Zou Herman Chevrolet het hoofdstuk kennen dat ik aan Briek Schotte wijdde in Legendarische wielerkampioenen, een boek dat ik met Aart Aarsbergen schreef en dat – zo pretendeert de ondertitel – een complete geschiedenis van de wielersport is? Ik vermoed van wel. Herman Chevrolet heeft namelijk bijna de hele wereldwielerliteratuur gelezen en veel daaruit staat hem ook nog eens als parate kennis ter beschikking. Maar in zijn boek Briek! De laatste Flandrien merk je daar niks van. Geen boodschap aan ons boek. Ik denk niet dat ik daar verbijsterd over zou moeten zijn, laat staan verongelijkt.

Herman Chevrolet laat zijn held, of liever zijn antiheld, aan het begin van Briek! mijmerend over het leven met zijn gat in bad glijden, en de vraag is of hij daar nog wel uitkomt. Zeker, af en toe gaat het over wielrennen – of nee, het gaat tussen de regels door eigenlijk steeds wel over wielrennen –, maar in feite is twee derde van dat boek van hem, dat je een biografie zou kunnen noemen als het niet alle regels van dat genre aan zijn laars zou lappen, een onnavolgbaar meanderende stream of conciousness. In elk geval in het eerste deel van het boek (en trouwens ook in het laatste) bevinden we ons in het oude, wat wazig geworden gecraqueleerde hoofd van IJzeren Briek en daarmee moeten we het doen.

Voor de netjes gerangschikte historische feiten moet je, om daar nog even reclame voor te maken, bij dat boek van Aart Aarsbergen en mij zijn. Het bewuste hoofdstuk in Legendarische wielerkampioenen heet zo zakelijk als het maar kan ‘Briek Schotte (1919-2004)’, maar dan wel met een heel poëtische ondertitel: ‘Ge waart zo schoon in uw onverbiddelijke hardnekkigheid’, een citaat uit Het rijke Vlaamsche wielerleven van niemand minder dan Karel van Wijnendaele. Maar in het stuk zelf beperk ik me – en liefst zo chronologisch mogelijk – tot de feiten, hooguit opgedoft met andermans veren (in de vorm van ronkende citaten), epische verteltrucs en een handvol algemene en breed geventileerde observaties over de man, zoals zijn uithoudingsvermogen, zijn stampende en dampende, weinig soepele manier van rijden, en zijn eenvoud en nuchterheid.

En die feiten zijn: een professionele wielerloopbaan die meer dan twintig jaar bestrijkt, maar ernstig gehinderd werd (in de zin ook dat zijn palmares groter had kunnen zijn) door de vaststelling dat ze een aanvang nam aan het begin van de Tweede Wereldoorlog. Paradoxaal leverde die hem meteen zijn eerste (maar niet volledig erkende) overwinning op. Hij lag aan de leiding tijdens de eerste profkoers die hij reed, de Bretonse etappewedstrijd Omloop van het Westen, toen op 1 september 1939 de wereldoorlog uitbrak en de koers werd stilgelegd. Daarnaast won hij twee keer zowel Parijs-Brussel, Parijs-Tours, Gent-Wevelgem als de Ronde van Vlaanderen, in welke laatste koers hij twintig opeenvolgende keren aan de start stond. Achter Gino Bartali eindigde hij als tweede in de Tour de France van 1948, en in dat jaar was hij ook eindwinnaar van de allereerste Desgrange-Colombo, een regelmatigheidsklassement over de belangrijkste koersen van het jaar. Bovendien werd hij twee keer wereldkampioen, in 1948 en 1950. Na zijn actieve carrière als renner werd hij ploegleider, en in die hoedanigheid kende hij bij Flandria grote successen met renners als Eric Leman, Joop Zoetemelk, Freddy Maertens en Marc Demeyer. Hij overleed op 4 april 2004 na een slopende nierziekte en werd op het kerkhof van Waregem naar zijn laatste rustplaats gedragen door zeven ex-topcoureurs: Benoni Beheyt, Sean Kelly, Eric Leman, Rik van Looy, Eddy Merckx, Freddy Maertens en Roger de Vlaeminck. De achtste drager was de op dat moment nog actieve Frank Vandenbroucke.

chev

Kom daar eens om bij Herman Chevrolet. Een deel van de genoemde wapenfeiten zal de lezer van Briek! terloops ook aantreffen. Maar dan toch vooral terloops, en op de associatieve, lichtjes desintegrerende wijze zoals ze zich in het brein van Briek aandienen. Bij Herman Chevrolet gaat het in laatste instantie om heel andere dingen, waarbij met kracht de literaire verbeelding wordt ingezet. Het gaat om kleine observaties zoals in die mooie zin waarmee het boek opent waarin Briek zichzelf zijn eigen herinneringen vertelt: ‘Tot aan het einde van je leven blijft het je verbazen: een badkuip die zich automatisch vult zonder gesjouw met emmers.’

Of: ‘De eerste keer dat je sinaasappels zag was je nog een kind. Het was een sinterklaasgeschenk en het wonderbaarlijkste dat je tot dan had gezien. Je at de vrucht met schil en al op. Wist jij veel. Appels en peren at je toch ook zo?’ En passant wordt daarmee ook Schotte’s afkomst uit een zeer arme en ignorante sociale omgeving subtiel geduid. En ook weleens minder subtiel: ‘De mensen waren zo arm dat ze genoegen moesten nemen met het gemeste varken – en daarvan aten ze alles op, zodat ze er onherroepelijk op gingen lijken: rood aangelopen gezichten en stinkende uitwerpselen die dan over het land werden gestrooid als bemesting.’

Het gaat in Briek! om de gedragingen, de gedachten, oftewel het innerlijk van de hoofdpersoon: ‘Het leek wel of je bang was voor de liefde, maar je besefte dat niet, je kon het ook niet: het enige voorbeeld dat je kende waren je ouders en die leken wel schrik te hebben elkaar aan te raken’.

Het gaat om de weemoed waarmee de oude renner de moderne tijd ervaart: ‘…het stoort je dat de renners van nu over wegen rijden waarover men biljartballen kan laten rollen’.

Het gaat om het taalgebruik van Briek: ‘Je hebt de reputatie gierig te zijn, je noemt dat bendig’.Of: ‘Wel, zeg je, het is simpel: ik kan er niet meer van genieten – je zegt jeunen ’. En voorts doet Briek een klapke als hij met iemand een praatje maakt. Om enkele voorbeelden van dat idioom te geven.

In het tweede deel van het boek maakt de je plaats voor een hij (en dus voor een verteller) die in het derde en laatste deel opzij geduwd wordt door een ik, Briek zelf, die het laatste woord wil hebben: ‘Je hebt nu de hele tijd van alles en nog wat over mij geschreven dus ik vind dat ik hier ook eens mijn gedacht mag zeggen.’ In het middendeel van het boek ontworstelt de jonge Briek zich aan de zwijgzame, norse, bozige vader en de hardwerkende, zorgende, tatjespap bereidende moeder en aan heel dat armetierige boerenmilieu van kleine en gekoeioneerde mensen om te doen wat hij moet doen: wielrennen. Om in het derde deel zelf het hoogste woord te voeren en, ondanks alles wat hij aan armoe en misère, aan ongezochte roem heeft ervaren, te concluderen ‘…dat ik al bij al een goed leven heb gehad’.

Het heeft er alle schijn van dat Herman Chevrolet met Briek! eigenlijk een roman geschreven heeft. Een roman waarin je misschien wel meer over Briek Schotte te weten komt dan in welk ander boek over hem ook.

In Fictie moet de sport redden, de (ook als boek gepubliceerde) Kees Fens-lezing die Bert Wagendorp op woensdag 13 februari in Amsterdam (De Rode Hoed) hield, wordt halverwege aan Herman Chevrolet gerefereerd: ‘Chevrolet omschreef het wielrennen niet voor niets ooit als een literair genre. Zonder de verhalenvertellers die de sport volgen en interpreteren zou de sport niet bestaan. Van a naar b fietsen, proberen de bal in het doel van de tegenstander te werken of 800 meter zo hard mogelijk van start naar finish hollen: het zouden betekenisloze activiteiten zijn als er geen verhalen aan zouden worden gekoppeld.’

Zo’n verhaal moet drama bevatten. Aan opkomt en victorie hebben we maling als die niet omgeven zijn door nederlagen, nijd, valsheid, treurigheid, gefnuikte ambities, onbeantwoorde liefde, ongeluk, bedrog en verval. En zo is het ook met Briek. Opgegroeid in een van ellende scheefgezakte, kleine boerderij op het West-Vlaamse platteland, voorbestemd om zich het schompes te werken te midden van drek en klei, droomt de sneue held zich een weg naar verlossing. Die verlossing ligt in het wielrennen. Maar ondanks het talent, het ongekende vermogen tot afzien en de roem die hij daarmee verwerft, slaagt de eenvoudige, wat verlegen man er niet in dat alles om te zetten in mondaine welvaart en bestendig maatschappelijk succes. En in zijn nadagen raakt de eerlijke man die hij was ook nog eens vermorzeld tussen de malicieuze raderen van de wielerwereld vermorzeld om vervolgens, vernederd en wel, aan de kant te worden geschoven en gaandeweg een levend anachronisme te worden, bevangen door twijfels en angsten en zijn greep verliezend op de moderne tijd. De vraag of geluk in dat leven een factor van belang is geweest, moet als irrelevant terzijde worden geschoven. Maar één ding is zeker: het met onsentimentele passie schilderen van zo’n levensloop is een in het oog springende kwaliteit van  de naturalistische vertelkunst van Herman Chevrolet.

vdh9789029526425

*Licht bewerkte versie van toespraak gehouden bij de presentatie van Herman Chevrolets boek Briek! De laatste Flandrien op 21 februari 2019 in het Centrum van de Ronde van Vlaanderen te Oudenaarde.

 

Advertenties