‘Liever niet.’

Het almaar terugkerende zinnetje uit een beroemd verhaal van Herman Melville, De klerk Bartleby. Het is het antwoord van Bartleby op een vraag, zeg maar gerust een opdracht van zijn baas op het kantoor waar hij werkt, om aan het eind van de werkdag nog een haastklusje te verrichten. Liever niet dus. I would prefer not to. We schrijven de negentiende eeuw. Dus baas verbijsterd, collega’s verbijsterd. Maar dit is slechts het begin. Bartleby blijft voortaan alles weigeren, vriendelijk doch beslist, al is het moeilijk te begrijpen wat hij precies weigert en waardoor dat gemotiveerd wordt. Hij blijft daar maar zitten op dat kantoor. En hoe dan ook: ‘Liever niet.’

Ik werd aan dat schitterende, volstrekt ontregelende verhaal van Herman Melville herinnerd tijdens de voorstelling Iemand die slaapt, een toneelbewerking van Georges Perecs roman Een man die slaapt door het schrijvende theatercollectief BOG in samenwerking met Het Zuidelijk Toneel. In Perecs roman, zeer adequaat en welluidend vertaald door Rokus Hofstede, wordt subtiel verwezen naar Melville’s verhaal: ‘Er was eens in New York, op een paar honderd meter van de klippen waar de laatste brekers van de Atlantische Oceaan aanrollen, een man die zichzelf liet doodgaan. Hij was klerk op een juristenkantoor.’ En dat gaat nog even zo door.

Image result for iemand die slaapt bog

In de theaterbewerking van BOG is die verwijzing explicieter. Daar wordt Bartleby op een gegeven letterlijk aangehaald in zijn weigering nog langer (maar waaraan?) mee te doen: ‘Liever niet’.

Het was mijn laatste kans om de voorstelling Iemand die slaapt, waarmee de mensen van BOG gedurende een paar maanden het hele land door waren getrokken, te zien. Ik had daar veel goede geluiden over opgevangen. En ja, Perec. Dat maakt extra nieuwsgierig. Maar ik moest er wel voor naar Eindhoven. Parktheater. Philipszaal. Vier jonge acteurs (drie Vlaamse vrouwen en een Nederlandse man) vertellen – en dat doen ze met verve – op en rond een roterend wit vierkant platform in afwisseling het verhaal van een je (die consequente jij-vorm zit ook in het boek) die net als Bartleby, en ook zonder dat je zou kunnen spreken van een wilsbesluit, op een gegeven moment niet meer meedoet met het dagelijkse georganiseerde en gecodeerde sociaal-maatschappelijke leven. Maar waarom eigenlijk niet? Dat is vrijwel even ongrijpbaar (maar daarom nog allerminst onbegrijpelijk of mysterieus) als in dat verhaal van Melville. Wanneer de onthechting van de hoofdpersoon toeneemt begint dat vierkant podium te draaien en steeds harder te draaien waardoor je je als toeschouwer afvraagt hoe die acteurs hun tekst kunnen blijven uitspreken en er niet apelazarus van af donderen.

Wat is er toch met die iemand die slaapt aan de hand? Misschien iets wat in de buurt komt van wat er met Bartleby aan de hand is. De achterplattekst van dat verhaal (uitgegeven bij Athenaeum – Polak & Van Gennep) verwoordt dat treffend zonder uitsluitsel te geven: ‘Het zou gaan over de vrije wil, over klinische depressie, over protest, over de moderne maatschappij, over nee durven zeggen, over verhalen vertellen, over eenzaamheid, over opstand. Maar waarom kan het niet over al die zaken tegelijk gaan?’ Precies, en zo ook bij Een man/Iemand die slaapt, waarin het ‘niet meer meedoen’ van de je ook nog te maken heeft met een verlangen naar zuiver waarnemen zonder oordelen, naar volledige autonomie. Al heeft het er soms wat van weg dat het consequent leven aan de zijlijn ook in zijn geval het gevolg is van een depressie, een aversie tegen het leven, waardoor die je van Perec nogal doet denken aan Florent-Claude Labrouste, de hoofdpersoon in de nieuwe roman Serotonine van Michel Houellebecq.

Nou ja, laten we eerlijk zijn, Een man die slaapt is ook ruim een halve eeuw na dato nog een verrassende en ontregelende tekst maar het is geen music for the millions. Ik kreeg ook niet de indruk dat heel Eindhoven erdoor werd meegesleept. Dat kwam misschien ook wel omdat een deel van Eindhoven zodanig verkouden was dat het begin van de voorstelling door alle gehoest en geproest klonk als een op onbestemde frequentie afgestelde radio. En dan was er in Eindhoven ook nog volk assertief genoeg om tijdens de voorstelling de zaal uit te banjeren. Men wist zich klaarblijkelijk onvoldoende te identificeren met onze je die zichzelf genadeloos kwalificeert als: ‘Je bent een leegloper, een slaapwandelaar, een oester.’ En die even later constateert: ‘Onverschilligheid voor de buitenwereld is niet hetzelfde als onwetendheid of vijandigheid.’ Ja zelfs een positief te duiden gevoel kan verkeerd aankomen: ‘Er valt je een volkomen rust te beurt, je wordt op elk moment gespaard, beschermd. Je leeft in een gelukzalig terzijde, in een veelbelovend vacuüm, waarvan je niets verwacht. Je bent onzichtbaar, doorschijnend, transparant.’ Weer twee mensen de zaal uit. Ja: ‘Soms lijk je op een koe.’ Dat hoef je natuurlijk niet te pikken. Nog eens drie deserteurs.

Ik daarentegen vond het niet onaangenaam te bedenken dat men soms op een koe lijkt.

Heel sympathiek vond ik dat de jongen van het viertal na het in ontvangst nemen van het applaus meedeelde dat BOG het boek van Perec, dat De Arbeiderspers opnieuw had uitgebracht, na afloop ging verkopen. En toen ik mijn nazitdrankje ophad (maar ik was alleen en had niemand om mee na te zitten, laat staan na te praten) stelde ik opgetogen vast dat diverse bezoekers daadwerkelijk Een man die slaapt hadden aangeschaft.

Perec bew kopie

Verlicht wandelde ik richting bushalte, in het spoor van twee dames van ongeveer mijn leeftijd die kennelijk in dezelfde zaal hadden gezeten. De een tegen de ander: ‘Maar as ge mij vraagt, wa hedde nou gezien? Ik zou ’t ow nie kunnen naovertelle.’ De dames sloegen rechtsaf, ik links. Toen ik bijna bij de halte was zag ik dat de jongen van BOG daar met zijn rugzakje om op de bus stond te wachten. Terwijl ik hem naderde en me juist had voorgenomen hem aan te spreken (‘mooie voorstelling’, ‘sympathiek gebaar om ons boek te verkopen’) kreeg een jonge vrouw die een stukje verder op het busperron stond hem ook in de smiezen. Ze was fris en mooi, dat leed zelfs op dit avondlijk uur geen twijfel. Ze aarzelde geen moment en sprong op hem af. ‘Ik heb je zien spelen! Mooi stuk hoor. En wat een lef om werk van Perec te doen. Weird zeg, obscuur.’ De jongen begon uit te leggen hoe dat zat. Een van de vrouwen uit het gezelschap enzovoorts. Er ontspon zich een geanimeerd gesprek over toneelspelen, over hun beider verschillende studies. En ook weer over Perec. ‘Ja,’ sprak de jongen, ‘ik heb gehoord dat De Arbeiderspers het Verzameld Werk van Perec gaat uitgeven.’ Die mededeling verraste me nogal. Niet omdat ze niet klopte, maar juist omdat ze bijna klopte. De Arbeiderspers komt dit jaar met een heruitgave van W of de jeugdherinnering en een boek van Manet van Montfrans over Perec (Perec een gebruiksaanwijzing), begin volgend jaar met De aanslag in Sarajevo, een nooit eerder uitgegeven vroege roman, en daarna wellicht met een vuistdik boek waarin veel andere kleinere teksten van Perec (deels nooit eerder in het Nederlands vertaald) zullen worden verzameld. De jongen van BOG of een van de meisjes van BOG moest wel over een deep throat beschikken.

Ik wilde dit – we zaten inmiddels in de bus op weg naar het Centraal Station – allemaal vertellen aan de jongen van BOG, maar die was nog altijd verwikkeld in een levendige conversatie met het mooie meisje. Misschien werd daar wel de kiem gelegd voor een bloeiende romance – wie was ik dan om die te verstoren. Bij het uitstappen overwoog ik nog een moment om althans mijn identiteit kenbaar te maken zodat de jongen van BOG tenminste wist dat ook De Arbeiderspers was komen kijken. Maar ach, nee, ik liet het erbij. ‘Liever niet.’ En liep de donkere nacht in.

vdh9789029507714

Advertenties