Zoeken

Nijssen Schrijft

Over boeken, schrijvers, sport, cultuur, het dagelijks leven (en af en toe mijzelf)

Auteur

Peter Nijssen

Peter Nijssen is uitgever bij Uitgeverij De Arbeiderspers.

Literair succes is een kwestie van betaald koffiedrinken. Of hoe Ilja Leonard Pfeijffer een beroemd schrijver werd*

Het is een vraag die nogal eens gesteld wordt, op feestjes bij voorbeeld, als ik met iemand in gesprek raak en vertel dat ik redacteur ben en op een uitgeverij werk. ‘Maar wat doe je dan eigenlijk, als je redacteur bent?’ Weinig vermoedelijk, zie je zo iemand denken.

Dat dacht mijn goede vriend E. jaren geleden al. Nee, hij dat onomstotelijk vastgesteld. ‘Betaald koffiedrinken,’ zo definieert hij mijn werkzaamheden altijd en tot op de huidige dag. Maar hij is dan ook zelfstandig publicist. Zo iemand moet werken voor zijn geld. Voor zo iemand is kieskeurigheid een belachelijke luxe. Hij afficheert zichzelf dan ook als tekstboer met gemengd bedrijf: ‘Voor al uw non-fictie!’

Maar ik ben dus een betaald-koffiedrinker. In Ilja Leonard Pfeijffers Hoe word ik een beroemd schrijver rijst een nauwelijks hoogstaander beeld op van literair redacteuren in het algemeen en van mij-als-redacteur in het bijzonder. Het hoofdstuk ‘Wat is de rol van de redacteur’ begint nog redelijk vleiend: ‘Hij is al sinds mijn debuut mijn redacteur en in de loop van de jaren is hij een goede vriend van mij geworden. Hij kent mijn werk als geen ander en hij heeft affiniteit met mijn ambities. Hij begrijpt wat ik in artistiek opzicht wil bereiken. Daarom is hij de aangewezen man om van gedachten mee te wisselen over nieuwe ideeën. Daar komt veel bier bij kijken. En als ik dan na een bijzonder aangename avond naar huis zwalk, besef ik dat ik meer en betere ideeën heb dan daarvoor en dat ik nog meer enthousiasme heb om die uit te voeren. In dat opzicht is mijn redacteur van essentieel belang.’

2 - Ilja Leonard Pfeijffer HR - altijd het volgende vermelden - © Stephan Vanfleteren_RVtotfeb2021.jpg
Ilja Leonard Pfeijffer. Foto: Stephan Vanfleteren.

Maar verder? ‘Verder doet hij niets,’ schrijft Ilja. ‘We spreken een deadline af en ik lever hem een kant-en-klaar manuscript. Kan zo naar de drukker. Hoeft hij niets meer aan te doen. Hij moet mij alleen zo snel mogelijk bellen en minstens een uur lang in euforische bewoordingen vertellen hoe fantastisch, briljant en geniaal hij het vindt.’

Ik moet toegeven dat dit in zijn geval vrijwel de waarheid is, afgezien dan van dat bier. Das war einmal. Het bier heeft, sinds Ilja niet meer drinkt, plaatsgemaakt voor bruiswater en koffie. En af en toe – alleen voor mij – een bedremmeld en beschaafd glaasje wijn naast een bordje pasta of wat het ook maar is wat we eten.

Ilja had het druk de afgelopen jaren. Zijn roman La Superba, waarmee hij de Libris Literatuur Prijs had gewonnen, had hem in de eredivisie van de Nederlandse literatuur doen belanden. Hoewel hij het met plezier deed, was hij erg veel aan het optreden. Je bent nu eenmaal een beroemd en veelgevraagd schrijver of je bent het niet. Het weerhield hem er niet van in die jaren ook nog een vuistdik brievenboek (Brieven uit Genua), een veelbekroonde dichtbundel (Idyllen), een korte roman Peachez, een romance) en een aantal toneelstukken te schrijven. En dan ontmoette hij (lees daarvoor Brieven uit Genua) in 2015 door Stella ook nog eens de liefde van zijn leven. In zijn hoofd was intussen al gedurende enige tijd een idee voor een nieuwe grote roman aan het ontkiemen (‘iets met toerisme’), maar hij had eenvoudigweg de tijd niet om daar echt werk van te gaan maken op papier.

Dat dit majeure project niet op de lange baan is geschoven heeft misschien ook nog wel iets te maken met een andere gelukkige maatregel die Ilja Leonard Pfeijffer een aantal jaren eerder had genomen. Hij schakelde de hulp in van een zakelijk manager – of noem het een persoonlijk assistent voor mijn part. Iemand die zijn agenda en zijn geldzaken beheert en samen met hem en de uitgeverij een lange-termijnplan voor zijn activiteiten ontwikkelt en beheert. Michaël Roumen zorgde ervoor dat Ilja’s agenda in de eerste negen maanden van 2018 tamelijk leeg bleef zodat hij kon schrijven aan dat boek dat ineens (in het vroege voorjaar van 2018) Grand Hotel Europa bleek te heten en waarvan hij mij rond diezelfde tijd hoofdstukken begon te sturen. Hoofdstuk 2, hoofdstuk 5, hoofdstuk 8 – kortom niet in de volgorde waarin ze uiteindelijk in het boek kwamen, waardoor het voor mij aanvankelijk stukjes bleven van een grote puzzel die hij aan het leggen was. Het werd me niettemin al vrij snel duidelijk dat dit niet alleen een roman over toerisme ging worden, maar ook over Europa, over een continent in verwarring, over het avondland dat zo niet ten onder gaand toch op zijn minst aan het wegkwijnen was. En dan werd er, zo leek het, ook nog een heuse liefdesroman en een spannende queeste naar een verdwenen Caravaggio-schilderij in verwerkt. Er volgden in rap tempo nieuwe hoofdstukken, maar het leek me een vrijwel onmogelijk opgave om dat manuscript volgens plan aan het eind van de zomer af te hebben opdat het nog eind 2018 zou kunnen verschijnen.

Daar kwam nog bij: ik had een sabbatical op het programma staan. Deze redacteur, die toch al de hele dag op zijn luie reet betaald zit koffie te drinken, had zich voorgenomen tussen juli en november thuis op z’n luie reet te gaan zitten. Dóórbetaald koffiedrinken!

Ilja Leonard Pfeijffer - Grand Hotel Europe - Cover.jpg

In zo’n riante positie (thuis of op je werk nietsdoen) kon ik het me veroorloven niet al te principieel te zijn. Ik sprak met Ilja af dat als hij het manuscript vóór 1 oktober zou kunnen inleveren, ik mijn sabbatical zou onderbreken om het te lezen en van commentaar te voorzien. Maar al op 7 september – ik stond op het punt om te beginnen aan een rondreis door Frankrijk – liet hij me tot mijn enorme verrassing weten dat het boek af was, wat betekende dat hij die laatste twee maanden minstens 100.000 woorden moest hebben geschreven. Ik feliciteerde hem met de voltooiing maar ook met die ongelooflijke krachtsinspanning en liet hem weten dat ik nu toch eerst even een rondje Frankrijk ging doen. Dus reisde ik pas begin oktober naar Genua om een kolossaal boek met hem door te nemen waar volgens de auteur zelve toch niks meer aan hoefde te gebeuren. Het moge duidelijk zijn dat ik de niet te filmen mazzel heb tegelijkertijd een grandioos en een bedaard leven te kunnen leiden. Het tonen van enthousiasme is zo ongeveer de enige inspanning die ik mij bij tijd en wijle moet getroosten.

Welnu dan, de rest is, zoals dat heet, geschiedenis. Half december – ik was net weer op kantoor – verscheen Grand Hotel Europa. In het weekend dat daarop volgde (zaterdag en zondag 15 en 16 december) maakte Ilja een tournee door Nederland. Ik reed hem rond toen hij op die zondag boekhandels in Nijmegen, Arnhem en Zutphen bezocht. Overal rijen kopers tot op straat, wachtend om hun boek (soms een stapel boeken) gesigneerd te krijgen. Toen begreep ik dat dit een nooit eerder vertoond succes ging worden. Nog voor het jaar ten einde waren er  40.000 exemplaren over de toonbanken gegaan. En inmiddels zijn er meer dan 130.000 verkocht en zijn de vertaalrechten voor Grand Hotel Europa aan talrijke landen verkocht.

De goede verstaander heeft intussen begrepen deze woorden uiteindelijk niets anders dan een lofrede op de luiheid zijn. Betaald nietsdoen werpt zijn vruchten af. Alles is mogelijk voor wie maar lang en veel koffiedrinkt.

*Tekst is gebaseerd op een toespraak gehouden tijdens Grand Hotel Europa-summit die De Arbeiderspers in juni organiseerde voor de buitenlandse uitgevers (Duitsland, Kroatië, Macedonië, Portugal, Italië, Verenigd Koninkrijk, Finland, Frankrijk, Tsjechië, Noorwegen en de Verenigde Staten) die dit boek in de komende tijd gaan brengen.

grandhoteleuropa (8 van 75)
Ilja Leonard Pfeijffer met, onder andere, zijn buitenlandse uitgevers. Foto: Baltasar Thomas.

Advertenties

De man van taal spreidt zijn titanium vleugels uit. Over Max Greyson, ‘Et alors’

Al ver voor Max Greyson in 2016 als Nederlandstalige dichter op papier van zich deed spreken met zijn debuut Waanzin went niet, trok hij – we kunnen dit allemaal lezen op zijn eigen website – heel Europa door als spoken word performer in internationale, interdisciplinaire muziektheatervoorstellingen. Dit podiumwerk deed hem, soms voor langere tijd, belanden in plaatsen als Florence, Keulen en Boedapest.

Met deze kennis in het achterhoofd en de vaststelling dat de titel van zijn tweede bundel een monoglot vreemd in oren zal klinken, is het misschien gerechtvaardigd eraan te beginnen met de vraag of we dan ook te maken hebben met een Europese bundel.

Wie er vervolgens een beetje doorheen gaat zitten bladeren, zal het opvallen dat er bij voorbeeld geen woord Spaans bij zit in Et alors. En trouwens ook kein einiziges Wort Deutsch en not a single word in English zelfs. Maar dat laatste moet ik half terugnemen. Er staan wel een paar woorden Engels in, maar die gaan feitelijk aan de bundel vooraf. Die vormen het motto. Het betreft drie regels uit Book of Longing van Leonard Cohen:

First of all nothing will happen
And a little later
Nothing will happen again

Of dat veel goeds belooft staat nog te bezien. Laten we eens naar het openingsgedicht (oftewel de proloog) kijken, naar het ‘first of all’ om het zomaar te zeggen. Dat gedicht heet veelzeggend genoeg ‘Rien à déclarer’. Met andere woorden: ik heb niets aan te geven, niets uit te leggen. En het gedicht sluit af met de woorden: ‘de wil om niets te delen niets te bewijzen / geen geschiedenis te schrijven met mijn frêle onderstel / rennen neervallen bederven ontbinden’. Daaruit spreekt niet direct een groot engagement, laat staan om zich uit te spreken over de maatschappelijke werkelijkheid. Er spreekt vooral onwil uit, tegenzin en wanhoop zelfs.

Greyson_(c)_Koen_Broos_RV
Max Greyson. Foto: Koen Broos.

Goed, dat hebben we genoteerd. Maar hoe zit het dan met het ‘a little later’ waarin ‘nothing will happen again’? Ook dat gedicht, ervan uitgaande dat we voor dat ‘a little later’ naar de epiloog van de bundel moeten, heeft een nogal omineuze titel: ‘La fin ne justifie rien’. Een einde dat niets rechtvaardigt dus. Daar moeten we het mee doen. Het is niet bepaald een comfortabele toestand waarnaar verwezen wordt. ‘We hebben afgeworpen / wat los hing in verbanden / hebben onszelf tegenpolig / gemagnetiseerd, zijn gevlucht / maar niet weg’. Maar anders dan in het openingsgedicht gloort hier wellicht toch een sprankje hoop. De laatste regels luiden: ‘Zolang we niet omkijken / kunnen we nog terug’. Een (paradoxale) poëticale uitspraak lijkt me ook, een opdracht aan de dichter om onverdroten – en ondanks verlies van het nodige, ja zelfs de liefde – voort te gaan en niet zoals de tragische Orpheus om te kijken waar zijn Eurydice blijft.

Maar dit terzijde, want het gaat me om de observatie dat deze bundel weliswaar geen woord Spaans, Duits, Engels enzovoorts bevatte, maar dat men alleen al uit de titel van de bundel en van de twee aangehaalde gedichten kan opmaken dat het Frans is wat de klok slaat. De titels van vrijwel alle gedichten in deze royale bundel – en niet zelden ook frasen of zelfs hele strofen – zijn francofoon. Als dat geen statement is!

Maar waarvoor dan? In België, dat immers tweetalig is, spreekt, verstaat en leest een deel van de Nederlandstaligen waarschijnlijk nog wel Frans, maar in Nederland gaat het inmiddels om een behoorlijke minderheid. In Nederland wordt zelfs die titel al nauwelijks begrepen en soms foutief uitgesproken als ettalors. Dat doet het ergste vermoeden omtrent het Frans binnen het omslag van de bundel. Met titels als ‘La conjugaison de l’amour’, ‘Bruxelles ma belle’, ‘Ni dieu ni maître’.

Een dergelijke welhaast roekeloze omarming van het Frans – dat kan niet per ongeluk gedaan zijn. Dat staat ergens voor. En op de achterflap van de bundel doen we een beknopte poging daar iets over te zeggen: ‘“Tussen vechten en vluchten ligt een kavel die Vlaanderen heet / waar men zuinig glimlacht en danst met veel sérieux,” aldus een van de gedichten. In sommige opzichten is Et alors de talige ontmanteling van een gewest en zijn geschiedenis, van een dichter en zijn taal. Hier zoekt iemand een moedertaal, balancerend op de raaklijn van het Frans en het Nederlands. Et alors? Wat nu? Nu alles is gesloopt. Nu we bedorven en ontbonden zijn?’

Als we dit politiek-maatschappelijk uitleggen: hier zoekt iemand een nieuwe balans, in een verscheurd land, in een verscheurd Europa. Hier doet iemand even wanhopige als opzichtige pogingen nieuwe verbintenissen tot stand te brengen. Neem bij voorbeeld deze regels uit nota bene een van de weinige gedichten, ‘Moedertaal’, met een niet-Franse titel: ‘Ik spreek in doffe waarheden / barbaars gestolen uit bastaardmonden / woorden als vreemdelingen gezuiverd / van hun eigen melodie / dierlijke klanken geëcht in een schone mantel / en etnisch-orthografisch vastgehecht.’ En een paar strofen verder: ‘Zij ligt à la française aan mijn ondergrens te zingen /  ik ben de rede en zij is zichzelf / niet meer de taal van het vasteland / mijn vlakke land heeft haar uitgestippeld / en verstoten, alle verwachtingen ingelost / alle verwachtingen ingelost / in een opbod van solide logica en vaandeldragen’.

vdh9789029528559.jpg

Het mooie van poëzie is uiteraard dat veel van wat gezegd wordt dubbelzinnig is of zelfs ongrijpbaar, maar anderzijds heeft het er toch alle schijn van dat hier iemand zich uitspreekt tegen het uitventen van een gewenste identiteit op basis van taal en nationaliteit. Lees daarvoor bij voorbeeld ook nog eens de afdeling ‘Passoire’ waarin het van de slagvelden van WO I tot en met de jungle van Calais gaat over de nefaste gevolgen van nationalisme en xenofobie en het besef ‘dat onze verbondenheid pas ontwaakt / wanneer we niet meer doen alsof / we elkaar verstaan.’ Maar laat overigens ook gezegd zijn dat veel van wat deze bundel te bieden heeft zich op een veel persoonlijker en intiemer toneel afspeelt, dat van de liefde, de schermutselingen die daar plaatsvinden in een schitterende reeks onder de noemer ‘La conjugaison de l’amour’ (oftewel: de vervoeging van de liefde).

In zijn meertaligheid en zijn uitgesproken verlangen, hoe desolaat ook, naar nieuwe verbindingen is Et alors een waarlijk Europese bundel. Guy Verhofstadt riep het ook al triomfantelijk toen afgelopen week bleek dat de opkomst bij de Europese verkiezingen voor het eerst sinds 1979 weer is gestegen: ‘Europa is terug, Europa is weer populair.’ Dat laatste staat nog te bezien, maar dat Europa weer onderwerp van gesprek, ook in de kunst en de literatuur, blijkt ook uit het succes van de grote roman van de schrijver die Max Greyson enkele jaren geleden de kant van De Arbeiderspers op dirigeerde: Grand Hotel Europa van Ilja Leonard Pfeijffer. Het overdonderende succes en de impact van dat boek in de Lage Landen heeft uitgevers uit vooralsnog elf landen (naast de Verenigde Staten, tien uit Europa) doen besluiten de vertaalrechten van de roman aan te kopen. Voor ons aanleiding om die uitgevers binnenkort samen naar Amsterdam te laten komen voor een met enige ironie door ons genoemde ‘top’ over Grand Hotel Europa.

Nog een laatste keer terug naar Et alors? En wat dan nog?

First of all nothing will happen
And a little later
Nothing will happen again

Maar tussen die twee bedrijven door vergast Max Greyson ons op een waar spervuur van taal, beelden, observaties, reflecties en emoties. De man van taal, zoals we die kenden uit Waanzin went niet, spreidt zijn titanium vleugels uit. In Et alors gaat hij voor de Europese top.

Talent alleen maakt nog geen schrijver

Omdat ik niet in herhaling wilde vallen, herlas ik de toespraak die ik vrijwel op de kop af twee jaar geleden hield bij de presentatie – in Amsterdam – van Een verhaal uit de Zonnestad, de roman waarmee John-Alexander Janssen als schrijver debuteerde. Ik had het goed onthouden: alles draaide daarin om ambitie. De niet al te bescheiden doelstellingen van John-Alexander op diverse terreinen (in de wetenschap, in het onderwijs, in de literatuur en als kosmopoliet) stuurden mij naar de conclusie: ‘Geen half werk dus bij deze man’. En ik waarschuwde: ‘U gaat vast nog van hem horen.’

Die ambities waren niet gefundeerd op drijfzand of stapelwolken, zo kan terugkijkend worden vastgesteld. Een verhaal uit de Zonnestad werd onthaald op uitstekende recensies, het werd herdrukt, genomineerd voor de Longlist van de Libris Literatuur Prijs en bekroond met de Bronzen Uil Publieksprijs. En dat zijn dan alleen de literaire resultaten, want terloops merken we op dat Janssen zijn ambities nog heeft uitgebreid naar het domein van de biologie met het oog op een ander oeuvre: kroost. Ik maak van de gelegenheid gebruik hem en Emma van harte geluk te wensen met hun gezamenlijke debuut getiteld Abel, voluit Abel Henri Josephus.

Er is misschien niets belangrijker op de wereld dan kinderen, zeker voor jonge ouders, maar ik vermeldde dit slechts terzijde, want ik wilde het niet alwéér over ambities hebben maar over talent. Men kan immers nog zoveel scoringsdrift hebben, maar zonder talent zal niemand het ver schoppen. Edoch, met zo’n boude uitspraak begint het al. Is dat wel waar? Is het onmogelijk je in een bepaalde discipline te onderscheiden zonder zichtbaar talent op dat vlak? Wat is talent eigenlijk? Die vraag is ogenschijnlijk niet al te moeilijk te beantwoorden. Je raadpleegt wat woordenboeken en naslagwerken en leert dat talent het natuurlijk vermogen is om iets goed te doen op welk terrein dan ook. Talent is met gemak uitvoeren wat anderen moeilijk vinden. Talent is iets met gemak uitvoeren en daarbij de indruk wekken dat het allemaal nóg veel makkelijker is dan het zich in zijn geval al laat aanzien. Talent is presteren en acteren met een grote mate van achteloosheid. Sprezzatura, om met Baldassar Castiglione te spreken. In Het boek van de hoveling poneerde deze schrijver die manier van doen, begin zestiende eeuw, als een nastrevenswaardig opvoedingsideaal voor jonge mannen aan het hof. Het lijkt er dus op dat in elk geval een deel van het talent dat iemand bezit, namelijk de achteloosheid waarmee het getoond woord, aan te leren valt. Misschien is dat bijna hetzelfde als hoe de 19de-eeuwse Amerikaanse schrijver Ralph Waldo Emerson het definieerde: ‘Talent alleen maakt nog geen schrijver, er moet ook een vent achter staan.’ Maar volgens een eeuwgenoot van Emerson, de Franse componist Hector Berlioz, ben je er dan nóg niet. ‘Het geluk om talent te hebben, is niet voldoende,’ meende hij. ‘Men heeft ook nog het talent nodig om geluk te hebben.’ Dat klinkt als woordspel, maar dat is het denk ik niet, en het komt in de buurt van iets waarover ze het in de voetballerij nogal eens hebben: ‘Geluk kun je afdwingen.’ O ja, hoe dan? Nou, met talent inderdaad. Het zou best eens kunnen dat we nu in de buurt zijn van het punt dat ik wil maken ten aanzien van John-Alexander Janssen en zijn tweede roman Trocadéro, waarvan we hier bij Paagman in Den Haag de tewaterlating aan het voltrekken zijn.

8e8ed17b-29ab-4a92-b1d3-36fe32706ecb

Een jaar of vijf geleden gaven we bij De Arbeiderspers een boek uit van de Amerikaanse wetenschapper David Epstein getiteld The Sports Gene. Inside the Science of Extraordinary Athletic Performance, in het Nederlands vertaald als Topsport in de genen.  In dat boek staat veel behartigenswaardigs, maar een van de belangrijkste bevindingen – kort en bondig samengevat – is dat sommige vaardigheden waarvan iedereen denkt dat ze zijn aangeboren dat niet zijn, zoals bij voorbeeld de reactiesnelheid bij sporten als tennis en honkbal, terwijl andere kenmerken waarvan wordt aangenomen dat ze volledig uit eigen wil zijn ontstaan (bijvoorbeeld de mate van gedrevenheid van een atleet om te trainen) juist belangrijke genetische componenten kunnen bevatten. Epstein noemt dat trainability: het vermogen om veel, hard en gestructureerd te kunnen trainen. Kortom het vermogen om beter te worden (dat is namelijk het doel van trainen) en om uiteindelijk zo goed mogelijk te worden. Die trainability kan best worden toegepast op andere domeinen dan de sport, op de literatuur bij voorbeeld. Op John-Alexander Janssen bij voorbeeld. En mijn stelling is dan ook: door zijn trainability is John-Alexander als weinig anderen in staat zijn literair talent en de in zijn karakter verankerde ambitie te benutten om goede en steeds betere boeken te schrijven. Zijn trainingsschema’s ken ik niet, maar hun vruchten hebben ze afgeworpen.

Welnu, Verhaal uit de Zonnestad was een meer dan verdienstelijk debuut, en dat bleek ook uit de ontvangst van het boek. Maar Trocadéro is de geslaagde sprong naar een angstaanjagend aantal sporten hoger op de literaire ladder. In stijl, in gelaagdheid, in zeggingskracht en psychologische en filosofische diepgang, in spanningsopbouw, in de verbeelding van de ruimte (in dit geval hoofdzakelijk Parijs) en het innerlijk van de hoofdpersoon – in alles heeft John-Alexander Janssen zichzelf overtroffen.

Over het verhaal dat zich in Trocadéro ontvouwt – de titel verwijst naar dat grote plein op de rechteroever van de Seine (in zijn geheel trouwens Jardins du Trocadéro geheten) waarvandaan je recht tegen de op de andere oever gelegen Eiffeltoren aankijkt – ga ik hier niet al te veel verklappen. Daarvoor is het te spannend en bevat het te veel verrassende wendingen. Dat zou dus het leesplezier bederven. Maar wat ik er wel over kan zeggen is dat de persoonlijke drama’s die zich voltrekken en die je onmogelijk kunt afdoen als mineur of efemeer op een huiveringwekkende manier verbonden raken met grootschaliger maatschappelijke gebeurtenissen.

In het eerste hoofdstuk van Trocadéro maken we kennis met de hoofdpersoon van het boek, Julian Perceval, een jongeman die gedreven wordt door één allesoverheersende wil: rechter worden. We volgen hem op weg naar Den Haag waar hij gaat solliciteren naar die baan als rechter, althans naar de mogelijkheid om als zodanig te worden opgeleid, en we zitten meteen pal naast hem en voelen ons – dat is precies de geheime kunst van de literaire verbeeldingskracht – nauw verbonden met zijn besognes. Dat zal zo blijven want we zullen niet meer van zijn zijde wijken. Na het sollicitatiegesprek in Den Haag, waarin we als lezer met Julian mee zweten en bijna van ons stokje gaan ten gevolge van een wurgende black-out, nemen we meteen de trein naar Parijs, een bestemming waarmee Julian een oude belofte inlost, om vervolgens onze intrek te nemen in een appartement in een buurt nabij Trocadéro. Dat doen we handenwrijvend, gnuivend van de opwinding die we ervaren omdat we met onze eenzelvige held in de grote lichtstad te mogen verkeren. Weg van het gewone leven. Ineens is alles mogelijk. Maar hoewel dat gevoel in diepere bewustzijnslagen enigszins zal aanhouden, krijgen we al snel te maken met een hoop gedonder die de aanvankelijke euforie verdrijft. Julian maakt kennis met een paar Nederlandse jongemannen van zijn leeftijd die hem meesleuren naar allerlei plekken en in allerlei bezigheden en plannen waarbij hij eigenlijk grotendeels met tegenzin betrokken wil zijn. En jij lezer bent voortdurend bij hem, trekt hem aan zijn mouw, fluistert in zijn oor: ‘Doe dat niet’, ‘Ga naar huis’, ‘Zeg nee’. Maar hij luistert niet en zo kom je ook als lezer terecht waar je niet wil zijn, in zaken waar je niets mee te maken wilt hebben of waarvan je alsmaar het niet te concretiseren gevoel hebt dat ze niet deugen. Die dingen gaan onder je huid zitten, die dingen zijn beklemmend, zenuwslopend. In dat opzicht deed dit boek – het getuigt misschien van hybris om het hiermee te vergelijken, maar u moet het vooral zien als een aanmoediging het te gaan kopen en lezen – me denken aan Donna Tartts De verborgen geschiedenis. Het deed me ook denken aan de roman Au Pair van W.F. Hermans omdat die eveneens in Parijs speelt, waar in dit geval een jonge Nederlandse vrouw in haar eentje naartoe gaat, en hoewel ik dat avontuurlijke boek destijds met plezier heb gelezen, realiseer ik me dat het twee keer zo dik is en niet half zo indrukwekkend.

De verleiding is groot om in het geval van een schrijver die zo beloftevol debuteerde en met zijn tweede roman zoveel progressie boekt reikhalzend naar de sterren te turen om daarin te kunnen lezen waarin dit schrijverschap gaat uitmonden.

Gaan we niet doen! Hier is Trocadéro. Veel beter kan je het voorlopig niet krijgen.

John-Alexander Janssen - Trocadéro - Cover.jpg

Jeroen Wielaert wordt romancier

Je kunt over Oorlogsvrede, het romandebuut van Jeroen Wielaert, zeggen wat je wilt, maar niet dat hij er zijn naam eer mee aandoet.

Het komt weleens voor dat iemand zijn eigen naam een emblematische betekenis geeft door de dingen die hij doet. Zo iemand heet dan bij voorbeeld Vroege en brengt de ochtendkranten rond zonder zich ooit te verslapen. Of je bent legercommandant genaamd Krijgsman en wordt aangesteld om samen met de Italiaan Giovanni Soldati een internationale VN-vredesmissie te leiden. De geweldsincidenten die daar zullen plaatsvinden gaan later onderzocht worden door een oorlogsinstituut met ene zekere Kok in de eigen gaarkeuken. What’s in a name? De investment banker die Den Boef heet, de straatagent Blauw, de slager Worst, de grafdelver Rauw.

RK__6519.jpg
Foto: Marc Wielaert

Of dat je godbetert Wielaert heet en dan samen met Wagendorp vanuit het village départ drie juliweken lang dagelijks, en dat gedurende decennia, in de Tourkaravaan ronddraait om het fietsnieuws te verslaan. Ik bedoel: zijn naam past onze razende wielerreporter als gegoten, maar laat nou net wielrennen van alle hobby’s en passies van Jeroen Wielaert de enige zijn die in Oorlogsvrede, op een enkele terloopse allusie na, ontbreekt.

Jeroen Wielaert heeft het hazenpad van de fictie gekozen. Hij is achter de hoge rug van zijn naam weg gedemarreerd, heeft zijn roestig geworden stalen ros aan de wilgen gehangen en is uit een ander vaatje gaan tappen. Tot hiertoe schreef hij stukken en maakte hij boeken. Nu schreef hij een roman. Jeroen Wielaert is een romancier geworden.

Maar dan wel een romanschrijver die zichzelf, zijn oude liefdes en zijn obsessies – op het wielrennen na dus – niet verloochend heeft. Dat realiseren we ons al in de proloog van Oorlogsvrede waar we vernemen dat de ik-figuur (ene Remco Vanroeslare) de oceaan gaat overvliegen met – let wel: ‘Vlucht 4045’ – om in Amerika op zoek te gaan naar ‘een verhaal van dichtbij’. Een verhaal over de Tweede Wereldoorlog waarin het behalve over die oorlog ook gaat over ‘liefde, lust en strijd. Een vredestijd lang’. Ziedaar Jeroen Wielaerts misschien wel belangrijkste preoccupatie: de Tweede Wereldoorlog.

RK__6470
Foto: Marc Wielaert

Er is een literaire generatie geweest – laten we zeggen: die van de jaren negentig – die het wel gezien had met al die oorlog en oorlogsromans. ‘De Tweede Wereldoorlog, is dat die film met Bruce Willis?’ schamperde een van hen. Die tijd is voorbij en Jeroen Wielaert laat zien dat de oorlog blijft doorwerken. Ook nog in dit heden.

In huize Vanroeslare is oorlog een veelgebruikt woord. ‘Het viel vaak, terwijl het geweld voorbij was en alles weer opbloeide. Als pap kwam het binnen. Van jongs af aan maakte het indruk op me, zonder dat ik enig besef had van de werkelijke betekenis, behalve de lading die voelbaar was bij het uitspreken ervan, zonder welke feitelijke dreiging dan ook, in en om onze kleine groene stad Wageningen. Altijd kwam de oorlog terug bij wijze van afschrikking, vooral om de vrede te bewaren.’

Maar rond die oorlog zijn er nog een heleboel andere zaken die leven in de brouwerij brengen, zoals dat ook het geval moet zijn geweest in het vroegere leven van Jeroen Wielaert zelf. Want Oorlogsvrede is, daar hoeven we niet geheimzinnig over te doen, ook een autobiografische roman. Als de ik met zijn vader door de stad loopt, het woord ‘provo’ hoort en vraagt ‘wat willen die dan?’ antwoordt die vader met een brede lach op zijn gezicht: ‘Die willen hi-ha-happening!’

En er happent heel wat in de jongensjaren uit dit boek, op zolderkamers van apothekerswoningen, volgehangen met posters van Dylan, Joplin en Che Guevara: ‘Ze heeft mooi en wild blond haar. Soms steekt ze er een roos in, of een madeliefje. Ze draagt korte rokjes en strakke truitjes die om haar borsten spannen. Ze is wat ze een stoot noemen, een echte chick. Tenminste, in de taal van haar omvangrijke aanhang van ruige jongens.’ We schrijven 1968.

Politiek en andere (actuele) oorlogen zijn echter nooit ver weg in dit boek. Niet als het gaat om de Zesdaagse Oorlog tussen Israël en Egypte, niet als het gaat om Vietnam. Maar via Vietnam zitten we ook zo weer in ‘Ons Indië’ en bij de politionele acties, wanneer een paar jongens met hun vaders aan de praat raken: ‘Natuurlijk waren er bij ons die wraak wilden nemen. Uit pure onmacht begonnen ze burgers neer te schieten in hun dorpen.’ Of hoor wat Remco’s vader hem antwoordt als Remco hem, tijdens een wandeling op de Grebbeberg, vraagt of hij mee heeft gefeest tijdens bevrijding. ‘O ja, ja. Dolle boel, die dinsdag. Het was 17 april ’45, bijna een maand voordat de rest werd bevrijd. Ik heb het nooit zo druk gezien in de stad. Een enorme opwinding. Alle remmen gingen los. Ook seksueel. Maar voor de stadsjongens was er geen kans bij de meiden. Die hadden alleen maar oog voor die Canadezen.’

Die mateloze interesse voor wat de oorlog moet zijn geweest, weerhoudt Remco Vanroeslare er niet van zijn adolescentenleven te vieren. Met filmbezoek (One Flew Over the Cuckoo’s Nest of Die verlorene Ehre der Katharina Blum van Volker Schlöndorff naar de roman van Heinrich Böll), met popconcerten (Herman Brood, The Cure) waar hij zich bekwaamt als de fotograaf die hij gaat worden, met het lezen van boeken van Hermans en Mulisch maar ook De langste dag van Cornelius Ryan, en natuurlijk met zuipen en neuken.

Wat, gelet op de liefhebberijen van Jeroen Wielaert, ook opvalt: de welhaast verliefde gretigheid waarmee Utrecht in dit boek als decor wordt opgevoerd. Dat begint, als ik het goed genoteerd heb, in hoofdstuk 13 (van de 65) waarin de half-Amerikaanse vriend Ben halverwege de ochtend komt aanstormen op nota bene de Abstederdijk! Veel prozaïscher kan je het in Utreg niet krijgen. Maar in wat volgt belanden we ook op het Wed, in Ameliswaard, in Café De Zaak, in stadion De Galgenwaard, in de Wooloomooloo, aan het Wilhelminapark, op de Maliebaan en noem maar op. Als Remco zijn vriendin Ineke trots de Utrechtse binnenstad toont en zij in spontane verrukking ‘Geweldig!’ roept. ‘Dit heb ik allemaal nog nooit gezien! Wat een mooie oude stad! Een ontdekking bij nacht!’, antwoordt hij: ‘Een verborgen parel in de schaduw van Amsterdam. Lekker houden zo!’

RK__6588.jpg
Foto: Marc Wielaert

Allemaal hoofdstukken vol sierlijke en vrolijke slingers gekleurd met peace & love. Maar dan opeens, op bladzijde 130, doemt toch weer de eeuwige oorlog op, om niet meer van wijken te weten. ‘“Bah, onderdak,” zegt mijn moeder. “Het doet me denken aan die onderduiker…” Het feest is ineens van haar gezicht gegleden.

Ik ben verbluft.

“Een onderduiker?”

Ze maakt een wegwerpgebaar. En dan, met ingehouden woede: “Ja, Roskam, die uitvreter…”

“De oorlog?” vraag ik.

“Precies, de oorlog. Hij heeft lang geduurd…”

Op dat punt zijn we in het hart van het boek beland. Zoals het op de achterflap van Oorlogsvrede staat: Remco Vanroeslare, fotograaf van professie, is de vijftig al gepasseerd als zijn moeder het stilzwijgen verbreekt over een onderduiker in haar ouderlijke huis, in een polder ten zuiden van Amsterdam. Het is een even onthutsende als met schaamte omgeven oorlogsgeschiedenis over een jongeman die zijn handen niet kan thuishouden bij de vrouwen die hem omringen. […] De confessies van zijn moeder voeren hem naar Canada en de VS, op zoek naar een onbekende joodse vrouw en haar zoon.’

Meer moet ik niet vertellen, daarmee zou ik uw leesplezier bederven.

Wat ik wel een beetje hoop te hebben duidelijk gemaakt: dat al die botgevierde Wielaert-passies, al die Hi-Ha-Aha-Erlebnisse uit vervlogen maar o zo navoelbare en herkenbare tijden tezamen een wervelende roman vormen. De debuutroman van Jeroen Wielaert. Al die passies, met uitzondering dus van het wielrennen.

Maar met het uitvallen in de Giro van Tom Dumoulin bevinden we ons toch allemaal al even in een wielerdipje. Niemand die het nog wat kan schelen.

Met Oorlogsvrede valt Jeroen Wielaert de literatuur binnen en eist hij zijn plaats op in de ruimtelijke orde van de Nederlandse letteren, naast Hermans, Haasse en Mulisch, Schmidt, Wolkers en Cremer, Broekema, Wagendorp en Jongstra. Ik zeg: laat de aardappelcentrales op volle toeren draaien en laat duizend Ferrara’s bloeien, maar nu is het even Oorlogsvrede. Lang leve romanschrijver Jeroen Wielaert. 

vdh9789029539951

 

Ook de pens der letteren mag gevuld. Over het romantisch-decadente schrijven van Atte Jongstra en Rob Schouten

Het kon niet uitblijven dat nieuwe boeken van Atte Jongstra en Rob Schouten een keer in elkaars buurt zouden verschijnen. Ze hebben er inmiddels allebei een stuk of vijfentwintig geschreven en de meeste daarvan zijn uitgekomen bij De Arbeiderspers. En nu ze inderdaad bijna tegelijk een nieuw boek hadden – Atte Jongstra met De aardappelcentrale en Rob Schouten met De groene gravin – werd het toeval een handje geholpen door er een simultane verschijning van te maken met een feestelijke presentatie op 5 april.

Jongstra en Schouten delen een langdurige vriendschap, maar ze hebben veel meer met elkaar gemeen. Ze zijn leeftijdgenoten, kinderen van de jaren vijftig, pubers in de hippietijd en dus gevoed en opgevoed met het manna van de vrijheid – in woord en daad. Streekgenoten zijn ze met enige goede wil ook, want allebei geboren dan wel minstens voor een deel getogen in het Hoge Noorden: Atte op het Friese platteland en Rob in Hoogeveen en Groningen, Stad wel te verstaan, waar hij samen met onder andere Tonnus Oosterhof in de middelbare-schoolbanken zat. Beide hebben ze bovendien een tweede woning (nou ja, een enigszins opgekalefaterd bouwval) in Noord-Frankrijk op rijafstand van elkaar.

Belangrijker dan dit alles is natuurlijk dat ze allebei in de literaire schrijverij zijn beland. Ik formuleer dat zo weinig specifiek omdat ze alle twee op een nogal breed terrein actief zijn: in de journalistiek, in de literaire kritiek, in de poëzie en als prozaschrijvers en romanciers. En eigenlijk moeten we het nóg breder zien. In de taxonomie van de literaire fauna behoren beide auteurs tot het winterharde struikgewas, opschietend in en aan de rand van zowat alle perken van de bellettrie: als bloemlezers, als leden in literaire jury’s, als vertalers, als tijdschriftredacteuren en noem maar op.

Zelfs als het gaat om literaire stijl en taalbehandeling kunnen ze elkaar tot op zekere hoogte vinden: in het mengen van registers, in het gebrek aan eerbied voor de officiële regels, in het bedrijven van ironie, in een zekere voorkeur voor barokke dan wel opzettelijk gezwollen formuleringen of ook in de belustheid waarmee geciteerd wordt en naar andere werken wordt verwezen. Daar komt bij dat zowel Jongstra als Schouten er inzake de beschrijving van menselijke verhoudingen graag een kliederboel van maken, en niet alleen (hoewel dat misschien wel in de eerste plaats) in hun zeer frequente excursies naar de grillige en zompige, eeuwig beschaduwde en muf geurende buitenplaatsen van het seksuele landschap. Hetzelfde geldt voor de verkenning van ongure en vaak te lang ongelucht gebleven uithoeken van het brein en de ontsporingen en kortsluitingen die daar plaatsvinden.

In het geval van Atte Jongstra en Rob Schouten mogen we kortom gerust spreken van een ongeregistreerd literair verbond: twee handen op de buik van de schone letteren. Of misschien moet dat nog iets minder eufemistisch geformuleerd worden door te spreken van twee jatten op één pens – de gistende pens van het linksdraaiende schrijven. De pens ook van het literaire herkauwen en de jatten die met baldadige gulzigheid her en der literair goed ontvreemden. Dit klinkt wat oneerbiedig, maar niet als kenschets van twee letterheren die misschien niet altijd maar toch met grote regelmaat ook zelf oneerbiedig willen zijn. Goed jatten is een kunst en ook de pens der letteren mag gevuld, dat hebben schrijvers van Rabelais tot Boon, om er een paar te noemen, al gedemonstreerd.

Wat ze ten slotte ook delen, en wat groot respect verdient: dat deze twee vaak  postmodern genoemde maar misschien veel beter (want meer rekening houdend met de literaire traditie) als romantisch-decadent aan te duiden auteurs allebei al sinds mensenheugenis meedraaien op de voorposten van het literaire peloton en al doende een omvangrijk oeuvre tot stand hebben gebracht. Rob Schouten publiceerde al zo’n vijfentwintig boeken (en misschien is dit nieuwe wel zijn vijfentwintigste boek – het hangt er een beetje van af wat je allemaal wilt meetellen) en Atte Jongstra schreef er zelfs misschien nog net een paar meer (ook daar hangt het er vanaf wat je wilt meetellen).

Van die ruim vijftig boeken die ze samen hebben geschreven, heb ik er tussen eind jaren tachtig en halverwege de jaren negentig diverse in diverse kranten en weekbladen gerecenseerd. Vanaf 1995 heb ik veel van hun werk – namelijk dat deel dat bij De Arbeiderspers verschenen is – als redacteur begeleid. Het gaat om de volgende titels:

58756903_614852175593711_6010144481154695168_n.jpg

Rob Schouten, Bij bewustzijn (1996). Een poëziebundel. Een van de eerste flapteksten die ik mocht schrijven. De gelegenheid te baat genomen daarin de zeer jonge dichter Mustapha Stitou te citeren: ‘Mijn interesse voor poëzie begon ook zo rond mijn veertiende, met dichters als Rob Schouten, Remco Campert, Pessoa.’ En meteen ook maar leermeester Redbad Fokkema: ‘Zo is Schouten na een onverwacht vuurwerk bang dat hij te zijner tijd de wederkomst des Heren voor een voetzoeker zal aanzien, of hij vraagt, met een verwijzing naar Christus in de Hof van Gehtsémané […]: ‘Kunt gij niet één tel met mij neuken.’

Atte Jongstra, De hele santenkraam (1997). Het thema van de Boekenweek dat jaar – religie – leek mij een goede gelegenheid een boek van hem bij AP te krijgen. Hij publiceerde toen nog bij Contact of Querido, maar hij beet toe en schreef een knotsgekke, alfabetisch geordende gids vol vreemde vogels (heiligen en afvalligen, visionairen en boetelingen) uit de geschiedenis van het Christendoem.

Rob Schouten, De eeuwige bankzitter (1998). Ik startte in 2006 bij AP een imprint rond sportboeken onder de naam Het Sporthuis. Dit is een verre voorloper: een selectie van de beste sportstukken die Schouten in de voorgaande tien jaar in tweewekelijkse bijdragen voor Trouw geschreven had.

Rob Schouten, Infauste dienstprognose (2000). Een ijzersterke bundel met dat atypische gedicht ‘Rob Schouten viert zijn middelbare leeftijd’ eindigend in de strofe: ‘En opeens zag je het allemaal wegspoelen / het putje in; partijtje, Talmoed, Bach / gedachtecoördinaten, voorstellingsvermogen, / alles ging er aan en ‘alles’ en niets ‘niets’…/ Niet langer duurde het, duurde , duurde het maar’. Infaust wil in de geneeskunde zeggen: een ziektebeeld met een fataal verloop. Aan die bundel zelf was niets fataal. Integendeel, hij werd bekroond met de Herman Gorterprijs. Maar de uitreiking in de Beurs van Berlage, die was op 11 september 2001… 9/11

Rob Schouten, Lusthof (2002). Een intens droevige roman in wezen, over seksuele misère en de onmogelijkheid van het paradijs, maar ik heb zelden ernstiger de slappe lach gehad als tijdens het lezen van een aantal van de scènes uit dat boek.

Rob Schouten Apenlier (2004). Nog een bundel. Wat zich in eerder werk al aankondigde wordt hier verder bewaarheid: de mens heeft meer last van zijn impulsen en instincten dan hem lief is. Ik citeer: ‘Omdat het wijfje van geen paren wilde weten/verliep ik als geen ander in de binnenstad.’

Robert Junius De Haagse Helicon (2006). Wie heeft (nog) weet van het feit dat de naam Robert Junius een gelegenheidspseudoniem is van Schouten en Jongstra samen? Over de auteur: ‘Hij werd rond 1955 geboren tussen Drachten en het Gooi. Hij studeerde Nederlands te Amsterdam en ontdekte aldaar eind 2005 rond het Thorbeckeplein het ware dichterschap.’ Dit is bij mijn weten het enige boek dat ze samen hebben geschreven, een bundel ready mades bestaande uit uitspraken van toenmalige politici aan het Binnenhof.

59546314_655865258191067_1710320272927621120_n

Atte Jongstra, De avonturen van Henry II Fix (2007). De roman waarmee Atte zijn transfer naar De Arbeiderspers beklonk en die hem meteen een groter publiek opleverde dan hij ooit daarvoor had gehad. Maar het is een boek dat niet iedereen hem in dank heeft afgenomen. Er waren mensen die de fake-biografie van Henry Fix serieus namen en het niet konden verkroppen dat het om zuivere fictie ging, gebaseerd op 100% historische bronnen.

Rob Schouten, Spijsamen (2007). Ik citeer nu gemakshalve een stuk flaptekst: ‘In zijn tiende bundel zien we Rob Schouten in z’n meest karakteristieke poses, als heiden, als godzoeker, als intellectueel en als hersenspinner.’

Atte Jongstra, Klinkende ikken (2008). Privé-domein nummer 266 en hoe autobiografisch ook, maar laat dit nou een van delen in de reeks zijn waarvan je met een gerust hart kunt zeggen dat ze een loopje met het genre nemen. Fictie en autobiografie ontmoeten elkaar hier ergens halverwege en geven elkaar en passant triomfantelijk grijnzend een high-five.

Atte Jongstra, De heldeninspecteur (2010). Een daverend en sprankelend romanspektakel rond de Tiendaagse Veldtocht in de geest van Henry Fix. De historische gegevens kloppen, maar de hoofdpersoon, de zogenaamde heldeninspecteur luisterend naar de naam Junius, is volledig verzonnen.

Rob Schouten, Vuil goed (2011). Ik herinner me dat ik bij de presentatie van deze dikke bloemlezing uit zijn poëzie een klein college hield (kon houden) over de ontwikkelingen in de Nederlandstalige poëzie van de afgelopen 35 jaar, en van die van de AP en van Rob Schouten in het bijzonder.

Atte Jongstra, Kristalman (2012). Na zijn debuut, de documentaire De Multatulianen, verstaat Atte zich een tweede keer met Multatuli, door hem van a tot z te herlezen en een nieuw beeld van de auteur te scheppen waarin ook plaats is voor worst, kunstgebitten en kachels.

Rob Schouten, Zware pijnstillers (2012). Een bundel zonder flaptekst maar met bijsluiter. ‘Wat u moet weten als u deze gedichten leest: “Gewoon eenmaal per dag / met water mengen en innemen.”’

59695494_389885488273222_7681143847451099136_n.jpg

Atte Jongstsra, Diepte! De geschiedenis van een dorp (2013). Ofte wel Djipte, want dit boek verscheen simultaan ook in een Friese versie. Een korte roman over de geschiedenis van een klein Fries dorp, ook wel gat geheten, waarin menigeen Atte’s geboortedorp Terwispel (Wispolia) moet hebben herkend.

Atte Jongstra Worst (2014). De roman over een gestrand huwelijk. Echt niet autobiografisch. Echt wel autobiografisch. Maar toch vooral een ode aan de alomvattendheid van de worst, en via de worst aan die van de literatuur.

Rob Schouten, Vervelende vlekken (2016). Gepresenteerd in die leuke boekhandel in Oud Zuid (Van Rossum) op een lange zomeravond. De bundel: ‘een exquise mix van levenswalging en sublimatie. Maar wat wil je ook: naarmate het verleden groeit wordt het ook voller in het muffe pakhuis van verbazing en berusting.’

Atte Jongstra, Aan open zee (2016). Een roman met de plot van een thriller, spelend op een piepklein Deens Oostzee-eiland, tjokvol heerlijke literaire verwijzingen. Gepresenteerd in Osdorp ten huize van de auteur.

Atte Jongstra, Het fluïde tijdperk (2017). Zijn eerste boek nadat zijn oeuvre bekroond was met de Constantijn Huygens-prijs; een bundel met voor zijn doen uiterst geëngageerde essays over de verontrustende ecologische toestand in de wereld.

Atte Jongstra, Furunkel (2018). Aangekeild als: ‘Atte’s Jongstra’s wedergeboorte als dichter is bepaald geen smooth operation’. Toen ik Christophe Vekeman een exemplaar toezond stuurde hij me een e-mail: ‘De vuiligheid van Jongstra in goede orde ontvangen’. Voor alle duidelijkheid: dat was als compliment bedoeld.

En dan nu dus: Rob Schouten, De groene gravin (2019). Over een Nederlandse germanist en over een Duitse van adel die eruitziet ‘alsof Albert Speer zich ermee bemoeid had’, de onverenigbaarheid van hun karakters en de neergang van hun morganatisch huwelijk.

En: Atte Jongstra, De Aardappelcentrale (2019). Een avontuurlijke en amorele overlevingsroman ten tijde van WO II over kunstoplichters, standbeelden, averechts verzet en naakte Waarheid.

Het eenentwintigste en tweeëntwintigste boek van Atte Jongstra en/of Rob Schouten waarvan ik de eer had er de redacteur van te zijn. Maar het is niet daarom dat ik ze van harte van aanbeveel.

IMG_5314.JPG

Arm blijven en gelukkig worden. Over het poëzieklimaat in de Lage Landen

Half maart was ik op de Salon du Livre, tegenwoordig Livre Paris geheten, de jaarlijkse boekenbeurs in Parijs. Dit keer niet alleen met het oog op ontmoetingen met de belangrijkste Franse literaire uitgevers, agenten en scouts, maar ook op uitnodiging van het Letterenfonds dat onder de noemer Phares du Nord een heel jaar lang de Nederlandse literatuur aan het promoten is met allerlei programma’s rond Nederlandstalige schrijvers op diverse locaties en literatuurfestivals in Frankrijk.

Op de Salon du Livre organiseerde het Letterenfonds samen met de BIEF (Bureau International de l’Edition Française) een Café Pro op Livre Paris. Een van de bijeenkomsten, als altijd uitstekend gemodereerd door Margot Dijkgraaf, ging over het uitgeven van poëzie in Nederland en Frankrijk in het huidige culturele en economische klimaat. Over de uitdagingen waar we voor staan, de trends die waar te nemen zijn. Enzovoorts. Voor dat programma had men mij uitgenodigd. In het forum schoven ook aan: Jean-Yves Reuzeau, directeur van Le Castor Astral, uitgever van onder anderen Lars Gustafsson en Benno Barnard, en Paul Gellings, dichter, romanist en lector van Frankrijks voornaamste uitgeverij Gallimard.

Omdat ik daar toch moest zijn, dacht ik: laat ik dan maar eens opschrijven hoe ‘goed’ we het in Nederland en Vlaanderen geregeld hebben als het om poëzie gaat. Dat leidde tot onderstaande column die ik in Café Pro uitsprak alvorens we aan de discussie gingen beginnen.

IMG_5204.JPG

Eerlijk gezegd denk ik dat de dichters van de Lage Landen de gelukkigste dichters op aarde zijn, en dat zijn ze niet alleen maar omdat ze zulke nobele, poëziegekke uitgevers hebben.

In Nederland en Vlaanderen is, in het bijzonder gedurende de laatste vijfentwintig jaar, een poëtische infrastructuur ontstaan die internationaal zijn weerga niet kent. Maar ook in vroeger tijden bestond er in ons vlakke land van wind en regen al een subtropisch klimaat voor dichters. We hadden een literair bedrijf waarin – anders dan in veel andere Europese landen of in Noord-Amerika, de Fransen misschien uitgezonderd – de belangrijkste literaire uitgevers bereid waren elk jaar wel zo’n acht tot tien nieuwe dichtbundels uit te brengen. Omdat je bij ons al gauw een stuk of tien vooraanstaande literaire uitgevers kon aanwijzen, hadden we zonder overdrijven te maken met een jaarlijkse oogst van op zijn minst honderd nieuwe dichtbundels van vaak hoogstaande literaire kwaliteit. En aan die situatie is weinig veranderd.

Voorts kent de Nederlandse literatuur sinds eind jaren zestig – toen kennis en kunst gedemocratiseerd moesten worden en de uilen van Minerva zich gelukkig alleen nog maar vleuggellam ophielden in de bittertafelverzen van sociëteitsrijmelaars – een soort evenementenbureau, sinds enige tijd de Schrijverscentrale geheten, dat ook dichters in ruime mate podia wist te geven: op scholen, in zaaltjes in de provincie, maar ook in grote theaters. De gedroomde vloer voor elke Nederlandse en Vlaamse dichter sinds 1980 is De Nacht van de Poëzie in Utrecht. Sinds 1969 bestaat in Rotterdam Poetry International, inmiddels een van de grootste en meest prestigieuze internationale poëziefestivals. Sinds 1976 verschijnt in Vlaanderen het tweemaandelijks tijdschrift de Poëziekrant, exclusief aan poëzie gewijd. Sinds 1994 hebben we een prestigieuze prijs die qua impact en geld nauwelijks onderdoet voor de grootste literaire prijzen: de VSB Poëzieprijs (tegenwoordig Grote Poëzieprijs) die een vijf- of zestal bundels nomineert en de beste bundel van het jaar een bedrag van € 25.000,- toekent.

Maar vanaf ongeveer 2000 kwam daar nog van alles bij. Allereerst was daar de Dichter des Vaderlands, waarna langzamerhand ook elke zichzelf respecterende stad een Stadsdichter op de loonlijst zette. Tegenwoordig heeft elk zichzelf respecterend provinciegat er een. Er is een nieuw groot, exclusief aan poëzie gewijd tijdschrift bijgekomen, Awater, opgericht door Gerrit Komrij, de eerste dichter des Vaderlands. Er is een jaarlijkse poëziewedstrijd, de Türingprijs, waaraan iedere aspirant-dichter anoniem kan meedoen (wat vele duizenden ook daadwerkelijk doen) en waar voor de maker van het winnende gedicht een bedrag van € 10.000,- is weggelegd. We hebben Nationale Kampioenschappen Poetry Slam, we hebben een volle kalender aan poëzie-evenementen die dichters zichtbaar maken en aan een naam en een inkomen helpen. En ten slotte is er in januari sinds een jaar of tien ook nog een Poëzieweek en de verlokking van een daarmee samenhangend poëziegeschenk van een bekende Nederlandse of Vlaamse dichter. Dat bundeltje krijg je cadeau als je in die week voor een bepaald bedrag aan poëzie koopt. Kortom: als het paradijs bestaat is het in de Lage Landen uitgevonden voor de dichters.

Om te variëren op de liedtekst van de beroemde Franse bard Léo Ferré: ‘Est-ce ainsi que les poètes vivent / et leur baisers au loin les suivent’.

Maar of het een paradijs is waarin ze leven, moet als we er met iets meer nuchterheid naar kijken toch ernstig betwijfeld worden. ‘Van dichten comt mi cleine bate,’ luidt de beginregel van de Beatrijs, een van de beroemdste teksten uit het middelnederlands. Met andere woorden: het dichten brengt mij weinig op en de mensen raden me aan ermee op te houden. Ik vrees dat er ook in 2019 aan die situatie in de Lage Landen, en uiteraard in de rest van de wereld, weinig is veranderd.

IMG_5205.JPG

Met de uitgevers van poëzie is het niet veel beter gesteld. Het totale marktaandeel van poëzie in het algemene boek in Nederland schommelt tussen de 0,4 en 0,6%. Ofte wel in netto omzet: tussen de 1,6 en 2,7 miljoen euro. Voor de onverbeterlijke optimisten onder u: daar komt nog de omzet in Vlaanderen en die buiten de boekhandelskanalen bij. Laten we het dus houden op een omzet van tussen ruim twee en ruim drie miljoen. Vorig jaar hadden we in onze uitgeverij (die bestaat uit zeven imprints) met een bundel light verse van Lévi Weemoedt een ongehoorde bestseller. Verkochten we ruim veertigduizend exemplaren van. Dat leidde tot een uitschieter in het marktaandeel van poëzie en tot een toename van ons marktaandeel van 38% (terwijl het normaal rond de 18% schommelt). Conclusie in hedendaagse bewoordingen: dit gaat helemaal nergens over.

En toch! En toch willen we poëzie uitgeven. Om drie redenen.

Eén: poëzie geeft cachet en heeft op die manier aantrekkingskracht. Schrijvers en schrijvers-in-spe willen graag worden uitgegeven door een huis dat zo chic is dat het ook de edelste aller kunstvormen exploiteert.

Twee: dichters gaan later niet zelden ook romans schrijven, en soms worden die romans bestsellers. In onze uitgeverij was dat het geval met het werk van Anna Enquist, Joost Zwagerman en Ilja Leonard Pfeijffer.

Drie: omdat we van poëzie houden, ook al brengt het weinig op.

Een doorsnee dichtbundel komt bij ons uit in een oplage van 400 exemplaren, en dat is ook het geval geweest met die van inmiddels gelauwerde, veelgelezen en veelgeprezen dichters als Charlotte Van den Broeck, Eva Gerlach, Luuk Gruwez, Hester Knibbe of Marije Langelaar. Het was het geval met Habitus van Radna Fabias, dat precies een jaar geleden uitkwam maar waarvan de achtste druk op komst is nadat de auteur tal van prijzen heeft gewonnen en niet meer weg te denken valt in de Nederlandse letteren. Binnenkort verschijnt haar werk ook bij Le Castor Astral in het Frans. Vierduizend exemplaren in een jaar: voor poëzie is dat een bestseller. Est-ce ainsi que les poètes vivent?

Nou ja, rijk worden ze niet, de dichters (en de poëzieuitgevers) in de Lage Landen. Maar wel, voor zover ze dat kunnen zijn, gelukkig. Poëzie is, om met Michel Houellebecq te spreken, la poursuite du bonheur (een jacht op geluk). Of stelliger nog (en om nog een laatste keer de Nederlandse dichter Gerrit Komrij, nu met een uitspraak, op te voeren): poëzie is geluk.

‘Soms lijk je op een koe’ Over de toneelvoorstelling van Georges Perecs Een man die slaapt

‘Liever niet.’

Het almaar terugkerende zinnetje uit een beroemd verhaal van Herman Melville, De klerk Bartleby. Het is het antwoord van Bartleby op een vraag, zeg maar gerust een opdracht van zijn baas op het kantoor waar hij werkt, om aan het eind van de werkdag nog een haastklusje te verrichten. Liever niet dus. I would prefer not to. We schrijven de negentiende eeuw. Dus baas verbijsterd, collega’s verbijsterd. Maar dit is slechts het begin. Bartleby blijft voortaan alles weigeren, vriendelijk doch beslist, al is het moeilijk te begrijpen wat hij precies weigert en waardoor dat gemotiveerd wordt. Hij blijft daar maar zitten op dat kantoor. En hoe dan ook: ‘Liever niet.’

Ik werd aan dat schitterende, volstrekt ontregelende verhaal van Herman Melville herinnerd tijdens de voorstelling Iemand die slaapt, een toneelbewerking van Georges Perecs roman Een man die slaapt door het schrijvende theatercollectief BOG in samenwerking met Het Zuidelijk Toneel. In Perecs roman, zeer adequaat en welluidend vertaald door Rokus Hofstede, wordt subtiel verwezen naar Melville’s verhaal: ‘Er was eens in New York, op een paar honderd meter van de klippen waar de laatste brekers van de Atlantische Oceaan aanrollen, een man die zichzelf liet doodgaan. Hij was klerk op een juristenkantoor.’ En dat gaat nog even zo door.

Image result for iemand die slaapt bog

In de theaterbewerking van BOG is die verwijzing explicieter. Daar wordt Bartleby op een gegeven letterlijk aangehaald in zijn weigering nog langer (maar waaraan?) mee te doen: ‘Liever niet’.

Het was mijn laatste kans om de voorstelling Iemand die slaapt, waarmee de mensen van BOG gedurende een paar maanden het hele land door waren getrokken, te zien. Ik had daar veel goede geluiden over opgevangen. En ja, Perec. Dat maakt extra nieuwsgierig. Maar ik moest er wel voor naar Eindhoven. Parktheater. Philipszaal. Vier jonge acteurs (drie Vlaamse vrouwen en een Nederlandse man) vertellen – en dat doen ze met verve – op en rond een roterend wit vierkant platform in afwisseling het verhaal van een je (die consequente jij-vorm zit ook in het boek) die net als Bartleby, en ook zonder dat je zou kunnen spreken van een wilsbesluit, op een gegeven moment niet meer meedoet met het dagelijkse georganiseerde en gecodeerde sociaal-maatschappelijke leven. Maar waarom eigenlijk niet? Dat is vrijwel even ongrijpbaar (maar daarom nog allerminst onbegrijpelijk of mysterieus) als in dat verhaal van Melville. Wanneer de onthechting van de hoofdpersoon toeneemt begint dat vierkant podium te draaien en steeds harder te draaien waardoor je je als toeschouwer afvraagt hoe die acteurs hun tekst kunnen blijven uitspreken en er niet apelazarus van af donderen.

Wat is er toch met die iemand die slaapt aan de hand? Misschien iets wat in de buurt komt van wat er met Bartleby aan de hand is. De achterplattekst van dat verhaal (uitgegeven bij Athenaeum – Polak & Van Gennep) verwoordt dat treffend zonder uitsluitsel te geven: ‘Het zou gaan over de vrije wil, over klinische depressie, over protest, over de moderne maatschappij, over nee durven zeggen, over verhalen vertellen, over eenzaamheid, over opstand. Maar waarom kan het niet over al die zaken tegelijk gaan?’ Precies, en zo ook bij Een man/Iemand die slaapt, waarin het ‘niet meer meedoen’ van de je ook nog te maken heeft met een verlangen naar zuiver waarnemen zonder oordelen, naar volledige autonomie. Al heeft het er soms wat van weg dat het consequent leven aan de zijlijn ook in zijn geval het gevolg is van een depressie, een aversie tegen het leven, waardoor die je van Perec nogal doet denken aan Florent-Claude Labrouste, de hoofdpersoon in de nieuwe roman Serotonine van Michel Houellebecq.

Nou ja, laten we eerlijk zijn, Een man die slaapt is ook ruim een halve eeuw na dato nog een verrassende en ontregelende tekst maar het is geen music for the millions. Ik kreeg ook niet de indruk dat heel Eindhoven erdoor werd meegesleept. Dat kwam misschien ook wel omdat een deel van Eindhoven zodanig verkouden was dat het begin van de voorstelling door alle gehoest en geproest klonk als een op onbestemde frequentie afgestelde radio. En dan was er in Eindhoven ook nog volk assertief genoeg om tijdens de voorstelling de zaal uit te banjeren. Men wist zich klaarblijkelijk onvoldoende te identificeren met onze je die zichzelf genadeloos kwalificeert als: ‘Je bent een leegloper, een slaapwandelaar, een oester.’ En die even later constateert: ‘Onverschilligheid voor de buitenwereld is niet hetzelfde als onwetendheid of vijandigheid.’ Ja zelfs een positief te duiden gevoel kan verkeerd aankomen: ‘Er valt je een volkomen rust te beurt, je wordt op elk moment gespaard, beschermd. Je leeft in een gelukzalig terzijde, in een veelbelovend vacuüm, waarvan je niets verwacht. Je bent onzichtbaar, doorschijnend, transparant.’ Weer twee mensen de zaal uit. Ja: ‘Soms lijk je op een koe.’ Dat hoef je natuurlijk niet te pikken. Nog eens drie deserteurs.

Ik daarentegen vond het niet onaangenaam te bedenken dat men soms op een koe lijkt.

Heel sympathiek vond ik dat de jongen van het viertal na het in ontvangst nemen van het applaus meedeelde dat BOG het boek van Perec, dat De Arbeiderspers opnieuw had uitgebracht, na afloop ging verkopen. En toen ik mijn nazitdrankje ophad (maar ik was alleen en had niemand om mee na te zitten, laat staan na te praten) stelde ik opgetogen vast dat diverse bezoekers daadwerkelijk Een man die slaapt hadden aangeschaft.

Perec bew kopie

Verlicht wandelde ik richting bushalte, in het spoor van twee dames van ongeveer mijn leeftijd die kennelijk in dezelfde zaal hadden gezeten. De een tegen de ander: ‘Maar as ge mij vraagt, wa hedde nou gezien? Ik zou ’t ow nie kunnen naovertelle.’ De dames sloegen rechtsaf, ik links. Toen ik bijna bij de halte was zag ik dat de jongen van BOG daar met zijn rugzakje om op de bus stond te wachten. Terwijl ik hem naderde en me juist had voorgenomen hem aan te spreken (‘mooie voorstelling’, ‘sympathiek gebaar om ons boek te verkopen’) kreeg een jonge vrouw die een stukje verder op het busperron stond hem ook in de smiezen. Ze was fris en mooi, dat leed zelfs op dit avondlijk uur geen twijfel. Ze aarzelde geen moment en sprong op hem af. ‘Ik heb je zien spelen! Mooi stuk hoor. En wat een lef om werk van Perec te doen. Weird zeg, obscuur.’ De jongen begon uit te leggen hoe dat zat. Een van de vrouwen uit het gezelschap enzovoorts. Er ontspon zich een geanimeerd gesprek over toneelspelen, over hun beider verschillende studies. En ook weer over Perec. ‘Ja,’ sprak de jongen, ‘ik heb gehoord dat De Arbeiderspers het Verzameld Werk van Perec gaat uitgeven.’ Die mededeling verraste me nogal. Niet omdat ze niet klopte, maar juist omdat ze bijna klopte. De Arbeiderspers komt dit jaar met een heruitgave van W of de jeugdherinnering en een boek van Manet van Montfrans over Perec (Perec een gebruiksaanwijzing), begin volgend jaar met De aanslag in Sarajevo, een nooit eerder uitgegeven vroege roman, en daarna wellicht met een vuistdik boek waarin veel andere kleinere teksten van Perec (deels nooit eerder in het Nederlands vertaald) zullen worden verzameld. De jongen van BOG of een van de meisjes van BOG moest wel over een deep throat beschikken.

Ik wilde dit – we zaten inmiddels in de bus op weg naar het Centraal Station – allemaal vertellen aan de jongen van BOG, maar die was nog altijd verwikkeld in een levendige conversatie met het mooie meisje. Misschien werd daar wel de kiem gelegd voor een bloeiende romance – wie was ik dan om die te verstoren. Bij het uitstappen overwoog ik nog een moment om althans mijn identiteit kenbaar te maken zodat de jongen van BOG tenminste wist dat ook De Arbeiderspers was komen kijken. Maar ach, nee, ik liet het erbij. ‘Liever niet.’ En liep de donkere nacht in.

vdh9789029507714

“Ik vind dat ik hier ook eens mijn gedacht mag zeggen.” Over Herman Chevrolet, ‘Briek! De laatste Flandrien’*

Zou Herman Chevrolet het hoofdstuk kennen dat ik aan Briek Schotte wijdde in Legendarische wielerkampioenen, een boek dat ik met Aart Aarsbergen schreef en dat – zo pretendeert de ondertitel – een complete geschiedenis van de wielersport is? Ik vermoed van wel. Herman Chevrolet heeft namelijk bijna de hele wereldwielerliteratuur gelezen en veel daaruit staat hem ook nog eens als parate kennis ter beschikking. Maar in zijn boek Briek! De laatste Flandrien merk je daar niks van. Geen boodschap aan ons boek. Ik denk niet dat ik daar verbijsterd over zou moeten zijn, laat staan verongelijkt.

Herman Chevrolet laat zijn held, of liever zijn antiheld, aan het begin van Briek! mijmerend over het leven met zijn gat in bad glijden, en de vraag is of hij daar nog wel uitkomt. Zeker, af en toe gaat het over wielrennen – of nee, het gaat tussen de regels door eigenlijk steeds wel over wielrennen –, maar in feite is twee derde van dat boek van hem, dat je een biografie zou kunnen noemen als het niet alle regels van dat genre aan zijn laars zou lappen, een onnavolgbaar meanderende stream of conciousness. In elk geval in het eerste deel van het boek (en trouwens ook in het laatste) bevinden we ons in het oude, wat wazig geworden gecraqueleerde hoofd van IJzeren Briek en daarmee moeten we het doen.

Voor de netjes gerangschikte historische feiten moet je, om daar nog even reclame voor te maken, bij dat boek van Aart Aarsbergen en mij zijn. Het bewuste hoofdstuk in Legendarische wielerkampioenen heet zo zakelijk als het maar kan ‘Briek Schotte (1919-2004)’, maar dan wel met een heel poëtische ondertitel: ‘Ge waart zo schoon in uw onverbiddelijke hardnekkigheid’, een citaat uit Het rijke Vlaamsche wielerleven van niemand minder dan Karel van Wijnendaele. Maar in het stuk zelf beperk ik me – en liefst zo chronologisch mogelijk – tot de feiten, hooguit opgedoft met andermans veren (in de vorm van ronkende citaten), epische verteltrucs en een handvol algemene en breed geventileerde observaties over de man, zoals zijn uithoudingsvermogen, zijn stampende en dampende, weinig soepele manier van rijden, en zijn eenvoud en nuchterheid.

En die feiten zijn: een professionele wielerloopbaan die meer dan twintig jaar bestrijkt, maar ernstig gehinderd werd (in de zin ook dat zijn palmares groter had kunnen zijn) door de vaststelling dat ze een aanvang nam aan het begin van de Tweede Wereldoorlog. Paradoxaal leverde die hem meteen zijn eerste (maar niet volledig erkende) overwinning op. Hij lag aan de leiding tijdens de eerste profkoers die hij reed, de Bretonse etappewedstrijd Omloop van het Westen, toen op 1 september 1939 de wereldoorlog uitbrak en de koers werd stilgelegd. Daarnaast won hij twee keer zowel Parijs-Brussel, Parijs-Tours, Gent-Wevelgem als de Ronde van Vlaanderen, in welke laatste koers hij twintig opeenvolgende keren aan de start stond. Achter Gino Bartali eindigde hij als tweede in de Tour de France van 1948, en in dat jaar was hij ook eindwinnaar van de allereerste Desgrange-Colombo, een regelmatigheidsklassement over de belangrijkste koersen van het jaar. Bovendien werd hij twee keer wereldkampioen, in 1948 en 1950. Na zijn actieve carrière als renner werd hij ploegleider, en in die hoedanigheid kende hij bij Flandria grote successen met renners als Eric Leman, Joop Zoetemelk, Freddy Maertens en Marc Demeyer. Hij overleed op 4 april 2004 na een slopende nierziekte en werd op het kerkhof van Waregem naar zijn laatste rustplaats gedragen door zeven ex-topcoureurs: Benoni Beheyt, Sean Kelly, Eric Leman, Rik van Looy, Eddy Merckx, Freddy Maertens en Roger de Vlaeminck. De achtste drager was de op dat moment nog actieve Frank Vandenbroucke.

chev

Kom daar eens om bij Herman Chevrolet. Een deel van de genoemde wapenfeiten zal de lezer van Briek! terloops ook aantreffen. Maar dan toch vooral terloops, en op de associatieve, lichtjes desintegrerende wijze zoals ze zich in het brein van Briek aandienen. Bij Herman Chevrolet gaat het in laatste instantie om heel andere dingen, waarbij met kracht de literaire verbeelding wordt ingezet. Het gaat om kleine observaties zoals in die mooie zin waarmee het boek opent waarin Briek zichzelf zijn eigen herinneringen vertelt: ‘Tot aan het einde van je leven blijft het je verbazen: een badkuip die zich automatisch vult zonder gesjouw met emmers.’

Of: ‘De eerste keer dat je sinaasappels zag was je nog een kind. Het was een sinterklaasgeschenk en het wonderbaarlijkste dat je tot dan had gezien. Je at de vrucht met schil en al op. Wist jij veel. Appels en peren at je toch ook zo?’ En passant wordt daarmee ook Schotte’s afkomst uit een zeer arme en ignorante sociale omgeving subtiel geduid. En ook weleens minder subtiel: ‘De mensen waren zo arm dat ze genoegen moesten nemen met het gemeste varken – en daarvan aten ze alles op, zodat ze er onherroepelijk op gingen lijken: rood aangelopen gezichten en stinkende uitwerpselen die dan over het land werden gestrooid als bemesting.’

Het gaat in Briek! om de gedragingen, de gedachten, oftewel het innerlijk van de hoofdpersoon: ‘Het leek wel of je bang was voor de liefde, maar je besefte dat niet, je kon het ook niet: het enige voorbeeld dat je kende waren je ouders en die leken wel schrik te hebben elkaar aan te raken’.

Het gaat om de weemoed waarmee de oude renner de moderne tijd ervaart: ‘…het stoort je dat de renners van nu over wegen rijden waarover men biljartballen kan laten rollen’.

Het gaat om het taalgebruik van Briek: ‘Je hebt de reputatie gierig te zijn, je noemt dat bendig’.Of: ‘Wel, zeg je, het is simpel: ik kan er niet meer van genieten – je zegt jeunen ’. En voorts doet Briek een klapke als hij met iemand een praatje maakt. Om enkele voorbeelden van dat idioom te geven.

In het tweede deel van het boek maakt de je plaats voor een hij (en dus voor een verteller) die in het derde en laatste deel opzij geduwd wordt door een ik, Briek zelf, die het laatste woord wil hebben: ‘Je hebt nu de hele tijd van alles en nog wat over mij geschreven dus ik vind dat ik hier ook eens mijn gedacht mag zeggen.’ In het middendeel van het boek ontworstelt de jonge Briek zich aan de zwijgzame, norse, bozige vader en de hardwerkende, zorgende, tatjespap bereidende moeder en aan heel dat armetierige boerenmilieu van kleine en gekoeioneerde mensen om te doen wat hij moet doen: wielrennen. Om in het derde deel zelf het hoogste woord te voeren en, ondanks alles wat hij aan armoe en misère, aan ongezochte roem heeft ervaren, te concluderen ‘…dat ik al bij al een goed leven heb gehad’.

Het heeft er alle schijn van dat Herman Chevrolet met Briek! eigenlijk een roman geschreven heeft. Een roman waarin je misschien wel meer over Briek Schotte te weten komt dan in welk ander boek over hem ook.

In Fictie moet de sport redden, de (ook als boek gepubliceerde) Kees Fens-lezing die Bert Wagendorp op woensdag 13 februari in Amsterdam (De Rode Hoed) hield, wordt halverwege aan Herman Chevrolet gerefereerd: ‘Chevrolet omschreef het wielrennen niet voor niets ooit als een literair genre. Zonder de verhalenvertellers die de sport volgen en interpreteren zou de sport niet bestaan. Van a naar b fietsen, proberen de bal in het doel van de tegenstander te werken of 800 meter zo hard mogelijk van start naar finish hollen: het zouden betekenisloze activiteiten zijn als er geen verhalen aan zouden worden gekoppeld.’

Zo’n verhaal moet drama bevatten. Aan opkomt en victorie hebben we maling als die niet omgeven zijn door nederlagen, nijd, valsheid, treurigheid, gefnuikte ambities, onbeantwoorde liefde, ongeluk, bedrog en verval. En zo is het ook met Briek. Opgegroeid in een van ellende scheefgezakte, kleine boerderij op het West-Vlaamse platteland, voorbestemd om zich het schompes te werken te midden van drek en klei, droomt de sneue held zich een weg naar verlossing. Die verlossing ligt in het wielrennen. Maar ondanks het talent, het ongekende vermogen tot afzien en de roem die hij daarmee verwerft, slaagt de eenvoudige, wat verlegen man er niet in dat alles om te zetten in mondaine welvaart en bestendig maatschappelijk succes. En in zijn nadagen raakt de eerlijke man die hij was ook nog eens vermorzeld tussen de malicieuze raderen van de wielerwereld vermorzeld om vervolgens, vernederd en wel, aan de kant te worden geschoven en gaandeweg een levend anachronisme te worden, bevangen door twijfels en angsten en zijn greep verliezend op de moderne tijd. De vraag of geluk in dat leven een factor van belang is geweest, moet als irrelevant terzijde worden geschoven. Maar één ding is zeker: het met onsentimentele passie schilderen van zo’n levensloop is een in het oog springende kwaliteit van  de naturalistische vertelkunst van Herman Chevrolet.

vdh9789029526425

*Licht bewerkte versie van toespraak gehouden bij de presentatie van Herman Chevrolets boek Briek! De laatste Flandrien op 21 februari 2019 in het Centrum van de Ronde van Vlaanderen te Oudenaarde.

 

De springlevende gestalte van Luuk Gruwez. Naar aanleiding van Bakermat

Afgelopen augustus werd Luuk Gruwez 65 jaar. In België nog altijd de wettelijke pensioenleeftijd. Maar schrijvers gaan niet met pensioen. Deze maand verscheen alweer een nieuwe, twaalfde bundel, Bakermat, tevens zijn – als ik goed tel – vijfentwintigste boek. Het Poëziecentrum in Gent heeft de verjaardag van de schrijver aangegrepen om een online tentoonstelling te organiseren: Luuk Gruwez: Van Stofzuigergedichten tot Bakermat, over het leven en oeuvre van de dichter. Te zien door te klikken op: paukeslag.org. Zowel bundel als tentoonstelling werden onlangs in Gent gelanceerd tijdens een avond in de Cultuurkapel. Acteur en zanger Wim Opbrouck bracht een laudatio in woord en muziek, Carl de Strycker (directeur Poëziecentrum) interviewde Gruwez over zijn nieuwe bundel en ik overhandigde hem bij het uitspreken van de onderstaande woorden het zogeheten eerste exemplaar van Bakermat.

 

Kees Fens heeft weleens geschreven dat hij het altijd merkwaardig gevonden heeft dat Gestalten tegenover mij van Simon Vestdijk nooit echte navolging heeft gekregen. Hoe ik dat nou weer weet? Het staat gewoon achter op de vierde druk van het boek dat in 1992 verscheen. De eerste druk verscheen overigens in 1961, mijn geboortejaar. Vestdijk was toen 63 en had nog tien jaar te leven.

Ik vertel dit omdat die verbazing ook bij mij aanhoudt. Gestalten tegenover mij is namelijk een geweldig boek, zeker voor literatuurliefhebbers met interesse in literatuurgeschiedenis. Ik behoor tot degenen die het – toch in elk geval een aantal hoofdstukken eruit, toch in elk geval de hoofdstukken over E. du Perron, Menno ter Braak en J.J. Slauerhoff – verslonden hebben. Maar dat is het niet alleen. Het is ook een boek dat, doordat het zo’n heldere en voor de hand liggende vorm heeft, welhaast tot navolging dwingt. En omdat dit volgens mij zo is, heb ik gedurende mijn tijd als redacteur ook diverse malen geprobeerd auteurs te verleiden tot een soortgelijk boek. Nooit gelukt!

Het wordt nu de hoogste tijd om de onwetenden omtrent Gestalten tegenover mij ervan op de hoogte te stellen wat dat dan wel voor een boek is. Welnu, de hoofdmoot ervan is simpelweg een meeslepende reeks portretten van literaire vrienden dan wel literaire geestverwanten. Behalve de al genoemde ook van H. Marsman, Gerrit Achterberg, Willem Pijper, M. Nijhoff en A. Roland Holst. Waarom zijn er niet meer schrijvers die zo’n boek vol aan literaire vrienden opgehangen persoonlijke herinneringen hebben geschreven? En ook: waarom zijn er geen redacteuren die zulks gedaan hebben? Zeker redacteuren van grote uitgeverijen hebben vaak jarenlang intensief met belangrijke schrijvers verkeerd.

Het hoge woord moet eruit. Ik loop al jaren rond met het halfslachtige plan nog eens een boek te schrijven vanuit die overkoepelende gedachte maar dan met net een andere titel en over schrijvers met wie ik de afgelopen pakweg vijfentwintig jaar als redacteur heel intensief ben omgegaan. Nou moe, ik ben eindelijk waar ik wezen wil. U hebt goed opgelet en u begrijpt: tot de schrijvers aan wie ik in dat boek zeker een hoofdstuk zou wijden behoort Luuk Gruwez, en jandorie niet omdat ik een eeuwigheid geleden door hem werd aangewezen als zijn testamentair executeur.

Maar waarom wel dan? Omdat ik al bijna 25 jaar (vanaf najaar 1995) met hem samenwerk en hem ongeveer net zo lang ken. Weet je nog, Luuk, de eerste keer dat wij elkaar ontmoetten was bij de uitreiking van de Geertjan Lubberhuizenprijs voor het beste prozadebuut in 1994, uitgereikt najaar 1995. Ik was een paar maanden werkzaam voor De Arbeiderspers, het was een officiële bijeenkomst ergens in het centrum van de stand. Het aansluitende diner in kleiner gezelschap vond op verzoek van Martin Ros plaats in Haesje Claes, een restaurant in de Amsterdamse binnenstad dat bekend stond (en misschien nog steeds staat) om de oer-Hollandse pot waar Ros zo dol op was (‘klapstuk met een klots andijvie’). Enfin, het was een gedenkwaardige avond waarop ik naast Luuk Mieke voor het eerste ontmoette en waar ook beminde vriend Eriek Verpale bij was, maar die kende ik al omdat ik hem een jaar of drie eerder voor Vrij Nederland geïnterviewd had naar aanleiding van het feit dat hij voor Alles in het klein een grote literaire prijs, de voorloper van de Gouden Uil, had gewonnen.

Het was de dag waarop de toenmalige uitgever van De Arbeiderspers mij aan Luuk voorstelde met de mededeling dat zijn toekomstige redacteur voor hem stond. U ziet: sommige onvrijwillige liaisons houden lang stand. Ik heb Luuk tussen 1996 en 2018 begeleid bij de totstandkoming van in elk geval zestien nieuwe boeken, zeg maar elk anderhalf jaar één. Die boeken beslaan zeer uiteenlopende genres. Poëzie, dat in de eerste plaats natuurlijk. Maar ook verhalend proza, autobiografische geschriften, columns, toneelteksten en monologen en essays.

Hoe vaak hebben wij elkaar gedurende die vierentwintig jaar wel niet gezien? Helemaal niet zo geregeld misschien, maar toch gauw een keer of vijf per jaar, waardoor we kunnen zeggen dat we elkaar al meer dan honderd keer ontmoet hebben, en het waren zelden vluchtige ontmoetingen. Onze onderonsjes – vaak in Hasselt, soms in Nederland, soms op locaties waar Luuk aan het schrijven was en natuurlijk ook bij en rondom allerlei literaire evenementen en presentaties – duurden niet zelden hele of halve dagen of avonden. En werden aldus vanzelf heuse onderonsen, topontmoetingen. Die werden dan ook vrijwel altijd onderbroken of afgesloten met diners. En als er geen diners waren, werd er wel gedronken en geouwehoerd, verzucht, verwacht, verwenst, geconspireerd, geroddeld en gelachen. Veel gelachen! Simon Vestdijk in Gestalten tegenover mij: ‘Een van mijn eigenaardigheden is, dat ik alleen blijvende betrekkingen kan onderhouden met mensen, die mij geregeld aan het lachen maken. Vriendschappen, niet op enigerlei wijze door het schateren gevoed, bloeden bij mij dood.’

Dat zijn allemaal heel kwantificeerbare redenen die zo’n essayistisch portret à la Vestdijk zouden rechtvaardigen. Maar hoe telbaar is het dat Luuk Gruwez naar mijn vaste overtuiging al tijden behoort tot de beste auteurs in de hedendaagse Nederlandstalige letteren en tot de allerbeste die ik tot mijn grote vreugde als hun literair redacteur mag beschouwen? Je kunt verwijzen naar de vele mensen die dat al weten en die bij elkaar optellen, maar het zijn er nog steeds lang niet genoeg. Zo’n portret zou derhalve ook nog een stukje zendelingswerk bevatten.

Maar zo’n stuk in mijn Gestalten tegenover mij zou voor een deel ook moeten gaan over de terugkerende obsessies, de grote onderwerpen en hete hangijzers van de geportretteerde in kwestie. In dat geval zou ik kunnen wijzen op de terugkerende vragen en thema’s die zich ook nu weer naar de voorgrond dringen in zijn nieuwe bundel Bakermat, zonder die ook maar voor een spat te kort te doen. Integendeel: de consistentie die Luuk Gruwez wat dat betreft aan de dag legt toont juist hoe veelzijdig hij zijn thema’s heeft uitgewerkt. Want Bakermat is in al zijn herkenbaarheid iets heel erg nieuws. Het is een bundel waarin Gruwez, zoals altijd weer maar nooit eerder op deze wijze, nu eens ironisch dan weer uiterst direct, zijn oogappels, troefkaarten, kwetsuren en nachtmerries tentoonstelt. Het gaat daarin moeders en maagden, dichters als ‘godjes’ of als wezenloze verweesden die verzuchten ‘had ik maar nooit een vader, nooit een moeder gehad, / met alle kans van dagen zonder hen’. Maar ook gaat het weer zoals eerder over het naakte, kwetsbare en soms wanstaltige lichaam. Of het gaat over kosmische angsten en over aftakeling en de vrees daarvoor. Natuurlijk gaat het ook als vanouds over vrouwen in alle soorten en maten, van sloeries en hoeren tot heiligen en gestoorden en van Michelle Obama tot kroonprinses Elisabeth. Het gaat over poëzie en schuchtere dichters, over falende kunst en liefdesverdriet, doodsverlangen en paringsdrift. En het gaat in een schitterende slotcyclus per slot rekening ook nog over de beminde en betreurde vriend Eriek Verpale: ‘Jij die, nu uitgepraat, / mij nogmaals na aan het hart komt te liggen / met dat te stille graf dat mij aan jou verknocht / wil houden.’

Paul Demets schreef in zijn lovende bespreking van Bakermat in De Morgen gisteren dat deze nieuwe bundel ‘donkerder van toon’ is ‘dan vorig werk’. Ik waag dat te betwijfelen. Bij Gruwez houdt het licht (waarvoor Demets overigens beslist oog heeft) het donker in evenwicht.

Allemaal prachtig voor een uitgebalanceerd literair portret. Maar nu ik er nog eens goed over nadenk, door nog eens een scherpe blik op dat boek van Vestdijk te werpen, denk ik dat ik het maar niet moet doen. Zo’n boek maken. Zo’n portret schrijven. Ik moet, ik kan, ik mag het niet doen (precies om dezelfde reden waarschijnlijk waarom ik ook nooit iemand zover heb gekregen): het is de goden verzoeken! Bijna al die gestalten tegenover Simon Vestdijk, uitgezonderd Roland Holst, waren immers al kastje wijlen toen hij die portrettenreeks schreef. Dat twijfelachtige genoegen had Vestdijk dan weer: dat al die beminde of verwante gestalten tegenover hem vroegtijdig stierven.

Maar mijn gestalten tegenover mij leven grotendeels nog. En dat wil ik –  waarschijnlijk net als die gestalten zelf – graag nog even zo houden.  Luuk Gruwez heeft kortgeleden weliswaar de respectabele leeftijd van 65 jaar bereikt – in Nederland heette men dan tot voor kort pensioengerechtigd – maar hij is nog lang niet uitgeleefd en uitgeschreven. Bakermat, het woord zegt het al, gaat over het eigen begin en het land van herkomst. Zijn volgende boek, een prozaboek, zal daar op een geheel andere wijze ook over gaan. Gruwez is in die zin nog maar net opnieuw begonnen.

En daarom wens ik Luuk Gruwez nog een lang leven, als mens, als hedonist, als melancholicus, als schrijver, als onverwoestbare veteraan die op geen stukken na aan het einde van zijn dichterslatijn is geraakt, hoe donker van toon zijn werk ook lijkt te zijn. Want dat is allemaal maar schijn. Het wezen staat hier voor ons. Lang leve Luuk Gruwez.

vdh9789029526388

https://www.singeluitgeverijen.nl/de-arbeiderspers/boek/bakermat/

 

Maak een gratis website of blog op WordPress.com.

Omhoog ↑