Half maart was ik op de Salon du Livre, tegenwoordig Livre Paris geheten, de jaarlijkse boekenbeurs in Parijs. Dit keer niet alleen met het oog op ontmoetingen met de belangrijkste Franse literaire uitgevers, agenten en scouts, maar ook op uitnodiging van het Letterenfonds dat onder de noemer Phares du Nord een heel jaar lang de Nederlandse literatuur aan het promoten is met allerlei programma’s rond Nederlandstalige schrijvers op diverse locaties en literatuurfestivals in Frankrijk.

Op de Salon du Livre organiseerde het Letterenfonds samen met de BIEF (Bureau International de l’Edition Française) een Café Pro op Livre Paris. Een van de bijeenkomsten, als altijd uitstekend gemodereerd door Margot Dijkgraaf, ging over het uitgeven van poëzie in Nederland en Frankrijk in het huidige culturele en economische klimaat. Over de uitdagingen waar we voor staan, de trends die waar te nemen zijn. Enzovoorts. Voor dat programma had men mij uitgenodigd. In het forum schoven ook aan: Jean-Yves Reuzeau, directeur van Le Castor Astral, uitgever van onder anderen Lars Gustafsson en Benno Barnard, en Paul Gellings, dichter, romanist en lector van Frankrijks voornaamste uitgeverij Gallimard.

Omdat ik daar toch moest zijn, dacht ik: laat ik dan maar eens opschrijven hoe ‘goed’ we het in Nederland en Vlaanderen geregeld hebben als het om poëzie gaat. Dat leidde tot onderstaande column die ik in Café Pro uitsprak alvorens we aan de discussie gingen beginnen.

IMG_5204.JPG

Eerlijk gezegd denk ik dat de dichters van de Lage Landen de gelukkigste dichters op aarde zijn, en dat zijn ze niet alleen maar omdat ze zulke nobele, poëziegekke uitgevers hebben.

In Nederland en Vlaanderen is, in het bijzonder gedurende de laatste vijfentwintig jaar, een poëtische infrastructuur ontstaan die internationaal zijn weerga niet kent. Maar ook in vroeger tijden bestond er in ons vlakke land van wind en regen al een subtropisch klimaat voor dichters. We hadden een literair bedrijf waarin – anders dan in veel andere Europese landen of in Noord-Amerika, de Fransen misschien uitgezonderd – de belangrijkste literaire uitgevers bereid waren elk jaar wel zo’n acht tot tien nieuwe dichtbundels uit te brengen. Omdat je bij ons al gauw een stuk of tien vooraanstaande literaire uitgevers kon aanwijzen, hadden we zonder overdrijven te maken met een jaarlijkse oogst van op zijn minst honderd nieuwe dichtbundels van vaak hoogstaande literaire kwaliteit. En aan die situatie is weinig veranderd.

Voorts kent de Nederlandse literatuur sinds eind jaren zestig – toen kennis en kunst gedemocratiseerd moesten worden en de uilen van Minerva zich gelukkig alleen nog maar vleuggellam ophielden in de bittertafelverzen van sociëteitsrijmelaars – een soort evenementenbureau, sinds enige tijd de Schrijverscentrale geheten, dat ook dichters in ruime mate podia wist te geven: op scholen, in zaaltjes in de provincie, maar ook in grote theaters. De gedroomde vloer voor elke Nederlandse en Vlaamse dichter sinds 1980 is De Nacht van de Poëzie in Utrecht. Sinds 1969 bestaat in Rotterdam Poetry International, inmiddels een van de grootste en meest prestigieuze internationale poëziefestivals. Sinds 1976 verschijnt in Vlaanderen het tweemaandelijks tijdschrift de Poëziekrant, exclusief aan poëzie gewijd. Sinds 1994 hebben we een prestigieuze prijs die qua impact en geld nauwelijks onderdoet voor de grootste literaire prijzen: de VSB Poëzieprijs (tegenwoordig Grote Poëzieprijs) die een vijf- of zestal bundels nomineert en de beste bundel van het jaar een bedrag van € 25.000,- toekent.

Maar vanaf ongeveer 2000 kwam daar nog van alles bij. Allereerst was daar de Dichter des Vaderlands, waarna langzamerhand ook elke zichzelf respecterende stad een Stadsdichter op de loonlijst zette. Tegenwoordig heeft elk zichzelf respecterend provinciegat er een. Er is een nieuw groot, exclusief aan poëzie gewijd tijdschrift bijgekomen, Awater, opgericht door Gerrit Komrij, de eerste dichter des Vaderlands. Er is een jaarlijkse poëziewedstrijd, de Türingprijs, waaraan iedere aspirant-dichter anoniem kan meedoen (wat vele duizenden ook daadwerkelijk doen) en waar voor de maker van het winnende gedicht een bedrag van € 10.000,- is weggelegd. We hebben Nationale Kampioenschappen Poetry Slam, we hebben een volle kalender aan poëzie-evenementen die dichters zichtbaar maken en aan een naam en een inkomen helpen. En ten slotte is er in januari sinds een jaar of tien ook nog een Poëzieweek en de verlokking van een daarmee samenhangend poëziegeschenk van een bekende Nederlandse of Vlaamse dichter. Dat bundeltje krijg je cadeau als je in die week voor een bepaald bedrag aan poëzie koopt. Kortom: als het paradijs bestaat is het in de Lage Landen uitgevonden voor de dichters.

Om te variëren op de liedtekst van de beroemde Franse bard Léo Ferré: ‘Est-ce ainsi que les poètes vivent / et leur baisers au loin les suivent’.

Maar of het een paradijs is waarin ze leven, moet als we er met iets meer nuchterheid naar kijken toch ernstig betwijfeld worden. ‘Van dichten comt mi cleine bate,’ luidt de beginregel van de Beatrijs, een van de beroemdste teksten uit het middelnederlands. Met andere woorden: het dichten brengt mij weinig op en de mensen raden me aan ermee op te houden. Ik vrees dat er ook in 2019 aan die situatie in de Lage Landen, en uiteraard in de rest van de wereld, weinig is veranderd.

IMG_5205.JPG

Met de uitgevers van poëzie is het niet veel beter gesteld. Het totale marktaandeel van poëzie in het algemene boek in Nederland schommelt tussen de 0,4 en 0,6%. Ofte wel in netto omzet: tussen de 1,6 en 2,7 miljoen euro. Voor de onverbeterlijke optimisten onder u: daar komt nog de omzet in Vlaanderen en die buiten de boekhandelskanalen bij. Laten we het dus houden op een omzet van tussen ruim twee en ruim drie miljoen. Vorig jaar hadden we in onze uitgeverij (die bestaat uit zeven imprints) met een bundel light verse van Lévi Weemoedt een ongehoorde bestseller. Verkochten we ruim veertigduizend exemplaren van. Dat leidde tot een uitschieter in het marktaandeel van poëzie en tot een toename van ons marktaandeel van 38% (terwijl het normaal rond de 18% schommelt). Conclusie in hedendaagse bewoordingen: dit gaat helemaal nergens over.

En toch! En toch willen we poëzie uitgeven. Om drie redenen.

Eén: poëzie geeft cachet en heeft op die manier aantrekkingskracht. Schrijvers en schrijvers-in-spe willen graag worden uitgegeven door een huis dat zo chic is dat het ook de edelste aller kunstvormen exploiteert.

Twee: dichters gaan later niet zelden ook romans schrijven, en soms worden die romans bestsellers. In onze uitgeverij was dat het geval met het werk van Anna Enquist, Joost Zwagerman en Ilja Leonard Pfeijffer.

Drie: omdat we van poëzie houden, ook al brengt het weinig op.

Een doorsnee dichtbundel komt bij ons uit in een oplage van 400 exemplaren, en dat is ook het geval geweest met die van inmiddels gelauwerde, veelgelezen en veelgeprezen dichters als Charlotte Van den Broeck, Eva Gerlach, Luuk Gruwez, Hester Knibbe of Marije Langelaar. Het was het geval met Habitus van Radna Fabias, dat precies een jaar geleden uitkwam maar waarvan de achtste druk op komst is nadat de auteur tal van prijzen heeft gewonnen en niet meer weg te denken valt in de Nederlandse letteren. Binnenkort verschijnt haar werk ook bij Le Castor Astral in het Frans. Vierduizend exemplaren in een jaar: voor poëzie is dat een bestseller. Est-ce ainsi que les poètes vivent?

Nou ja, rijk worden ze niet, de dichters (en de poëzieuitgevers) in de Lage Landen. Maar wel, voor zover ze dat kunnen zijn, gelukkig. Poëzie is, om met Michel Houellebecq te spreken, la poursuite du bonheur (een jacht op geluk). Of stelliger nog (en om nog een laatste keer de Nederlandse dichter Gerrit Komrij, nu met een uitspraak, op te voeren): poëzie is geluk.

Advertenties