerk weer eens te benadrukken, die van de fantasie, de creativiteit, de improvisatie”.’ Zulke boeken zouden, aldus Offermans, geschreven moeten worden door auteurs die ‘wars van alle kunstenaarsaanstellerij proberen de meest voor de hand liggende, maar niettemin vreemde, opake, vaak ook dreigend afstotelijke werkelijkheid te doordringen en vorm te geven, ongeveer zoals het kind dat op het strand door grachten beschermde zandkastelen bouwt – die zee moet even in goede banen geleid – zonder de illusie dat die er de volgende dag nog staat.’ ‘Met die invulling,’ schreef ik, ‘komt hij verrassend genoeg heel dicht in de buurt van Ter Braaks vorm-als-nomadische-behuizing theorie. En het is juist diens generatie (met hem en Du Perron aan het hoofd) die er, het is al meer verkondigd, voor gezorgd heeft volgens Offermans, dat het experimentele proza na de tweede wereldoorlog niet doorbrak.’

Ik weet nu niet meer precies welk boek ik het eerste van hem ben gaan lezen – zeer waarschijnlijk De kracht van het ongrijpbare en pas daarna Macht als trauma en Niemand ontkomt (dat immers pas in 1988 verscheen) – wel herinner ik me dat ik een schrijver ontdekte die er voortdurend blijk van gaf een close reader te zijn maar niet aarzelde om na gedane leesarbeid de sluizen wagenwijd open te zetten en van alles te laten binnenstromen. Ik las over schizofrenie en over taal als een manier om de beweging van het denken tot uitdrukking te brengen, over de Dialektik der Aufklärung van Horkheimer en Adorno als een grafrede van de burgerlijke cultuur, over Mariken van Nieumeghen en over de utopie van de renaissance als de geseculariseerde hemel van de middeleeuwen, over Gerrit Kouwenaar gebroederlijk naast Hölderlin, over de rampzalige scheiding van natuur en rede in een doorgedreven Verlichting, over de socioloog Norbert Elias en over Joyce’ Ulysses, over de ideologische implicaties van Goya’s schilderij De slaap van de rede baart monsters (dat later prominent zou terugkeren in Niemand ontkomt) en over bordelen en Paul van Ostaijen – en dan zijn we nog maar net honderd bladzijden op weg in De kracht van het ongrijpbare. Zelden had ik iets gelezen dat het zo mateloos en ongegeneerd over alles wilde hebben. Zo kon het dus ook!

Ontmoeten deed ik Cyrille pas een paar jaar later toen we hem in het najaar van ’88 of ’89 uitnodigden voor een avond in Utrecht in het kader van een door de SLAU georganiseerde reeks over literaire tijdschriften. In het grandioze boek dat we vanavond aan u voorstellen, getiteld Een iets beschuttere plek misschien (nummer 302 in de reeks Privé-domein), schrijft hij daarover: ‘Ik zat daar namens Raster, Jessica Durlacher namens De Held. Aangezien de belangstelling “beperkt bleef tot een man [?] of acht negen, hebben we aan een ronde tafel gezeten en een informele avond bij elkaar geouwehoerd.” Niet lang daarna kwam hij me als medewerker van het Utrechts Nieuwsblad [die hij ben ik dus] thuis opzoeken in het kader van een serie over de toekomst van het boek. Een weer een aantal jaren dáárna, inmiddels redacteur bij De Arbeiderspers, moet hij me al eens voorzichtig gepolst hebben voor Privé-domein.’ Omstandigheden die u in het boek terug kunt vinden – allerminst geheimzinnig of spectaculair overigens – maakten dat hij daar voorlopig niet aan toekwam. Cyrille had overigens wel degelijk eerder al (samen met Marion, die het vertaalde) aan Privé-domein bijgedragen met Gekleurde schaduwen. Brieven 1770-1799 van Georg Christoph Lichtenberg.

Omdat Cyrille Offermans behoort tot de auteurs die ik steeds ben blijven volgen, weet ik hoe (enerzijds) onvoorstelbaar breed en gevarieerd de horizon van zijn onderwerpen is en hoe (anderzijds) trouw hij aan zijn aandachtsgebieden is gebleven. Als ik me beperk tot de opsomming uit De kracht van het ongrijpbare van daarnet komen in Een iets beschuttere plek Adorno, Kouwenaar, Van Ostaijen, Joyce en Elias opnieuw voor, maar let wel: benevens een kleine duizend andere namen en – indachtig de beroemde regel van Lucebert ‘Er is alles in de wereld’ – een veelvoud aan onderwerpen! Een iets beschuttere plek is, zoals veel andere boeken van Cyrille, een rijk, intens gevarieerd breed uitwaaierend boek. Een verzameling notities, beschouwingen, herinneringen, observaties en essayistische commentaren op gelezen boeken en gebeurtenissen in de wereld. Eigenlijk verschilt dit boek niet eens zo veel van zijn essayboeken, maar er ligt meer dan ooit een accent op het persoonlijke (zeg maar autobiografische, we hebben het immers over een Privé-domein), en op wat het schrikbewind van uur en feit gedurende het kalenderjaar 2017 dicteerde.

Een opsomming als proeve van wat er in dit boek – dat begint en eindigt met de doffe ellende in Syrië – voorkomt, laat ik achterwege. Daar zullen Rob Bindels en Ben van Melick u ongetwijfeld mee gaan teasen. Cyrille teasede mij een paar weken geleden met het toesturen van een tekst van de Duitse uitgever en schrijver Michaël Krüger, getiteld ‘Uitgeven’. Je had meteen in de gaten dat het vol zelfreflectie zat. Je hoefde er niet eens close voor te readen om te zien met wat voor een superieure ironie (en dus in zekere zin ook zelfspot) dat opstel, jaren geleden in Raster verschenen en door Cyrille zelf vertaald, was geschreven. Eén voorbeeld slechts: ‘Zoals bijna alle beroepsmatig georganiseerde groepen praten wij uitgevers graag en uitvoerig over onszelf. Daarbij bedienen we ons in hoofdzaak van een van de oudste literaire vormen aller tijden, de klacht. Zij is onze favoriete uitdrukking van vreugde. Iedereen die met ons aan tafel zit – schrijvers, critici, boekhandelaren en lezers – wil ons de kunst betwisten onvermoeibaar op het hoogste niveau te kunnen klagen, maar tot op heden is geen van hen daarin geslaagd.’

Maar mij zult u vanavond niet horen klagen. Krügers komische klacht (die handelt over het alom vermoede einde van het boek met dito gevolgen voor zijn beroepsgroep) mondt uit in de formulering van vijf houdingen (van heel grote tot kleine uitgevers) ten aanzien van deze eschatologie. Ik beperk me, onszelf kennende, tot het citeren van de vijfde: ‘De kleine uitgeverijen vertrouwen helemaal op hun intelligentie, zoals ze dat altijd gedaan hebben.’

vdh9789029525794.jpg
Quod erat demonstrandum.

Maak een gratis website of blog op WordPress.com.

Omhoog ↑