Omdat ik niet in herhaling wilde vallen, herlas ik de toespraak die ik vrijwel op de kop af twee jaar geleden hield bij de presentatie – in Amsterdam – van Een verhaal uit de Zonnestad, de roman waarmee John-Alexander Janssen als schrijver debuteerde. Ik had het goed onthouden: alles draaide daarin om ambitie. De niet al te bescheiden doelstellingen van John-Alexander op diverse terreinen (in de wetenschap, in het onderwijs, in de literatuur en als kosmopoliet) stuurden mij naar de conclusie: ‘Geen half werk dus bij deze man’. En ik waarschuwde: ‘U gaat vast nog van hem horen.’

Die ambities waren niet gefundeerd op drijfzand of stapelwolken, zo kan terugkijkend worden vastgesteld. Een verhaal uit de Zonnestad werd onthaald op uitstekende recensies, het werd herdrukt, genomineerd voor de Longlist van de Libris Literatuur Prijs en bekroond met de Bronzen Uil Publieksprijs. En dat zijn dan alleen de literaire resultaten, want terloops merken we op dat Janssen zijn ambities nog heeft uitgebreid naar het domein van de biologie met het oog op een ander oeuvre: kroost. Ik maak van de gelegenheid gebruik hem en Emma van harte geluk te wensen met hun gezamenlijke debuut getiteld Abel, voluit Abel Henri Josephus.

Er is misschien niets belangrijker op de wereld dan kinderen, zeker voor jonge ouders, maar ik vermeldde dit slechts terzijde, want ik wilde het niet alwéér over ambities hebben maar over talent. Men kan immers nog zoveel scoringsdrift hebben, maar zonder talent zal niemand het ver schoppen. Edoch, met zo’n boude uitspraak begint het al. Is dat wel waar? Is het onmogelijk je in een bepaalde discipline te onderscheiden zonder zichtbaar talent op dat vlak? Wat is talent eigenlijk? Die vraag is ogenschijnlijk niet al te moeilijk te beantwoorden. Je raadpleegt wat woordenboeken en naslagwerken en leert dat talent het natuurlijk vermogen is om iets goed te doen op welk terrein dan ook. Talent is met gemak uitvoeren wat anderen moeilijk vinden. Talent is iets met gemak uitvoeren en daarbij de indruk wekken dat het allemaal nóg veel makkelijker is dan het zich in zijn geval al laat aanzien. Talent is presteren en acteren met een grote mate van achteloosheid. Sprezzatura, om met Baldassar Castiglione te spreken. In Het boek van de hoveling poneerde deze schrijver die manier van doen, begin zestiende eeuw, als een nastrevenswaardig opvoedingsideaal voor jonge mannen aan het hof. Het lijkt er dus op dat in elk geval een deel van het talent dat iemand bezit, namelijk de achteloosheid waarmee het getoond woord, aan te leren valt. Misschien is dat bijna hetzelfde als hoe de 19de-eeuwse Amerikaanse schrijver Ralph Waldo Emerson het definieerde: ‘Talent alleen maakt nog geen schrijver, er moet ook een vent achter staan.’ Maar volgens een eeuwgenoot van Emerson, de Franse componist Hector Berlioz, ben je er dan nóg niet. ‘Het geluk om talent te hebben, is niet voldoende,’ meende hij. ‘Men heeft ook nog het talent nodig om geluk te hebben.’ Dat klinkt als woordspel, maar dat is het denk ik niet, en het komt in de buurt van iets waarover ze het in de voetballerij nogal eens hebben: ‘Geluk kun je afdwingen.’ O ja, hoe dan? Nou, met talent inderdaad. Het zou best eens kunnen dat we nu in de buurt zijn van het punt dat ik wil maken ten aanzien van John-Alexander Janssen en zijn tweede roman Trocadéro, waarvan we hier bij Paagman in Den Haag de tewaterlating aan het voltrekken zijn.

8e8ed17b-29ab-4a92-b1d3-36fe32706ecb

Een jaar of vijf geleden gaven we bij De Arbeiderspers een boek uit van de Amerikaanse wetenschapper David Epstein getiteld The Sports Gene. Inside the Science of Extraordinary Athletic Performance, in het Nederlands vertaald als Topsport in de genen.  In dat boek staat veel behartigenswaardigs, maar een van de belangrijkste bevindingen – kort en bondig samengevat – is dat sommige vaardigheden waarvan iedereen denkt dat ze zijn aangeboren dat niet zijn, zoals bij voorbeeld de reactiesnelheid bij sporten als tennis en honkbal, terwijl andere kenmerken waarvan wordt aangenomen dat ze volledig uit eigen wil zijn ontstaan (bijvoorbeeld de mate van gedrevenheid van een atleet om te trainen) juist belangrijke genetische componenten kunnen bevatten. Epstein noemt dat trainability: het vermogen om veel, hard en gestructureerd te kunnen trainen. Kortom het vermogen om beter te worden (dat is namelijk het doel van trainen) en om uiteindelijk zo goed mogelijk te worden. Die trainability kan best worden toegepast op andere domeinen dan de sport, op de literatuur bij voorbeeld. Op John-Alexander Janssen bij voorbeeld. En mijn stelling is dan ook: door zijn trainability is John-Alexander als weinig anderen in staat zijn literair talent en de in zijn karakter verankerde ambitie te benutten om goede en steeds betere boeken te schrijven. Zijn trainingsschema’s ken ik niet, maar hun vruchten hebben ze afgeworpen.

Welnu, Verhaal uit de Zonnestad was een meer dan verdienstelijk debuut, en dat bleek ook uit de ontvangst van het boek. Maar Trocadéro is de geslaagde sprong naar een angstaanjagend aantal sporten hoger op de literaire ladder. In stijl, in gelaagdheid, in zeggingskracht en psychologische en filosofische diepgang, in spanningsopbouw, in de verbeelding van de ruimte (in dit geval hoofdzakelijk Parijs) en het innerlijk van de hoofdpersoon – in alles heeft John-Alexander Janssen zichzelf overtroffen.

Over het verhaal dat zich in Trocadéro ontvouwt – de titel verwijst naar dat grote plein op de rechteroever van de Seine (in zijn geheel trouwens Jardins du Trocadéro geheten) waarvandaan je recht tegen de op de andere oever gelegen Eiffeltoren aankijkt – ga ik hier niet al te veel verklappen. Daarvoor is het te spannend en bevat het te veel verrassende wendingen. Dat zou dus het leesplezier bederven. Maar wat ik er wel over kan zeggen is dat de persoonlijke drama’s die zich voltrekken en die je onmogelijk kunt afdoen als mineur of efemeer op een huiveringwekkende manier verbonden raken met grootschaliger maatschappelijke gebeurtenissen.

In het eerste hoofdstuk van Trocadéro maken we kennis met de hoofdpersoon van het boek, Julian Perceval, een jongeman die gedreven wordt door één allesoverheersende wil: rechter worden. We volgen hem op weg naar Den Haag waar hij gaat solliciteren naar die baan als rechter, althans naar de mogelijkheid om als zodanig te worden opgeleid, en we zitten meteen pal naast hem en voelen ons – dat is precies de geheime kunst van de literaire verbeeldingskracht – nauw verbonden met zijn besognes. Dat zal zo blijven want we zullen niet meer van zijn zijde wijken. Na het sollicitatiegesprek in Den Haag, waarin we als lezer met Julian mee zweten en bijna van ons stokje gaan ten gevolge van een wurgende black-out, nemen we meteen de trein naar Parijs, een bestemming waarmee Julian een oude belofte inlost, om vervolgens onze intrek te nemen in een appartement in een buurt nabij Trocadéro. Dat doen we handenwrijvend, gnuivend van de opwinding die we ervaren omdat we met onze eenzelvige held in de grote lichtstad te mogen verkeren. Weg van het gewone leven. Ineens is alles mogelijk. Maar hoewel dat gevoel in diepere bewustzijnslagen enigszins zal aanhouden, krijgen we al snel te maken met een hoop gedonder die de aanvankelijke euforie verdrijft. Julian maakt kennis met een paar Nederlandse jongemannen van zijn leeftijd die hem meesleuren naar allerlei plekken en in allerlei bezigheden en plannen waarbij hij eigenlijk grotendeels met tegenzin betrokken wil zijn. En jij lezer bent voortdurend bij hem, trekt hem aan zijn mouw, fluistert in zijn oor: ‘Doe dat niet’, ‘Ga naar huis’, ‘Zeg nee’. Maar hij luistert niet en zo kom je ook als lezer terecht waar je niet wil zijn, in zaken waar je niets mee te maken wilt hebben of waarvan je alsmaar het niet te concretiseren gevoel hebt dat ze niet deugen. Die dingen gaan onder je huid zitten, die dingen zijn beklemmend, zenuwslopend. In dat opzicht deed dit boek – het getuigt misschien van hybris om het hiermee te vergelijken, maar u moet het vooral zien als een aanmoediging het te gaan kopen en lezen – me denken aan Donna Tartts De verborgen geschiedenis. Het deed me ook denken aan de roman Au Pair van W.F. Hermans omdat die eveneens in Parijs speelt, waar in dit geval een jonge Nederlandse vrouw in haar eentje naartoe gaat, en hoewel ik dat avontuurlijke boek destijds met plezier heb gelezen, realiseer ik me dat het twee keer zo dik is en niet half zo indrukwekkend.

De verleiding is groot om in het geval van een schrijver die zo beloftevol debuteerde en met zijn tweede roman zoveel progressie boekt reikhalzend naar de sterren te turen om daarin te kunnen lezen waarin dit schrijverschap gaat uitmonden.

Gaan we niet doen! Hier is Trocadéro. Veel beter kan je het voorlopig niet krijgen.

John-Alexander Janssen - Trocadéro - Cover.jpg

Advertenties