Het kon niet uitblijven dat nieuwe boeken van Atte Jongstra en Rob Schouten een keer in elkaars buurt zouden verschijnen. Ze hebben er inmiddels allebei een stuk of vijfentwintig geschreven en de meeste daarvan zijn uitgekomen bij De Arbeiderspers. En nu ze inderdaad bijna tegelijk een nieuw boek hadden – Atte Jongstra met De aardappelcentrale en Rob Schouten met De groene gravin – werd het toeval een handje geholpen door er een simultane verschijning van te maken met een feestelijke presentatie op 5 april.

Jongstra en Schouten delen een langdurige vriendschap, maar ze hebben veel meer met elkaar gemeen. Ze zijn leeftijdgenoten, kinderen van de jaren vijftig, pubers in de hippietijd en dus gevoed en opgevoed met het manna van de vrijheid – in woord en daad. Streekgenoten zijn ze met enige goede wil ook, want allebei geboren dan wel minstens voor een deel getogen in het Hoge Noorden: Atte op het Friese platteland en Rob in Hoogeveen en Groningen, Stad wel te verstaan, waar hij samen met onder andere Tonnus Oosterhof in de middelbare-schoolbanken zat. Beide hebben ze bovendien een tweede woning (nou ja, een enigszins opgekalefaterd bouwval) in Noord-Frankrijk op rijafstand van elkaar.

Belangrijker dan dit alles is natuurlijk dat ze allebei in de literaire schrijverij zijn beland. Ik formuleer dat zo weinig specifiek omdat ze alle twee op een nogal breed terrein actief zijn: in de journalistiek, in de literaire kritiek, in de poëzie en als prozaschrijvers en romanciers. En eigenlijk moeten we het nóg breder zien. In de taxonomie van de literaire fauna behoren beide auteurs tot het winterharde struikgewas, opschietend in en aan de rand van zowat alle perken van de bellettrie: als bloemlezers, als leden in literaire jury’s, als vertalers, als tijdschriftredacteuren en noem maar op.

Zelfs als het gaat om literaire stijl en taalbehandeling kunnen ze elkaar tot op zekere hoogte vinden: in het mengen van registers, in het gebrek aan eerbied voor de officiële regels, in het bedrijven van ironie, in een zekere voorkeur voor barokke dan wel opzettelijk gezwollen formuleringen of ook in de belustheid waarmee geciteerd wordt en naar andere werken wordt verwezen. Daar komt bij dat zowel Jongstra als Schouten er inzake de beschrijving van menselijke verhoudingen graag een kliederboel van maken, en niet alleen (hoewel dat misschien wel in de eerste plaats) in hun zeer frequente excursies naar de grillige en zompige, eeuwig beschaduwde en muf geurende buitenplaatsen van het seksuele landschap. Hetzelfde geldt voor de verkenning van ongure en vaak te lang ongelucht gebleven uithoeken van het brein en de ontsporingen en kortsluitingen die daar plaatsvinden.

In het geval van Atte Jongstra en Rob Schouten mogen we kortom gerust spreken van een ongeregistreerd literair verbond: twee handen op de buik van de schone letteren. Of misschien moet dat nog iets minder eufemistisch geformuleerd worden door te spreken van twee jatten op één pens – de gistende pens van het linksdraaiende schrijven. De pens ook van het literaire herkauwen en de jatten die met baldadige gulzigheid her en der literair goed ontvreemden. Dit klinkt wat oneerbiedig, maar niet als kenschets van twee letterheren die misschien niet altijd maar toch met grote regelmaat ook zelf oneerbiedig willen zijn. Goed jatten is een kunst en ook de pens der letteren mag gevuld, dat hebben schrijvers van Rabelais tot Boon, om er een paar te noemen, al gedemonstreerd.

Wat ze ten slotte ook delen, en wat groot respect verdient: dat deze twee vaak  postmodern genoemde maar misschien veel beter (want meer rekening houdend met de literaire traditie) als romantisch-decadent aan te duiden auteurs allebei al sinds mensenheugenis meedraaien op de voorposten van het literaire peloton en al doende een omvangrijk oeuvre tot stand hebben gebracht. Rob Schouten publiceerde al zo’n vijfentwintig boeken (en misschien is dit nieuwe wel zijn vijfentwintigste boek – het hangt er een beetje van af wat je allemaal wilt meetellen) en Atte Jongstra schreef er zelfs misschien nog net een paar meer (ook daar hangt het er vanaf wat je wilt meetellen).

Van die ruim vijftig boeken die ze samen hebben geschreven, heb ik er tussen eind jaren tachtig en halverwege de jaren negentig diverse in diverse kranten en weekbladen gerecenseerd. Vanaf 1995 heb ik veel van hun werk – namelijk dat deel dat bij De Arbeiderspers verschenen is – als redacteur begeleid. Het gaat om de volgende titels:

58756903_614852175593711_6010144481154695168_n.jpg

Rob Schouten, Bij bewustzijn (1996). Een poëziebundel. Een van de eerste flapteksten die ik mocht schrijven. De gelegenheid te baat genomen daarin de zeer jonge dichter Mustapha Stitou te citeren: ‘Mijn interesse voor poëzie begon ook zo rond mijn veertiende, met dichters als Rob Schouten, Remco Campert, Pessoa.’ En meteen ook maar leermeester Redbad Fokkema: ‘Zo is Schouten na een onverwacht vuurwerk bang dat hij te zijner tijd de wederkomst des Heren voor een voetzoeker zal aanzien, of hij vraagt, met een verwijzing naar Christus in de Hof van Gehtsémané […]: ‘Kunt gij niet één tel met mij neuken.’

Atte Jongstra, De hele santenkraam (1997). Het thema van de Boekenweek dat jaar – religie – leek mij een goede gelegenheid een boek van hem bij AP te krijgen. Hij publiceerde toen nog bij Contact of Querido, maar hij beet toe en schreef een knotsgekke, alfabetisch geordende gids vol vreemde vogels (heiligen en afvalligen, visionairen en boetelingen) uit de geschiedenis van het Christendoem.

Rob Schouten, De eeuwige bankzitter (1998). Ik startte in 2006 bij AP een imprint rond sportboeken onder de naam Het Sporthuis. Dit is een verre voorloper: een selectie van de beste sportstukken die Schouten in de voorgaande tien jaar in tweewekelijkse bijdragen voor Trouw geschreven had.

Rob Schouten, Infauste dienstprognose (2000). Een ijzersterke bundel met dat atypische gedicht ‘Rob Schouten viert zijn middelbare leeftijd’ eindigend in de strofe: ‘En opeens zag je het allemaal wegspoelen / het putje in; partijtje, Talmoed, Bach / gedachtecoördinaten, voorstellingsvermogen, / alles ging er aan en ‘alles’ en niets ‘niets’…/ Niet langer duurde het, duurde , duurde het maar’. Infaust wil in de geneeskunde zeggen: een ziektebeeld met een fataal verloop. Aan die bundel zelf was niets fataal. Integendeel, hij werd bekroond met de Herman Gorterprijs. Maar de uitreiking in de Beurs van Berlage, die was op 11 september 2001… 9/11

Rob Schouten, Lusthof (2002). Een intens droevige roman in wezen, over seksuele misère en de onmogelijkheid van het paradijs, maar ik heb zelden ernstiger de slappe lach gehad als tijdens het lezen van een aantal van de scènes uit dat boek.

Rob Schouten Apenlier (2004). Nog een bundel. Wat zich in eerder werk al aankondigde wordt hier verder bewaarheid: de mens heeft meer last van zijn impulsen en instincten dan hem lief is. Ik citeer: ‘Omdat het wijfje van geen paren wilde weten/verliep ik als geen ander in de binnenstad.’

Robert Junius De Haagse Helicon (2006). Wie heeft (nog) weet van het feit dat de naam Robert Junius een gelegenheidspseudoniem is van Schouten en Jongstra samen? Over de auteur: ‘Hij werd rond 1955 geboren tussen Drachten en het Gooi. Hij studeerde Nederlands te Amsterdam en ontdekte aldaar eind 2005 rond het Thorbeckeplein het ware dichterschap.’ Dit is bij mijn weten het enige boek dat ze samen hebben geschreven, een bundel ready mades bestaande uit uitspraken van toenmalige politici aan het Binnenhof.

59546314_655865258191067_1710320272927621120_n

Atte Jongstra, De avonturen van Henry II Fix (2007). De roman waarmee Atte zijn transfer naar De Arbeiderspers beklonk en die hem meteen een groter publiek opleverde dan hij ooit daarvoor had gehad. Maar het is een boek dat niet iedereen hem in dank heeft afgenomen. Er waren mensen die de fake-biografie van Henry Fix serieus namen en het niet konden verkroppen dat het om zuivere fictie ging, gebaseerd op 100% historische bronnen.

Rob Schouten, Spijsamen (2007). Ik citeer nu gemakshalve een stuk flaptekst: ‘In zijn tiende bundel zien we Rob Schouten in z’n meest karakteristieke poses, als heiden, als godzoeker, als intellectueel en als hersenspinner.’

Atte Jongstra, Klinkende ikken (2008). Privé-domein nummer 266 en hoe autobiografisch ook, maar laat dit nou een van delen in de reeks zijn waarvan je met een gerust hart kunt zeggen dat ze een loopje met het genre nemen. Fictie en autobiografie ontmoeten elkaar hier ergens halverwege en geven elkaar en passant triomfantelijk grijnzend een high-five.

Atte Jongstra, De heldeninspecteur (2010). Een daverend en sprankelend romanspektakel rond de Tiendaagse Veldtocht in de geest van Henry Fix. De historische gegevens kloppen, maar de hoofdpersoon, de zogenaamde heldeninspecteur luisterend naar de naam Junius, is volledig verzonnen.

Rob Schouten, Vuil goed (2011). Ik herinner me dat ik bij de presentatie van deze dikke bloemlezing uit zijn poëzie een klein college hield (kon houden) over de ontwikkelingen in de Nederlandstalige poëzie van de afgelopen 35 jaar, en van die van de AP en van Rob Schouten in het bijzonder.

Atte Jongstra, Kristalman (2012). Na zijn debuut, de documentaire De Multatulianen, verstaat Atte zich een tweede keer met Multatuli, door hem van a tot z te herlezen en een nieuw beeld van de auteur te scheppen waarin ook plaats is voor worst, kunstgebitten en kachels.

Rob Schouten, Zware pijnstillers (2012). Een bundel zonder flaptekst maar met bijsluiter. ‘Wat u moet weten als u deze gedichten leest: “Gewoon eenmaal per dag / met water mengen en innemen.”’

59695494_389885488273222_7681143847451099136_n.jpg

Atte Jongstsra, Diepte! De geschiedenis van een dorp (2013). Ofte wel Djipte, want dit boek verscheen simultaan ook in een Friese versie. Een korte roman over de geschiedenis van een klein Fries dorp, ook wel gat geheten, waarin menigeen Atte’s geboortedorp Terwispel (Wispolia) moet hebben herkend.

Atte Jongstra Worst (2014). De roman over een gestrand huwelijk. Echt niet autobiografisch. Echt wel autobiografisch. Maar toch vooral een ode aan de alomvattendheid van de worst, en via de worst aan die van de literatuur.

Rob Schouten, Vervelende vlekken (2016). Gepresenteerd in die leuke boekhandel in Oud Zuid (Van Rossum) op een lange zomeravond. De bundel: ‘een exquise mix van levenswalging en sublimatie. Maar wat wil je ook: naarmate het verleden groeit wordt het ook voller in het muffe pakhuis van verbazing en berusting.’

Atte Jongstra, Aan open zee (2016). Een roman met de plot van een thriller, spelend op een piepklein Deens Oostzee-eiland, tjokvol heerlijke literaire verwijzingen. Gepresenteerd in Osdorp ten huize van de auteur.

Atte Jongstra, Het fluïde tijdperk (2017). Zijn eerste boek nadat zijn oeuvre bekroond was met de Constantijn Huygens-prijs; een bundel met voor zijn doen uiterst geëngageerde essays over de verontrustende ecologische toestand in de wereld.

Atte Jongstra, Furunkel (2018). Aangekeild als: ‘Atte’s Jongstra’s wedergeboorte als dichter is bepaald geen smooth operation’. Toen ik Christophe Vekeman een exemplaar toezond stuurde hij me een e-mail: ‘De vuiligheid van Jongstra in goede orde ontvangen’. Voor alle duidelijkheid: dat was als compliment bedoeld.

En dan nu dus: Rob Schouten, De groene gravin (2019). Over een Nederlandse germanist en over een Duitse van adel die eruitziet ‘alsof Albert Speer zich ermee bemoeid had’, de onverenigbaarheid van hun karakters en de neergang van hun morganatisch huwelijk.

En: Atte Jongstra, De Aardappelcentrale (2019). Een avontuurlijke en amorele overlevingsroman ten tijde van WO II over kunstoplichters, standbeelden, averechts verzet en naakte Waarheid.

Het eenentwintigste en tweeëntwintigste boek van Atte Jongstra en/of Rob Schouten waarvan ik de eer had er de redacteur van te zijn. Maar het is niet daarom dat ik ze van harte van aanbeveel.

IMG_5314.JPG

Advertenties