Enkele herinneringen en overwegingen naar aanleiding van het verschijnen van Een iets beschuttere plek misschien.

 *

Donderdagavond 27 september werd het nieuwe boek van Cyrille Offermans, Een iets beschuttere plek misschien (Privé-domein nr. 302), gepresenteerd in de Maastrichtse boekhandel De Tribune. Rob Bindels hield er een lezing en Ben van Melick interviewde de auteur die een fragment uit het boek voorlas. De inleiding werd door mij verzorgd en staat hieronder te lezen.

*

Omdat ik geen misverstand wil laten bestaan over hoe ik mijn universitaire studie heb ervaren – het begin van deze causerie zou daar namelijk aanleiding toe kunnen geven – lijkt het me verstandig te beginnen met de mededeling dat ik aan het Instituut De Vooys in Utrecht, waar ik in 1980 Nederlands ben gaan studeren met als specialisatie Moderne Letterkunde, ontzettend veel geleerd heb.

In de eerste (en misschien ook laatste) plaats heb ik daar heel goed leren lezen. Of liever: close readen. Want close reading is een bewustere, meer doorgewinterde, wetenschappelijkere manier van lezen. Het is een vorm van literaire kritiek waarbij de tekst en niets dan de tekst zelf centraal staat en het (zeker in die tijd, zeker aan het Instituut De Vooys) misschien niet uit den boze maar toch ongeoorloofd was om interpreterenderwijze gebruik te maken van enigerlei kennis op biografisch of historisch terrein voor zover die niet al in de tekst lag opgesloten. Het idee daarachter was dat in goede teksten alles met elkaar samenhangt (de bekende mus van Hermans) en er niets zomaar staat. En als er wel zomaar iets staat, kom je daar met close readen achter en kan je beargumenteren waarom die tekst (of dat deel van die tekst) niet deugt.

Aan ons instituut werd dan ook gestudeerd en onderwezen in de traditie van Merlyn, het tijdschrift voor literatuurbeschouwing van Kees Fens, H.U. Jessurun d’Oliveira en J.J. Oversteegen, van wie ik in het tweede jaar als theater zo amusante en spectaculaire colleges Algemene Literatuurwetenschap bijwoonde die me ver over de grenzen van de Nederlandstalige literatuur leerden kijken. Maar ook onze hoogleraar Moderne Nederlandse Letterkunde Guus Sötemann was tamelijk nauw verbonden met die redactie en was de merlinistische uitgangspunten sterk toegedaan. Zijn briljante proefschrift over de structuur van Max Havelaar was helemaal in de geest van Merlyn en de literatuurtheorieën (met name het Russisch formalisme en zijn opvolgers Wellek & Warren en de Praagse school) waarop het tijdschrift gestoeld was.

Met dat merlinistisch academisme was op zich natuurlijk weinig mis, niet in theorie en in principe ook niet in de praktijk. Sterker nog: je zou willen dat er nog wat van Merlyn over was op de (steeds verder afkalvende) letterenuniversiteiten en mutatis mutandis op de middelbare scholen. Want daar moet tegenwoordig alles maatschappelijk relevant zijn dan wel aansluiten bij de persoonlijke belevingswereld van de scholier of student. Begrip van de tekst is niet meer het doel maar een middel om het eigenlijk over iets anders (dat belangrijker of groter geacht wordt) te hebben.

Maar dit gezegd hebbende zat er toch wel degelijk ook een schaduwrandje aan die niet genoeg te roemen habitus van close reading. Het werkte – in elk geval aan ons instituut – een scrupuleuze manier van wetenschap bedrijven in de hand die op velen een verlammende uitwerking had. Er heerste een academisch klimaat waarin terughoudendheid, prudentie en acribie als opperste deugden te boek stonden, waardoor er nauwelijks een bewering kon worden gedaan zonder op grote en onmiddellijke scepsis te stuiten, met als gevolg dat er een angstcultuur heerste ten aanzien van publiceren. Dat klimaat heerste overigens op het hele instituut en niet alleen bij Moderne Letterkunde. Het schrijven van een boek (of een dissertatie) werd zo als vanzelf een levenswerk waarmee men zich in atlashouding zuchtend en steunend richting een emeritaat sleepte dat die naam nauwelijks verdiende omdat er geen oeuvre tegenover stond, een artikel in een wetenschappelijk tijdschrift vergde minstens een olympiade en een alinea schrijven kwam neer op het verslinden van een hele bibliotheekplank. Sommigen van ons – wellicht degenen die daar met schrijfambities studeerden – zagen dat met verwondering aan. Zelf was ik, zodra ik de gelegenheid kreeg, tot de redactie van het door studenten gemaakte – en overigens op allerlei manieren fideel door het instituut geschraagde – letterentijdschrift Vooys toegetreden. Een van de eerste boeken die ik daarin mocht bespreken was Het literair klimaat 1970-1985, een verzameling essays die al met al een beeld van een aantal verschijnselen en ontwikkelingen in vijftien jaar Nederlandse literatuur wilde geven onder redactie van Tom van Deel, Nicolaas Matsier en… niemand minder dan Cyrille Offermans.

Omdat ik tijdens mijn studie eerder kennis had gemaakt met Literair Lustrum 1 en Literair Lustrum 2 begreep ik dat Het literair klimaat een vervolg was op deze beide boeken, en als ik het niet begrepen had, was ik er ook achter gekomen, want zo staat het achter op het boek: ‘Het valt […] te beschouwen als een vervolg op de twee delen Literair Lustrum van… Fens, Jessurun d’Oliveira en Oversteegen.’

Jazeker, die twee eerdere delen, stonden niet alleen onder redactie van het gezelschap rond Merlyn maar waren uiteraard ook geheel in die geest geschreven. Intussen waren er al vijftien jaar (dus eigenlijk drie uitgaven) zonder Literair Lustrum verstreken. De vraag luidde daarom of Het literair klimaat ook naar de geest een voortzetting van die twee eerdere delen was of dat deze nieuwe club (bestaande uit twee heren van de redactie van Raster en een – Van Deel – van De Revisor) andere uitgangspunten was toegedaan? Het korte antwoord daarop is: iets daartussenin oftewel de ontdekking van Cyrille Offermans.

Het lange antwoord is de rest van dit betoog. Ik geloof namelijk dat die ontdekking inhield dat ik ineens begreep dat er ook nog een synthese mogelijk was tussen al te scrupuleuze, filologische scherpslijperij en het joyeuze, maar o zo efemere flierefluiten dat veel literaire en culturele krantenjournalistiek nu eenmaal noodgedwongen behelsde.

Ik heb lang moeten zoeken naar mijn recensie in Vooys maar toen ik die eenmaal gevonden had, zag ik dat de openingsalinea al op een bepaalde manier van die daarnet genoemde ontdekking gewag maakt: ‘In een uitstekende bijdrage in Het literair klimaat 1970-1985 van Anthony Mertens over de problemen en de probleemrelaties van de literatuurwetenschap komt hij tot de volgende conclusie, vervat in een dilemma: “of ze aanvaardt een zwak wetenschappelijk statuut en komt tot interessante inzichten of ze aanvaardt een streng wetenschappelijk statuut en komt met weinig opmerkelijke maar wel goed gefundeerde beweringen.”’ En dat was blijkbaar niet het enige essay dat mij aan het denken had gezet: ‘Zonder twijfel erudiet is Offermans’ “Buiten alle verhoudingen”. De essayist-pur-sang opent er de aanval op de extremist in eigen gelederen: Sybren Polet. Offermans maakt zich sterk in de plaats van Polets “liternatuur”, “die andere, duistere kant van het schrijfwerk weer eens te benadrukken, die van de fantasie, de creativiteit, de improvisatie”.’ Zulke boeken zouden, aldus Offermans, geschreven moeten worden door auteurs die ‘wars van alle kunstenaarsaanstellerij proberen de meest voor de hand liggende, maar niettemin vreemde, opake, vaak ook dreigend afstotelijke werkelijkheid te doordringen en vorm te geven, ongeveer zoals het kind dat op het strand door grachten beschermde zandkastelen bouwt – die zee moet even in goede banen geleid – zonder de illusie dat die er de volgende dag nog staat.’ ‘Met die invulling,’ schreef ik, ‘komt hij verrassend genoeg heel dicht in de buurt van Ter Braaks vorm-als-nomadische-behuizing theorie. En het is juist diens generatie (met hem en Du Perron aan het hoofd) die er, het is al meer verkondigd, voor gezorgd heeft volgens Offermans, dat het experimentele proza na de tweede wereldoorlog niet doorbrak.’

Ik weet nu niet meer precies welk boek ik het eerste van hem ben gaan lezen – zeer waarschijnlijk De kracht van het ongrijpbare en pas daarna Macht als trauma en Niemand ontkomt (dat immers pas in 1988 verscheen) – wel herinner ik me dat ik een schrijver ontdekte die er voortdurend blijk van gaf een close reader te zijn maar niet aarzelde om na gedane leesarbeid de sluizen wagenwijd open te zetten en van alles te laten binnenstromen. Ik las over schizofrenie en over taal als een manier om de beweging van het denken tot uitdrukking te brengen, over de Dialektik der Aufklärung van Horkheimer en Adorno als een grafrede van de burgerlijke cultuur, over Mariken van Nieumeghen en over de utopie van de renaissance als de geseculariseerde hemel van de middeleeuwen, over Gerrit Kouwenaar gebroederlijk naast Hölderlin, over de rampzalige scheiding van natuur en rede in een doorgedreven Verlichting, over de socioloog Norbert Elias en over Joyce’ Ulysses, over de ideologische implicaties van Goya’s schilderij De slaap van de rede baart monsters (dat later prominent zou terugkeren in Niemand ontkomt) en over bordelen en Paul van Ostaijen – en dan zijn we nog maar net honderd bladzijden op weg in De kracht van het ongrijpbare. Zelden had ik iets gelezen dat het zo mateloos en ongegeneerd over alles wilde hebben. Zo kon het dus ook!

Ontmoeten deed ik Cyrille pas een paar jaar later toen we hem in het najaar van ’88 of ’89 uitnodigden voor een avond in Utrecht in het kader van een door de SLAU georganiseerde reeks over literaire tijdschriften. In het grandioze boek dat we vanavond aan u voorstellen, getiteld Een iets beschuttere plek misschien (nummer 302 in de reeks Privé-domein), schrijft hij daarover: ‘Ik zat daar namens Raster, Jessica Durlacher namens De Held. Aangezien de belangstelling “beperkt bleef tot een man [?] of acht negen, hebben we aan een ronde tafel gezeten en een informele avond bij elkaar geouwehoerd.” Niet lang daarna kwam hij me als medewerker van het Utrechts Nieuwsblad [die hij ben ik dus] thuis opzoeken in het kader van een serie over de toekomst van het boek. Een weer een aantal jaren dáárna, inmiddels redacteur bij De Arbeiderspers, moet hij me al eens voorzichtig gepolst hebben voor Privé-domein.’ Omstandigheden die u in het boek terug kunt vinden – allerminst geheimzinnig of spectaculair overigens – maakten dat hij daar voorlopig niet aan toekwam. Cyrille had overigens wel degelijk eerder al (samen met Marion, die het vertaalde) aan Privé-domein bijgedragen met Gekleurde schaduwen. Brieven 1770-1799 van Georg Christoph Lichtenberg.

Omdat Cyrille Offermans behoort tot de auteurs die ik steeds ben blijven volgen, weet ik hoe (enerzijds) onvoorstelbaar breed en gevarieerd de horizon van zijn onderwerpen is en hoe (anderzijds) trouw hij aan zijn aandachtsgebieden is gebleven. Als ik me beperk tot de opsomming uit De kracht van het ongrijpbare van daarnet komen in Een iets beschuttere plek Adorno, Kouwenaar, Van Ostaijen, Joyce en Elias opnieuw voor, maar let wel: benevens een kleine duizend andere namen en – indachtig de beroemde regel van Lucebert ‘Er is alles in de wereld’ – een veelvoud aan onderwerpen! Een iets beschuttere plek is, zoals veel andere boeken van Cyrille, een rijk, intens gevarieerd breed uitwaaierend boek. Een verzameling notities, beschouwingen, herinneringen, observaties en essayistische commentaren op gelezen boeken en gebeurtenissen in de wereld. Eigenlijk verschilt dit boek niet eens zo veel van zijn essayboeken, maar er ligt meer dan ooit een accent op het persoonlijke (zeg maar autobiografische, we hebben het immers over een Privé-domein), en op wat het schrikbewind van uur en feit gedurende het kalenderjaar 2017 dicteerde.

Een opsomming als proeve van wat er in dit boek – dat begint en eindigt met de doffe ellende in Syrië – voorkomt, laat ik achterwege. Daar zullen Rob Bindels en Ben van Melick u ongetwijfeld mee gaan teasen. Cyrille teasede mij een paar weken geleden met het toesturen van een tekst van de Duitse uitgever en schrijver Michaël Krüger, getiteld ‘Uitgeven’. Je had meteen in de gaten dat het vol zelfreflectie zat. Je hoefde er niet eens close voor te readen om te zien met wat voor een superieure ironie (en dus in zekere zin ook zelfspot) dat opstel, jaren geleden in Raster verschenen en door Cyrille zelf vertaald, was geschreven. Eén voorbeeld slechts: ‘Zoals bijna alle beroepsmatig georganiseerde groepen praten wij uitgevers graag en uitvoerig over onszelf. Daarbij bedienen we ons in hoofdzaak van een van de oudste literaire vormen aller tijden, de klacht. Zij is onze favoriete uitdrukking van vreugde. Iedereen die met ons aan tafel zit – schrijvers, critici, boekhandelaren en lezers – wil ons de kunst betwisten onvermoeibaar op het hoogste niveau te kunnen klagen, maar tot op heden is geen van hen daarin geslaagd.’

Maar mij zult u vanavond niet horen klagen. Krügers komische klacht (die handelt over het alom vermoede einde van het boek met dito gevolgen voor zijn beroepsgroep) mondt uit in de formulering van vijf houdingen (van heel grote tot kleine uitgevers) ten aanzien van deze eschatologie. Ik beperk me, onszelf kennende, tot het citeren van de vijfde: ‘De kleine uitgeverijen vertrouwen helemaal op hun intelligentie, zoals ze dat altijd gedaan hebben.’

vdh9789029525794.jpg
Quod erat demonstrandum.
Advertenties