Zoeken

Nijssen Schrijft

De weblog van Peter Nijssen

Categorie

Uncategorized

De rest is geschiedenis. Over Wido Smeets, ‘Goed gerei. Opkomst en ondergang van een (meubelmakers)familie’

Wido Smeets presenteerde zijn boek Goede gerei, een onconventionele om niet te zeggen eigengereide familiegeschiedenis, niet één niet twee maar wel drie keer. Donderdag 24 mei was boekhandel De Tribune in Maastricht, waar hij werd geïnterviewd door Henk Groenewegen, plaats van handeling. Vrijdag 25 mei namen Harald Merkelbach en Cyrille Offermans met toespraken op een familiefeest de honneurs waar en zaterdag 26 mei voltrok de finale ceremonie zich in boekhandel Dominicanen. Daar werd Smeets geïnterviewd door Leon Verdonschot, verzorgde Peter Beeker (frontman van de geweldige Venlose rockband Ongenode Gaste) de muziek (eigen teksten begeleid op gitaar en mondharmonica) en sprak ikzelf over toeval en lot met betrekking tot de wijze waarop dit boek bij De Arbeiderspers terechtkwam.

Ergens in De ondraaglijke lichtheid van het bestaan, die onontkoombaar aangrijpende kitschroman van Milan Kundera, valt het volgende te lezen: ‘Ons dagelijks leven wordt gebombardeerd door toevalligheden, juister gezegd door toevallige ontmoetingen met mensen en door gebeurtenissen die men coïncidentie noemt.’ Kundera vertelt vervolgens dat dit principe ook werkt in romans en noemt als voorbeeld Tolstoi’s Anna Karenina. Aan het begin daarvan ontmoet Anna Karenina op een perron waar zojuist iemand voor de trein is gesprongen graaf Vronski op wie ze als getrouwde vrouw stapelgek zal worden. Aan het slot van de roman springt ze zelf voor de trein. Kundera noemt die symmetrische compositie ‘zeer romanesk’ en schrijft dan:

Wido Smeets 2018
Wido Smeets. Portret: Perry Schrijvers.

‘Want mensenlevens zijn exact zo gecomponeerd. Ze zijn gecomponeerd als een muziekstuk. De mens, geleid door zijn gevoel voor schoonheid, verandert een toevallige gebeurtenis (Beethovens muziek, dood op het station) in een motief dat voortaan in de compositie van het leven blijft. Hij keert ernaar terug, herhaalt het, wijzigt het en bouwt het uit als een componist het thema van zijn sonate.’

Welnu. In september 1986 studeerde ik Nederlands in Utrecht en kreeg ik – vanwege connecties met de Nederlandse filmdagen in Utrecht die weer het gevolg waren van een studie filmkunde in Amsterdam – de kans om de Australische (in 1940 in Venlo geboren) cineast Paul Cox te interviewen. Cox, die in de jaren zestig naar Down Under emigreerde (waar hij in 2016 in Brisbane overleed), had toen al een schitterend cinematografisch oeuvre tot stand gebracht met films als Kostas, Lonely Hearts, Man of Flowers en My First Wife. Omdat ik ook zelf uit die contreien afkomstig was, belde ik het Dagblad voor Noord-Limburg (in de volksmond de Vennelse Gezet). Of ze interesse hadden in een interview met Cox. Dat hadden ze, en zo kwam ik niet alleen aan mijn allereerste officiële publicatie (mijn bijdragen aan het literaire studentenblad Vooys even buiten beschouwing gelaten) maar ook aan mijn eerste podium als scribent. Want een paar jaar later kreeg ik het voor elkaar dat de krant tweewekelijks een halve krantenpagina voor me inruimde om een literaire kritiek, een rubriekje met nieuw verschenen titels en een column over de boekenwereld te schrijven.

De kunstredactie bestond destijds uit Lei Coopmans en Peter Janssen. Met hen maakte ik afspraken over de onderwerpen, de te bespreken boeken en de deadlines. Ik ben er in die jaren enkele keren over de vloer geweest en de eerste keer werd ik door Lei en Peter rondgeleid over de redactieburelen. Bij die gelegenheid heb ik – ik herinner het me vaag – ook handen geschud met de toen jonge journalist/verslaggever Wido Smeets. Nadat ik mijn rubriek gestopt was, zag ik Wido Smeets en Adri Gorissen (jawel, precies degene die hem deze week voor Dagblad de Limburger interviewde over Goed gerei) de literaire kolommen overnemen die goeddeels gevuld werden met korte recensies van nieuw verschenen boeken. En dat is, als ik het mij goed herinner, zo min of meer zo gebleven totdat Koen Eykhout de vaste literatuurrecensent van de krant werd. En bij mijn weten is hij dat nog steeds, al is het tot groot verdriet van Peter Buwalda.

In de tussentijd (in de eerste maanden van 1989) schreef ik voor het Dagblad voor Noord-Limburg een zesdelige interviewserie over de toekomst van het boek. Een van de degenen die ik uitgebreid sprak voor die serie was schrijver/essayist Cyrille Offermans, destijds woonachtig in Heel, niet heel ver van Echt waar hij als leraar Nederlands verbonden was aan de middelbare school. Wat ik toen nog niet wist: dat hij Wido Smeets in de klas had gehad. En wat ik toen nog helemaal niet had kunnen bevroeden: dat diezelfde Cyrille Offermans, met wie ik in de loop der jaren bevriend was geraakt, mij op 2 februari 2015 een brief zou schrijven met als onderwerp ‘Wido Smeets’:

‘Ik heb hem lang geleden leren kennen, namelijk in het prille begin van mijn leraarscarrière in het eveneens Midden-Limburgse Echt, waar hij op een van de hoogste klassen zat,’ schreef Cyrille me. ‘Erg hoge cijfers haalde hij geloof ik niet, maar mij viel hij meteen op door een zekere onaangepastheid en dwarse ideeën – een veelbelovende leerling kortom. […] Het gaat om een non-fictie boek […], een complexe familiegeschiedenis die zich uitstrekt over drie generaties, te beginnen in de late negentiende eeuw en doorlopend tot het heden, dus ook tot het leven van de onderzoekende, interpreterende en speculerende auteur. […] Het verslag van dat onderzoek bestaat uit een veelkleurig, vanuit verschillende perspectieven geschreven mozaïek van fragmenten waarin de grote en de kleine geschiedenis elkaar voortdurend verhelderen. De kleine geschiedenis is die van Leo Smeets (1884-1958), Wido’s grootvader, en diens trotse levenswerk, NV Smeets’ Houtindustrie te Wessem, dat na de Tweede Wereldoorlog uitgroeit tot een meubelfabriek, maar in de jaren zestig dramatisch in verval raakt. […] Die auteur is op zoek naar een uitgever die mogelijk iets ziet in zijn werkstuk in wording.’

Enfin, de rest is geschiedenis – zoals alles wat ik tot dusverre verteld heb geschiedenis is. Maar wat ik bedoel: de rest is niets meer maar vooral ook niets minder dan de verwezenlijking van dat boek bij De Arbeiderspers. De rest is er de oorzaak van waarom ik hier sta en u daar zit.

En nu ik hier in Maastricht sta in wat een paar jaar geleden zelfs de mooiste boekhandel ter wereld werd genoemd, zal wellicht ook de vraag opkomen of we dan te maken hebben met Limburgse geschiedenis. Het antwoord moet zijn dat ten aanzien van zowel mijn verhaal als het verhaal dat tussen de kaften van dit boek zit en inmiddels Goed gerei (Good grei) heet moeilijk ontkend kan worden dat er veel Limburg in zit, dat die verhalen geworteld zijn in Limburg. Maar antwoord geven op de vraag ‘Waar ligt Limburg?’ is bijna even lastig als antwoord geven op de vraag ‘Wat is literatuur?’. Die eerste vraag stelde ik mij najaar 1995 als samensteller en gastredacteur van een themanummer over Limburg van het literaire tijdschrift Maatstaf, dat destijds werd uitgegeven door De Arbeiderspers, waar ik toen net in dienst getreden was als redacteur. Dat inleidende stuk, gevolgd door bijdragen waaraan ik in mijn stuk refereer, besloot ik als volgt: ‘Eens een Limburger altijd een Limburger? Dat is bijna een ontologische vraag. Besta ik eigenlijk wel? En Limburg? “Limburg is virtual reality geworden,” verzuchtte Michel Maas. Het is leeg gebaggerd, ommuurd. Als Limburger is hij daarom liever nog dood dan overwonnen, en hij slaat op de vlucht.

Maar hij zal er terugkomen. Telkens weer, al was het alleen maar in zijn dromen. Connie Palmen weet waarom: “Als ik moet verklaren waarom ik geworden ben wie ik werd, dan is Limburg een onderdeel van de verklaring. Zodra je er eenmaal uit bent, maakt het wel degelijk verschil om er vandaan te komen.”’

Maar Wido Smeets worstelt niet zo met die imaginaire, problematische Limburgse identiteit, misschien ook wel omdat hij dat wat Limburg genoemd wordt nooit de rug heeft toegekeerd, zelfs niet nu hij in het buitenland woont (net over de grens in Rekkem, Belgisch Limburg). Het neemt niet weg dat, zuiver gemeten naar de ruimte waarin het zich afspeelt, Goed gerei door en door Limburgs is. Maar gelukkig heeft noch dit boek noch de auteur daar veel boodschap aan. Het is een gegeven dat het in Limburg gesitueerd is met alles wat daar aan couleur locale en heimatliche taal en cultuur bij hoort. Maar daar gaat het niet over. Dit boek is – en nu citeer ik mijn eigen woorden op het achterplat – ‘het levensverhaal van een meubelfabriek, een boek over vaders en zonen, over lotsbestemming en de onmacht eraan te ontsnappen. In een subtiel literaire weefwerk van documentaire teksten, interviews, reportages, beschouwingen en herinneringen reconstrueert de auteur een eeuw eigen familiegeschiedenis.’

Is het dan eigenlijk een roman? Nee.

Een essay? Nee.

Een geschiedenisboek? Nee.

Wat is het dan? Het is niets van dat alles en alles tegelijk. Wido Smeets hanteert in Goed gerei de zich aan alle genrewetten onttrekkende vrije slag, al hij heeft hij al freewheelend beslist ook gebruik gemaakt van Kundera’s symmetrische compositieprincipes.

Nu de vragen over Limburg en het genre zijn beantwoord, resteert de vraag: Wat is literatuur? Antwoord: Goed gerei – dat is literatuur. En wat betreft die symmetrische compositie: Paul Cox zal niet naar het land der levenden terugkeren om nogmaals te worden geïnterviewd en niemand hoeft van mij voor de trein te springen. Maar verder laat ik u weinig keus: als u zelf tot het juiste genre wilt behoren (en ook als u dat niet wilt), gaat u zo meteen onmiddellijk over tot aankoop van Goed gerei. Dat maakt dit verhaal voor mij al rond genoeg.

vdh9789029505260.jpg

Advertenties

Bewegingen onder de deklaag van het dagelijkse. Over Maria Vlaar, ‘Diepe aarde’

Bij Stichting Perdu aan de Oudezijdsburgwal presenteerden we op een snikhete woensdagavond 30 mei het literaire debuut van Maria Vlaar, Diepe aarde, een verhalenbundel die een lezer flink van zijn stuk kan brengen. Ze werd gloedvol toegesproken door K. Michel, Piet Meeuse en Anneke Brassinga en toegetekend [sic!] door Jean-Marc van Tol. Daarna leidde ik het boek in en schonk Maria de eerste drie exemplaren aan haar kinderen Lucian, Darja en Emilia. Hieronder treft u mijn tekst aan.

Heel diep hoef ik niet te graven om me de eerste (en trouwens ook enige) confrontatie met Maria Vlaar te herinneren. Ze moet ergens tussen najaar 1995 en voorjaar 1996 hebben plaatsgevonden. We kenden elkaar nog niet goed, maar we kénden elkaar. Maria was redacteur bij De Bezige Bij en ik was dat sinds kort (na jaren in de literaire journalistiek) bij De Arbeiderspers.

In die tijd was in de literaire uitgeverswereld het volgende gebod nog onverkort van kracht: ‘Gij zult geen schrijvers van andere uitgevershuizen begeren laat staan dat gij hun oneerbare voorstellen zult doen.’ Ik heb mij gedurende mijn hele loopbaan in de uitgeverij grotendeels (de moraal van een in katholieke zuidelijke contreien opgegroeid persoon is rekbaar) aan dat gebod gehouden.

Maar toen – misschien in een vlaag van jeugdige overmoed, misschien uit relatieve onervarenheid, misschien om voor mezelf aan te tonen dat ook ik op schokkende wijze een gehaaide literaire struikrover kon zijn – was ineens het ontembare verlangen in mij opgekomen de eminente essayist Piet Meeuse om een boek te vragen. Ik weet bij god niet meer wat ik hem gevraagd heb, maar het ging om iets specifieks, iets eenmaligs. Piet Meeuse was immers fondsauteur bij De Bezige Bij. En als dat rode hoofd van Albert Voster in paroxistische woede om mijn vlerkerige brutaliteit nog roder zou worden, kon ik, zo nam ik me voor, altijd tegenwerpen: ‘Maar meneer Voster, ik wil Piet alleen maar voor één keer van u huren!’

IMG_0329.jpg

Albert Voster kwam helemaal niet in beeld. Ik had buiten Maria Vlaar gerekend! Zij was het die na een paar dagen – wellicht nadat Piet zich enigszins bedremmeld bij Maria had gemeld met dat briefje van me in handen en de vraag wat hij daarmee aan moest of mocht – op hoge poten op me af stormde. Ik weet niet meer precies – ik moet dat hebben verdrongen – of die hoge poten per telefoon of per brief dan wel stampend over de traptreden van Singel 262 mijn kant op kwamen, maar de onverbiddelijke teneur was toch wel of ik voortaan met mijn tengels van haar auteur (en bij uitbreiding, geldend tot diep in een volgende eeuw: ál haar auteurs) wilde afblijven.

Ik kon niet anders dan in het stof bijten en mijn excuses maken. En daarmee was de kous ook af. Onze relatie heeft het niet blijvend bekoeld. Het was zand erover – en misschien bij Maria ook nog een laag kiezels en ondoordringbare klei – en dat was dat. Wij zijn elkaar in de jaren daarna veel blijven zien en spreken, ook (zij het veel later pas) over literair werk dat ze her en der publiceerde, zoals bij voorbeeld naar aanleiding van ‘Het pijngeheugen’, een essay dat ze in Terras (de erfgenaam van Raster) publiceerde.

Achteraf moet ik zeggen dat ik Maria Vlaar na al die jaren en ontmoetingen nog niet goed genoeg kende. Toen ik met haar begon te praten over eigen werk, over het publiceren van eigen werk – ook nog toen ze me verteld had dat ze verhalen, fictie dus, aan het schrijven was – dacht ik dat ze zou komen met sterk intellectualistische, misschien introspectieve maar toch in elk geval beschouwende en eerder essayistische dan verbeeldingsrijke teksten. Ook mensen zoals ik met een vergelijkbare achtergrond in het boekenvak – journalistiek, kritiek, redacteur bij een literaire uitgeverij (alleen het ambassadeurschap bij het Fonds voor de Letteren ontbreekt in mijn conduitestaat) – kunnen blijkbaar het vooroordeel koesteren dat iemand met een dergelijk track record vooral over beschouwend en in veel mindere mate over scheppend talent beschikt.

Daarom verrasten die verhalen me ook in sterke mate. Al in het eerste verhaal dat ik las, ‘De stetson’ (in Diepe aarde is het uiteindelijk ergens halverwege terechtgekomen) kruipt de schrijver in de huid van een man. Sterker: in die van een nogal pedante kwast van middelbare leeftijd die het, kwasten eigen, ontzettend met zichzelf getroffen heeft en er nauwelijks mee lijkt zitten dat hij er een dubbelleven in de liefde op nahoudt. Maar de wraak – en misschien ook wel de wraak van de auteur – is zoet. De weinig gewetensvolle narcist krijgt zijn trekken thuis.

In een ander verhaal, ‘Persona’, in Diepe aarde is het de opening geworden, zag ik mezelf als lezer gedropt worden in een setting die sterk doet denken aan het begin van Short cuts, die adembenemende film van Robert Altman naar verhalen van Raymond Carver. Je voelt je in het zog van een camera over een terras meegesleurd worden waar allerlei mensen – vermoedelijk op een zondagochtend – van de zon, een drankje, de rust en een goed gesprek zitten te genieten. Ondertussen glijdt de camera langs al die tafeltjes, zoomt in op de personen die daar zitten en wat we te zien en te horen krijgen is te erg voor woorden: pijnlijk, gênant, schandalig, ja in een enkel geval mensonterend.

In nog weer een ander verhaal, ‘Kan het nog?’, treffen we een oudere, ietwat hitsige therapeute die sterk in de ban is van een cliënt met relatieproblemen die al heel lang bij haar komt. Maar de cliënt heeft – snappen wij lezers al gauw– zijn prioriteiten elders liggen. Minstens zo tenenkrommend van ongemak is het verhaal, getiteld ‘Jouw pijn’, over een gescheiden vrouw die met een vriendin van vroeger nog eens op vakantie gaat. Gaandeweg blijkt dat deze vriendin een nogal desastreuze invloed op haar leven heeft gehad. De titel refereert aan een vraag van haar therapeute (‘Maar hoe is het dan nu met jouw pijn?’). En misschien, bedenken we tijdens het lezen van de bundel, is dat dan wel die therapeute uit ‘Kan het nog?’.

IMG_0456.jpg

Ja, nu ik er eens goed over nadenk: er zit onthutsend veel fysiek gesop en getob in, en behoorlijk wat zompig en sleezy geseks. Maar ook, in al zijn aardse intimiteit, heel tedere seks. In het aangrijpende verhaal ‘De tent’, waarmee Diepe aarde afsluit, herinnert een stokoude vrouw zich een subliem ingehouden vrijpartij met haar man tijdens een vakantie in een tent – de kinderen slechts van dit alles gescheiden door een stuk tentdoek.

Maria Vlaar kan zich in de meest uiteenlopende personen en situaties verplaatsen. In een door gigantisch overgewicht volkomen immobiel geworden wetenschapper, in een man die gebukt gaat onder het psychisch en fysiek geweld van zijn vader waarmee hij als kind te maken had, in een al wat oudere vrouw, een plattelandsonderwijzeres, met een burn-out, of in een kunsthistoricus die lichtelijk van het padje is geraakt nadat hij achtereenvolgens zijn dochter en zijn geliefde aan een religieuze sekte verliest.

Maar ze kan zich ook indenken in een (met de nodige satire geschilderde) nabije toekomst waarin Nederland veranderd is in een populistische dictatuur waarin het (intellectuele) establishment van weleer wordt onderdrukt en vernederd door platte onderbuiktypes met veel revanchegevoelens. Dystopische toestanden, zoals dat tegenwoordig heet, treffen we ook aan in een paar andere verhalen zoals in dat bevreemdende verhaal van een ambitieuze Nederlandse vrouw die onderweg terug van vakantie in Frankrijk haar droomhuis (lees: spookhuis) ontdekt en het later (na allerlei vreselijke lotsbestemmingen waarin ze alles behalve zichzelf verliest) het schopt tot minister van onderwijs in een Nederland dat te boek staat als de laatste democratische regering van Europa – een setting die me enigszins deed denken aan Michel Houellebecqs Soumission. Houellebecq is zo’n naam die een paar keer in me op kwam tijdens het lezen van Diepe Aarde. Of Roald Dahl. Of David Grossman. Gek genoeg allemaal mannen, en dan ook nog eens types die ik eigenlijk nooit met Maria Vlaar geassocieerd zou hebben. Tot deze toch ontregelende lectuur dan.

Diepe aarde, dat moge duidelijk zijn, kent vele lagen, rijk en subtiel geschakeerd. Op het achterplat van de bundel staat iets soortgelijks: namelijk dat in deze verhalen ‘wordt blootgewoeld wat er beweegt onder de deklaag van het dagelijkse’. Om in de metaforiek van de geologie en het graven te blijven: dit is schrijven als een vorm van soulmining, een woord dat ongetwijfeld bij me opkwam omdat ik al een jaar of 35 in het bezit ben van het gelijknamige debuutalbum van de Britse new-waveband The The.

Maria Vlaar is niet voor één gat te vangen. Een avontuurlijk (voor)uitzicht, kortom, voor de aanstaande lezers.

IMG_0378.JPG

De schoonheid van de pijn en het vallen. Over ‘Pijn in het peloton’ van Pieter Cramer & Frans Bevers*

Hoewel de pelotons in het professionele wielrennen kleiner zijn geworden (acht in plaats negen renners per ploeg in de grote ronden en zeven in plaats van acht renners in de overige koersen) en er minder ongelukken lijken te gebeuren (in die zin hebben de maatregelen van de UCI misschien succes) wordt er nog steeds – en hard – gevallen in het hogeschoolwielrennen – en niet alleen in die echelons, voeg ik er maar snel aan toe. Want vallen hoort bij wielrennen, ja ook bij de wijze waarop een wielertoerist als ik het bedrijft, zoals een dronkenlap bij een groot feest.

Alleen al in die zin zal Pijn in het peloton, het boek van Pieter Cramer en Frans Bevers dat we hier vanmiddag presenteren, altijd actueel zijn. Kijk maar naar afgelopen voorjaar. Er viel weer heel wat pijn in het peloton te bespeuren. Neem die vérstrekkende uitglijder van Wout Poels toen deze – in een fase waarin hij de gedoodverfde favoriet was voor de eindoverwinning – tijdens de zesde etappe van Parijs-Nice in de bocht van een afdaling onderuitging en tegen een vangrail caramboleerde. Gebroken sleutelbeen, gekneusde borstkas. Weg voorjaar. Wie hem in de Giro aan het werk zag (zij het helaas voor Chris Froome en niet voor zichzelf) mocht constateren dat alle leed en pijn misschien ook weer ergens goed voor waren. Kon dat maar gezegd worden van de val van de Belgische wielrenner Abel Goolaerts in Parijs-Roubaix. Die sloeg op zondag 8 april jongstleden in de Hel van het Noorden op de kasseienstrook van Saint Python tegen de grond en bleef op zijn rug in de berm liggen. Voor dood. En niet veel later, onderweg naar het ziekenhuis van Lille, dood. Oorzaak: een hartstilstand. Voor alle duidelijkheid: hier was de val niet oorzaak maar gevolg. De vraag (met verwijzing naar de ondertitel van het boek) of dat dan ook een blessure is, moeten we misschien maar niet stellen. Peter Winnen schreef er het volgende over zijn column in de Volkskrant: ‘Hartfalen? Het zal de Dood een worst wezen wat de autopsie oplevert. Hij is ongenaakbaar en viert de overwinning in stilte.’

IMG_3082

Ik was lang geleden de redacteur van een bij De Arbeiderspers verschenen wielerroman van Pascal Kolkhuis Tanke, De gladiolen en de dood. Dat boek gaat over de angst van de wielrenner (van menige wielrenner, maar in dit geval heette die Aart Haring) voor het vallen. Het boek verwees overduidelijk naar de fatale dodelijke val van Fabio Casartelli in de afdaling van de Peyresourde in de Tour de France van 1995. We hielden het duizend kilometer van onze burelen ten doop in Lugano aan de vooravond van het WK 1996, in zoverre een toepasselijke locatie dat de roman zich afspeelt aan de vooravond van een WK op de weg. In die roman zitten we voortdurend in het hoofd van Haring en dat hoofd zit vol valangst: ‘Het is bijna een ritueel geworden. In die mysterieuze schemerzone tussen bewustzijn en diepe slaap rijd ik in op een barricade van gevallen renners. Het gekraak van fietsen op asfalt, het gekerm van renners en bovenal het gierende geluid van voluit aangeknepen remmen zorgen voor een laaiende angst. En telkens, op het moment waarop ik besef dat ik onmogelijk een valpartij zal kunnen vermijden, word ik met stuiptrekkingen wakker.’

Wollt ihr den totalen Sturz? Nee! En toch is vallen een raison d’être, ook als de angst om te vallen totaal afwezig is. De meeste renners zijn niet bang om te vallen. Maar met of zonder angst: er zal altijd gevallen worden. Vragen om het einde van het vallen (hetzelfde geldt voor pijn) is vragen om het einde van het wielrennen. Dat willen wij – wielrenners en wielerliefhebbers – natuurlijk helemaal niet. Wij willen alleen vallen met mate – en áls het dan moet: niet met een klap, maar mooi en zacht en hooguit een beetje jankend.

Het vallen moet iets betrekkelijks blijven. De absolute val is een doodzonde. In dat verband schieten mij een paar veelbetekenende regels van Gerrit Kouwenaar te binnen uit het gedicht ‘Le poète Y sur son lit de mort’: ‘Van alle maken is doodmaken/ wel het volmaaktste’. Deze regel legt een paradoxaal verband tussen creativiteit en destructie, tussen scheppen en vastleggen (in de zin ook van: er de beweging uithalen). En als uit iets levends de beweging moet worden gehaald dan moeten we wel spreken van ‘ombrengen’ of ‘vermoorden’. Of in het geval van een wielrenner: onherroepelijk ten val brengen. Toch laat die regel van Kouwenaar zich niet eenvoudig transcriberen naar het cyclisme: ‘Van alle vallen is doodvallen wel het volmaaktste’. Dit is een abjecte regel, en niet alleen omdat hij onethisch is of een boodschap bevat waar wij helemaal niet aan willen. De schoonheid én de betekenis van de regel van Kouwenaar zit in het drievoudige maken: maken, doodmaken, volmaken.

Kortom, en nu onherstelbaar verbeterd: ‘Van alle vallen is doodvallen wel het valste’. In deze zin is vallen nu juist (als een van de betekenissen van ‘vals’) verkeerd. En door de overtreffende trap (erger kan je niet vallen) ook totaal verkeerd. Een kapitale val dus.

Bevers_Cramer (c) Wouter le Duc_RVtot 01032021.jpg
Frans Bevers en Pieter Cramer. Portret: Wouter le Duc

Daar willen we ver bij wegblijven. Er ligt al pijn genoeg in het gewone vallen, zoals we in dit wonderschone boek kunnen lezen maar vooral ook zien op de schitterende, onthutsende, treffende foto’s (waarvan ook een heleboel, in twee katernen, in kleur) van Klaas Jan van der Weij en Wouter Roosenboom. Het wordt nu trouwens de hoogste tijd maar eens te melden dat het niet álleen maar over vallen gaat en de pijn die daarvan het gevolg is. De ondertitel van het boek van Cramer en Bevers luidt immers: ‘13 beruchte blessures bij wielrenners & meer ellende’. Die dertien blessures passeren van hoofd tot voeten de revue in Pijn in het peloton, en al lezende ontdek je (wat je natuurlijk ook allang wel wist) dat er ook nog zoiets bestaat als pijn en blessures door overbelasting, overtraining en algehele uitputting, dat er zoiets als mentale pijn en wielerzielenpijn is, dat er blessures voortkomen uit verkeerd afgestelde fietsen of verkeerd op de fiets zittende renners en dat er inwendig van alles mis kan gaan door al dat keiharde fietsen en ongelukkig daarop aansluitende diëten. Pieter Cramer en Frans Bevers hebben dat in kaart gebracht in een boek dat barst van expertise en eigen ondervindingen (beide zijn geharde en getrainde fietsers). Van research, onder meer in de vorm van 45 interviews met wielrenners en ex-wielrenners (m/v), ploegleiders, mecaniciens, masseurs, psychiaters, psychologen, artsen, fotografen, koersdirecteuren, motards, journalisten en andere directbetrokkenen. En dat boek is dan ook nog geschreven in een lichtvoetige en bij vlagen lyrische stijl (en danseuse) die niet onderdoet voor die van menige literaire schrijver. In samenhang met de al gememoreerde prachtige fotografie en dito vormgeving door Scherpontwerp (met name: Marc Koppen) levert dat een boek op waarin pijn en lijden esthetische categorieën worden. En nee, Jan Siebelink: niet per se als in jouw wielerboekendebuut Pijn is genot, dat veelzeggend genoeg begint ‘bij de meiskes van Sauna Diana’ waardoor die esthetiek meteen weer in een erotische, sadomasochistische context wordt geplaatst, al schuilt er (het zij gezegd) in sommige beelden die dit boek bevat beslist iets van een sintsebastianeske homo-erotiek.

De esthetiek van Pijn in het peloton is veelomvattender en autonomer, zo groot als het leven zelf.

vdh9789029510578.jpg

[*Deze tekst sprak ik uit bij de presentatie van Pijn in het peloton in de Verkadefabriek in Den Bosch op zondag 3 juni. De middag werd gepresenteerd door Bert Wagendorp. Op het podium sprak hij behalve met de auteurs en de uitgever ook met vier mensen die de auteurs voor hun boek uitvoerig interviewden: Lucien de Louw, Marieke van Wanroij, Maarten Ducrot en Alex Roeka, die ook een aantal van zijn wielerliederen ten gehore bracht. Het boek is tevens een ode aan alle gevallen (en anderszins geblesseerd geraakte) wielrenners. Ik droeg mijn eigen exemplaar op (en daarmee over) aan mijn vriend Wout Heslinga, die begin mei zeer zwaar ten val kwam en inmiddels werkt aan een (misschien langdurige maar hopelijke succesvolle) revalidatie.]

Een plant geteeld ver van Holland. Over A.H.J. Dautzenberg, ‘Ik bestaat uit twee letters’

Zaterdag 19 mei werd op het Pancratiusplein in Heerlen in café Pelt het nieuwe immense boek van A.H.J. Dautzenberg, Ik bestaat uit twee letters (nummer 298), gepresenteerd. Met een programma waarin dj Westoning Boy, Merlijn Huntjes (stadsdichter van Heerlen), Sander Blom (uitgever Contact die het simultaan ter gelegenheid van Dautzenbergs vijfstigste verjaardag verschenen Vijftig verhalen lanceerde), Anton Dautzenberg zelf, Gerbrand Bakker (die hem interviewde) en de snoeiharde, experimentele metalband Beton Fraktion een aandeel hadden. Zelf kreeg ik in dat programma vijf minuten om iets te komen vertellen over Ik bestaat uit twee letters. Ik vond dat wat weinig. En wel hierom:

Vijf minuten, Anton?
Krijg ik vijf minuten voor een toespraak?
Vijf minuten voor een aubade over die Privé-domein van je die – het woord aubade impliceert het al – toch niet al te zuinig mag uitvallen?
Vijf lullige minuutjes om iets steekhoudends te zeggen over Ik bestaat uit twee letters?

Wacht even hè, dat zijn driehonderd seconden, Anton. Driehonderd seconden voor een boek van (wat was het ook al weer) 210.000 woorden. Of – als dat indrukwekkender klinkt – 720 bladzijden. En die 210.000 woorden dan dus gedeeld door 300 seconden. Dan hebben we het over 700 woorden per seconde. Kan je net zo goed proberen een giraffe in een lucifersdoosje te schuiven. Gaat ook niet lukken.

ecc15ab7-8f15-4903-b10d-8bf643c76df3

Wat zeg je? Dat je er toch (wat was het ook al weer) zo’n 100.000 woorden uit geschrapt hebt en aldus een boek van 1100 bladzijden hebt voorkomen. Ja, wrijf dat er maar lekker in. Die heb ik godmiljaar ook nog allemaal gelezen. Dat was – daar heb jij weer gelijk in – helemaal geen straf. Maar dat is het ‘m nou juist. Eigenlijk zou ik het daarover ook nog uitgebreid willen hebben, al zitten er flinke lappen bij die het daglicht niet kunnen velen en waarover het goed is te zwijgen als het graf. Gelukkig staat er nog ontzettend veel in waarover eigenlijk ook zou moeten worden gezwegen als het graf, controversieel en subversief als die passages zijn. Niemand snapt beter dan jij dat ik dit zeg om de lezers nieuwsgierig te maken.

Maar daar gaat het mij niet om. Het gaat mij om die gierige vijf minuten. Die nietige driehonderd seconden om een boek van € 27,99 in samen te vatten. Nog geen dubbeltje per seconde. Dat is toch niks. Ja, ook bijna vóór niks – je hebt al weer gelijk. We moeten de potentiële kopers hongerig maken.

Vijf minuten geef je me, terwijl jij je een jaar lang, van 13 december 2016 tot en met 13 december 2017, hebt mogen uitleven om dit boek te schrijven. En dat heb je gedaan ook. Als een wilde! Over die Tilburgse cocon van je, dat gloppenhol zoals jij het noemt, waar je je wentelt in je gelukkige eenzaamheid en meters maakt, literaire meters, en waar je soms – als het jou beliefde – je teerbeminde (in de loop van dat jaar ineens je echtgenote) Maartje ontving en verder, op een vriend in geestelijke nood na, vrijwel niemand.

9557472f-9aa9-4c02-9b84-8ffcabe2ed9e

Vijf minuten om iets zinnigs te zeggen over de extensieve en veelvormige reconstructie van een doorgaans gelukkige jeugd in de Limburgse Mijnstreek. Over je ouders: een springlevende, volop aanwezige moeder en een betreurde dode vader die zich niettemin laat horen als zat hij naast je. Over een broer (een tweelingbroer – je bent de vijf minuten jongere van tswei jöngsjer) bij wie je in de loop van dat jaar tijdelijk intrekt. Over je neefjes over wie je je ontfermt als Donald Duck over Kwik, Kwek en Kwak. En nu we het daar toch over hebben: over het blad Donald Duck, waarop je al tientallen jaren geabonneerd bent en waarvan je alle afleveringen recenseert in je dagboek. Je bent zo’n groot fan dat je zelfs je eigen Donald Duck-strips hebt gemaakt, speciaal voor Ik bestaat uit twee letters, met (voor alle duidelijkheid) eigen teksten.

Vijf minuten voor al de gelezen boeken waarover je verslag doet, voor je lange brieven aan Gerbrand Bakker, Ted van Lieshout en tutti quanti en de stapels ontmoetingen, ervaringen, herinneringen en anekdotes uit en over het literaire leven. Over de Limburgse Tachtiger Frans Erens, afkomstig uit Schaesberg, en auteur van een andere titel (Vervlogen jaren) uit de reeks Privé-domein: ‘Ik ben een plant geteeld ver van Holland, in het Zuiden van Limburg, dicht bij de Duitsche grens’. Over de voormalige uitgever en dichter Theo Sontrop, over wiens begrafenis op Vlieland gedetailleerd verslag wordt gedaan. Over Marcel Möring, het Boekenbal, Oek de Jong, Michail Zosjtsjenko en Maartje Wortel. En over optredens her en der en over het aanhoudend belabberde literair-economische leven van jou, Anton, en van je schrijvende lotgenoten in het letterenriool.

c8b57dca-d111-4bed-aa8d-23880f165464

Vijf minuten om zelfs maar iets te kunnen aanstippen over die eindeloze filmmarathonsessies van je, je exploraties van je favoriete muziekgenre, heavy metal (‘Mijn leven is meer verankerd met muziek dan met literatuur of film’), je uitweidingen over voetbal als gematigd Roda JC-aanhanger, maar ook over je eigen voetbalverleden, dat beslist niet zonder talent moet zijn geweest, zij het dat broer Hub over nog meer talent beschikte.

Een miezierige vijf minuutjes, die al om zijn als je een deuntje fluit op weg naar de bakker, voor al je terzijdes over de politieke werkelijkheid, de terreur in de wereld, over vrienden in nood, gekken op straat, heibel met diverse instanties, poepvlekken, soep koken, snooker kijken. Over de Quiet 500 (een initiatief waarvoor men je niet hoog genoeg kan prijzen) over Martijn.

Vijf minuten voor een serieus en pijnlijk onderzoek naar het oorlogsverleden van je grootouders, voor al je angsten, evenwichtsstoornissen en depressies, je euforie en je geilheid, je perioden van stabiliteit en je aanhoudende werkkracht, Rolduc, Diederik Stapel, vakanties naar Rome, Malta (met gewaagd schrijfexperiment!), de Provence en Vlieland, en een werkverblijf te Bergen in Noord-Holland in het spookhuisje van Adriaan Roland Holst alwaar die onthutsende, ongemakkelijke ontmoeting met Prof. dr. Wiel Kusters.

Vijf minuten voor al jouw excursies in de sneeuw van weleer, zwervend in de oude biotoop langs lieux de mémoire: ‘Het danscafé bestaat al lang niet meer, maar er blijkt maandelijks een Femina-avond te worden georganiseerd in de Heerlense kroeg Pelt. Ik ga een kijkje nemen. Ik ben benieuwd of ik oude bekenden zie, en zo ja, hoe we op elkaar reageren. Love, love will tear us apart again.

Dan zijn we, weten de kenners, aanbeland bij Joy Division, de new wave band uit begin jaren tachtig met die navrante naamsverwijzing. Het is zoveel, Anton, het is zoveel. Het is, dat realiseert de lezer zich in de sleutelpassages, een aangrijpend organisch geheel. Maar in vijf minuten kan ik dit imposante boek alleen maar tekortdoen en versplintert het tot een berg lemma’s uit een encyclopedie.

Vijf minuten, Anton? Mijn ik bestaat ook uit twee letters, al zijn het misschien twee heel andere. Vijf minuten, daar kan ik niet aan beginnen. Geef mijn portie maar aan Fikkie. Ik geef je hier mijn opdracht terug.

2995b5fc-795b-4a68-8b7e-b2d6f4775e52

vdh9789029524117

 

Amerika als nieuw begin. Over Björn Soenens, ‘Dagen zonder Trump. Berichten uit Amerika’

Sinds begin 2017 woont en werkt Björn Soenens, Amerika-correspondent van de VRT, in de Verenigde Staten. Over zijn ervaringen als nieuwe Amerikaan schreef hij een boek voor de lancering waarvan hij eind april en begin mei een poos terug was in de Lage Landen. De boekpresentatie in Gent was in de Kopergietery. Björn Soenens las er voor uit zijn nieuwe boek, Geert Verdickt (Buurman) bracht compatiebele muziek ten gehore en ik leidde de avond. Ongeveer met de woorden hieronder.

IMG_2867

Het mooiste boek over Amerika – en de etiquette van de lofredenaar dicteert dat ik zeg: tot vandaag dan, met de verschijning van Dagen zonder Trump van Björn Soenens  – is een roman (een verzinsel dus), geschreven door iemand die nooit een voet in Amerika heeft gezet. Ik heb het over Franz Kafka’s Der Verschollene, in het Nederlands (en trouwens ook in het Duits) verschenen onder de zakelijke titel Amerika omdat Kafka’s vriend en zelfbenoemd literair erfgenaam Max Brod het zo noemde.

Het is ook een zeer passende titel want Amerika – deze Unvollendete – valt te lezen als een onderzoek (nogmaals: volstrekt hypothetisch) naar hoe het zou kunnen voelen om alleen aan te spoelen in dit onmetelijke en ook in de verbeelding van veel emigranten uit die tijd (we hebben over de eerste decennia van de vorige eeuw) zowel ruimtelijk als qua ontplooiingsmogelijkheden onbegrensde land. Amerika toont de culture shock die de aankomst en de verkenning van dat nieuwe land teweegbrengt bij de zeventienjarige Karl Rossmann. Die aankomst begint voor  hem (zoals voor vrijwel alle emigranten uit die tijd) in New York, preciezer gezegd op Ellis Island. Dat wordt niet met name genoemd, maar Karl ziet het beeld van de vrijheidsgodin als zijn schip de haven binnenvaart. De jongen is door zijn onbemiddelde vader in Hamburg op de boot naar Amerika gezet omdat hij een dienstmeisje heeft bezwangerd. Zijn emigratie is dus ook een vorm van verbanning, maar Rossmann beleeft die culture shock even laconiek als onthecht. De fijngevoelige lezer echter voelt de onderhuidse pijn van de ontheemde jongen en de schuld die tot zijn gedwongen vertrek heeft geleid. Maar de lezer voelt ook het avontuur van het volkomen nieuwe en de ervaring van het soort vrijheid dat dicht in de buurt komt van Janis Joplins ‘Freedom’s just another word for nothin’ left to lose’. Rossmann, zo heet het dan, zoekt een nieuwe bestemming en ook een soort nieuwe vader, maar erg verbeten doet hij dat niet. Die zoektocht begint weliswaar in New York, in het ondoorgrondelijke, hectische stadsgewoel maar leidt steeds verder landinwaarts, eerst naar een landhuis in de omgeving van New York, dan richting Butterford (op twee dagreizen van New York) en vervolgens nog verder weg naar een oord waar Hotel Occidental ligt om gaandeweg into the great wide open een onzekere bestemming tegemoet te gaan in de Amerikaanse onmetelijkheid, zeker wanneer hij eenmaal wordt aangenomen voor  het Grote Theater van Oklahama [sic]. Dat het boek onvoltooid bleef, is eigenlijk heel toepasselijk.

Björn Soenens valt in allerlei opzichten moeilijk te vergelijken met de zeventienjarige Karl Rossmann. Hij werd vorig jaar niet door zijn vader naar Amerika gestuurd, en ook niet (al weet ik dat niet helemaal zeker) omdat hij een kind zou hebben verwekt bij een jonge vrouw. Hij is vermoedelijk ook met het vliegtuig gegaan en niet met een schip dat er een week over deed om zijn passagiers op Ellis Island van boord te laten gaan in een toestand van tijdelijke quarantaine. Björn Soenens was al vele malen, zij het voor kortere tijd, in Amerika geweest en kon zonder enige overdrijving Amerika-expert genoemd worden, al ruim voordat hij zich er metterwoon vestigde. Amerika-watcher was hij tot 2016 in combinatie met het hoofdredacteurschap van het Vlaamse televisiejournaal. Wie kent hem daar niet van. In de trein op weg hierheen legde ik Dagen zonder Trump vanmiddag even op het tafeltje voor me om nog een paar aantekeningen te maken. Ineens een stem achter me. De conducteur. ‘Allez, is het er al?! Ik hoorde hem er gisteravond op de radio over praten.’

‘Wat Soenens niet weet van Amerika kun je op de achterkant van een postzegel schrijven,’ citeren we Johan Depoortere, de voormalige VRT-correspondent in Washington op het achterplat van dit boek. Maar veel weten over Amerika is nog iets heel anders dan de ervaring van het Amerikaan-zijn met de Amerikanen (wat vanuit de melting pot-gedachte per definitie een ongrijpbaar iets is). Naar die ervaring verlangde Soenens zo hevig dat hij er begin 2017 met zijn geliefde ging wonen. En hij streek neer (net als Karl Rossmann en zovele miljoenen anderen) in New York. Of nee: eigenlijk juist niet in New York. New York was, ten tijde van Rossmann, nog wat we nu Manhattan noemen. Kafka schrijft: ‘De brug die New York met Boston verbindt hing ijl over de Hudson en leek te gaan trillen als ze hun ogen dichtknepen.’ Dat was inderdaad een fata morgana en een vergissing. Kafka bedoelde met Boston natuurlijk Brooklyn, en vandaaruit (Soenens woont er nog steeds: op de cover treffen we hem aan, staande op een hoek van Washington Avenue) is hij begonnen met zijn gevoelsexploratie van Amerika.

Het is natuurlijk onmogelijk alle kennis, ervaringen en beelden (tv-beelden!) die Björn Soenens de afgelopen tientallen jaren over Amerika heeft opgeslagen te vergeten. ‘Ik heb een intense verhouding met Amerika. Het is een langdurige affaire,’ schrijft hij in de inleiding van zijn boek. En toch is dat een beetje zijn ambitie geweest toen hij vanuit Brooklyn verslag begon te doen en de blogteksten begon te schrijven waarop dit schitterende boek gebaseerd is: Amerika tegemoet treden met de onbevangenheid en argeloosheid waarmee Karl Rossmann het land leerde kennen, heel bewust op zoek naar datzelfde aangename, zacht weeë gevoel van ontheemding. Maar algauw komt hij erachter dat hij die onbevangenheid helemaal niet hoeft te spelen. Ook voor hem blijkt Amerika nog steeds een grote ontdekkingstocht. Hij valt van de ene in de andere verbazing (over alledaagse bureaucratie, over de nachtrechtbank van New York, over de graduates van Brooklyn College) leert de ene na de andere bijzondere mens kennen (in de eerste plaats zijn buurtgenoten, die hem inmiddels herkennen als de garbage man vanwege Björns onbedwingbare neiging een paar keer per dag al het vuilnis van de stoep te rapen en in de vuilnisbak te kieperen) en van de ene illusie in de andere desillusie: over het eetgedrag van de doorsnee-Amerikaan en de obese mensheid die dat oplevert alsook – door het hele boek heen – over de sociale en raciale segregatie die, voor wie goed kijkt, alomtegenwoordig is. En net als Karl Rossmann trekt Björn Soenens op een gegeven moment de binnenlanden in. Maar anders dan schrijver dezes die vorige zomer een paar weken met zijn gezin in New York en omstreken verbleef (ook in Brooklyn, Macon Street, niet heel ver van waar Soenens woont) trekt Soenens niet noordwaarts langs de Oostkust naar de relatieve rijkdom en luxe van Cape Cod, Boston en de Catskill Mountains, maar zuidelijk en zuidwestelijk richting de Appalachen, naar East Ridge, Tennessee in het spoor van een mobiele kliniek en dus in het schuimende kielzog van zieke en ongezonde Amerikanen (en het falende ziekteverzekeringssyssteem in Amerika) of naar Gatlinburg in de Smoky Mountains om voornamelijk uitzichtloze blanke armoede (denigrerend white trash genoemd) op heterdaad te betrappen. Uit die stukken spreekt een enorm gevoel van betrokkenheid en mededogen en ook van ingehouden woede.

Dat kan Trump nu eens niet direct in de schoenen geschoven worden. Die ellende bestond al. Maar het is natuurlijk veelzeggend dat Björn Soenens met zijn verkenning van Amerika begon op het moment dat The Donald onbehouwen met de scepter begon te zwaaien. Ook tot zijn frustratie, maar Soenens schrijft er genuanceerd over en legt de verantwoordelijkheid voor het aan de macht komen van Trump voor een deel ook bij zijn collega’s van de Amerikaanse media. Hij wijdt in drie korte stukken het eerste part van zijn boek aan Trump om hem vervolgens resoluut en tamelijk effectief te vergeten. Dit boek heet niet voor niks Dagen zonder Trump. Het is heerlijk om dagen zonder Trump te hebben. Ook daarom is dit boek een verademing.

vdh9789029523875

De wereld vereenvoudigen met blomrijke vunzigheid. Over Onno Blom, ‘Memoires van een biograaf. In de voetsporen van Jan Wolkers’

Vorige week werd bij boekhandel Kooyker in Leiden, in aanwezigheid van Karina Wolkers en een zeventigtal andere gasten, het nieuwe boek van Onno Blom gepresenteerd. Memoires van een biograaf, verschenen in de reeks Privé-domein, handelt over de periode van ruim tien jaar waarin hij aan zijn biografie van Jan Wolkers werkte. Een herdruk is inmiddels al ingezet. Het is dan ook een heel smeuïg boek. Hieronder de woorden door mij in Leiden gesproken.

Een leven van circa 30.000 dagen en een oeuvre van – ruw geschat – 3 miljoen woorden condenseren in een boek van 1100 bladzijden. Dat is wat Onno Blom gedaan heeft in Het litteken van de dood, zijn roemruchte biografie van Jan Wolkers. Vervolgens de biografie van 400.000 woorden transsubstantiëren in een autobiografie die hooguit 16% daarvan beslaat. Die reductie is Blom gelukt in wat Privé-domein nummer 299 is geworden: Memoires van een biograaf. In de voetsporen van Jan Wolkers, een autobiografie over het schrijven van een biografie. En dan nu aan mij de schone taak om die 65.000 woorden te comprimeren tot iets houtsnijdends van ongeveer 1000 woorden over de ontstaansgeschiedenis van de autobiografie over het schrijven van een biografie.

Wat zijn we hier aan het doen? We zijn de wereld aan het vereenvoudigen.  Zoals, aldus Koos van Zomeren, een sperwer dat doet door, zijn prooi verslindend, van twee vogels er een te maken, zo vereenvoudigt de schrijvende mens de wereld door die samen te vatten en te ontleden. Onno zelf aan het begin van deze memoires: ‘Is het toeval dat het vak van biograaf wordt vergeleken met dat van de patholoog-anatoom?’

Goed. De wordingsgeschiedenis dus van dit deel uit de reeks Privé-domein. Dat autobiografische vereenvoudigingsidee kreeg Onno al toen hij nog maar koud begonnen was aan zijn Wolkers-project, aan wat hij ‘de opdracht van zijn leven’ heeft genoemd. Ergens op de eerste bladzijden van zijn boek staat: ‘Vanaf het moment dat ik met Wolkers overeenkwam dat ik zijn biografie zou schrijven, 26 september 2006, heb ik geregeld korte aantekeningen gemaakt – en daar ben ik tot de dag van vandaag niet mee gestopt.’ Hij legde zijn plan voor aan Lex Jansen, destijds uitgever bij De Arbeiderspers, en die was enthousiast genoeg om er Onno een contract voor aan te bieden. Al gauw kwam daar nog een podium bij (want ja, in huize Blom moet de schoorsteen ook roken): ‘Vanaf 14 oktober 2015 begon ik “memoires” van een biograaf, gebaseerd op mijn notities, wekelijks te publiceren in de Volkskrant.’

Blom, Onno - Memoires van een biograaf - Cover

Welnu, die Volkskrant-columns – daarover geen enkel misverstand – vormen het solide fundament van dit boek. Wat beslist niet wil zeggen – haast ik me eraan toe te voegen – dat dit domweg een bundeling is van die columns. Want aan die krantenstukken is nog naarstig geslepen en zijn nog flinke lappen toegevoegd. Wat levert dat op? In elk geval een excellent geschreven boek. Op basis van de notities die Onno maakte ontstond een tekst waaruit blijkt hoe zijn leven noodgedwongen, maar niet noodzakelijk à contrecoeur, verweven raakte met dat van Wolkers. Tot in zijn dromen toe. Het is een eerlijke, intieme, sprankelende en soms om je te bescheuren zo geestige kroniek geworden.

Dit boek bevat te veel om op te noemen. Toch een paar voorbeelden. Er staat een verhaal in over hoe de elfjarige Onno Jan Wolkers voor de eerste keer ontmoet in een boek. Er staat een verhaal in over hoe hij hem voor de eerste keer in levenden lijve ontmoet, op de Leidse markt in de lente van 2004. Er staan diverse verhalen in over het jaar, aanleunend tegen zijn dood, waarin Onno Jan bijna dagelijks sprak; over het zeer intensieve contact met Karina Wolkers in de jaren na Jans dood of over de levenslange angst van Maarten ’t Hart om door Jan Wolkers in elkaar geslagen te worden. ‘t Hart had zich de oudtestamentische woede van Wolkers op de hals had gehaald nadat hij in NRC/Handelsblad de roman De kus had afgedaan als afkomstig van een schrijver die ‘men misschien nog het beste kan omschrijven als de André van Duin van de Nederlandse literatuur getuige ook het soort stompzinnige moppen.’ Er staan tal van dit soort smeuïge passages in dit boek, alle te maken hebbend met belevenissen van Onno zelf tijdens zijn langdurige Wolkers-engagement of met gebeurtenissen uit Wolkers leven zelf die om wat reden ook geen plek in de biografie hebben gekregen.

Bij dat alles springt ten slotte één consistentie zeer in het oog. Memoires van een biograaf is volgestouwd met een lading smerigheid en vuilspuiterij waaraan Ilja Leonard Pfeijffer zelfs in Het grote baggerboek nog een ranzig puntje kan zuigen. Onno verdedigt zich daarvoor door ergens op te merken dat zijn métier qualitate qua vuil werk genereert: ‘Als biograaf ben je een strontvlieg die zich moet voeden met wat zijn held heeft achtergelaten.’ De snotjes bijvoorbeeld die de vader van Olga in Turks fruit onder zijn stoel draait. En daar wordt dan omstandig het historisch waarheidsgehalte van uitgevogeld. Of de kunstopvattingen van Wolkers erbij halen om al die vunzigheid te verklaren: ‘“Beeldende kunst is verkapte viezigheid, daar valt niet aan te tornen,” beweerde Wolkers in een essay. “Al dat liederlijke geveeg en gesmeer over het maagdelijke linnen en dat geklonter in de klei moet wel geworteld zijn in de anaal-erotische periode. Van de broek naar het doek.”’

We zijn lang geneigd te denken dat het allemaal de schuld is van Jan Wolkers – die preoccupatie in dit boek met de drekkige kanten van het bestaan. Maar op den duur is de conclusie toch onontkoombaar dat dr. Blom ook zelf nogal stevig heeft doorgeleerd in de wetenschap van het viezentisme. Hij schrijft het net iets te verlustigd op. Toen ik afgelopen zaterdag de Volkskrant doornam en in de bijlage Sir Edmund stuitte op een nieuwe bijdrage van Onno (een interview met P.F. Thomése naar aanleiding van zijn nieuwste boek Ik, J. Kessels) was ik er helemaal zeker van. De vette kop boven dat interview: ‘Stront, seks, foute grappen’. Ik moet schoorvoetend toegeven: bij mij is hij met die gore praatjes aan het goede adres. Vrij naar Keats: ‘A dirty mind is a joy forever’. Maar ook met een iets minder dirty mind moet men met dit boek danig aan zijn trekken kunnen komen. Ik voorspel: wie aan dit boek geen plezier beleeft, zal van zijn levensdagen geen plezier meer hebben.

Het plezier waarmee Blom zelf dit boek heeft geschreven strooit hij gul uit over elke pagina, en trouwens niet alleen in de meer schunnige fragmenten: ‘Als Jezus Christus had gevoetbald, al was het maar in het tweede van Bethlehem of bij de sabbatmiddagamateurs, dan was het Jan Wolkers door zijn vader nooit verboden geweest om op zondag te neuzen van zijn schoenen kaal te trappen tegen een bal.’ En zo kon ik nog wel even doorgaan als ik de grens van 1000 woorden inmiddels niet allang gepasseerd was. Mijn vereenvoudiging zit erop.

‘Took me a while to learn the good words.’ – Te voorschijn springt een onverschrokken dichter. Over ‘Habitus’, de debuutbundel van Radna Fabias

Vandaag is de conclusie gerechtvaardigd dat ik op 27 april 2016 een niet volslagen onbeduidende mail heb verstuurd: ‘Onze dichter Hester Knibbe maakte ons attent op uw poëzie. Ik las uw (als ik dat zo mag zeggen) ‘peren’-gedicht en vond dat erg goed. U hebt ongetwijfeld (zijnde de winnaar van de poëziewedstrijd in Oostende) meer werk liggen. Zou u dat ter beoordeling kunnen of willen opsturen naar De Arbeiderspers?’ Het antwoord van Radna Fabias, een week later, was ingehouden en zakelijk: ‘Bedankt voor uw interesse. Ik ga daar graag op in. Ik zou u mijn nieuwste werk ter beoordeling willen opsturen. Binnen welke termijn wenst u dit te ontvangen? Ik hoor graag van u hoeveel tijd ik heb om te schaven.’ Blij met dat bericht reageerde ik terstond: ‘Dank dat u wilt ingaan op mijn suggestie. Dat doet mij veel plezier. Ik zou bijna zeggen: ik geef u alle tijd. Maar dat is misschien niet slim. Daarom: zou u voor of rond het begin van de zomervakantie iets kunnen sturen?’ Heel die mailwisseling geschiedde aanvankelijk op formele toon, waarbij we elkaar mevrouwden en meneerden.

Ik had me vanwege dat in Oostende bekroonde gedicht, getiteld ‘gieser wildeman’, ook al een bepaalde voorstelling gemaakt van de dichter. Ik stelde me een vrouw voor van middelbare leeftijd, een bedeesde, door enkele ongelukkige liefdes wat vereenzaamde dame van (ingegeven door haar voornaam) hindoestaanse komaf, wonende in een buitenwijk van Eindhoven. Waar ik die laatste notie vandaan heb gehaald is me achteraf gezien een raadsel. Hoe dan ook: ik had toen al beter moeten weten, want ‘gieser wildeman’ – als je dat gedicht goed leest…

ik ben een vrouw
dat is het troebele vocht dat uit een spaanse perzik langs zijn lippen loopt en ik ben helaas het vocht.

En:

een man
is geen vleeshaak geen fileermes geen geweer geen heet merkijzer geen heilig boek
een man is geen wapen geen hobby

een man is geen hobby
een man is een hobby
een man is geen hobby

Het is dus eigenlijk, en niet eens tussen twee haakjes, al een subversieve daad dat ik – man (en daarmee vertegenwoordiger van dat deel der mensheid dat bepaald geen hobby is) – u hier sta toe te spreken. Ik verontschuldig me daar maar voor, want ik ben nog niet klaar.

Op 1 september 2016 schreef ik na ontvangst van twee reeksen: ‘Ik vond ze prachtig, beste Radna, vooral (om het zomaar te zeggen) ‘de mannencyclus’.  […] Ik zat te aarzelen of ik u om meer zou durven vragen en ik doe dat bij dezen!’ Maanden later, op 29 november 2016, ineens antwoord: ‘Wat fijn dat u ze prachtig vond. Dat is erg leuk om te lezen. En natuurlijk krijgt u meer werk.’ En inderdaad volgde er een nieuwe zending, poëzie die op de redactie van De Arbeiderspers unaniem sterk werd gevonden. Niet meer gedraald dus, en spoedig volgde dan ook de eerste ontmoeting (waarover zo meer) en een contract.

Radna_Diels_(c) Wouter le Duc_RVtot05102020kb
De bundel (Habitus geheten), zoals die uiteindelijk geworden is, opent weliswaar met een omvangrijke afdeling onder de titel ‘uitzicht met kokosnoot’, waarin gedichten die ontegenzeggelijk gesitueerd zijn in caribische contreien, maar schilderachtige poëzie kan je dit bepaald niet noemen. Er lijkt me weinig schilderachtigs aan:

de overreden zwerfhonden
de onder olie lekkende auto’s slapende zwerfhonden
de kogels die klinken als vuurwerk

En er is werkelijk niets pittoresks aan:

u kunt de kerken bezoeken die feitelijk dezelfde zijn als de kerken die u al kende
maar dan bontgekleurd om af te leiden
van de schaamte en het bloed op de muren

Ook in het gedicht ‘reisgids v’ wil het maar niet echt arcadisch worden:

golfresorts liggen als littekens in het natuurlijke landschap

rode mensen en zij die daarbij horen willen

worden in golfkarren rondgereden door volgens hun functie-eisen breed glimlachende negers

En in een volgend gedicht staat:

de zon komt op boven het bloeiende tropische landschap maar elders
slaat iemand op een donkere parkeerplaats met een knuppel op de voorruit van een auto.

Lieflijk is anders.
Nee, schilderachtig is hooguit het ongebreidelde en overgeërfde arsenaal aan listigheden waarvan de ik (die hier ongetwijfeld een hele gemeenschap aan vrouwen vertegenwoordigt) zich kan bedienen om de man aan huis te binden:

waaronder vier brouwsels voor een strakkere kut
een recept voor blijf-hier-water
en een in de loop der jaren geactualiseerd boek met levensreddende instructies voor de weerloze deerne waarin ik lees:

je moet je man bewieroken als hij slaapt
als je niet verder dan de eikel komt, word je nooit zwanger en
de eerste drie centimeters leiden sowieso niet tot waardeverlies.

Ik kan zo nog even doorgaan, maar u wilt niet al het malse gras voor de voeten weggemaaid krijgen.

In elk geval had ik – u begrijpt dat inmiddels – mijn voorstelling van Radna, nog voor ik haar voor het eerst in levenden lijve ontmoette, al enigszins bijgesteld. Op zijn minst een stuk minder bedeesd en gedupeerd. Toen ze zich hier mei vorig jaar voor het eerst meldde stond er een ravissante behoorlijk jonge vrouw voor me. Tikkeltje verlegen, of misschien nog even op haar hoede, maar toch met iets prettig zelfbewusts en zelfrelativerends en – dat vooral – een twinkeling in de ogen die iets van ondeugd wilde uitstralen. In de vele mails die volgden kreeg onze correspondentie al gauw iets van een kwinkslagenfestival waarin scherts, ironie en sarcasme vaak de boventoon voeren. En meestal had Radna daarin dat het laatste woord, zoals ze ook straks het laatste woord zal hebben.

Een steekspelletje van begin deze week verliep bij voorbeeld als volgt:
Radna: ‘Jij haalt tuig in huis, wat wil je. (Emoticon met bendeteken.)’
Ik: ‘Wat wil je ook als je van De Arbeiderspers bent. Geteisem trekt geteisem!’

df.jpg

Radna: ‘Ik houd van geteisem.’
Ik: ‘Je snapt dat ik die bewaar voor mijn toespraak.’
Radna: ‘Nu heb ik spijt van alle slechte grappen die ik in onze correspondentie maakte.’
Ik: ‘Wees gerust: mijn gesel zal liefdevol op je neerdalen.’
Radna, dodelijk en zegevierend: ‘Is dat de openingszin uit Vijftig tinten grijs? Of een citaat uit een geschiedenisboek over een blauwogige meneer en zijn hardwerkende onderdanen?’

Alsof de grote norse neger uit het beroemde gedicht van Lucebert grinnikend in haar en op mij neerdaalde. Een daverende linkse directe. Démasqué en schaamte. We hebben nu besloten samen in relatietherapie te gaan.

Ik zei daarnet al dat ik niet blijf citeren uit deze poëzie omdat ik graag wil dat er veel ongerepts voor u te lezen overblijft. Wel wil ik er in algemene zin nog iets over zeggen. Deze bundel – Habitus van Radna Fabias – staat vol poëzie zoals je maar zelden poëzie zult hebben gelezen. En niet alleen vanwege het volstrekt eigen idioom waarin een volstrekt onderbelichte werkelijkheid wordt opgeroepen. Dit is poëzie die je overvalt vanuit een hinderlaag en soms is het ook poëzie die als een kalme panoramische golfslag naar je toe deint om je dan ineens te verrassen met een vloedgolf waarin je bijna verzuipt. Dit is verraderlijke poëzie van een nieuw stralend licht die je soms ademloos en blootgewoeld achterlaat. En ook dit is een poëzie vol kleine, ritselende revoluties die een wereld toont waarin schoonheid zijn gezicht heeft verbrand.

Een essay over identificatie, toeval en trots dat Radna onlangs schreef en voorlas op een avond over black feminist poetry opent met de veelzeggende woorden: ‘Took me a while to learn the good words’. Ik citeer daaruit deze naar mijn idee belangwekkende passage: ‘Ik zocht regels waarin zwarte vrouwen geen godinnen, maar zwarte vrouwen waren. En misschien moeten ze in de eerste plaats vooral mensen zijn. Eindige mensen, zoals elk andere mens. Feilbaar, zoals elk ander mens. Onderhevig aan leed en aftakeling en elke dag een stapje dichter bij de dood zoals elk ander mens. […] Nu zijn we hier. Mijn debuutbundel verschijnt binnenkort. Ik ben daar voorzichtig trots op. Ik heb er immers voor gewerkt. En de dichter die ik in de bundel gereflecteerd zie is voor een groot deel de dichter die ik wil zijn.’

Het is in elk geval ook een dichter die wij er graag bij wilden hebben. En dat dit met de verschijning van dit onverschrokken existentialistische debuut nu een feit is, is niet iets waar ik voorzichtig trots op ben maar stomweg apetrots, of zoals wij hier plegen te zeggen AP-trots.

vdh9789029523806.jpg

 

Witwassen wat gebroken is. Toespraak bij de presentatie van ‘Gebroken wit’, de nieuwe bundel van Victor Vroomkoning

Als er een Nijmeegse literaire maffia bestaat – en laat ik die bekentenis met gevaar voor eigen leven maar ogenblikkelijk doen: ik beschik over nauwelijks te weerleggen signalen dat ze bestaat aangezien deze organisatie zijn activiteiten sinds vele jaren heeft uitgebreid naar Amsterdam, en meer bepaald ook succesvol is geïnfiltreerd in de fondsen van De Arbeiderspers – dan kan het niet anders zijn dan dat het echtpaar Victor Vroomkoning en Stella Napels aan het hoofd staat van deze malafide onderneming. Dan kan het niet anders of – aangezien het in het geval van Vroomkoning en Napels om schuilnamen gaat – Walter van de Laar de Godfather is van deze invloedrijke en sinistere organisatie.

IMG_2691

Een dezer dagen, beste Nijmegenaren, zal Frouke Arns bij De Arbeiderspers een contract tekenen voor een over niet al te lange tijd te verschijnen dichtbundel. Het geval wil dat ik haar, ex-stadsdichter van uw fraaie stad, voor het eerst tegenkwam – ruim anderhalf jaar geleden – op de presentatie van de bundel Ergens slapen de anderen van Marijke Hanegraaf, een andere ex-stadsdichter uwer stad. Sinds die ontmoeting heeft Walter van de Laar bij herhaling geïnformeerd – ik gebruik een eufemisme – of dat geen aanwinst voor De Arbeiderspers zou zijn. Nu is Frouke Arns een schitterende dichter die zich ongetwijfeld ook zonder de Godfather diep bij ons in de kijker zou hebben gespeeld. Maar dat wil nog niet zeggen dat we zijn ogenschijnlijk luchtig en terloops gestelde vragen niet als dreigementen hebben opgevat. En over Marijke Hanegraaf gesproken. Ik heb lang de illusie gekoesterd dat ik die dichter geheel op eigen kracht had ontdekt, maar in de loop de jaren begon het me op te vallen dat bij werkelijk ieder evenement waar Hanegraaf een publieke rol had op de voor- of achtergrond ook Walter van de Laar aanwezig was.

Afgelopen donderdag greep Marije Langelaar met Vonkt net naast de winst in de laatste editie van wat wel de belangrijkste dichtersprijs genoemd wordt, de VSB Poëzieprijs. Jammer, want als ze die prijs wel in de wacht had gesleept, had dat een grand slam betekend. Voor datzelfde Vonkt had ze afgelopen zondag immers al de Jan Campert-prijs ontvangen en komende woensdag krijgt ze er de Awater-prijs voor, de prijs van de Groot-Nederlandse poëziekritiek. Toen ik laatst met haar een herinnering ophaalde aan de eerste keer dat ik haar, als een nog piepjonge dichter, had zien optreden waarbij ze zoveel indruk maakte dat ik na afloop meteen naar haar ben toegelopen met de uitnodiging om bij De Arbeiderspers een hele bundel met zulke gedichten te publiceren – het was helemaal aan het begin van deze eeuw, het was hier in Luxor – wees ze me terecht toen ik beweerde dat het om de presentatie van een bundel van Th. van Os ging. Ja, die had daar ook opgetreden die avond, verbeterde ze me, maar in werkelijkheid draaide alles om een nieuwe bundel – vermoedelijk Bij verstek – van, jawel hoor: Victor Vroomkoning alias Walter van de Laar alias de ongekroonde Karelkeizer van de Nijmeegse literaire underground. Ik weet niet hoeveel literaire troeven onze Vroomkoning nog in handen heeft maar ik zag voor vanmiddag alweer een optreden aangekondigd van Heidi Koren, een omineuze veelbelovende naam. We wachten geduldig af waartoe dat gaat leiden.

vdh9789029511681

Tot u spreekt – ten overvloede – Peter Nijssen, sinds lange tijd in dienst van De Arbeiderspers, sinds mensenheugenis de redacteur van eerst Stella Napels en algauw uitsluitend Victor Vroomkoning. Toen hun Overkoepelende Instantie mij vroeg of ik de inzegening van het nieuwe kindje van het echtpaar Vroomkoning-Napels (als ik niet al letterlijk citeer, parafraseer ik zeer getrouw) voor mijn rekening wilde nemen, stemde ik daarin onmiddellijk toe. Mijn spreekstalmeestersalter-ego Bisschop Zwijsen heeft (zeker ook op de feesten van Van de Laar) menigmaal de doopkwast of (als er wat meer satire gewenst was) de pleeborstel gehanteerd om wauwelend wijwater te sprenkelen. Ik liet weten dat ik er zou zijn en zalvende woorden zou spreken. Zalvende woorden, dat hoefde nou ook weer niet, reageerde Walter terstond. Nou, dan geen zalvende woorden, maar wat olie op het vuur dat we al in de doopvont hadden aangestoken.

Zoals het een echte Godfather betaamt oogst ook deze in de oudewijvenzomer van zijn leven niet alleen (zijn eigen) mooie woorden (die we – daarover zo meer – bijeengebracht hebben in een nieuw ensemble onder de titel Gebroken wit) maar ook nakomelingen in de tweede graad. Half november vorig jaar – de nieuwe bundel was zo goed als klaar om gedrukt te worden – schreef hij me:

IMG_2692

‘Het weekend ging op aan de viering van een nieuw kleinkind en stamhouder in Utrecht: Max van de Laar!’ Apetrots, zoals het een patriarch betaamt. Maar ook een patriarch die op zijn ouwe dag zijn zonden telt en bevangen raakt door regressieve bevliegingen van katholieke aandoening. Mail van een korte poos later: ‘Vanochtend een ouwerwetse Gregoriaanse mis (door Mgr. De Korte) bijgewoond; ik kon al die Latijnse liederen vlot meezingen (en dacht voortdurend aan mijn vader).’ Geen wonder dat zijn nieuwe bundel één veelbetekenende zetfout telt: het woord ‘misssaal’ met drie s’en! Dat noemen we alvast slijmen met Onze Lieve Heer: kijk eens, Almachtige Vader, hoe dik mijn kerkboek is en hoe katholiek ik ben. Die arglistig gemaakte fout gaan we voor de herdruk natuurlijk verbeteren. Dus spoedt u zo meteen naar de toonbank om een exemplaar met deze unieke drukfout te bemachtigen. Opdat u het na aanschaf meteen kunt opzoeken. De fout staat in ‘Zie ons aan’ en bevindt zich in de eerste strofe die ik nu voorlees:

Zie mij zitten met vijf melige appels
en twee beurse bananen. Mijn bril rust naast
het lint dat uit een goudomrand misssaal over de tafel rafelt.
Drie sansevieria’s versterven op de vensterbank
tegen de achtergrond van een slome sloot.

Als dat geen stilleven, geen vanitaskunst, is! En dan zijn we nog maar halverwege dat gedicht. In de wetenschap dat we te maken hebben met nieuw werk van een pater familias op leeftijd, terugkijkend op het leven, mijmerend over wat eindig is en komen zal, kan het niet verbazen dat deze nieuwe bundel, bij alle onverwoestbare vitalisme (getuige alleen al de toch weer rijkelijk presente erotisch gekleurde verzen), meer dan ooit in het teken staat van afscheid en vergankelijkheid, afbraak en gemis. Maar Vroomkoning zou Vroomkoning niet zijn als dat alles niet gepaard ging met veel humor, understatement en zelfspot.

Om dat te illustreren lees ik nog één kort gedicht, ‘Rimpels’, uit de nieuwe bundel:

Zegt een meisje tegen haar moeder:
‘Hij heeft wel veel rimpels.’
Antwoordt de moeder met wie ik sinds kort verkeer:
‘Moet je niet zeggen, vanmorgen,
naast me in bed sliep hij zo gaaf
als een jongen van achttien.’
‘Wil ik zien’ hoor ik dochterlief
tussen de schuifdeuren.
Mijn nieuwe liefde op geduldige toon:
‘Wacht maar tot hij in de kist ligt.
Je zult je ogen niet geloven.’

vdh9789029523622.jpg

En dan een korte brief om te eindigen.

Beste Walter,

Ik hoorde vorige week Ilja Leonard Pfeijffer op de presentatie van Waar geschreeuwd wordt is taal vacant – een mooi boekje over diens taal, geschreven door Marc van Oostendorp, taalkundehoogleraar in Nijmegen, en verschenen bij gelegenheid van Ilja’s vijftigste verjaardag – de woorden citeren die Ronald Reagan sprak bij de inauguratie van zijn tweede termijn: ‘You ain’t seen nothing yet!’ Jij, als pater familias van de Nijmeegse schrijversfamilie, zei nog wat anders. Je fluisterde me met hete hese adem Marlon Brando als Don Corleone (in de film The Godfather) citerend het volgende in de oren: ‘I am gonna make you an offer you can’t refuse.

En inderdaad Walter, dat mag ik niet weigeren. Dus ergens rond de komende jaarwisseling zal De Arbeiderspers ter gelegenheid van je aanstaande tachtigste verjaardag met een bloemlezing uit je werk komen: Tachtig voor tachtig.

Was getekend, je liefhebbende maffiamaatje, je gebroken witwasser

Peter Nijssen

*De presentatie vond plaats op zaterdag 27 januari bij Boekhandel Dekker van de Vegt in Nijmegen. De burgemeester van Nijmegen, Hubert Bruls, nam het eerste exemplaar in ontvangst. Er waren optredens van dichter Heidi Koren en van Karel Bosman, vriend en vaste begeleider van wijlen Willem Wilmink, die als lied bewerkte teksten uit Mariken van Nieumeghen zong.

Een licht dat alles verheldert maar niets verklaart

Bij de dood van Paul Otchakovsky-Laurens (1944-2018)

tentije

Om en nabij is de vooralsnog laatste dichtbundel van Hans Tentije wiens oeuvre, grotendeels gewijd aan de poëzie, zondag 21 januari 2018 in Den Haag bekroond werd met de Constantijn Huygens-prijs. De omslagfoto van die bundel, zo lezen we in de verantwoording achterin, toont de bovenzaal van Hotel Reale te Asti, Italië. De lege, ouderwets ingerichte ruimte ademt met zijn auberginekleurig gecapitonneerde wanden, de met gesteven linnen overdekte ronde tafels omgeven door donkerbruine stoelen, zijn zware, vermoedelijk fluwelen gordijnen en de twee strepen zwak daglicht die daar doorheen vallen een sfeer van vergane glorie, nog versterkt door die titel – een van weemoed zacht zuchtende en knerpende titel. Om en nabij. Tentije (1944) las er, nadat hij de prijs in ontvangst had genomen, sonoor en breekbaar op cello begeleid door Ernst Reijseger, het laatste gedicht, ‘Van over zee’ geheten, uit voor. Ik citeer het hier in zijn geheel:

 

Een strijklicht dat zijn schaduwen uitstrekt

naar onbereikbaar geworden, al verwilderde plekken

om wat zich er ooit voltrokken heeft

en misschien nog steeds niet is gewist –

 

met de wolken wegdrijvende, weer te binnen

geschoten, willekeurige, grillige momenten, maar er is zoveel

horizon waarachter ze vervolgens

moeten verdwijnen, terwijl een afgelegen

landschap als dit ze zich zelfs

zou horen te herinneren

 

als het kijken eindelijk het vergeten inwilligt

zijn alle beelden teruggebracht

tot hun essentie, het onderhuidse waar elk woord, elk lied

immer uit voortgekomen is

 

in een van over zee, van over duinvalleien

en verstuivingen komend licht, dat alles verheldert

maar niets verklaart

 

Terwijl Tentije zijn gedicht voorlas dreven mijn gedachten weg naar de Franse uitgever Paul Otchakovsky-Laurens. Hij overleed op 2 januari, ver van huis en overzee, ten gevolge van een noodlottig verkeersongeval tijdens een vakantie in Marie-Galante op Guadeloupe. Hij was drieënzeventig jaar en van hetzelfde geboortejaar als Hans Tentije. Dat u lezer – er gemakshalve van uitgaande dat u een Nederlander of een Vlaming bent – hem niet kent (u hoort hierin een licht verwijt doorklinken) zou hém weinig hebben gedeerd. Paul streefde niet naar persoonlijke roem en was zeer onfrans in zijn bescheidenheid. Hij kwam zelfs enigszins timide over in het sociale verkeer. Ik heb hem tientallen malen ontmoet tussen najaar 1995 en afgelopen herfst, meestal op zijn paar vierkante meter in de stand waar de Franse literaire uitgevers zich op de Buchmesse in Frankfurt gemeenschappelijk presenteren of op zijn uitgeverij (P.O.L) aan de rue Saint-André-des-Arts in Parijs, in het kantoortje van (vroeger Frédéric Maria en nu al sinds vele jaren) Vibeke Madsen, die de buitenlandse rechten van P.O.L vertegenwoordigt. Daar schoof hij dan meestal na een kwartiertje ietwat aarzelend naar binnen met een espresso en (indertijd) een sigaret in de aanslag. Hij vulde schoorvoetend aan wat Vibeke over de nieuwe boeken te berde bracht, maar als hij eenmaal op stoom was gekomen, was er meestal geen houden meer aan. Dat alles speelde zich steevast af in een conversatie die afwisselend in het Engels (waarin ik mij iets bekwamer voelde) en het Frans (zijn talige comfortzone) geschiedde.

Paul Otchakovsky-Laurens raakte als éditeur bekend toen hij bij Hachette werkte waar hij een eigen reeks had onder de naam ‘Collection P.O.L’ en redacteur was van grootheden als Marguerite Duras en Georges Perec, van wie hij onder meer Het leven, een gebruiksaanwijzing uitgaf, een van de grote meesterwerken uit de twintigste-eeuwse literatuur. Getriggerd door de dood van zijn poulain Perec (1982) en geërgerd door de opgedreven rendementseisen van Hachette, richtte hij in 1983 uitgeverij P.O.L op. De letters vormen, voor wie het nog niet had opgemerkt, de initialen van zijn naam. In dat opzicht was hij dan weer zeer zelfbewust. Terecht, want ook onder volledig eigen vlag zijn onder zijn hoede schrijvers groot geworden. En enkele daarvan werden en worden door De Arbeiderspers uitgegeven: Emmanuel Carrère (zijn Sneeuwklas was een van mijn eerste buitenlandse acquisities), Robert Bober ( Nog nieuws over de oorlog?; Bober was primair documentairefilmmaker en heeft samen met Georges Perec een documentaire over Ellis Island gemaakt met een bijbehorend boek onder de titel Récits d’Ellis Island) en natuurlijk Marie Darrieussecq (auteur van onder andere Zeugzoenen, Je moet veel van mannen houden en Hier zijn is heerlijk, over de Duitse schilderes Paula Modersohn-Becker). Maar er waren en zijn nog zoveel andere auteurs die bij hem een solide onderdak vonden. Paul was een uitgever met een zeer brede smaak (de auteurs die hij publiceerde vallen bepaald niet onder één literaire of politieke noemer te vatten), maar op dat brede terrein was hij met zijn fijne neus voor stilistische kwaliteiten en zijn hang naar idiosyncratische verbeeldingswerelden zeer kieskeurig.

 

PAUL
Paul Otchakovsky-Laurens (c) Editions P.O.L.

 

Ik heb heel wat door Paul gerecommandeerde boeken gelezen en zeer gewaardeerd die we toch niet hebben uitgegeven. Of preciezer – die ik, bij een gevreesd gebrek aan Nederlandstalige lezers, niet heb durven uitgeven, maar waarvan ik ook geen afstand heb kunnen doen: Acné festival van Iegor Gran, een groteske roman over een paleontoloog die paradoxaal genoeg door een promotie op zijn werk in een bureaucratische maalstroom terechtkomt die hem te gronde richt; La Gloire des Pythre van de reactionaire Richard Millet, een omvangrijke rurale roman, spelend in de verste uithoeken van het Centraal Massief, die reminiscenties oproept aan John Bergers trilogie De vrucht van hun arbeid; of La Traversée de la France à la nage van Pierre Patrolin, een krankjorum, kolossaal boek (is het wel een roman?) waarin de hoofdpersoon (een ik-figuur) zwemmend van rivier naar rivier heel Frankrijk doorkruist. Een ongekende leeservaring! Al die boeken staan nog steeds in mijn boekenkast. Paul was ook de uitgever van, op z’n minst in Frankrijk zeer gerenommeerde schrijvers als Jean Rolin, Martin Winckler, Leslie Kaplan, Frédéric Boyer, Atiq Rahimi, Camille Laurens, Christine Montalbetti, Patrick Lapeyre en dozijnen anderen.

Paul Otchakovsky-Laurens werd – ik ontleen deze kennis grotendeels aan de krantenberichten die in Frankrijk na zijn dood gepubliceerd werden – op 10 oktober 1944 geboren in Valréas (in de Vaucluse) als zoon van de joods-Franse, uit Bessarabië (in het huidige Moldavië) afkomstige kunstschilder Zelman Otchakovsky. Toen Paul nog maar drie maanden oud was overleed zijn vader aan de gevolgen van een hartaanval en vertrouwde zijn moeder, een lerares Frans en klassieke talen, hem toe aan de zorg van een nicht, Berthe Laurens, wier achternaam hij adopteerde en toevoegde aan zijn eigen naam. Dat klinkt als een prille jeugd die ernstige en onuitwisbare schroeiplekken op de ziel moet hebben achtergelaten. Paul ontwikkelde zich (zoals het een uitgever in hart en nieren betaamt) in de allereerste plaats als een lezer, een verwoed lezer, een welhaast maniakale lezer. Er zijn foto’s waarop hij met een hele stapel manuscripten op schoot zit. Ik zag een filmpje waarin de karrevrachten aan hem gezonden manuscripten maltentig geordend op planken staan als betrof het een kostbare bibliotheek. In diverse berichten in Franse media naar aanleiding van zijn overlijden werd gememoreerd dat Paul in een interview in Le Monde afgelopen november heeft gezegd dat lezen (en vervolgens het uitgeven van boeken) in zekere zin zijn leven heeft gered. Hij legde daarbij een verband met het (seksueel) misbruik waarvan hij als dertienjarige slachtoffer is geweest. In Le Monde staat dat zo: ‘Publier les livres écrits par d’autres lui avait “sauvé la vie”. Victime à 13 ans d’un abus sur lequel il avait dû garder le silence, il avait réussi à s’exprimer par la voix d’écrivains: “C’est la solution que j’ai trouvée pour ne pas devenir fou, pour rester à peu près maître de ce que je faisais.”’

Toen het nieuws van zijn overlijden doordrong schreef Françoise Nyssen, de huidige Franse minister van cultuur en tot voor kort uitgeefdirecteur van Actes Sud (de Franse uitgever van onder anderen Anna Enquist, Abdelkader Benali en Cees Nooteboom): ‘Paul Otchakovsky-Laurens est mort. Très grand éditeur, découvreur de tellement de talents, la France lui doit la maison P.O.L. Ma tristesse est immense, j’ai perdu un ami cher, mes pensées vont à sa femme et à toute l’équipe P.O.L.’

Je maakt een overzeese vakantiereis en je komt dood thuis. Het is een feit, maar het is onbegrijpelijk. Of, onder verwijzing naar geciteerd gedicht van Hans Tentije, het licht van over zee verheldert alles maar verklaart niets. Het is een raadsel dat hij er ineens niet meer is. Ik ben snel geneigd te denken dat iedereen vervangbaar is, maar in zijn geval staat dat nog te bezien. P.O.L droeg in zeer sterke mate de signatuur van Paul Otchakovsky-Laurens. Het verlies daar moet aanvoelen als een amputatie van hoofd en hart. Zijn uitvaart was maandag 22 januari op Père Lachaise in Parijs. Ik kon daar niet bij zijn en daarom schrijf ik dit stuk.

Onze laatste ontmoeting, in Frankfurt, was een vluchtige. Omdat ik in september in Parijs al op de uitgeverij was geweest (en kort daarna de vertaalrechten kocht voor de nieuwe roman van Marie Darrieussecq, Notre vie dans les forêts) had ik op de Buchmesse geen afspraak met P.O.L. Vlak bij de Alte Oper stond ik op groen licht te wachten bij een breed zebrapad aan een drukke verkeersweg. Ik wandelde naar een paar afspraken in de Frankfurter Hof. Aan de overkant stonden Vibeke Madsen en hij te wachten, ongetwijfeld op weg naar de Messe, waar een paar uur later de Fransen, eregast van de afgelopen Buchmesse, hun openingsprogramma hadden. We zwaaiden naar elkaar en staken elkaar een hand toe bij het oversteken. Bonjour Paul, au revoir Paul.

 

otchakovskyenperec
Paul Otchakovky-Laurens met auteur Georges Perec bij een receptie van Hachette in 1978, ter ere van het winnen van de Prix Médicis. (D.R.)

 

 

Blog op WordPress.com.

Omhoog ↑