Goedenavond deze laatste avond, ik spreek
tot u namens de werkgroep gedupeerde dichters,
de vereniging rouwende schrijvers en wens u
kinderen toe die niet de eindstreep halen
voor u zelf de drempel over bent, dit jaar.

[Fragment van ‘Oudjaarstoespraak’ uit Anna Enquist, Berichten van het front]

enquist
Anna Enquist. Portret: Bianca Sistermans.

Vorig jaar rond deze tijd zat ik een keer in de auto tussen Den Haag en Utrecht, toen ik – laten we zeggen: ergens ter hoogte van waar de A12 de Dubbele Wiericke oversteekt – midden in een radiogesprek viel met fotografe Saskia Boelsums. Ze werd aan het einde van die uitzending trouwens uitgeroepen tot Kunstenaar van het Jaar, maar dat doet er hier niet toe. Wat ertoe doet is dat ze tijdens dat live-gesprek vertelde dat ze die ochtend op weg ernaar toe op een gegeven moment haar auto aan de kant had gezet omdat ze zilverpopulieren had gezien die werden beschenen door de zon. De tere populierenblaadjes als vloeipapier zo dun ritselden en fonkelden in het zonlicht als glinsterende en stuivende confetti. Dat móest ze vastleggen met haar camera.

Zo’n opmerkingsgave, zo’n gedrevenheid, zo’n toewijding – zo iemand kan bij mij al niet meer stuk.

Dat alerte, geestdriftige en gedisciplineerde bezit ook Anna Enquist in hoge mate. Altijd alle zintuigen op scherp om een observatie te kunnen doen die bruikbaar is voor het eigen werk. En gedurende periodes dat ze echt aan het schrijven is: elke ochtend een uur of twee, drie aan de schrijftafel – ook als het niet wil vlotten.

Zo is het afgelopen jaar – omdat de dichtader ineens begon te vloeien, maar die vloeit nooit lang zonder hard labeur – weer een imposante nieuwe bundel ontstaan onder de titel Berichten van het front, die begin juni verschenen is.

Om dit er meteen maar van te zeggen: het is niet een bundel waaruit je lallend en schaterend gaat zitten citeren tijdens een drankovergoten samenzijn. Het is wel een bundel waarin gedichten en regels staan die – voor degene die de moeite neemt zorgvuldig te lezen – nooit meer vergeten zullen worden.

In Berichten van het front (ik schreef het ook op de flappen van de bundel) hervat Anna Enquist de grootse en bittere expeditie die ze voor de duur van één bundel (haar vorige, bijna vrolijke bundel Hoor de stad) had opgeschort: ‘het losmaken/ van de dochter uit ons’. Losmaken ook om de verlorene vervolgens weer in het wild te kunnen aantreffen. Maar nooit eerder werd er zo systematisch jacht gemaakt als nu. In vier grote afdelingen wordt het ontbrekende kind gezocht in de onderwereld, de witte koude van hooggebergte, de omringende natuur en de jacht van het spel.’

Toen ik vorig najaar met haar de afdeling ‘Hoog, wit, koud’, tweede cyclus van tien gedichten in Berichten van het front, zat door te nemen en we waren aanbeland bij het gedicht ‘Populus alba’, liet zij zich ontvallen dat ze zoiets wel voor zich zag op het omslag van haar bundel.

‘Wat precies?’

‘Nou, die mooie vonkende blaadjes van een zilverpopulier.’

Want een populus alba is dus een zilverpopulier.

En ineens schoot mij dat radio-interview met Saskia Boelsums te binnen. Die avond maar eens op het internet gespeurd naar werk van haar. En uiteraard het nodige aangetroffen. ‘Ik ben een beeldend kunstenaar met een fototoestel,’ zegt ze in een interview over de manier waarop ze te werk gaat. Toen ik vervolgens een aantal foto’s van haar te zien kreeg, kon ik dat beamen. Dit was iemand die fotografeert zoals een Hollandse meester uit de glorieuze decaden van onze contreien schilderde, ‘met een hoog Ruysdael-gehalte’, zoals Marjo Starink, de ontwerpster van het omslag, het typeerde.

Maar van die populus alba lijkt uiteindelijk weinig terechtgekomen. Wel van een foto van Saskia Boelsums, want haar werk bleek, vonden wij allemaal, een mer à boire. Veel ervan ademde een sfeer die perfect past bij de elementaire, diep in het aardse gewortelde, altijd wel licht en soms grimmig bewolkte poëzie van Anna Enquist.

Dus werd het – met Boelsums’ instemming, zij was vereerd met het idee dat een foto van haar het omslag van een nieuwe bundel van Anna Enquist zou sieren – dit wonderschone beeld dat als een aangrijpende sluier over de 42 gedichten van Berichten van het front hangt. Wat zien we? We zien iets dat onze blik divergent maakt. Het ene oog wordt omhooggetrokken naar een onheilszwangere lucht, het andere oog daalt vertederd neer op een kudde schapen die zich kalm bergt onder een coulisse van bomen… nou ja… van misschien toch wel zilverberken? Het zijn in ieder geval hoge bomen in een arcering van welhaast magisch licht. Met daar weer boven een dreigend onweer.

Ik zie die schapen als de broze gedichten in deze bundel. Ze kunnen zich geborgen voelen tussen de kaften van dit boek. De gedichten zijn in zekere zin die berichten van het front. Maar het front is ginds, ver weg achter die bomen. Hier, aan deze kant, heerst voorlopig vrede.

Maar vrede is iets anders dan vredigheid. Komend najaar – ook om haar 75ste verjaardag te vieren – verschijnt er een ruime selectie van al haar verspreid verschenen stukken onder de titel Tegenwind, een scala aan essays en beschouwingen (soms in de vorm van lezingen of interviews) over uiteenlopende onderwerpen waarbij zij zich thuis voelt: kunst en kunstenaarschap, psychotherapie, het menselijke brein en zaken van de ziel, reizen en schrijven, muziek en literatuur. Wat je dan allemaal kan tegenkomen: Thomas Bernhard en Louis van Gaal, kinderlijke angstdromen en alzheimeroptimisme, Goldbergvariaties en cellokwartetten, opera’s in de Kuip en wandelingen langs de Engelse aluinkust, Gerard Reve en het literaire werk van vrouwelijke auteurs op leeftijd.

5e842_9789029542241_cvr

Maar desalniettemin: tegenwind!

Tegenwind, wat anders? Niks nieuws onder de zon. We zouden de wind eens in de rug hebben. Nee hoor, met Anna Enquist dienen we ons vanouds maar onverdroten met onze vergramde kop door onafzienbare hopen tegenslag te beuken. Waar anders moeten we onze voldoening vandaan halen?