Zoeken

Nijssen Schrijft

Over boeken, schrijvers, sport, cultuur, het dagelijks leven (en af en toe mijzelf)

Maand

juli 2019

Literair succes is een kwestie van betaald koffiedrinken. Of hoe Ilja Leonard Pfeijffer een beroemd schrijver werd*

Het is een vraag die nogal eens gesteld wordt, op feestjes bij voorbeeld, als ik met iemand in gesprek raak en vertel dat ik redacteur ben en op een uitgeverij werk. ‘Maar wat doe je dan eigenlijk, als je redacteur bent?’ Weinig vermoedelijk, zie je zo iemand denken.

Dat dacht mijn goede vriend E. jaren geleden al. Nee, hij dat onomstotelijk vastgesteld. ‘Betaald koffiedrinken,’ zo definieert hij mijn werkzaamheden altijd en tot op de huidige dag. Maar hij is dan ook zelfstandig publicist. Zo iemand moet werken voor zijn geld. Voor zo iemand is kieskeurigheid een belachelijke luxe. Hij afficheert zichzelf dan ook als tekstboer met gemengd bedrijf: ‘Voor al uw non-fictie!’

Maar ik ben dus een betaald-koffiedrinker. In Ilja Leonard Pfeijffers Hoe word ik een beroemd schrijver rijst een nauwelijks hoogstaander beeld op van literair redacteuren in het algemeen en van mij-als-redacteur in het bijzonder. Het hoofdstuk ‘Wat is de rol van de redacteur’ begint nog redelijk vleiend: ‘Hij is al sinds mijn debuut mijn redacteur en in de loop van de jaren is hij een goede vriend van mij geworden. Hij kent mijn werk als geen ander en hij heeft affiniteit met mijn ambities. Hij begrijpt wat ik in artistiek opzicht wil bereiken. Daarom is hij de aangewezen man om van gedachten mee te wisselen over nieuwe ideeën. Daar komt veel bier bij kijken. En als ik dan na een bijzonder aangename avond naar huis zwalk, besef ik dat ik meer en betere ideeën heb dan daarvoor en dat ik nog meer enthousiasme heb om die uit te voeren. In dat opzicht is mijn redacteur van essentieel belang.’

2 - Ilja Leonard Pfeijffer HR - altijd het volgende vermelden - © Stephan Vanfleteren_RVtotfeb2021.jpg
Ilja Leonard Pfeijffer. Foto: Stephan Vanfleteren.

Maar verder? ‘Verder doet hij niets,’ schrijft Ilja. ‘We spreken een deadline af en ik lever hem een kant-en-klaar manuscript. Kan zo naar de drukker. Hoeft hij niets meer aan te doen. Hij moet mij alleen zo snel mogelijk bellen en minstens een uur lang in euforische bewoordingen vertellen hoe fantastisch, briljant en geniaal hij het vindt.’

Ik moet toegeven dat dit in zijn geval vrijwel de waarheid is, afgezien dan van dat bier. Das war einmal. Het bier heeft, sinds Ilja niet meer drinkt, plaatsgemaakt voor bruiswater en koffie. En af en toe – alleen voor mij – een bedremmeld en beschaafd glaasje wijn naast een bordje pasta of wat het ook maar is wat we eten.

Ilja had het druk de afgelopen jaren. Zijn roman La Superba, waarmee hij de Libris Literatuur Prijs had gewonnen, had hem in de eredivisie van de Nederlandse literatuur doen belanden. Hoewel hij het met plezier deed, was hij erg veel aan het optreden. Je bent nu eenmaal een beroemd en veelgevraagd schrijver of je bent het niet. Het weerhield hem er niet van in die jaren ook nog een vuistdik brievenboek (Brieven uit Genua), een veelbekroonde dichtbundel (Idyllen), een korte roman Peachez, een romance) en een aantal toneelstukken te schrijven. En dan ontmoette hij (lees daarvoor Brieven uit Genua) in 2015 door Stella ook nog eens de liefde van zijn leven. In zijn hoofd was intussen al gedurende enige tijd een idee voor een nieuwe grote roman aan het ontkiemen (‘iets met toerisme’), maar hij had eenvoudigweg de tijd niet om daar echt werk van te gaan maken op papier.

Dat dit majeure project niet op de lange baan is geschoven heeft misschien ook nog wel iets te maken met een andere gelukkige maatregel die Ilja Leonard Pfeijffer een aantal jaren eerder had genomen. Hij schakelde de hulp in van een zakelijk manager – of noem het een persoonlijk assistent voor mijn part. Iemand die zijn agenda en zijn geldzaken beheert en samen met hem en de uitgeverij een lange-termijnplan voor zijn activiteiten ontwikkelt en beheert. Michaël Roumen zorgde ervoor dat Ilja’s agenda in de eerste negen maanden van 2018 tamelijk leeg bleef zodat hij kon schrijven aan dat boek dat ineens (in het vroege voorjaar van 2018) Grand Hotel Europa bleek te heten en waarvan hij mij rond diezelfde tijd hoofdstukken begon te sturen. Hoofdstuk 2, hoofdstuk 5, hoofdstuk 8 – kortom niet in de volgorde waarin ze uiteindelijk in het boek kwamen, waardoor het voor mij aanvankelijk stukjes bleven van een grote puzzel die hij aan het leggen was. Het werd me niettemin al vrij snel duidelijk dat dit niet alleen een roman over toerisme ging worden, maar ook over Europa, over een continent in verwarring, over het avondland dat zo niet ten onder gaand toch op zijn minst aan het wegkwijnen was. En dan werd er, zo leek het, ook nog een heuse liefdesroman en een spannende queeste naar een verdwenen Caravaggio-schilderij in verwerkt. Er volgden in rap tempo nieuwe hoofdstukken, maar het leek me een vrijwel onmogelijk opgave om dat manuscript volgens plan aan het eind van de zomer af te hebben opdat het nog eind 2018 zou kunnen verschijnen.

Daar kwam nog bij: ik had een sabbatical op het programma staan. Deze redacteur, die toch al de hele dag op zijn luie reet betaald zit koffie te drinken, had zich voorgenomen tussen juli en november thuis op z’n luie reet te gaan zitten. Dóórbetaald koffiedrinken!

Ilja Leonard Pfeijffer - Grand Hotel Europe - Cover.jpg

In zo’n riante positie (thuis of op je werk nietsdoen) kon ik het me veroorloven niet al te principieel te zijn. Ik sprak met Ilja af dat als hij het manuscript vóór 1 oktober zou kunnen inleveren, ik mijn sabbatical zou onderbreken om het te lezen en van commentaar te voorzien. Maar al op 7 september – ik stond op het punt om te beginnen aan een rondreis door Frankrijk – liet hij me tot mijn enorme verrassing weten dat het boek af was, wat betekende dat hij die laatste twee maanden minstens 100.000 woorden moest hebben geschreven. Ik feliciteerde hem met de voltooiing maar ook met die ongelooflijke krachtsinspanning en liet hem weten dat ik nu toch eerst even een rondje Frankrijk ging doen. Dus reisde ik pas begin oktober naar Genua om een kolossaal boek met hem door te nemen waar volgens de auteur zelve toch niks meer aan hoefde te gebeuren. Het moge duidelijk zijn dat ik de niet te filmen mazzel heb tegelijkertijd een grandioos en een bedaard leven te kunnen leiden. Het tonen van enthousiasme is zo ongeveer de enige inspanning die ik mij bij tijd en wijle moet getroosten.

Welnu dan, de rest is, zoals dat heet, geschiedenis. Half december – ik was net weer op kantoor – verscheen Grand Hotel Europa. In het weekend dat daarop volgde (zaterdag en zondag 15 en 16 december) maakte Ilja een tournee door Nederland. Ik reed hem rond toen hij op die zondag boekhandels in Nijmegen, Arnhem en Zutphen bezocht. Overal rijen kopers tot op straat, wachtend om hun boek (soms een stapel boeken) gesigneerd te krijgen. Toen begreep ik dat dit een nooit eerder vertoond succes ging worden. Nog voor het jaar ten einde waren er  40.000 exemplaren over de toonbanken gegaan. En inmiddels zijn er meer dan 130.000 verkocht en zijn de vertaalrechten voor Grand Hotel Europa aan talrijke landen verkocht.

De goede verstaander heeft intussen begrepen deze woorden uiteindelijk niets anders dan een lofrede op de luiheid zijn. Betaald nietsdoen werpt zijn vruchten af. Alles is mogelijk voor wie maar lang en veel koffiedrinkt.

*Tekst is gebaseerd op een toespraak gehouden tijdens Grand Hotel Europa-summit die De Arbeiderspers in juni organiseerde voor de buitenlandse uitgevers (Duitsland, Kroatië, Macedonië, Portugal, Italië, Verenigd Koninkrijk, Finland, Frankrijk, Tsjechië, Noorwegen en de Verenigde Staten) die dit boek in de komende tijd gaan brengen.

grandhoteleuropa (8 van 75)
Ilja Leonard Pfeijffer met, onder andere, zijn buitenlandse uitgevers. Foto: Baltasar Thomas.

De man van taal spreidt zijn titanium vleugels uit. Over Max Greyson, ‘Et alors’

Al ver voor Max Greyson in 2016 als Nederlandstalige dichter op papier van zich deed spreken met zijn debuut Waanzin went niet, trok hij – we kunnen dit allemaal lezen op zijn eigen website – heel Europa door als spoken word performer in internationale, interdisciplinaire muziektheatervoorstellingen. Dit podiumwerk deed hem, soms voor langere tijd, belanden in plaatsen als Florence, Keulen en Boedapest.

Met deze kennis in het achterhoofd en de vaststelling dat de titel van zijn tweede bundel een monoglot vreemd in oren zal klinken, is het misschien gerechtvaardigd eraan te beginnen met de vraag of we dan ook te maken hebben met een Europese bundel.

Wie er vervolgens een beetje doorheen gaat zitten bladeren, zal het opvallen dat er bij voorbeeld geen woord Spaans bij zit in Et alors. En trouwens ook kein einiziges Wort Deutsch en not a single word in English zelfs. Maar dat laatste moet ik half terugnemen. Er staan wel een paar woorden Engels in, maar die gaan feitelijk aan de bundel vooraf. Die vormen het motto. Het betreft drie regels uit Book of Longing van Leonard Cohen:

First of all nothing will happen
And a little later
Nothing will happen again

Of dat veel goeds belooft staat nog te bezien. Laten we eens naar het openingsgedicht (oftewel de proloog) kijken, naar het ‘first of all’ om het zomaar te zeggen. Dat gedicht heet veelzeggend genoeg ‘Rien à déclarer’. Met andere woorden: ik heb niets aan te geven, niets uit te leggen. En het gedicht sluit af met de woorden: ‘de wil om niets te delen niets te bewijzen / geen geschiedenis te schrijven met mijn frêle onderstel / rennen neervallen bederven ontbinden’. Daaruit spreekt niet direct een groot engagement, laat staan om zich uit te spreken over de maatschappelijke werkelijkheid. Er spreekt vooral onwil uit, tegenzin en wanhoop zelfs.

Greyson_(c)_Koen_Broos_RV
Max Greyson. Foto: Koen Broos.

Goed, dat hebben we genoteerd. Maar hoe zit het dan met het ‘a little later’ waarin ‘nothing will happen again’? Ook dat gedicht, ervan uitgaande dat we voor dat ‘a little later’ naar de epiloog van de bundel moeten, heeft een nogal omineuze titel: ‘La fin ne justifie rien’. Een einde dat niets rechtvaardigt dus. Daar moeten we het mee doen. Het is niet bepaald een comfortabele toestand waarnaar verwezen wordt. ‘We hebben afgeworpen / wat los hing in verbanden / hebben onszelf tegenpolig / gemagnetiseerd, zijn gevlucht / maar niet weg’. Maar anders dan in het openingsgedicht gloort hier wellicht toch een sprankje hoop. De laatste regels luiden: ‘Zolang we niet omkijken / kunnen we nog terug’. Een (paradoxale) poëticale uitspraak lijkt me ook, een opdracht aan de dichter om onverdroten – en ondanks verlies van het nodige, ja zelfs de liefde – voort te gaan en niet zoals de tragische Orpheus om te kijken waar zijn Eurydice blijft.

Maar dit terzijde, want het gaat me om de observatie dat deze bundel weliswaar geen woord Spaans, Duits, Engels enzovoorts bevatte, maar dat men alleen al uit de titel van de bundel en van de twee aangehaalde gedichten kan opmaken dat het Frans is wat de klok slaat. De titels van vrijwel alle gedichten in deze royale bundel – en niet zelden ook frasen of zelfs hele strofen – zijn francofoon. Als dat geen statement is!

Maar waarvoor dan? In België, dat immers tweetalig is, spreekt, verstaat en leest een deel van de Nederlandstaligen waarschijnlijk nog wel Frans, maar in Nederland gaat het inmiddels om een behoorlijke minderheid. In Nederland wordt zelfs die titel al nauwelijks begrepen en soms foutief uitgesproken als ettalors. Dat doet het ergste vermoeden omtrent het Frans binnen het omslag van de bundel. Met titels als ‘La conjugaison de l’amour’, ‘Bruxelles ma belle’, ‘Ni dieu ni maître’.

Een dergelijke welhaast roekeloze omarming van het Frans – dat kan niet per ongeluk gedaan zijn. Dat staat ergens voor. En op de achterflap van de bundel doen we een beknopte poging daar iets over te zeggen: ‘“Tussen vechten en vluchten ligt een kavel die Vlaanderen heet / waar men zuinig glimlacht en danst met veel sérieux,” aldus een van de gedichten. In sommige opzichten is Et alors de talige ontmanteling van een gewest en zijn geschiedenis, van een dichter en zijn taal. Hier zoekt iemand een moedertaal, balancerend op de raaklijn van het Frans en het Nederlands. Et alors? Wat nu? Nu alles is gesloopt. Nu we bedorven en ontbonden zijn?’

Als we dit politiek-maatschappelijk uitleggen: hier zoekt iemand een nieuwe balans, in een verscheurd land, in een verscheurd Europa. Hier doet iemand even wanhopige als opzichtige pogingen nieuwe verbintenissen tot stand te brengen. Neem bij voorbeeld deze regels uit nota bene een van de weinige gedichten, ‘Moedertaal’, met een niet-Franse titel: ‘Ik spreek in doffe waarheden / barbaars gestolen uit bastaardmonden / woorden als vreemdelingen gezuiverd / van hun eigen melodie / dierlijke klanken geëcht in een schone mantel / en etnisch-orthografisch vastgehecht.’ En een paar strofen verder: ‘Zij ligt à la française aan mijn ondergrens te zingen /  ik ben de rede en zij is zichzelf / niet meer de taal van het vasteland / mijn vlakke land heeft haar uitgestippeld / en verstoten, alle verwachtingen ingelost / alle verwachtingen ingelost / in een opbod van solide logica en vaandeldragen’.

vdh9789029528559.jpg

Het mooie van poëzie is uiteraard dat veel van wat gezegd wordt dubbelzinnig is of zelfs ongrijpbaar, maar anderzijds heeft het er toch alle schijn van dat hier iemand zich uitspreekt tegen het uitventen van een gewenste identiteit op basis van taal en nationaliteit. Lees daarvoor bij voorbeeld ook nog eens de afdeling ‘Passoire’ waarin het van de slagvelden van WO I tot en met de jungle van Calais gaat over de nefaste gevolgen van nationalisme en xenofobie en het besef ‘dat onze verbondenheid pas ontwaakt / wanneer we niet meer doen alsof / we elkaar verstaan.’ Maar laat overigens ook gezegd zijn dat veel van wat deze bundel te bieden heeft zich op een veel persoonlijker en intiemer toneel afspeelt, dat van de liefde, de schermutselingen die daar plaatsvinden in een schitterende reeks onder de noemer ‘La conjugaison de l’amour’ (oftewel: de vervoeging van de liefde).

In zijn meertaligheid en zijn uitgesproken verlangen, hoe desolaat ook, naar nieuwe verbindingen is Et alors een waarlijk Europese bundel. Guy Verhofstadt riep het ook al triomfantelijk toen afgelopen week bleek dat de opkomst bij de Europese verkiezingen voor het eerst sinds 1979 weer is gestegen: ‘Europa is terug, Europa is weer populair.’ Dat laatste staat nog te bezien, maar dat Europa weer onderwerp van gesprek, ook in de kunst en de literatuur, blijkt ook uit het succes van de grote roman van de schrijver die Max Greyson enkele jaren geleden de kant van De Arbeiderspers op dirigeerde: Grand Hotel Europa van Ilja Leonard Pfeijffer. Het overdonderende succes en de impact van dat boek in de Lage Landen heeft uitgevers uit vooralsnog elf landen (naast de Verenigde Staten, tien uit Europa) doen besluiten de vertaalrechten van de roman aan te kopen. Voor ons aanleiding om die uitgevers binnenkort samen naar Amsterdam te laten komen voor een met enige ironie door ons genoemde ‘top’ over Grand Hotel Europa.

Nog een laatste keer terug naar Et alors? En wat dan nog?

First of all nothing will happen
And a little later
Nothing will happen again

Maar tussen die twee bedrijven door vergast Max Greyson ons op een waar spervuur van taal, beelden, observaties, reflecties en emoties. De man van taal, zoals we die kenden uit Waanzin went niet, spreidt zijn titanium vleugels uit. In Et alors gaat hij voor de Europese top.

Talent alleen maakt nog geen schrijver

Omdat ik niet in herhaling wilde vallen, herlas ik de toespraak die ik vrijwel op de kop af twee jaar geleden hield bij de presentatie – in Amsterdam – van Een verhaal uit de Zonnestad, de roman waarmee John-Alexander Janssen als schrijver debuteerde. Ik had het goed onthouden: alles draaide daarin om ambitie. De niet al te bescheiden doelstellingen van John-Alexander op diverse terreinen (in de wetenschap, in het onderwijs, in de literatuur en als kosmopoliet) stuurden mij naar de conclusie: ‘Geen half werk dus bij deze man’. En ik waarschuwde: ‘U gaat vast nog van hem horen.’

Die ambities waren niet gefundeerd op drijfzand of stapelwolken, zo kan terugkijkend worden vastgesteld. Een verhaal uit de Zonnestad werd onthaald op uitstekende recensies, het werd herdrukt, genomineerd voor de Longlist van de Libris Literatuur Prijs en bekroond met de Bronzen Uil Publieksprijs. En dat zijn dan alleen de literaire resultaten, want terloops merken we op dat Janssen zijn ambities nog heeft uitgebreid naar het domein van de biologie met het oog op een ander oeuvre: kroost. Ik maak van de gelegenheid gebruik hem en Emma van harte geluk te wensen met hun gezamenlijke debuut getiteld Abel, voluit Abel Henri Josephus.

Er is misschien niets belangrijker op de wereld dan kinderen, zeker voor jonge ouders, maar ik vermeldde dit slechts terzijde, want ik wilde het niet alwéér over ambities hebben maar over talent. Men kan immers nog zoveel scoringsdrift hebben, maar zonder talent zal niemand het ver schoppen. Edoch, met zo’n boude uitspraak begint het al. Is dat wel waar? Is het onmogelijk je in een bepaalde discipline te onderscheiden zonder zichtbaar talent op dat vlak? Wat is talent eigenlijk? Die vraag is ogenschijnlijk niet al te moeilijk te beantwoorden. Je raadpleegt wat woordenboeken en naslagwerken en leert dat talent het natuurlijk vermogen is om iets goed te doen op welk terrein dan ook. Talent is met gemak uitvoeren wat anderen moeilijk vinden. Talent is iets met gemak uitvoeren en daarbij de indruk wekken dat het allemaal nóg veel makkelijker is dan het zich in zijn geval al laat aanzien. Talent is presteren en acteren met een grote mate van achteloosheid. Sprezzatura, om met Baldassar Castiglione te spreken. In Het boek van de hoveling poneerde deze schrijver die manier van doen, begin zestiende eeuw, als een nastrevenswaardig opvoedingsideaal voor jonge mannen aan het hof. Het lijkt er dus op dat in elk geval een deel van het talent dat iemand bezit, namelijk de achteloosheid waarmee het getoond woord, aan te leren valt. Misschien is dat bijna hetzelfde als hoe de 19de-eeuwse Amerikaanse schrijver Ralph Waldo Emerson het definieerde: ‘Talent alleen maakt nog geen schrijver, er moet ook een vent achter staan.’ Maar volgens een eeuwgenoot van Emerson, de Franse componist Hector Berlioz, ben je er dan nóg niet. ‘Het geluk om talent te hebben, is niet voldoende,’ meende hij. ‘Men heeft ook nog het talent nodig om geluk te hebben.’ Dat klinkt als woordspel, maar dat is het denk ik niet, en het komt in de buurt van iets waarover ze het in de voetballerij nogal eens hebben: ‘Geluk kun je afdwingen.’ O ja, hoe dan? Nou, met talent inderdaad. Het zou best eens kunnen dat we nu in de buurt zijn van het punt dat ik wil maken ten aanzien van John-Alexander Janssen en zijn tweede roman Trocadéro, waarvan we hier bij Paagman in Den Haag de tewaterlating aan het voltrekken zijn.

8e8ed17b-29ab-4a92-b1d3-36fe32706ecb

Een jaar of vijf geleden gaven we bij De Arbeiderspers een boek uit van de Amerikaanse wetenschapper David Epstein getiteld The Sports Gene. Inside the Science of Extraordinary Athletic Performance, in het Nederlands vertaald als Topsport in de genen.  In dat boek staat veel behartigenswaardigs, maar een van de belangrijkste bevindingen – kort en bondig samengevat – is dat sommige vaardigheden waarvan iedereen denkt dat ze zijn aangeboren dat niet zijn, zoals bij voorbeeld de reactiesnelheid bij sporten als tennis en honkbal, terwijl andere kenmerken waarvan wordt aangenomen dat ze volledig uit eigen wil zijn ontstaan (bijvoorbeeld de mate van gedrevenheid van een atleet om te trainen) juist belangrijke genetische componenten kunnen bevatten. Epstein noemt dat trainability: het vermogen om veel, hard en gestructureerd te kunnen trainen. Kortom het vermogen om beter te worden (dat is namelijk het doel van trainen) en om uiteindelijk zo goed mogelijk te worden. Die trainability kan best worden toegepast op andere domeinen dan de sport, op de literatuur bij voorbeeld. Op John-Alexander Janssen bij voorbeeld. En mijn stelling is dan ook: door zijn trainability is John-Alexander als weinig anderen in staat zijn literair talent en de in zijn karakter verankerde ambitie te benutten om goede en steeds betere boeken te schrijven. Zijn trainingsschema’s ken ik niet, maar hun vruchten hebben ze afgeworpen.

Welnu, Verhaal uit de Zonnestad was een meer dan verdienstelijk debuut, en dat bleek ook uit de ontvangst van het boek. Maar Trocadéro is de geslaagde sprong naar een angstaanjagend aantal sporten hoger op de literaire ladder. In stijl, in gelaagdheid, in zeggingskracht en psychologische en filosofische diepgang, in spanningsopbouw, in de verbeelding van de ruimte (in dit geval hoofdzakelijk Parijs) en het innerlijk van de hoofdpersoon – in alles heeft John-Alexander Janssen zichzelf overtroffen.

Over het verhaal dat zich in Trocadéro ontvouwt – de titel verwijst naar dat grote plein op de rechteroever van de Seine (in zijn geheel trouwens Jardins du Trocadéro geheten) waarvandaan je recht tegen de op de andere oever gelegen Eiffeltoren aankijkt – ga ik hier niet al te veel verklappen. Daarvoor is het te spannend en bevat het te veel verrassende wendingen. Dat zou dus het leesplezier bederven. Maar wat ik er wel over kan zeggen is dat de persoonlijke drama’s die zich voltrekken en die je onmogelijk kunt afdoen als mineur of efemeer op een huiveringwekkende manier verbonden raken met grootschaliger maatschappelijke gebeurtenissen.

In het eerste hoofdstuk van Trocadéro maken we kennis met de hoofdpersoon van het boek, Julian Perceval, een jongeman die gedreven wordt door één allesoverheersende wil: rechter worden. We volgen hem op weg naar Den Haag waar hij gaat solliciteren naar die baan als rechter, althans naar de mogelijkheid om als zodanig te worden opgeleid, en we zitten meteen pal naast hem en voelen ons – dat is precies de geheime kunst van de literaire verbeeldingskracht – nauw verbonden met zijn besognes. Dat zal zo blijven want we zullen niet meer van zijn zijde wijken. Na het sollicitatiegesprek in Den Haag, waarin we als lezer met Julian mee zweten en bijna van ons stokje gaan ten gevolge van een wurgende black-out, nemen we meteen de trein naar Parijs, een bestemming waarmee Julian een oude belofte inlost, om vervolgens onze intrek te nemen in een appartement in een buurt nabij Trocadéro. Dat doen we handenwrijvend, gnuivend van de opwinding die we ervaren omdat we met onze eenzelvige held in de grote lichtstad te mogen verkeren. Weg van het gewone leven. Ineens is alles mogelijk. Maar hoewel dat gevoel in diepere bewustzijnslagen enigszins zal aanhouden, krijgen we al snel te maken met een hoop gedonder die de aanvankelijke euforie verdrijft. Julian maakt kennis met een paar Nederlandse jongemannen van zijn leeftijd die hem meesleuren naar allerlei plekken en in allerlei bezigheden en plannen waarbij hij eigenlijk grotendeels met tegenzin betrokken wil zijn. En jij lezer bent voortdurend bij hem, trekt hem aan zijn mouw, fluistert in zijn oor: ‘Doe dat niet’, ‘Ga naar huis’, ‘Zeg nee’. Maar hij luistert niet en zo kom je ook als lezer terecht waar je niet wil zijn, in zaken waar je niets mee te maken wilt hebben of waarvan je alsmaar het niet te concretiseren gevoel hebt dat ze niet deugen. Die dingen gaan onder je huid zitten, die dingen zijn beklemmend, zenuwslopend. In dat opzicht deed dit boek – het getuigt misschien van hybris om het hiermee te vergelijken, maar u moet het vooral zien als een aanmoediging het te gaan kopen en lezen – me denken aan Donna Tartts De verborgen geschiedenis. Het deed me ook denken aan de roman Au Pair van W.F. Hermans omdat die eveneens in Parijs speelt, waar in dit geval een jonge Nederlandse vrouw in haar eentje naartoe gaat, en hoewel ik dat avontuurlijke boek destijds met plezier heb gelezen, realiseer ik me dat het twee keer zo dik is en niet half zo indrukwekkend.

De verleiding is groot om in het geval van een schrijver die zo beloftevol debuteerde en met zijn tweede roman zoveel progressie boekt reikhalzend naar de sterren te turen om daarin te kunnen lezen waarin dit schrijverschap gaat uitmonden.

Gaan we niet doen! Hier is Trocadéro. Veel beter kan je het voorlopig niet krijgen.

John-Alexander Janssen - Trocadéro - Cover.jpg

Jeroen Wielaert wordt romancier

Je kunt over Oorlogsvrede, het romandebuut van Jeroen Wielaert, zeggen wat je wilt, maar niet dat hij er zijn naam eer mee aandoet.

Het komt weleens voor dat iemand zijn eigen naam een emblematische betekenis geeft door de dingen die hij doet. Zo iemand heet dan bij voorbeeld Vroege en brengt de ochtendkranten rond zonder zich ooit te verslapen. Of je bent legercommandant genaamd Krijgsman en wordt aangesteld om samen met de Italiaan Giovanni Soldati een internationale VN-vredesmissie te leiden. De geweldsincidenten die daar zullen plaatsvinden gaan later onderzocht worden door een oorlogsinstituut met ene zekere Kok in de eigen gaarkeuken. What’s in a name? De investment banker die Den Boef heet, de straatagent Blauw, de slager Worst, de grafdelver Rauw.

RK__6519.jpg
Foto: Marc Wielaert

Of dat je godbetert Wielaert heet en dan samen met Wagendorp vanuit het village départ drie juliweken lang dagelijks, en dat gedurende decennia, in de Tourkaravaan ronddraait om het fietsnieuws te verslaan. Ik bedoel: zijn naam past onze razende wielerreporter als gegoten, maar laat nou net wielrennen van alle hobby’s en passies van Jeroen Wielaert de enige zijn die in Oorlogsvrede, op een enkele terloopse allusie na, ontbreekt.

Jeroen Wielaert heeft het hazenpad van de fictie gekozen. Hij is achter de hoge rug van zijn naam weg gedemarreerd, heeft zijn roestig geworden stalen ros aan de wilgen gehangen en is uit een ander vaatje gaan tappen. Tot hiertoe schreef hij stukken en maakte hij boeken. Nu schreef hij een roman. Jeroen Wielaert is een romancier geworden.

Maar dan wel een romanschrijver die zichzelf, zijn oude liefdes en zijn obsessies – op het wielrennen na dus – niet verloochend heeft. Dat realiseren we ons al in de proloog van Oorlogsvrede waar we vernemen dat de ik-figuur (ene Remco Vanroeslare) de oceaan gaat overvliegen met – let wel: ‘Vlucht 4045’ – om in Amerika op zoek te gaan naar ‘een verhaal van dichtbij’. Een verhaal over de Tweede Wereldoorlog waarin het behalve over die oorlog ook gaat over ‘liefde, lust en strijd. Een vredestijd lang’. Ziedaar Jeroen Wielaerts misschien wel belangrijkste preoccupatie: de Tweede Wereldoorlog.

RK__6470
Foto: Marc Wielaert

Er is een literaire generatie geweest – laten we zeggen: die van de jaren negentig – die het wel gezien had met al die oorlog en oorlogsromans. ‘De Tweede Wereldoorlog, is dat die film met Bruce Willis?’ schamperde een van hen. Die tijd is voorbij en Jeroen Wielaert laat zien dat de oorlog blijft doorwerken. Ook nog in dit heden.

In huize Vanroeslare is oorlog een veelgebruikt woord. ‘Het viel vaak, terwijl het geweld voorbij was en alles weer opbloeide. Als pap kwam het binnen. Van jongs af aan maakte het indruk op me, zonder dat ik enig besef had van de werkelijke betekenis, behalve de lading die voelbaar was bij het uitspreken ervan, zonder welke feitelijke dreiging dan ook, in en om onze kleine groene stad Wageningen. Altijd kwam de oorlog terug bij wijze van afschrikking, vooral om de vrede te bewaren.’

Maar rond die oorlog zijn er nog een heleboel andere zaken die leven in de brouwerij brengen, zoals dat ook het geval moet zijn geweest in het vroegere leven van Jeroen Wielaert zelf. Want Oorlogsvrede is, daar hoeven we niet geheimzinnig over te doen, ook een autobiografische roman. Als de ik met zijn vader door de stad loopt, het woord ‘provo’ hoort en vraagt ‘wat willen die dan?’ antwoordt die vader met een brede lach op zijn gezicht: ‘Die willen hi-ha-happening!’

En er happent heel wat in de jongensjaren uit dit boek, op zolderkamers van apothekerswoningen, volgehangen met posters van Dylan, Joplin en Che Guevara: ‘Ze heeft mooi en wild blond haar. Soms steekt ze er een roos in, of een madeliefje. Ze draagt korte rokjes en strakke truitjes die om haar borsten spannen. Ze is wat ze een stoot noemen, een echte chick. Tenminste, in de taal van haar omvangrijke aanhang van ruige jongens.’ We schrijven 1968.

Politiek en andere (actuele) oorlogen zijn echter nooit ver weg in dit boek. Niet als het gaat om de Zesdaagse Oorlog tussen Israël en Egypte, niet als het gaat om Vietnam. Maar via Vietnam zitten we ook zo weer in ‘Ons Indië’ en bij de politionele acties, wanneer een paar jongens met hun vaders aan de praat raken: ‘Natuurlijk waren er bij ons die wraak wilden nemen. Uit pure onmacht begonnen ze burgers neer te schieten in hun dorpen.’ Of hoor wat Remco’s vader hem antwoordt als Remco hem, tijdens een wandeling op de Grebbeberg, vraagt of hij mee heeft gefeest tijdens bevrijding. ‘O ja, ja. Dolle boel, die dinsdag. Het was 17 april ’45, bijna een maand voordat de rest werd bevrijd. Ik heb het nooit zo druk gezien in de stad. Een enorme opwinding. Alle remmen gingen los. Ook seksueel. Maar voor de stadsjongens was er geen kans bij de meiden. Die hadden alleen maar oog voor die Canadezen.’

Die mateloze interesse voor wat de oorlog moet zijn geweest, weerhoudt Remco Vanroeslare er niet van zijn adolescentenleven te vieren. Met filmbezoek (One Flew Over the Cuckoo’s Nest of Die verlorene Ehre der Katharina Blum van Volker Schlöndorff naar de roman van Heinrich Böll), met popconcerten (Herman Brood, The Cure) waar hij zich bekwaamt als de fotograaf die hij gaat worden, met het lezen van boeken van Hermans en Mulisch maar ook De langste dag van Cornelius Ryan, en natuurlijk met zuipen en neuken.

Wat, gelet op de liefhebberijen van Jeroen Wielaert, ook opvalt: de welhaast verliefde gretigheid waarmee Utrecht in dit boek als decor wordt opgevoerd. Dat begint, als ik het goed genoteerd heb, in hoofdstuk 13 (van de 65) waarin de half-Amerikaanse vriend Ben halverwege de ochtend komt aanstormen op nota bene de Abstederdijk! Veel prozaïscher kan je het in Utreg niet krijgen. Maar in wat volgt belanden we ook op het Wed, in Ameliswaard, in Café De Zaak, in stadion De Galgenwaard, in de Wooloomooloo, aan het Wilhelminapark, op de Maliebaan en noem maar op. Als Remco zijn vriendin Ineke trots de Utrechtse binnenstad toont en zij in spontane verrukking ‘Geweldig!’ roept. ‘Dit heb ik allemaal nog nooit gezien! Wat een mooie oude stad! Een ontdekking bij nacht!’, antwoordt hij: ‘Een verborgen parel in de schaduw van Amsterdam. Lekker houden zo!’

RK__6588.jpg
Foto: Marc Wielaert

Allemaal hoofdstukken vol sierlijke en vrolijke slingers gekleurd met peace & love. Maar dan opeens, op bladzijde 130, doemt toch weer de eeuwige oorlog op, om niet meer van wijken te weten. ‘“Bah, onderdak,” zegt mijn moeder. “Het doet me denken aan die onderduiker…” Het feest is ineens van haar gezicht gegleden.

Ik ben verbluft.

“Een onderduiker?”

Ze maakt een wegwerpgebaar. En dan, met ingehouden woede: “Ja, Roskam, die uitvreter…”

“De oorlog?” vraag ik.

“Precies, de oorlog. Hij heeft lang geduurd…”

Op dat punt zijn we in het hart van het boek beland. Zoals het op de achterflap van Oorlogsvrede staat: Remco Vanroeslare, fotograaf van professie, is de vijftig al gepasseerd als zijn moeder het stilzwijgen verbreekt over een onderduiker in haar ouderlijke huis, in een polder ten zuiden van Amsterdam. Het is een even onthutsende als met schaamte omgeven oorlogsgeschiedenis over een jongeman die zijn handen niet kan thuishouden bij de vrouwen die hem omringen. […] De confessies van zijn moeder voeren hem naar Canada en de VS, op zoek naar een onbekende joodse vrouw en haar zoon.’

Meer moet ik niet vertellen, daarmee zou ik uw leesplezier bederven.

Wat ik wel een beetje hoop te hebben duidelijk gemaakt: dat al die botgevierde Wielaert-passies, al die Hi-Ha-Aha-Erlebnisse uit vervlogen maar o zo navoelbare en herkenbare tijden tezamen een wervelende roman vormen. De debuutroman van Jeroen Wielaert. Al die passies, met uitzondering dus van het wielrennen.

Maar met het uitvallen in de Giro van Tom Dumoulin bevinden we ons toch allemaal al even in een wielerdipje. Niemand die het nog wat kan schelen.

Met Oorlogsvrede valt Jeroen Wielaert de literatuur binnen en eist hij zijn plaats op in de ruimtelijke orde van de Nederlandse letteren, naast Hermans, Haasse en Mulisch, Schmidt, Wolkers en Cremer, Broekema, Wagendorp en Jongstra. Ik zeg: laat de aardappelcentrales op volle toeren draaien en laat duizend Ferrara’s bloeien, maar nu is het even Oorlogsvrede. Lang leve romanschrijver Jeroen Wielaert. 

vdh9789029539951

 

Blog op WordPress.com.

Omhoog ↑