Je kunt over Oorlogsvrede, het romandebuut van Jeroen Wielaert, zeggen wat je wilt, maar niet dat hij er zijn naam eer mee aandoet.

Het komt weleens voor dat iemand zijn eigen naam een emblematische betekenis geeft door de dingen die hij doet. Zo iemand heet dan bij voorbeeld Vroege en brengt de ochtendkranten rond zonder zich ooit te verslapen. Of je bent legercommandant genaamd Krijgsman en wordt aangesteld om samen met de Italiaan Giovanni Soldati een internationale VN-vredesmissie te leiden. De geweldsincidenten die daar zullen plaatsvinden gaan later onderzocht worden door een oorlogsinstituut met ene zekere Kok in de eigen gaarkeuken. What’s in a name? De investment banker die Den Boef heet, de straatagent Blauw, de slager Worst, de grafdelver Rauw.

RK__6519.jpg
Foto: Marc Wielaert

Of dat je godbetert Wielaert heet en dan samen met Wagendorp vanuit het village départ drie juliweken lang dagelijks, en dat gedurende decennia, in de Tourkaravaan ronddraait om het fietsnieuws te verslaan. Ik bedoel: zijn naam past onze razende wielerreporter als gegoten, maar laat nou net wielrennen van alle hobby’s en passies van Jeroen Wielaert de enige zijn die in Oorlogsvrede, op een enkele terloopse allusie na, ontbreekt.

Jeroen Wielaert heeft het hazenpad van de fictie gekozen. Hij is achter de hoge rug van zijn naam weg gedemarreerd, heeft zijn roestig geworden stalen ros aan de wilgen gehangen en is uit een ander vaatje gaan tappen. Tot hiertoe schreef hij stukken en maakte hij boeken. Nu schreef hij een roman. Jeroen Wielaert is een romancier geworden.

Maar dan wel een romanschrijver die zichzelf, zijn oude liefdes en zijn obsessies – op het wielrennen na dus – niet verloochend heeft. Dat realiseren we ons al in de proloog van Oorlogsvrede waar we vernemen dat de ik-figuur (ene Remco Vanroeslare) de oceaan gaat overvliegen met – let wel: ‘Vlucht 4045’ – om in Amerika op zoek te gaan naar ‘een verhaal van dichtbij’. Een verhaal over de Tweede Wereldoorlog waarin het behalve over die oorlog ook gaat over ‘liefde, lust en strijd. Een vredestijd lang’. Ziedaar Jeroen Wielaerts misschien wel belangrijkste preoccupatie: de Tweede Wereldoorlog.

RK__6470
Foto: Marc Wielaert

Er is een literaire generatie geweest – laten we zeggen: die van de jaren negentig – die het wel gezien had met al die oorlog en oorlogsromans. ‘De Tweede Wereldoorlog, is dat die film met Bruce Willis?’ schamperde een van hen. Die tijd is voorbij en Jeroen Wielaert laat zien dat de oorlog blijft doorwerken. Ook nog in dit heden.

In huize Vanroeslare is oorlog een veelgebruikt woord. ‘Het viel vaak, terwijl het geweld voorbij was en alles weer opbloeide. Als pap kwam het binnen. Van jongs af aan maakte het indruk op me, zonder dat ik enig besef had van de werkelijke betekenis, behalve de lading die voelbaar was bij het uitspreken ervan, zonder welke feitelijke dreiging dan ook, in en om onze kleine groene stad Wageningen. Altijd kwam de oorlog terug bij wijze van afschrikking, vooral om de vrede te bewaren.’

Maar rond die oorlog zijn er nog een heleboel andere zaken die leven in de brouwerij brengen, zoals dat ook het geval moet zijn geweest in het vroegere leven van Jeroen Wielaert zelf. Want Oorlogsvrede is, daar hoeven we niet geheimzinnig over te doen, ook een autobiografische roman. Als de ik met zijn vader door de stad loopt, het woord ‘provo’ hoort en vraagt ‘wat willen die dan?’ antwoordt die vader met een brede lach op zijn gezicht: ‘Die willen hi-ha-happening!’

En er happent heel wat in de jongensjaren uit dit boek, op zolderkamers van apothekerswoningen, volgehangen met posters van Dylan, Joplin en Che Guevara: ‘Ze heeft mooi en wild blond haar. Soms steekt ze er een roos in, of een madeliefje. Ze draagt korte rokjes en strakke truitjes die om haar borsten spannen. Ze is wat ze een stoot noemen, een echte chick. Tenminste, in de taal van haar omvangrijke aanhang van ruige jongens.’ We schrijven 1968.

Politiek en andere (actuele) oorlogen zijn echter nooit ver weg in dit boek. Niet als het gaat om de Zesdaagse Oorlog tussen Israël en Egypte, niet als het gaat om Vietnam. Maar via Vietnam zitten we ook zo weer in ‘Ons Indië’ en bij de politionele acties, wanneer een paar jongens met hun vaders aan de praat raken: ‘Natuurlijk waren er bij ons die wraak wilden nemen. Uit pure onmacht begonnen ze burgers neer te schieten in hun dorpen.’ Of hoor wat Remco’s vader hem antwoordt als Remco hem, tijdens een wandeling op de Grebbeberg, vraagt of hij mee heeft gefeest tijdens bevrijding. ‘O ja, ja. Dolle boel, die dinsdag. Het was 17 april ’45, bijna een maand voordat de rest werd bevrijd. Ik heb het nooit zo druk gezien in de stad. Een enorme opwinding. Alle remmen gingen los. Ook seksueel. Maar voor de stadsjongens was er geen kans bij de meiden. Die hadden alleen maar oog voor die Canadezen.’

Die mateloze interesse voor wat de oorlog moet zijn geweest, weerhoudt Remco Vanroeslare er niet van zijn adolescentenleven te vieren. Met filmbezoek (One Flew Over the Cuckoo’s Nest of Die verlorene Ehre der Katharina Blum van Volker Schlöndorff naar de roman van Heinrich Böll), met popconcerten (Herman Brood, The Cure) waar hij zich bekwaamt als de fotograaf die hij gaat worden, met het lezen van boeken van Hermans en Mulisch maar ook De langste dag van Cornelius Ryan, en natuurlijk met zuipen en neuken.

Wat, gelet op de liefhebberijen van Jeroen Wielaert, ook opvalt: de welhaast verliefde gretigheid waarmee Utrecht in dit boek als decor wordt opgevoerd. Dat begint, als ik het goed genoteerd heb, in hoofdstuk 13 (van de 65) waarin de half-Amerikaanse vriend Ben halverwege de ochtend komt aanstormen op nota bene de Abstederdijk! Veel prozaïscher kan je het in Utreg niet krijgen. Maar in wat volgt belanden we ook op het Wed, in Ameliswaard, in Café De Zaak, in stadion De Galgenwaard, in de Wooloomooloo, aan het Wilhelminapark, op de Maliebaan en noem maar op. Als Remco zijn vriendin Ineke trots de Utrechtse binnenstad toont en zij in spontane verrukking ‘Geweldig!’ roept. ‘Dit heb ik allemaal nog nooit gezien! Wat een mooie oude stad! Een ontdekking bij nacht!’, antwoordt hij: ‘Een verborgen parel in de schaduw van Amsterdam. Lekker houden zo!’

RK__6588.jpg
Foto: Marc Wielaert

Allemaal hoofdstukken vol sierlijke en vrolijke slingers gekleurd met peace & love. Maar dan opeens, op bladzijde 130, doemt toch weer de eeuwige oorlog op, om niet meer van wijken te weten. ‘“Bah, onderdak,” zegt mijn moeder. “Het doet me denken aan die onderduiker…” Het feest is ineens van haar gezicht gegleden.

Ik ben verbluft.

“Een onderduiker?”

Ze maakt een wegwerpgebaar. En dan, met ingehouden woede: “Ja, Roskam, die uitvreter…”

“De oorlog?” vraag ik.

“Precies, de oorlog. Hij heeft lang geduurd…”

Op dat punt zijn we in het hart van het boek beland. Zoals het op de achterflap van Oorlogsvrede staat: Remco Vanroeslare, fotograaf van professie, is de vijftig al gepasseerd als zijn moeder het stilzwijgen verbreekt over een onderduiker in haar ouderlijke huis, in een polder ten zuiden van Amsterdam. Het is een even onthutsende als met schaamte omgeven oorlogsgeschiedenis over een jongeman die zijn handen niet kan thuishouden bij de vrouwen die hem omringen. […] De confessies van zijn moeder voeren hem naar Canada en de VS, op zoek naar een onbekende joodse vrouw en haar zoon.’

Meer moet ik niet vertellen, daarmee zou ik uw leesplezier bederven.

Wat ik wel een beetje hoop te hebben duidelijk gemaakt: dat al die botgevierde Wielaert-passies, al die Hi-Ha-Aha-Erlebnisse uit vervlogen maar o zo navoelbare en herkenbare tijden tezamen een wervelende roman vormen. De debuutroman van Jeroen Wielaert. Al die passies, met uitzondering dus van het wielrennen.

Maar met het uitvallen in de Giro van Tom Dumoulin bevinden we ons toch allemaal al even in een wielerdipje. Niemand die het nog wat kan schelen.

Met Oorlogsvrede valt Jeroen Wielaert de literatuur binnen en eist hij zijn plaats op in de ruimtelijke orde van de Nederlandse letteren, naast Hermans, Haasse en Mulisch, Schmidt, Wolkers en Cremer, Broekema, Wagendorp en Jongstra. Ik zeg: laat de aardappelcentrales op volle toeren draaien en laat duizend Ferrara’s bloeien, maar nu is het even Oorlogsvrede. Lang leve romanschrijver Jeroen Wielaert. 

vdh9789029539951

 

Advertenties