Al ver voor Max Greyson in 2016 als Nederlandstalige dichter op papier van zich deed spreken met zijn debuut Waanzin went niet, trok hij – we kunnen dit allemaal lezen op zijn eigen website – heel Europa door als spoken word performer in internationale, interdisciplinaire muziektheatervoorstellingen. Dit podiumwerk deed hem, soms voor langere tijd, belanden in plaatsen als Florence, Keulen en Boedapest.

Met deze kennis in het achterhoofd en de vaststelling dat de titel van zijn tweede bundel een monoglot vreemd in oren zal klinken, is het misschien gerechtvaardigd eraan te beginnen met de vraag of we dan ook te maken hebben met een Europese bundel.

Wie er vervolgens een beetje doorheen gaat zitten bladeren, zal het opvallen dat er bij voorbeeld geen woord Spaans bij zit in Et alors. En trouwens ook kein einiziges Wort Deutsch en not a single word in English zelfs. Maar dat laatste moet ik half terugnemen. Er staan wel een paar woorden Engels in, maar die gaan feitelijk aan de bundel vooraf. Die vormen het motto. Het betreft drie regels uit Book of Longing van Leonard Cohen:

First of all nothing will happen
And a little later
Nothing will happen again

Of dat veel goeds belooft staat nog te bezien. Laten we eens naar het openingsgedicht (oftewel de proloog) kijken, naar het ‘first of all’ om het zomaar te zeggen. Dat gedicht heet veelzeggend genoeg ‘Rien à déclarer’. Met andere woorden: ik heb niets aan te geven, niets uit te leggen. En het gedicht sluit af met de woorden: ‘de wil om niets te delen niets te bewijzen / geen geschiedenis te schrijven met mijn frêle onderstel / rennen neervallen bederven ontbinden’. Daaruit spreekt niet direct een groot engagement, laat staan om zich uit te spreken over de maatschappelijke werkelijkheid. Er spreekt vooral onwil uit, tegenzin en wanhoop zelfs.

Greyson_(c)_Koen_Broos_RV
Max Greyson. Foto: Koen Broos.

Goed, dat hebben we genoteerd. Maar hoe zit het dan met het ‘a little later’ waarin ‘nothing will happen again’? Ook dat gedicht, ervan uitgaande dat we voor dat ‘a little later’ naar de epiloog van de bundel moeten, heeft een nogal omineuze titel: ‘La fin ne justifie rien’. Een einde dat niets rechtvaardigt dus. Daar moeten we het mee doen. Het is niet bepaald een comfortabele toestand waarnaar verwezen wordt. ‘We hebben afgeworpen / wat los hing in verbanden / hebben onszelf tegenpolig / gemagnetiseerd, zijn gevlucht / maar niet weg’. Maar anders dan in het openingsgedicht gloort hier wellicht toch een sprankje hoop. De laatste regels luiden: ‘Zolang we niet omkijken / kunnen we nog terug’. Een (paradoxale) poëticale uitspraak lijkt me ook, een opdracht aan de dichter om onverdroten – en ondanks verlies van het nodige, ja zelfs de liefde – voort te gaan en niet zoals de tragische Orpheus om te kijken waar zijn Eurydice blijft.

Maar dit terzijde, want het gaat me om de observatie dat deze bundel weliswaar geen woord Spaans, Duits, Engels enzovoorts bevatte, maar dat men alleen al uit de titel van de bundel en van de twee aangehaalde gedichten kan opmaken dat het Frans is wat de klok slaat. De titels van vrijwel alle gedichten in deze royale bundel – en niet zelden ook frasen of zelfs hele strofen – zijn francofoon. Als dat geen statement is!

Maar waarvoor dan? In België, dat immers tweetalig is, spreekt, verstaat en leest een deel van de Nederlandstaligen waarschijnlijk nog wel Frans, maar in Nederland gaat het inmiddels om een behoorlijke minderheid. In Nederland wordt zelfs die titel al nauwelijks begrepen en soms foutief uitgesproken als ettalors. Dat doet het ergste vermoeden omtrent het Frans binnen het omslag van de bundel. Met titels als ‘La conjugaison de l’amour’, ‘Bruxelles ma belle’, ‘Ni dieu ni maître’.

Een dergelijke welhaast roekeloze omarming van het Frans – dat kan niet per ongeluk gedaan zijn. Dat staat ergens voor. En op de achterflap van de bundel doen we een beknopte poging daar iets over te zeggen: ‘“Tussen vechten en vluchten ligt een kavel die Vlaanderen heet / waar men zuinig glimlacht en danst met veel sérieux,” aldus een van de gedichten. In sommige opzichten is Et alors de talige ontmanteling van een gewest en zijn geschiedenis, van een dichter en zijn taal. Hier zoekt iemand een moedertaal, balancerend op de raaklijn van het Frans en het Nederlands. Et alors? Wat nu? Nu alles is gesloopt. Nu we bedorven en ontbonden zijn?’

Als we dit politiek-maatschappelijk uitleggen: hier zoekt iemand een nieuwe balans, in een verscheurd land, in een verscheurd Europa. Hier doet iemand even wanhopige als opzichtige pogingen nieuwe verbintenissen tot stand te brengen. Neem bij voorbeeld deze regels uit nota bene een van de weinige gedichten, ‘Moedertaal’, met een niet-Franse titel: ‘Ik spreek in doffe waarheden / barbaars gestolen uit bastaardmonden / woorden als vreemdelingen gezuiverd / van hun eigen melodie / dierlijke klanken geëcht in een schone mantel / en etnisch-orthografisch vastgehecht.’ En een paar strofen verder: ‘Zij ligt à la française aan mijn ondergrens te zingen /  ik ben de rede en zij is zichzelf / niet meer de taal van het vasteland / mijn vlakke land heeft haar uitgestippeld / en verstoten, alle verwachtingen ingelost / alle verwachtingen ingelost / in een opbod van solide logica en vaandeldragen’.

vdh9789029528559.jpg

Het mooie van poëzie is uiteraard dat veel van wat gezegd wordt dubbelzinnig is of zelfs ongrijpbaar, maar anderzijds heeft het er toch alle schijn van dat hier iemand zich uitspreekt tegen het uitventen van een gewenste identiteit op basis van taal en nationaliteit. Lees daarvoor bij voorbeeld ook nog eens de afdeling ‘Passoire’ waarin het van de slagvelden van WO I tot en met de jungle van Calais gaat over de nefaste gevolgen van nationalisme en xenofobie en het besef ‘dat onze verbondenheid pas ontwaakt / wanneer we niet meer doen alsof / we elkaar verstaan.’ Maar laat overigens ook gezegd zijn dat veel van wat deze bundel te bieden heeft zich op een veel persoonlijker en intiemer toneel afspeelt, dat van de liefde, de schermutselingen die daar plaatsvinden in een schitterende reeks onder de noemer ‘La conjugaison de l’amour’ (oftewel: de vervoeging van de liefde).

In zijn meertaligheid en zijn uitgesproken verlangen, hoe desolaat ook, naar nieuwe verbindingen is Et alors een waarlijk Europese bundel. Guy Verhofstadt riep het ook al triomfantelijk toen afgelopen week bleek dat de opkomst bij de Europese verkiezingen voor het eerst sinds 1979 weer is gestegen: ‘Europa is terug, Europa is weer populair.’ Dat laatste staat nog te bezien, maar dat Europa weer onderwerp van gesprek, ook in de kunst en de literatuur, blijkt ook uit het succes van de grote roman van de schrijver die Max Greyson enkele jaren geleden de kant van De Arbeiderspers op dirigeerde: Grand Hotel Europa van Ilja Leonard Pfeijffer. Het overdonderende succes en de impact van dat boek in de Lage Landen heeft uitgevers uit vooralsnog elf landen (naast de Verenigde Staten, tien uit Europa) doen besluiten de vertaalrechten van de roman aan te kopen. Voor ons aanleiding om die uitgevers binnenkort samen naar Amsterdam te laten komen voor een met enige ironie door ons genoemde ‘top’ over Grand Hotel Europa.

Nog een laatste keer terug naar Et alors? En wat dan nog?

First of all nothing will happen
And a little later
Nothing will happen again

Maar tussen die twee bedrijven door vergast Max Greyson ons op een waar spervuur van taal, beelden, observaties, reflecties en emoties. De man van taal, zoals we die kenden uit Waanzin went niet, spreidt zijn titanium vleugels uit. In Et alors gaat hij voor de Europese top.