Afgelopen augustus werd Luuk Gruwez 65 jaar. In België nog altijd de wettelijke pensioenleeftijd. Maar schrijvers gaan niet met pensioen. Deze maand verscheen alweer een nieuwe, twaalfde bundel, Bakermat, tevens zijn – als ik goed tel – vijfentwintigste boek. Het Poëziecentrum in Gent heeft de verjaardag van de schrijver aangegrepen om een online tentoonstelling te organiseren: Luuk Gruwez: Van Stofzuigergedichten tot Bakermat, over het leven en oeuvre van de dichter. Te zien door te klikken op: paukeslag.org. Zowel bundel als tentoonstelling werden onlangs in Gent gelanceerd tijdens een avond in de Cultuurkapel. Acteur en zanger Wim Opbrouck bracht een laudatio in woord en muziek, Carl de Strycker (directeur Poëziecentrum) interviewde Gruwez over zijn nieuwe bundel en ik overhandigde hem bij het uitspreken van de onderstaande woorden het zogeheten eerste exemplaar van Bakermat.

 

Kees Fens heeft weleens geschreven dat hij het altijd merkwaardig gevonden heeft dat Gestalten tegenover mij van Simon Vestdijk nooit echte navolging heeft gekregen. Hoe ik dat nou weer weet? Het staat gewoon achter op de vierde druk van het boek dat in 1992 verscheen. De eerste druk verscheen overigens in 1961, mijn geboortejaar. Vestdijk was toen 63 en had nog tien jaar te leven.

Ik vertel dit omdat die verbazing ook bij mij aanhoudt. Gestalten tegenover mij is namelijk een geweldig boek, zeker voor literatuurliefhebbers met interesse in literatuurgeschiedenis. Ik behoor tot degenen die het – toch in elk geval een aantal hoofdstukken eruit, toch in elk geval de hoofdstukken over E. du Perron, Menno ter Braak en J.J. Slauerhoff – verslonden hebben. Maar dat is het niet alleen. Het is ook een boek dat, doordat het zo’n heldere en voor de hand liggende vorm heeft, welhaast tot navolging dwingt. En omdat dit volgens mij zo is, heb ik gedurende mijn tijd als redacteur ook diverse malen geprobeerd auteurs te verleiden tot een soortgelijk boek. Nooit gelukt!

Het wordt nu de hoogste tijd om de onwetenden omtrent Gestalten tegenover mij ervan op de hoogte te stellen wat dat dan wel voor een boek is. Welnu, de hoofdmoot ervan is simpelweg een meeslepende reeks portretten van literaire vrienden dan wel literaire geestverwanten. Behalve de al genoemde ook van H. Marsman, Gerrit Achterberg, Willem Pijper, M. Nijhoff en A. Roland Holst. Waarom zijn er niet meer schrijvers die zo’n boek vol aan literaire vrienden opgehangen persoonlijke herinneringen hebben geschreven? En ook: waarom zijn er geen redacteuren die zulks gedaan hebben? Zeker redacteuren van grote uitgeverijen hebben vaak jarenlang intensief met belangrijke schrijvers verkeerd.

Het hoge woord moet eruit. Ik loop al jaren rond met het halfslachtige plan nog eens een boek te schrijven vanuit die overkoepelende gedachte maar dan met net een andere titel en over schrijvers met wie ik de afgelopen pakweg vijfentwintig jaar als redacteur heel intensief ben omgegaan. Nou moe, ik ben eindelijk waar ik wezen wil. U hebt goed opgelet en u begrijpt: tot de schrijvers aan wie ik in dat boek zeker een hoofdstuk zou wijden behoort Luuk Gruwez, en jandorie niet omdat ik een eeuwigheid geleden door hem werd aangewezen als zijn testamentair executeur.

Maar waarom wel dan? Omdat ik al bijna 25 jaar (vanaf najaar 1995) met hem samenwerk en hem ongeveer net zo lang ken. Weet je nog, Luuk, de eerste keer dat wij elkaar ontmoetten was bij de uitreiking van de Geertjan Lubberhuizenprijs voor het beste prozadebuut in 1994, uitgereikt najaar 1995. Ik was een paar maanden werkzaam voor De Arbeiderspers, het was een officiële bijeenkomst ergens in het centrum van de stand. Het aansluitende diner in kleiner gezelschap vond op verzoek van Martin Ros plaats in Haesje Claes, een restaurant in de Amsterdamse binnenstad dat bekend stond (en misschien nog steeds staat) om de oer-Hollandse pot waar Ros zo dol op was (‘klapstuk met een klots andijvie’). Enfin, het was een gedenkwaardige avond waarop ik naast Luuk Mieke voor het eerste ontmoette en waar ook beminde vriend Eriek Verpale bij was, maar die kende ik al omdat ik hem een jaar of drie eerder voor Vrij Nederland geïnterviewd had naar aanleiding van het feit dat hij voor Alles in het klein een grote literaire prijs, de voorloper van de Gouden Uil, had gewonnen.

Het was de dag waarop de toenmalige uitgever van De Arbeiderspers mij aan Luuk voorstelde met de mededeling dat zijn toekomstige redacteur voor hem stond. U ziet: sommige onvrijwillige liaisons houden lang stand. Ik heb Luuk tussen 1996 en 2018 begeleid bij de totstandkoming van in elk geval zestien nieuwe boeken, zeg maar elk anderhalf jaar één. Die boeken beslaan zeer uiteenlopende genres. Poëzie, dat in de eerste plaats natuurlijk. Maar ook verhalend proza, autobiografische geschriften, columns, toneelteksten en monologen en essays.

Hoe vaak hebben wij elkaar gedurende die vierentwintig jaar wel niet gezien? Helemaal niet zo geregeld misschien, maar toch gauw een keer of vijf per jaar, waardoor we kunnen zeggen dat we elkaar al meer dan honderd keer ontmoet hebben, en het waren zelden vluchtige ontmoetingen. Onze onderonsjes – vaak in Hasselt, soms in Nederland, soms op locaties waar Luuk aan het schrijven was en natuurlijk ook bij en rondom allerlei literaire evenementen en presentaties – duurden niet zelden hele of halve dagen of avonden. En werden aldus vanzelf heuse onderonsen, topontmoetingen. Die werden dan ook vrijwel altijd onderbroken of afgesloten met diners. En als er geen diners waren, werd er wel gedronken en geouwehoerd, verzucht, verwacht, verwenst, geconspireerd, geroddeld en gelachen. Veel gelachen! Simon Vestdijk in Gestalten tegenover mij: ‘Een van mijn eigenaardigheden is, dat ik alleen blijvende betrekkingen kan onderhouden met mensen, die mij geregeld aan het lachen maken. Vriendschappen, niet op enigerlei wijze door het schateren gevoed, bloeden bij mij dood.’

Dat zijn allemaal heel kwantificeerbare redenen die zo’n essayistisch portret à la Vestdijk zouden rechtvaardigen. Maar hoe telbaar is het dat Luuk Gruwez naar mijn vaste overtuiging al tijden behoort tot de beste auteurs in de hedendaagse Nederlandstalige letteren en tot de allerbeste die ik tot mijn grote vreugde als hun literair redacteur mag beschouwen? Je kunt verwijzen naar de vele mensen die dat al weten en die bij elkaar optellen, maar het zijn er nog steeds lang niet genoeg. Zo’n portret zou derhalve ook nog een stukje zendelingswerk bevatten.

Maar zo’n stuk in mijn Gestalten tegenover mij zou voor een deel ook moeten gaan over de terugkerende obsessies, de grote onderwerpen en hete hangijzers van de geportretteerde in kwestie. In dat geval zou ik kunnen wijzen op de terugkerende vragen en thema’s die zich ook nu weer naar de voorgrond dringen in zijn nieuwe bundel Bakermat, zonder die ook maar voor een spat te kort te doen. Integendeel: de consistentie die Luuk Gruwez wat dat betreft aan de dag legt toont juist hoe veelzijdig hij zijn thema’s heeft uitgewerkt. Want Bakermat is in al zijn herkenbaarheid iets heel erg nieuws. Het is een bundel waarin Gruwez, zoals altijd weer maar nooit eerder op deze wijze, nu eens ironisch dan weer uiterst direct, zijn oogappels, troefkaarten, kwetsuren en nachtmerries tentoonstelt. Het gaat daarin moeders en maagden, dichters als ‘godjes’ of als wezenloze verweesden die verzuchten ‘had ik maar nooit een vader, nooit een moeder gehad, / met alle kans van dagen zonder hen’. Maar ook gaat het weer zoals eerder over het naakte, kwetsbare en soms wanstaltige lichaam. Of het gaat over kosmische angsten en over aftakeling en de vrees daarvoor. Natuurlijk gaat het ook als vanouds over vrouwen in alle soorten en maten, van sloeries en hoeren tot heiligen en gestoorden en van Michelle Obama tot kroonprinses Elisabeth. Het gaat over poëzie en schuchtere dichters, over falende kunst en liefdesverdriet, doodsverlangen en paringsdrift. En het gaat in een schitterende slotcyclus per slot rekening ook nog over de beminde en betreurde vriend Eriek Verpale: ‘Jij die, nu uitgepraat, / mij nogmaals na aan het hart komt te liggen / met dat te stille graf dat mij aan jou verknocht / wil houden.’

Paul Demets schreef in zijn lovende bespreking van Bakermat in De Morgen gisteren dat deze nieuwe bundel ‘donkerder van toon’ is ‘dan vorig werk’. Ik waag dat te betwijfelen. Bij Gruwez houdt het licht (waarvoor Demets overigens beslist oog heeft) het donker in evenwicht.

Allemaal prachtig voor een uitgebalanceerd literair portret. Maar nu ik er nog eens goed over nadenk, door nog eens een scherpe blik op dat boek van Vestdijk te werpen, denk ik dat ik het maar niet moet doen. Zo’n boek maken. Zo’n portret schrijven. Ik moet, ik kan, ik mag het niet doen (precies om dezelfde reden waarschijnlijk waarom ik ook nooit iemand zover heb gekregen): het is de goden verzoeken! Bijna al die gestalten tegenover Simon Vestdijk, uitgezonderd Roland Holst, waren immers al kastje wijlen toen hij die portrettenreeks schreef. Dat twijfelachtige genoegen had Vestdijk dan weer: dat al die beminde of verwante gestalten tegenover hem vroegtijdig stierven.

Maar mijn gestalten tegenover mij leven grotendeels nog. En dat wil ik –  waarschijnlijk net als die gestalten zelf – graag nog even zo houden.  Luuk Gruwez heeft kortgeleden weliswaar de respectabele leeftijd van 65 jaar bereikt – in Nederland heette men dan tot voor kort pensioengerechtigd – maar hij is nog lang niet uitgeleefd en uitgeschreven. Bakermat, het woord zegt het al, gaat over het eigen begin en het land van herkomst. Zijn volgende boek, een prozaboek, zal daar op een geheel andere wijze ook over gaan. Gruwez is in die zin nog maar net opnieuw begonnen.

En daarom wens ik Luuk Gruwez nog een lang leven, als mens, als hedonist, als melancholicus, als schrijver, als onverwoestbare veteraan die op geen stukken na aan het einde van zijn dichterslatijn is geraakt, hoe donker van toon zijn werk ook lijkt te zijn. Want dat is allemaal maar schijn. Het wezen staat hier voor ons. Lang leve Luuk Gruwez.

vdh9789029526388

https://www.singeluitgeverijen.nl/de-arbeiderspers/boek/bakermat/

 

Advertenties