Zoeken

Nijssen Schrijft

De weblog van Peter Nijssen

Categorie

Uncategorized

Hoe Paulo Coelho dankzij Mata Hari en Abdelkader Benali tot eenentachtig talen kwam

15 oktober 1917, precies een eeuw geleden dus, werd Mata Hari (Margareta Zelle 1876-1917) in Parijs door een vuurpeloton om het leven gebracht nadat ze eerder schuldig was bevonden aan spionage voor de Duitsers (en hoogverraad aan de Fransen) en ter dood was veroordeeld. Afgelopen weekend opende in het Fries Museum in Leeuwarden (Mata Hari, de mythe en het meisje) de grootste Mata Hari-tentoonstelling ooit. Ruim een jaar geleden (7 oktober 2016) was ik in Leeuwarden, geboorteplaats van Mata Hari, om iets opmerkelijks te doen: het eerste exemplaar van de Friese editie van De spion, Paulo Coelho’s roman over Mata Hari, uitreiken aan nazaten van Mata Hari. In tachtig talen was Coelho’s werk al vertaald, maar nog nooit in het Fries. Nu dus wel. Eenentachtigste taal! De schrijver was ermee verguld. Hieronder de tekst van de toespraak.

U kunt zich ongetwijfeld voorstellen dat een uitgever die al een paar miljoen boeken van een auteur heeft verkocht, een beetje stiekem uitkijkt naar weer een nieuw boek van die auteur. En naar de nieuwe Paulo Coelho – want over hem heb ik het in dit geval – kijken wij altijd reikhalzend uit. Gemiddeld iets minder dan eens per jaar wordt reikhalzen beloond. Dan hebben we een nieuwe Coelho om te kunnen uitgeven, en zeker als het dan om een roman gaat weet je ook dat je een geheide bestseller gaat uitgeven.

Al ergens halverwege vorig jaar liet zijn agentschap weten dat er dit jaar een nieuwe roman zat aan te komen. Zijn agentschap, jawel. Paulo Coelho is zo’n beetje de enige schrijver ter wereld die (in Barcelona) een heel kantoor als agentschap voltijds alleen voor hem aan het werk heeft; maar we hebben het over een auteur die in meer dan 170 landen meer dan 210 miljoen exemplaren heeft verkocht, en ik weet niet eens of daar de roofdrukken bij zijn opgeteld.

We mailen en bellen veel met dat agentschap onder leiding van Mônica Antunes en we zien elkaar altijd minstens twee keer per jaar: op de boekenbeurzen van Londen en Frankfurt, en soms nog een keer tussendoor in Barcelona of in Amsterdam. Maar in april dit jaar bracht Mônica teleurstellend nieuws mee uit Londen. ‘Hij haalt het niet dit jaar. Het wordt 2017.’ Een maand later werd duidelijk dat het agentschap of Paulo Coelho zelf (dat weet je maar nooit) ons grandioos bij de neus had genomen.

Maar dan ook zo grandioos, dat ik niet aan de verleiding kan weerstaan om de mail die ik op 10 mei van Mônica ontving te citeren:

Dear Peter,

I am very pleased to inform you that Paulo’s new novel entitled A Espiã / The Spy will be published in Brazil and internationally later this year. The manuscript will be available by June. The extent of the novel is around 30,000 words. The plot is set in 1895 -1917 in Europe. Mata Hari writes to her lawyer on the eve of being executed at the age of 41 in France, during the First World War. A human legacy of her life written in first person. It is a fictional character based on a true story.

Een nieuwe roman. En tot onze grote verrassing over Mata Hari, eigenlijk Margaratha Zelle, meisje uit Leeuwarden, Friesland, Nederland, maar wereldberoemd geworden als Mata Hari! Wat ligt er dan meer voor de hand dan dat zijn Nederlandse uitgever ook een Friese editie op de markt brengt. Misschien had hij dat uiteindelijk ook wel zelf bedacht, maar omdat iemand hem voor was, hééft hij het niet bedacht.

Ere wie ere toekomt. Het was onze auteur Abdelkader Benali – als Berber geboren in het Marokkaanse Rif-gebergte, getogen in Rotterdam en literaire roem verworven in de hoofdstad – met wie ik begin juni op een avond ergens wat zat te eten en aan wie ik vertelde over de nieuwe roman van Paulo Coelho, die riep: ‘Nou, dan ga jij vast ook een Friese editie maken.’

Even keek ik hem aan alsof ik het in Keulen of Dokkum hoorde donderen. Maar al heel snel maakte zich iets euforisch van mij meester: ‘Wat een voor de hand liggend idee! Wat een in allerlei opzichten schandalig goed idee: publicitair, cultuur-historisch, maar ook voor Coelho zelf die er ontzettend mee in zijn nopjes was omdat het Fries de taal is van de geboortegrond van zijn hoofdpersoon en omdat hij er een nieuwe, eenentachtigste taal mee aan zijn palmares reeg.

Als ik het me goed herinner heb ik meteen de dag erna Ernst Bruinsma gebeld. Deze uitgever van de Friese uitgeverij Afûk kende ik al veel langer vanwege zijn vroegere activiteiten voor het Louis Paul Boon Centrum met wie De Arbeiderspers samen het Verzameld Werk van Louis Paul Boon bezorgt.

Ook die zag meteen het belang in van een dergelijke onderneming en vervolgens konden we, via zijn agent, Paulo Coelho verrassen met ons plan. Enige tijd overwoog hij om speciaal voor de lancering van de beide edities naar Nederland en Friesland te komen. Uiteindelijk bleek dat in deze periode net iets te veel van het goede. U moeten weten dat sinds half september wereldwijd inmiddels al meer dan twintig edities van De spion zijn verschenen.

Al met al was op deze manier binnen een paar dagen beklonken dat die Friese uitgave, die we hier vandaag het licht doen zien en die gebaseerd is op de Nederlandse vertaling van Piet Janssen, er zou komen.

Het belang van die Friese uitgave (zo duidelijk verschillend van de Nederlandse, ook om verwarring te voorkomen gezien de exact gelijke titel) kan achteraf gezien moeilijk gebagatelliseerd worden.

matahari.jpg

Dat heeft te maken met de Friese achtergrond van Mata Hari, maar ook met het feit dat  oktober 2017 herdacht wordt dat Mata Hari 100 jaar geleden in Parijs op beschuldiging van spionage voor de Duitsers ter dood is gebracht. Dat herdenkingsjaar zal nog veel meer gaan opleveren: een nieuwe biografie en een film, en dan hadden we al een opera/balletproductie van het Nationale Ballet die misschien nog wel internationale uitvoeringen gaat krijgen. De Arbeiderspers zelf komt in het voorjaar van 2016 met de vertaling van Pat Shipman’s baanbrekende biografie over Mata Hari onder de titel Femme fatale.

vdh9789029511520.jpg

In het licht van die herdenking en alle oplaaiende activiteiten eromheen is het wellicht ook geen toeval dat juist nu 48 brieven en 14 foto’s zijn teruggevonden. Voor het boek van Paulo Coelho komen die documenten te laat.

Maar voor De spion heeft hij zeer uitgebreide research gedaan om te komen tot een roman die – hoezeer fictie ook – sterk leunt op historische feiten en documenten. Dat neemt niet weg dat Paulo Coelho met die feiten soms een loopje neemt, maar dat doet hij dan steeds welbewust en vanuit de uitgesproken opvatting en intentie dat hij een roman over Mata Hari heeft willen schrijven.

Wie daaraan dan toch aanstoot neemt kan in elk geval één ding niet ontkennen: dat Paulo Coelho het in dit ontroerende boek in zekere zin enorm voor haar op neemt. En dat is iets wat over lang niet alles dat er vóór hem over Mata Hari is geschreven kan worden gezegd. Dit boek, om ten slotte een fragment van onze flaptekst te citeren (en daarmee ook de bedoeling van Coelho) ‘is het verhaal van een vrouw die de moed had zichzelf te bevrijden van het moralisme en het bekrompen burgerfatsoen van de vroege twintigste eeuw.’

 

Advertenties

Russische porno. Een literair-katholieke wandeling uit het hoofd

Het heeft niets met de herdenking van de Russische revolutie maar alles met Kolja, de nieuwe roman van Arthur Japin, te maken dat ik de afgelopen weken bijna dagelijks wel een keer aan ’t Rusland moest denken. Die gedachte is verbonden met een keten associaties: Kolja, Petersburg (waar een groot deel van die nieuwe roman over de gebroeders Tsjaikovski, de raadselachtige dood van Pjotr Iljitsj en een dove jongen, Kolja, over wie Modest, broer van de componist, zich ontfermde en die hij leerde spreken en liplezen, zich afspeelt), Hermitage, ’t Rusland, Japins roman Een schitterend gebrek en de literair-katholieke wandeling die ik de afgelopen jaren gemiddeld een keer of zes per week – want op sommige dagen heen en terug – maakte tussen metrostation Nieuwmarkt en het Spui. Maakte, want die wandeling is voorgoed verleden tijd sinds we met de Singel Uitgeverijen, waarvan De Arbeiderspers onderdeel is, zijn verhuisd naar de Weteringschans. Om die reden heeft mijn literair-katholieke wandeling plaatsgemaakt voor een wat rechtlijnige fin de siècle-promenade van metrostation Weesperplein naar de Weteringschans, die tevens over de Sarphatistraat, de Amstel en langs het Fredriksplein voert. Ik kan best enig begrip opbrengen – zeker als ik me in zijn tijd probeer te verplaatsen – voor ‘den man, die de Sarphatistraat de mooiste plek van Europa vond’ (zo wonderlijk was die kerel nou ook weer niet, meneer Nescio – de brede straat met zijn majestueuze bomen, geflankeerd door imposante herenhuizen, biedt de aanblik van een Parijse boulevard, een Amstel overstekend die zich daar weelderig uitstrekt, het Amstel Hotel zelfgenoegzaam tronend aan zijn rechteroever: je zou van minder onder de indruk kunnen raken), maar geef mij maar het stiefeltochtje over de grachtjes en steegjes van middeleeuws Amsterdam – die me dus ook over ’t Rusland deden gaan.

En vooruit, daarom, nog één keer dan. For sentimental reasons. En uit het hoofd. Van de Nieuwmarkt naar het Spui, een wandeling die ongeveer twaalf minuten beslaat.

vdh9789029509923

Metrohalte Nieuwmarkt
Nieuwe Hoogstraat
Om de hoek, in de Sint Antoniesbreestraat, Pantheon Boekhandel waar ik vaak kwam in de tijd dat ik, tussen 1992 en 1995, voor Vrij Nederland schreef en mijn kopij kwam inleveren of spullen kwam ophalen.

Zuiderkerkhof
Ik kan er niet overheen lopen zonder een korte gedachte te spenderen aan de mij beminde Jean-Paul Franssens. Jean-Paul woonde en werkte hier, tot aan zijn dood in 2003, in zijn huis met inpandig atelier op nummer een. En hij maakte er allerminst een geheim van dat hij daar woonde, getuige de titel van de eerste Privé-domein van zijn hand: Zuiderkerkhof 1.

hij maakte er evenmin

Hij maakte er evenmin een geheim van er af en toe de pest aan te hebben dat hij daar woonde: ‘Vannacht heb ik weer eens geen oog kunnen dichtdoen. Soms, als ik geluk heb, kan ik in één ruk doorslapen, maar o wee als het tegenzit, dan ben ik mooi in de aap gelogeerd. Schreeuwen en tieren voor mijn deur.’ […] ‘Junks, junks en nog eens junks bepalen het leven in de Nieuwmarktbuurt waar ik woon.’ (Zuiderkerkhof 1)

Als ik thuis aan mijn bureau gezeten, waar ik nu aan het schrijven ben, mijn ogen opsla kijk ik recht tegen een schilderij aan van Jean-Paul Franssens: figuur in een bootje meert aan bij een eiland met hoge torens en palmen die lijken te groeien op een mannelijk geslacht. Enfin, niet iedereen vindt het mooi. Ik wel.

zanddwarsstraat

Zanddwarsstraat
Zandstraat
Raamgracht
Daar, aan de overkant op nummer 4, kwam ik gedurende de eerste helft van de jaren negentig, vrijwel wekelijks om kopij in te leveren voor de ‘Republiek der Letteren’ (bij Carel Peeters en Diny Schouten) of, veel minder vaak (bij Joop van Tijn), voor kopij in de rest van het blad, dan wel om de nieuwste (literaire) roddels te vernemen, boeken op te halen en eventueel de enveloppe met tips van Jacco Groot voor ‘Ter Zake’ (in ruil voor een blijvende en permanente persoonlijke afwezigheid in die literaire rubriek) of voor een gang naar het archief van VN waar Martin Koomen meestal binnen de kortste keren voor je had gevonden wat je zocht.

kloveniersburgwal

Kloveniersburgwal
Als je vanaf de Raamgracht de Kloveniersburgwal oploopt en dan het bruggetje oversteekt, zie je links in de verte Hotel de l’Europe liggen. En als ik l’Europe zie liggen is er altijd even een vage notie aan Heere Heeresma en de keren dat ik daar met hem heb gezeten, en vooral aan die ene keer dat hij een geweldige trek had in erwtensoep. En waarom? Omdat hij die dag naar eigen zeggen een roomse reis had gemaakt. Al voor het ochtendkrieken had hij die stervenskoude dag zijn sponde moeten verlaten om vanuit zijn Noord-Groningse gehucht achter op een rammelende melkkar naar Groningen te reizen alwaar hij een uur op de trein had moeten wachten die hem vervolgens langs vele stations en met veel vertraging naar Amsterdam had gebracht.

Maar behalve met de lustig fabulerende Heeresma breng ik het hotel ook altijd in verband met Marcel Proust. In oktober 1902 maakte Proust een reis door de Lage Landen. Hij bezocht in Brugge een tentoonstelling van Vlaamse Primitieven en verbleef in Antwerpen, Dordrecht en Delft. Maar dus ook in Amsterdam, waar hij in het Hotel de l’Europe logeerde. Vandaaruit maakte hij een dagtochtje met een trekschuit naar Volendam en eveneens vandaaruit ging hij naar Den Haag om ‘Het gezicht op Delft’ van Vermeer te bewonderen. En naar Haarlem voor de Frans Hals collectie. De l’Europe beviel hem niet in alle opzichten. Aan zijn moeder schreef hij: ‘Het hotel is zo krankzinnig duur dat Fénelon de laatste paar dagen zijn maaltijden elders gebruikt heeft, om geen tien franc te hoeven betalen voor een eenvoudige maaltijd.’ (Marcel Proust, Brieven 1885-1906, Privé-domein nr. 105, vertaald door Joyce & Co.)

Nog een stuk daarachter, in zuidwestelijke richting – associatie vanwege Vermeer en Hals – ligt de Hermitage waar vandaag (6 oktober 2017) – een tentoonstelling met en over ‘Hollandse meesters’ opent. Maar de Hermitage (Amstelhof) was in Prousts tijd nog een verpleeghuis.

rusland

Rusland
Als je de brug over de Kloveniersburgwal bent overgestoken, beland je (daar is ie dan) op ’t Rusland. Het is een straat die misschien nog geen honderd meter lang is, maar toch is ze heel breed. Dat komt doordat op de ene helft ervan tot ergens in de zestiende eeuw de Raamsloot lag die vervolgens gedempt is. Ik heb altijd gedacht dat de naam van de straat verband hield met het Rusland ten tijde van tsaar Peter de Grote, die immers een periode in Nederland doorbracht, maar het heeft te maken met de naam van een straat op die plek die al voorkwam in een akte uit 1403, namelijk de Willen Ruusschentuin die langzaam via ’t Russeland tot de huidige naam is verbasterd. Overigens weten we nu door Kolja (uit interviews met Arthur Japin naar aanleiding van het boek) dat de rigide en geïnstitutionaliseerde Russische homovijandigheid door niemand minder dan diezelfde Peter de Grote destijds uit Amsterdam en omstreken is geëxporteerd naar Rusland, waar homofobie en erger ook onder Poetin welig tiert.

De veronderstelde link met Peter de Grote en de achttiende eeuw vindt zijn oorsprong in mijn brein misschien ook wel door de andere beroemde roman van Arthur Japin, Een schitterend gebrek, want daar is ‘t Rusland de straat waarin Lucia, de jeugdliefde van Giacomo Casanova, in 1758 woont (nadat ze eerder een tijdlang in het nabijgelegen spinhuis heeft moeten vertoeven). Een hernieuwde ontmoeting met Casanova (vele jaren na hun jeugdromance in Venetië en op een moment waarop hij haar niet meer herkent vanwege de verminking van haar gezicht door de pokken) speelt zich eraf:

‘Zo ook die avond waarvan ik heb verteld, toen de volwassen Giacomo de jonge voor mijn ogen doodde. Het gebeurde voor mijn eigen woning terwijl wij afscheid namen in de regen.

“Zij was een vrouw,” zei hij alleen. Dit was zijn verklaring voor het feit dat hij mij indertijd bij zijn terugkeer naar Pasiano in het voorjaar niet had aangetroffen.

“Zij was een vrouw.” Ik sloot de deur nog zonder iets te zeggen en luisterde daarachter hoe zijn voetstappen zich over ’t Rusland verwijderden.’

Wellicht in de richting van een van de mooiste gevels op ’t Rusland: die van een inmiddels al lang niet meer als zodanig functionerende drukkerij die er ten tijde van Lucia echter nog maar een jaar of zestien eerder zijn intrek had genomen. Op het fraaie houten afdak boven de begane grond prijkt een tekst waaruit blijkt dat de drukker, waarvan de naam mij is ontschoten, er sinds 1742 gevestigd is en voordien zetelde in de Warmoesstraat.

oudezijdsachterburgwal

Oudezijdsachterburgwal
Sint Agnietenstraat
Aan de namen van de straatjes kan je horen dat het Oudezijdsgedeelte van Amsterdam veel katholieke restanten telt.

Oudezijdsvoorburgwal
Op dit fraaie en rustige stuk (zie de foto) is de wal volkomen vrij van bierkaai, seksshop en drugstoerist.
makelaarsbruggetjes

Makelaarsbruggetje
Rijksmonument van gietijzer uit de late negentiende eeuw. Gebouwd door tabaksmakelaar Frits Olie omdat hij een kortere route wilde tussen de kantoren van de tabakshandelaren aan de oneven kant van de Oudezijds Voorburgwal en de tabaksveiling, die toen plaatsvond in Frascati aan de Nes.

sint barbarenstraat

Sint Barberenstraat
Nes
De straat waar Gerbrand Adriaenszoon Bredero’s geboortehuis heeft gestaan. Het huis naast dat van Bredero was het trefpunt van rederijkerskamer d’Egelantier. Toen Bredero er in 1585 geboren werd, huurde de familie dat huis net een jaar. Ze bleven daar wonen tot 1602, toen zijn vader, die blijkbaar enig fortuin had gemaakt, een huis kocht aan de Oudezijdsvoorburgwal, waar Bredero zijn verdere leven heeft gewoond. Een ras Amsterdammer dus die zijn Spaanschen Brabander de Amsterdammers niettemin als volgt liet typeren: ‘’t Is wel een schoone stad, moor ’t volcxken is te vies.

En geloof het of niet (ik heb de kennis uit de eerste hand), maar ook de voorzaten van Arthur Japin, hugenoten, woonden in dit stuk van Amsterdam. Toen Lodewijk XIV de geloofsvervolgingen hernieuwde en verhevigde vluchtte François Japin naar Amsterdam. Eind 1685 vestigde hij zich als poorter in de Nes tegenover De Stad Lyon, een logementsherberg. De Japins werden actieve leden van de Waalse kerk aan de Oudezijdsachterburgwal.

kalfsvelsteeg 

Kalfsvelsteeg
Rokin
Daar waar het water het rak in loopt (nou ja, liep) en waar ik al wandelend op uitkom zo’n beetje ter hoogte van tabakswinkel Hajenius waar (in elk geval) Koos van Zomeren bij een bezoek nog weleens sigaren wilde aanschaffen alvorens naar Woerden of Arnhem terug te keren.

Waterstraat
Beland op het terrein van de Stille Omgang, de processie door de oude Amsterdamse binnenstad ter herdenking van het hostiewonder in de Kalverstraat uit 1345 (zoek dat verder zelf maar op).

Kalverstraat
Ook hier of althans rond de door toeristen en dagjesvolk overspoelde koopgoot van Amsterdam, speelt zich een scène uit Een schitterend gebrek af. Kennelijk opereerden de prostituees in de tweede helft van de achttiende eeuw aan die kant van de wallen: ‘Een van hen joelde dat hij zijn twee stuivers terug wilde wanneer de hoeren zich gedeisd bleven houden. Een ander viel hem bij door te roepen dat hun zusters op de kruisbaan een stuk minder lui waren en in de stegen van de Kalverstraat al klaar stonden om passanten voor datzelfde geld “een handje” te geven.’

Begijnensteeg
Precies daar, in de steeg met die devote klank, bevindt zich een van de vermaardste (literaire) kroegen van de stad met een van de meest tot de verbeelding sprekende namen: de Engelsche Reet, ofte wel (maar niemand die het zo noemt) De Pilsener Club. Je drinkt er inderdaad zeer goede pilsen uit solide vaasjes, er zit altijd wel een schrijver op een van de krakkemikkige stoelen aan een van de verschaald ogende en riekende tafeltjes (een kroeg dus naar het hart van Midas Dekkers) en wij – ik bedoel mijn collega’s van de Singel Uitgeverijen en ik – erkenden dit café een kleine twee jaar als onze stamkroeg. En wij hadden aan een half woord genoeg. Wij gingen naar de Reet, wij gingen steevast Reetwaarts. Vroeger, tot aan zijn dood, sprak ik er altijd en op diens aandringen met Paul Marijnis af als die uit Leiden naar Amsterdam kwam, maar hij kende dan ook de reputatie van de Engelsche Reet en van het literaire gehalte ervan sinds Slauerhoff en anderen. Het is dus geen toeval dat ik er tegenwoordig al een paar keer met Wim Hazeu (de biograaf van) heb afgesproken.

Gedempte Begijnensteeg
Spui
Eindstation of startpunt al naar gelang de looprichting. Plein van het Maagdenhuis, het lieverdje, Athenaeum Boekhandel, Café De Zwart, Grand Café du Luxembourg, Waterstone’s en  hoe-heet-die-andere Engelse boekhandel ook alweer. Enfin, noem maar op. Maar ook van (zie de foto) het Afrikahuis, waar in de jaren zeventig en tachtig nog boekhandel Scheltema gevestigd was en thans Esprit. Maar dáár, in datzelfde Afrikahuis op de vierde en vijfde verdieping, zaten wij – Nijgh & Van Ditmar, Querido, Athenaeum, De Geus, Uitgeverij Q, Brave New Books, Querido Academie en De Arbeiderspers – tussen 1 januari 2015 en 1 mei 2017. Toen we er net onze intrek hadden genomen hoorden we via-via dat onze twee verdiepingen een tijdlang leeg hadden gestaan, maar dat er daarvoor een Russisch bedrijfje in had gehuisd. Een producent van pornofilms. Russische porno aan het Spui. Rusland en seks – daar is dit verhaal toch een beetje op uitgelopen. Was niet echt de bedoeling.

spui.jpg

 

 

Bescheidenheid die zijn beslag krijgt in een steegje. Jan Eijkelboom topografisch vereeuwigd in Dordrecht

Nog afgezien van het feit dat Dordrecht zelf de grandeur mist voor een boulevard, zou zo’n brede weg Jan Eijkelboom misstaan hebben. Met zoiets pompeus zou hij beslist nooit in verband hebben willen worden gebracht. Maar het is sympathiek dat de stad, negen jaar na zijn dood, nu wel een straat naar hem vernoemd heeft. Nu ja, een straat. Nee, ook geen straat of laan of singel. Een steeg, pardon een steegje – er valt nauwelijks iets te bedenken dat in topografisch opzicht van nog meer bescheidenheid getuigt.

20170709-Jan-Eijkelboom-Dordrecht-Tstolk

Het Jan Eijkelboomsteegje werd eerder deze maand, op een regenachtige vrijdagavond en desondanks bijgewoond door veel publiek, onthuld in aanwezigheid van de weduwe van de dichter, Roelien de Melker, zijn familie en enkele hoogwaardigheidsbekleders van de stad. Het Jan Eijkelboomsteegje, op initiatief van de PvdA Dordrecht en het Dordts Museum tot stand gekomen, ligt tussen de Museumstraat en het Vest. ‘Het steegje wordt sfeervol uitgelicht,’ meldde de plaatselijke gazet, ‘en er staan banken en stoelen waar naar gedichten van Eijkelboom geluisterd kan worden.’ Of dat nu nog steeds zo is, is me niet helemaal duidelijk. Maar in ieder geval werd er tijdens de opening behalve door onder andere cultuurwethouder Piet Sleeking door Roelien en zoon Kors gesproken. Een gedicht van Jan Eijkelboom over Albert Cuyp siert een van de muren in het naar hem vernoemde steegje.

Toen Jan Eijkelboom (1926-2008) overleed, schreven we deze necrologie.

Zijn snelle vertrek veroorzaakt een haast
onmerkbaar maar meewarig schudden
van de voorjaarsnatte heg
[J. Eijkelboom]

Tot zover heette de bundel waarin Jan Eijkelboom (J. Eijkelboom luidde officieel zijn naam als dichter) in 2002 het merendeel van zijn tot dan toe geschreven gedichten bundelde. Gisteren, 27 februari, overleed hij, vrij onverwachts in zijn woonplaats Dordrecht. Op 1 maart had hij zijn 82ste verjaardag zullen vieren.

Met het heengaan van Jan Eijkelboom verliest de wereld een uiterst beminnelijk mens met een fijnzinnige en bedachtzame ironie. De Nederlandstalige literatuur verliest een auteur die zowel in de literaire kritiek als onder het lezend publiek altijd op grote waardering heeft kunnen rekenen. Hij begon weliswaar pas op zijn vijftigste gedichten te schrijven, maar zijn debuutbundel Wat blijft komt nooit terug (1979) leverde hem meteen een breed publiek op. De bundel werd veelvuldig herdrukt en maakte de weg vrij voor een gestage stroom van nieuwe bundels in de loop der jaren. De gouden man (1982), De wimpers van de dageraad (1987), Kippevleugels (1991), Hora incerta (1993), Het lied van de krekel (1996) en Het arsenaal (2000) werden samen met zijn debuut gebundeld in Tot zover. De meeste gedichten, een soort verzameld werk dat door Eijkelboom zelf als niet meer dan een tussenstand werd gezien. Dat hij nog lang niet was uitgeschreven mocht wel blijken uit het feit dat – nog exclusief bibliofiele uitgaven her en der – ook in de laatste zes jaar drie nieuwe bundels van zijn hand verschenen: Heden voelen mijn voeten zich goed (2002), Binnensmonds jubelend (2004) en Een olifant met geheugenverlies (2005).  Eijkelboom is een dichter die zijn aanvankelijke toon en thematiek (precieze toegankelijke gedichten over existentiële onderwerpen als dood, verlies, liefde en erotiek) trouw is gebleven, en dat zal ook wel te maken hebben met het feit dat zijn poëtica al jaren had liggen rijpen eer hij debuteerde. Zijn poëzie kenmerkt zich door een epicuristische bescheidenheid, een vitaal soort berusting en een nuchtere vorm van nostalgie. Zij is lichtvoetig maar op het niveau van de techniek, de prosodie, klank en ritme o zo geraffineerd, zij is verstaanbaar maar allerminst eenvoudig. En ze is rijk aan paradoxale, ironische en onvergetelijke regels die langzaam tot het collectieve geheugen zijn gaan behoren:

Doodgaan behoort tot het zeer weinige
dat niet zou mogen. Toch
wordt het veel gedaan

Of:

O, dat ik ooit nog eens
een vers met o beginnen mocht 

Of:

Zo oud als toen hoop ik nooit meer te worden

En hetzelfde geldt voor de titel van die eerste dichtbundel: Wat blijft komt nooit terug.

Jan Eijkelboom werd geboren in Ridderkerk en was voordat hij zich wendde tot het vertalen en schrijven van poëzie lange tijd werkzaam als journalist voor o.a. Vrij Nederland (waar hij later adjunct hoofdredacteur werd) en Het Vrije Volk. Als militair was hij aanwezig bij de politionele acties in Indonesië, eind jaren veertig. Zijn ervaringen aldaar verwerkte hij in de verhalenbundel Het krijgsbedrijf (2000). Na zijn terugkeer uit Indonesië studeerde Eijkelboom enkele jaren Engelse taal- en letterkunde en politicologie alvorens hij in de journalistiek verzeild raakte.

Zijn literaire werk is meermaals bekroond. Voor De gouden man werd hem in 1983 de Herman Gorterprijs toegekend, in 1994 kreeg hij voor zijn hele oeuvre de Anna Blamanprijs en in 2003 ontving hij de Jan Campertprijs voor Heden voelen mijn voeten zich goed. Voor het gedicht ‘Rafels’ uit de bundel Het arsenaal ontving hij de Gedichtendagprijs 2001.

Opmaak 1

Het overgrote deel van zijn oeuvre verscheen bij Uitgeverij De Arbeiderspers, en daarom lag het ook voor de hand dat daar in 2012 de Verzamelde gedichten (samengesteld door Kees van ’t Hof) verschenen. Een pil van 560 bladzijden in een prachtige om de vormgeving (door Steven van der Gaauw) bekroonde uitgave. Daar was Jan Eijkelboom zelf niet meer bij. Hij zou het allicht te veel, te compleet, te monumentaal hebben gevonden. Enfin, hij heeft nu zijn steegje.

Het vlijmscherpe gevoel voor stijl

Donderdag 7 september werd de eerder die week overleden Theo Sontrop, oud-uitgever van De Arbeiderspers, begraven op het kerkhof van Vlieland, het eiland waar hij de laatste twintig jaar van zijn leven heeft doorgebracht. In de aangrenzende zeventiende-eeuwse Nicolaaskerk was een dienst, bijgewoond door een delegatie van enkele tientallen uit de literaire wereld en een deel van de dorpsgemeenschap. Dominee sprak er, op verzoek van Sontrop, over ongelovigheid. Ook vriend en oud-collega Maarten Asscher voerde het woord. Jean-Pierre Rawie las een gedicht en Sontrops geliefde Els Bouwman (door hemzelf tientallen jaren steevast zijn maîtresse-en-titre genoemd) had het laatste woord. Zij memoreerde hoe Sontrop met zorg en liefdevolle aandacht werd omringd door de verpleegsters in verzorgingshuis de Uiterton (een plek waar hij niet terecht wilde komen maar waar hij niettemin zijn laatste dagen doorbracht) en daarvan danig onder de indruk was: ‘Wat is doodgaan toch mooi.’ De hilariteit was groot toen Els sprak te willen eindigen met een belofte die ze Theo lang geleden had gedaan. ‘Ik moest tegen jullie zeggen dat hij een geweldige minnaar is geweest.’ Aan gene zijde zat de oude sater schuddebuikend te gniffelen.

Hieronder de tekst van de door mij gehouden toespraak in de kerk in Vlieland.

Zo’n twintig jaar heeft hij, ver weg van het stadsgewoel en betrekkelijk anoniem, op dit eiland vertoefd: dat excentrieke boekenmannetje woonachtig aan de Champs Elysées van Vlieland. Maar tussen eind jaren zestig en halverwege de jaren negentig was dat mannetje in brede kringen een beroemdheid. Van 1972 tot 1991 was hij uitgever – literair uitgever – van De Arbeiderspers in een tijd dat zulke lieden nog aanzien hadden. En met Geert van Oorschot en Geert Lubberhuizen behoorde hij tot de allerbeste en meest karakteristieke uitgevers. Dat hij een legende werd kwam ook doordat hij abrupt van het toneel verdween. En op Vlieland vond hij een lege plek om te blijven.

Want wie kende Theo Sontrop niet in die jaren? De geestdriftige uitgeefkabouter met het bronzen stemgeluid, die overal op de grachtengordel kon worden aangetroffen, met jaspanden vol kwinkslagen en bon mots. En wie hem daar niet in de literaire kroegen of boekhandels tegenkwam, die hoorde hem op de radio of trof zijn naam aan bij citaten of verwijzingen in kranten en bladen.

Ik was nog maar net afgestudeerd toen Theo – achteraf bezien – al fin de carrière was. Maar ook ik kende hem, niet verwonderlijk voor iemand die in de literaire journalistiek opereerde en hem aldus weleens tegenkwam op Vers voor de Pers of bij een boekpresentatie. Maar samengewerkt met Theo heb ik nooit, want toen ik bij De Arbeiderspers in dienst trad, halverwege 1995, was hij daar al een paar jaar weg. Martin Ros, met wie hij een illuster duo vormde, was daar toen nog wel, en ik heb me bijzonder met hem geamuseerd, maar samenwerken in combinatie met Martin Ros, dat is een contradictio in terminis. Ik weet niet hoe samenwerken met Theo zou zijn geweest, maar hoeveel redacteuren en uitgevers er ook kwamen en gingen, paradoxaal genoeg ben ik altijd juist met hem contact blijven houden. Na verloop van tijd hij trouwens ook met mij, want eens in de pakweg drie maanden belde hij me op, strooide een confetti van vileine oneliners en vuige roddels door de phoon, debiteerde tussendoor zijn keur van leeservaringen (met altijd een paar goeie tips) om vervolgens uit de AP-oogst van de afgelopen maanden wat titels op te vragen die hem interesseerden.

Toch duurde het, toen ik net bij AP begonnen was, even voor ik zijn vertrouwen had gewonnen. En niet alleen omdat ik dertien centimeter langer was dan hij. Het was ook omdat ik was aangesteld door degenen die hem eruit hadden gewerkt. In de paar jaar die hij toen nog in Amsterdam vertoefde troffen we hem geregeld in een van de kroegen rond Athenaeum Boekhandel, vaak De Zwart, kijvend op de ‘managèrs’ die hem het leven zuur hadden gemaakt. Maar ook in die wat gekwetste conditie was hij nog altijd goed voor stapels wisecracks en woordspelingen en had hij de lachers op zijn hand. Ik herinner me dat ik, niet lang voordat hij naar Vlieland vertrok, met collega Aart Aarsbergen bij hem op bezoek was in zijn woning aan de Keizersgracht vanwege kwesties betreffende het verzameld werk van F.B. Hotz, toen er naar een asbak werd geïnformeerd (of misschien was hij er als kettingroker zelf naar op zoek). Waarna Theo: ‘You want an ashtray? My dear, the whole house is an ashtray!’ Om vervolgens te verklappen dat Mary McCarthy dit na een soortgelijke vraag tegen Cees Nooteboom had gezegd toen die haar begin jaren zestig in haar huis in New York interviewde voor de Avenue. Dit is een voorbeeld uit duizenden. En de eerlijkheid gebiedt te zeggen: van die duizenden kwamen er tientallen met regelmaat terug. Want Theo beschikte over een repertoire, dat overigens telkens weer werd aangevuld.

Zijn betekenis voor De Arbeiderspers reikt echter een stuk verder dan het effect dat hij als onbezoldigd cabaretier had. Toen hij daar begin jaren zeventig als uitgever aantrad was het een ietwat vermolmd socialistisch bolwerk met een handvol literaire auteurs (onder wie Louis Paul Boon en Simon Carmiggelt) en een ratjetoe van soms non-descripte boeken in vele andere genres, inclusief de oeverloze verzameling onder de imprint Wetenschappelijke Uitgeverij. Maar in de loop van dat decennium boog Theo het uitgavenbeleid op eigenzinnige wijze om in sterk literaire richting en kreeg het huis met die naam die zo weinig esthetiek oproept zijn voorname klank. Onder zijn leiding debuteerden succesauteurs als Maarten ’t Hart, F.B. Hotz, Tessa de Loo, Boudewijn Büch, Geerten Meijsing, Joost Zwagerman en Anna Enquist en kwamen grote namen als Cees Nooteboom en Jeroen Brouwers de rangen versterken. En mede door zijn toedoen kreeg Privé-domein, dat al sinds 1966 bestond, zijn prestigieuze karakter door schitterende delen toe te voegen van Gustave Flaubert, Stefan Zweig, Fernando Pessoa, Georges Perec en vele anderen. Een poëziefonds kende De Arbeiderspers tot zijn komst hoegenaamd niet. Maar daarin kwam snel verandering. Theo heeft dat zeer herkenbare fonds gestalte gegeven met door hem ontdekte dichters als Jan Eijkelboom, Rob Schouten, Ed Leeflang en Eva Gerlach. Ook Herman de Coninck voegde zich aan het eind van het Sontrop-tijdperk nog bij die inmiddels illustere rij. Dat alles dankzij zijn vlijmscherpe gevoel voor literaire stijl en kwaliteit en voor teksten van een bijzondere zeggingskracht.

Maar op die kwaliteiten wilde Theo zich, toen hij eind jaren negentig op Vlieland ging wonen, niet meer laten voorstaan, of in elk geval had hij er, met iets van desillusie in het hart, geen boodschap meer aan. Hij bleef vrijwel permanent op het eiland in splendid isolation, tuinierend, boeken verslindend als nooit tevoren en halsstarrig pipo (dat wil zeggen vitaal) blijvend, en hij kwam dus nog maar zelden, zoals hij dat noemde, ‘aan wal’. Een of twee keer per jaar maakte hij een stedentripje, iets wat we niet eens zouden hebben geweten als we geen ansichtkaarten van hem hadden ontvangen uit Praag, Parijs, Boedapest, Riga of Lissabon.

In al die twintig jaar ben ik er niet in geslaagd hem zijn memoires te laten schrijven (dat die in verkorte vorm toch nog, opgetekend door Onno Blom, in een hors concours Privé-domeintje onder de titel De conversationalist, bij AP verschenen, is vooral Onno’s verdienste van hardnekkig volhouden), en maar een paar keer is het me gelukt hem voor iets AP-feestelijks van het eiland te lokken, de laatste keer toen we het Het gedicht gebeurt nu, het verzameld werk van Eva Gerlach, ten doop hielden. Idem voor wat betreft verzoeken om bescheiden letterkundige bijdragen (ook niet voor het 80-jarig jubileumfeest). Slechts één keer heeft hij een uitzondering gemaakt, en wel voor de bundel Feestelijk verval ter gelegenheid van de zeventigste verjaardag van Dirkje Kuik. Tussen Kuik en Sontrop zat een (Utrechtse) band die veel verder terugging dan zijn uitgeverstijd. Theo zou wat insturen. Er werd een deadline overschreden. En nog een. En nog een, en zelfs toen het hele boek persklaar bij de drukker lag en er voor Theo een lege bladzij was gereserveerd omdat zijn bijdrage ‘geheid en zeker’ tijdig zou arriveren, hadden we nog steeds geen kopij.  Zodat de bijdrage van Th. A. Sontrop – een uniek geval – een lege bladzij is. Een laatste Arbeiderspesterijtje? Ik denk het niet. Luiheid heeft hij het zelf weleens genoemd, maar ik denk dat het eerder (en daarmee verwant) te maken heeft met het ambivalente gevoel dat alles ijdelheid is en het najagen van wind. Besef van de ondraaglijke lichtheid van het bestaan. Daarvan is die witte bladzij de perfecte uitdrukking. Een lege plek om te blijven. Of subliemer nog: de invulling van het hoogst haalbare, namelijk Mallarmé’s streven naar het totaal witte, volkomen lege gedicht. Het streven naar niets dat daarmee de uitdrukking van alles is.

In de literaire wereld – en bij De Arbeiderspers in het bijzonder – wordt de dood van Theo Sontrop betreurd. Wij bouwen – zij het niet klakkeloos – voort aan wat door hem is neergezet en we hopen dat dit niet onopgemerkt blijft.

 

 

Theo Sontrop (1931-2017)

In De conversationalist liet Onno Blom Theo Sontrop aldus beginnen aan zijn met veel bon mots en vileine kwinkslagen opgediende herinneringen: ‘Ik hoop dat mijn vijanden opschrikken als ze dit lezen. Is die nu nóg niet ex-pipo, de pijp uit? Nee, beste mensen, ik besta.’

De conversationalist, bij De Arbeiderspers verschenen als Privé-domein hors concours ter gelegenheid van de jaarwisseling 2014-2015, bevatte de (voornamelijk literaire) memoires die Sontrop, uit een moeilijk te duiden mengeling van gemakzucht en weerzin, zelf nooit had willen opschrijven. Uit de uitgave kwam ook duidelijk naar voren dat zijn leven zich sinds 1997 hoofdzakelijk afspeelde op Vlieland, ver weg van de inmiddels door hem vermaledijde uitgeverswereld en (dus) ver weg van Amsterdam waar hij tussen 1972 en 1991 directeur-uitgever was van De Arbeiderspers. Theo Sontrop was aldus een van de gezichtsbepalende figuren in het literaire leven.

Zondagmiddag 2 september overleed Sontrop en kwam er een einde aan die toestand waarin hij, genietend van een rustig eilandleven, tuinierend en boeken verslindend als nooit tevoren, pipo bleef. Zijn dood is een feit dat in uitgeverskringen – hoezeer hij die zelf ook de rug had toegekeerd – zeer wordt betreurd.

Theo Sontrop, 86 jaar geworden, was een van de laatste nog levende legendarische uitgevers. Voor De Arbeiderspers is hij van onschatbare betekenis geweest. Bij zijn aantreden in 1972 was het een uitgeverij met een handvol literaire auteurs zonder veel cachet. Onder zijn leiding kwamen of debuteerden succesauteurs als Maarten ’t Hart, Boudewijn Büch, Jeroen Brouwers, F.B. Hotz, Cees Nooteboom, Tessa de Loo en Anna Enquist, werden grote buitenlandse schrijvers als Paul Auster, Patrick Modiano en José Saramago binnengehaald en kreeg de reeks Privé-domein (met figuren als Flaubert, Zweig, Pessoa, Cioran en vooral heel veel tot dan toe onbekende Fransen) zijn prestigieuze karakter. Sontrop, ook een meer dan verdienstelijk zij het matig productieve dichter, is terecht altijd geprezen om zijn vlijmscherpe gevoel voor literaire stijl en voor teksten van een bijzondere zeggingskracht.

De Arbeiderspers is met zijn tijd meegegaan maar voelt zich onverminderd schatplichtig aan de traditie die door Sontrop is opgebouwd en doet zijn best die in ere te houden.

Poëzie als overlevingsstrategie. Over ‘De boom valt op mij’ van Ilse Starkenburg

Op een enkele uitzondering na is De boom valt op mij, de vijfde bundel van Ilse Starkenburg, heel goed ontvangen. Het was haar eerste bundel in tien jaar. Het valt natuurlijk onmogelijk te bewijzen maar het zou best eens kunnen dat er een verband bestaat tussen dat lange stilzwijgen en die uiterst welwillende ontvangst. Daar zit een zelfkant aan (reculer pour mieux sauter) maar ook een andere kant. Laat de lezers (en mutatis mutandis de literaire kritiek) maar eens honger krijgen. Des te meer komt men een volgende keer aan zijn trekken.

Om er hier een paar (van die recensies) kort te noemen: Dieuwertje Mertens in Het Parool waardeert de gedichten van Starkenburg weliswaar positief, maar De boom valt op mij ziet ze al met al als een verzameling ‘fijne, gedegen, dromerige gedichten, die soms een verwijzing naar de filosofie of de literatuur bevatten en regelmatig eindigen met een twist of een grapje. […] De gedichten zijn aangenaam en vertrouwd als een eerste lentedag.’ Vreemd hoe iemand deze poëzie kan lezen als vooral aangenaam en ongevaarlijk.

Tot een heel andere conclusie – en mijns inziens eentje waarmee de vinger beter op de zere plek wordt gelegd – komt Janita Monna in Trouw, in een recensie waaruit overigens eveneens vooral waardering spreekt: ‘Achter dit soort lichte twinkelingen’ – Monna wijdt uit over een gedicht waarin vrolijkheid en humor weerklinken – ‘schuilt veel eenzaamheid. Dat gevoel probeert de dichter op de staart te trappen. Het ene moment laat ze zich er volledig door meeslepen. […] Om elders tot het nuchtere besef te komen dat échte eenzaamheid voor een ander onzichtbaar blijft.’

In soortgelijke bewoordingen laat ook Maria Barnas in de Volkskrant zich erover uit: ‘Starkenburg veroorzaakt met ultieme beheersing een verpletterend besef van eenzaamheid, schijnbaar achteloos en met de lichtste aanraking van het woord.’

Het scherpst in dat opzicht – dat van de (h)erkenning van angst en eenzaamheid als grondthema in het werk van Ilse Starkenburg – verwoordt Mario Molegraaf het in het tijdschrift Lychnari. Verkenningen in het Griekenland van nu, in een artikel waarin hij meteen maar het hele oeuvre van Starkenburg (vijf dichtbundels en een verhalenbundel) erbij betrekt: ‘Gedichten als noodsignalen, als afgeschoten vuurpijlen. Hier ben ik, een teken van mijn eiland. Of maak ik te veel psychologie van de poëzie van Ilse Starkenburg?’

Ik denk dat je – mits met verstand en niet al te veel koude grond bedreven – niet genoeg psychologie kunt maken van de poëzie van Ilse Starkenburg. In ieder geval heb ik me er ook zelf ‘schuldig’ aan gemaakt toen ik in april jongstleden de onderstaande woorden sprak tijdens de presentatie van de bundel op de met grote voorsprong kleinste podiumplek van Nederland, het Torpedo Theater in de Sint Pieterspoortsteeg in Amsterdam, een theater met een heuse bühne en een voorhang, een bar en zelfs een balustrade (al gaat het in praktische zin om een trompe l’oeil) dat nauwelijks de ruimte van een iets meer dan gemiddelde woonkamer overstijgt. (Er waren daar in het Torpedo Theater trouwens ook optredens van de dichters Peter Swanborn en Anne Büdgen alsook uiteraard van Ilse Starkenburg zelf, het zij gezegd.)

Ilse_Starkenburg_2 001

Hier wordt vandaag op glorieuze wijze een stilte verbroken. Misschien moest daar eerst met enig geweld een boom voor worden geveld, een barricade voor worden doorbroken, misschien moest er tijd verstrijken. Dat laatste is in elk geval wel gebeurd sinds de verschijning van Gekraakt klooster, de vorige bundel van Ilse Starkenburg.

Tien jaar is dat geleden! Tien jaar om van Gekraakt klooster naar De boom valt op mij te gaan. Maar wie Ilse Starkenburg wat beter kennen weten dat het allerminst zo is dat er in die tien jaar niet gewerkt is, niet geschreven, niet geleefd. Er is een hoop gebeurd, al voert het wat ver om te beweren dat dit ook allemaal verwerkt is in deze nieuwe bundel. Ilse Starkenburg is niet een autobiografisch dichter, al zouden we het desondanks eens kunnen zijn met schrijver en criticus Tim Parks wanneer die, in het onlangs in Nederland verschenen De roman als overlevingsstrategie beweert dat stijl, tekstsoort en de manier van vertellen samen de overlevingsstrategie vormen die de auteur – álle auteurs van álle literaire teksten – ontwikkelt als reactie op spanningen in zijn of haar persoonlijke leven.

Tussen 1990 en 2007 verschenen van Ilse Starkenburg vier andere dichtbundels en een verhalenbundel bij De Arbeiderspers. En daarna dus – nogmaals – tien jaar niets. Alleen al daarom vind ik de verschijning van De boom valt op mij een belangwekkende gebeurtenis. Nu ik twee derde van haar oeuvre als redacteur heb begeleid is het wellicht interessant om eens na te gaan, hoe ik haar werk in die afgelopen twintig jaar gezien heb. Ik kan het niet beter doen dan door naar de flapteksten te kijken, want die heb ik immers (zo goed als) zelf geschreven.

Over de verhalenbundel De blinde vlek op de kaart (1998) schreef ik dat daarin ‘kleine, alledaagse voorvallen het uitgangspunt vormen, maar door de manier van kijken van de hoofdpersonen, en doordat zij niets als vanzelfsprekend ervaren, neemt dit alledaagse vaak zeer onalledaagse proporties aan’. Die verhalen werden in 2003 gevolgd door een derde bundel, in plaats van alleen. Daar meldt de flaptekst dat ‘een verlangen naar werkelijkheid, naar contact met de dingen een van de terugkerende motieven’ is. ‘Haar poëzie, bedrieglijk eenvoudig vanwege haar directheid, is in diepste wezen anti-hermetisch. Een gesloten wereld met bijbehorende geheimtaal, is hier slechts vertrekpunt. Het oogmerk is niet tot een gedicht te komen dat de werkelijkheid vervangt, maar juist tot één dat die werkelijkheid ontsluit.’

Gekraakt klooster (2007) bevat nog wel een flaptekst maar blijkbaar hadden wij – Ilse en ik – samen besloten dat we het daarin niet weer over de thematiek en het wezen van haar werk moesten hebben (die immers niet wezenlijk was veranderd) maar dit keer vooral over de wapenfeiten. Dat haar werk in allerlei prestigieuze literaire tijdschriften verschijnt, dat het veel in (niet minder prestigieuze) bloemlezingen wordt opgenomen, dat het met stipendia en nominaties voor belangrijke prijzen was beloond.

En nu, vandaag, kunnen we constateren, dat dat een point of no return blijkt te zijn geweest, want De boom valt op mij heeft helemaal geen flaptekst meer. Geen blurb, geen bio, geen biblio, geen wapenfeiten, geen inhoudelijk tekstje (nog geen regel). Niks! Om met Jules Deelder te spreken: ‘geen klote, geen donder, geen reet’. Het moest maar eens voor zichzelf gaan spreken, die poëzie van Ilse Starkenburg, vond Ilse Starkenburg, en daar ging ik volledig in mee. Dat wil zeggen: voor de flaptekst.

Want we hebben natuurlijk altijd nog de prospectustekst achter de hand. Daar staat naar aanleiding van De boom valt op mij het volgende: ‘Vanaf haar debuut Verdwaald ontwaken werkt Ilse aan een dichterlijk oeuvre waarin verlangen naar aanwezigheid en contact met de ander constanten zijn. Haar gedichten zijn evenzovele pogingen om een voortdurend sluimerend dan wel concreet isolement te doorbreken. […] Ze doet dat in een taal die zich meer dan ooit beperkt tot de essentie en als zodanig waarmaakt wat Jan Arends ooit dichtte: ‘Ik/ schrijf gedichten/ als dunne bomen.// Wie kan zo mager/ praten/ met de taal/ als ik?’

Het antwoord, beste Jan Arends, luidt: Ilse Starkenburg.

En o, er valt nog zoveel meer te zeggen over haar poëzie. Zoals bijvoorbeeld dat haar poëzie vaak heel geestig is, iets wat Maria Barnas in haar uiterst lovende recensie van De boom valt op mij in de Volkskrant afgelopen zaterdag al constateerde: ‘De observaties over hoe anderen omgaan met elkaar zijn vaak teder en tragikomisch: o, ik vond het zo mooi denkt de ik-figuur bij een herinnering aan hoe Andrea een gedicht schreef “bij de eenzaamheid van Tanya”. Door het woord “bij” wordt “de eenzaamheid van Tanya” verheven tot iets belangwekkends.’

Hier komt het:

HOU JE BIJ JE LEEST

Andrea schreef een gedicht
bij de eenzaamheid van Tanya

het werd een eindeloos gedicht
begeleid door Tanya’s gitaar

akoestisch en met nylon snaren
o, ik vond het zo mooi

het werd een eindeloos gedicht
Tanya ging er beelden bij maken

je zag Tanya dansen met zichzelf
naast het bed waarin ze elke nacht

en het liedje ging maar door
dat liedje over eenzaamheid

je voelde haar in parken
monumenten aanspreken

alleen eten in eetcafé’s
o, ik vond het zo mooi
toch denk ik dat het nog
iets ingewikkelder ligt

het bed was zo opgemaakt
en Andrea
bleef er steeds maar bij

vdh9789029511780

 

 

 

 

Alleen zo verrijst de feniks uit de as. Over ‘As, vuur’ van Hester Knibbe

Het was even wachten op echte (die naam waardige) recensies over As, vuur, de nieuwe eind mei verschenen dichtbundel van Hester Knibbe. Maar het wachten was de moeite en het ongeduld waard, want neem nou de beschouwing van Arie van den Berg op vrijdag 14 juli in NRC Handelsblad met als aankeiler op de voorpagina van de cultuurbijlage ‘Poëzie vol oerwoorden van onze beste dichter’. Het stuk zelf is één grote lofrede op het dichterschap van Knibbe en culmineert in de volgende regels: ‘Na elf bundels behoort Hester Knibbe wat mij betreft tot onze beste dichters, en per bundel is haar kwaliteit nog altijd stijgend. Tijd voor de P.C. Hooftprijs?’ Van mij mag het.

En het mocht van mij ook al, toen ik op zaterdagmiddag 27 eind mei – het was snikheet die dag – de onderstaande woorden uitsprak (voor deze blog enigszins bewerkt) op de presentatie van As, vuur in boekhandel Donner te Rotterdam. Het was een middag met muziek van de Rotterdamse band The Yes Please en bijdragen van Derek Otte, stadsdichter van Rotterdam (in die functie opvolger van Hester Knibbe), Peter Swanborn (collega-dichter, hoofdredacteur van het tijdschrift Tortuca en recensent van de Volkskrant), die Knibbe interviewde, dichter en oud-Letterkundig Museumdirecteur Anton Korteweg en Miriam Van hee die samen met Hester Knibbe elk vier gedichten uit de gedichtendialoog ‘Leeftocht’ voorlazen. Het aandeel van Knibbe in die dialoog is ook in As, vuur terechtgekomen.

In de stad van de schaars verwende kampioenen moet het gepermitteerd zijn nog één keer die uit zijn voegen geciteerde wisecrack van Gerard Cox te citeren: ‘Feyenoord-fan – dat ben je niet voor je lol.’ Dus beste Rotterdammers, Feyenoorders: geniet nog maar even van die landstitel, want de komende decaden zult u weer op water en brood moeten leven en nederlaag op nederlaag moeten lijden.

Ik zeg dit niet zomaar. En ik zeg het ook niet om de boel een beetje te provoceren. Ik zeg dit omdat ik hier uit liefde sta – dat moet u van me willen aannemen. Ik sta hier uit liefde voor Hester Knibbe, voor haar gebeitelde poëzie, voor de literatuur, ja zelfs voor Feyenoord en Rotterdam. Maar voor de lol sta ik hier ook niet, meneer Cox. Er is geen mens, en zeker geen Nederlands mens, die zelfs maar een beetje besmet is met de bacil der wielergekte die nu voor zijn lol ook maar ergens anders zou willen zijn dan in de koers of voor de buis om te kijken naar de Ronde van Italië, de Giro, die zich op dit eigenste uur in de beslissende fase bevindt, in de fase waarin Tom Dumoulin wel of niet gaat zegevieren. De renners beklimmen – terwijl ik dit zeg om 15.03 – de Monte Grappa in de voorlaatste etappe van Pordenone naar Asiago. En ik ken die berg, die vuile smeerlap. De eerste keer dat ik hem bedwong… Herstel, de eerste keer dat ik hem probéérde te bedwingen – mijn oudste zus woonde in die tijd in Marostica (in de Veneto) op een kilometer of dertig van deze magische col – raakte ik niet boven. Onbezonnen als ik toen was, begon ik er veel te hard aan en draaide ik mijn motor in de soep. Ik kookte over, de benen ontploften en ik brandde af als een luciferhoutje. De tweede keer was ik veel beter getraind en ging ik weloverwogen te werk. Niet te hard van stapel en eerst een goede cadans vinden. Zo kreeg ik vleugels en herrees ik op de Monte Grappa, gelijk een feniks uit de as van mijn eerste mislukte poging.  Ik had het gevoel te vliegen en ging dansend naar boven – en danseuse heet dat in wielertermen als je uit het zadel wiegend op de trappers voortbeweegt.

Eerst sterven, dan hoog opstijgen – dat is de juiste volgorde.

De nieuwe bundel van Hester Knibbe heet As, vuur. De eerlijkheid gebiedt mij te zeggen dat de werktitel heel lang een andere was (Wie gij worm, een titel nog gekker dan het toch ook al curieuze Archaïsch de dieren), maar het is een heel gelukkige ingreep van Hester geweest om daar te elfder ure nog verandering in aan te brengen. As, vuur is namelijk een uiterst betekenisvolle titel.

Knibbe_Koos_Breukel_BEW

De bundel valt in twee delen uiteen: ‘Drift’ en ‘Stromen’. Uitgangspunt voor het eerste deel, ‘Drift’, is een aantal zogenaamde ‘oerwoorden’ die alle Euraziatische families met elkaar verbinden. As en vuur zijn twee van die oerwoorden. En ‘As’ is de titel van het laatste gedicht van de afdeling ‘Mond’ uit dat eerste deel, terwijl het meteen daaropvolgende gedicht ‘Vuur’ het eerste gedicht uit de afdeling ‘Hand’ is.

‘As’ gaat als volgt:

wat van het gesprokkelde rest.
Hij port erin met een stok, ziet nog

hoe de vlammen zengden en vraten tot
de ziel van het dier was verdampt en het lijf
verdeeld tussen honger en tanden. Had gemerkt

dat het haar op zijn handen verschroeide, voelt
de gloed zijn voeten verwarmen, weet van.
Loom verlangen sluipt in de hand, blaast

in de nagloei en slaapt kruipt in hem nu
de jacht het vreten en waken voorbij.
Hij vlijt zich naast de restanten.

Er is nog een derde afdeling in dat eerste deel ‘Drift’, en die slotafdeling eindigt met het gedicht ‘Stromen’, dat weer eindigt met de regels ‘om / een monding een zee aan je voeten / te weten waarin / verdwijnen gewoon is’. Het tweede grote deel van de hele bundel heet als gezegd in zijn geheel ‘Stromen’. Het begint daar al meteen in het eerste gedicht te bewegen als een tierelier: ‘Er vliegt een vogel voorbij, vleugels zo wijd dat je / zijn slagpennen kunt tellen, maar wie ontrafelt zijn roep? // Iemand kan naakt op spitzen dansen, armen gespreid, / en toch zijn ziel verbergen achter een kleine tattoo’.

Om terug te komen op de titel van de hele bundel en het na elkaar geplaatst staan van de gedichten ‘As’ en ‘Vuur’: die volgorde roept onvermijdelijk de associatie op dat er alleen getriomfeerd en geleefd kan worden als er eerst is gestorven of een nederlaag geleden. Alleen zo verrijst de feniks uit de as. Alleen zo blijft de ziel bewaard. De beweging van dood naar het leven impliceert dat As, vuur een bundel is die vitaliteit benadrukt en dat ook wil uitstralen. De dood neemt niettemin een belangrijke plaats in – de hele eerste helft van de bundel wordt er in zekere zin door gedomineerd –, maar belangrijker is het leven dat eruit voortkomt en dat een centrale plaats inneemt in het tweede deel van de bundel.

Cruijff heeft ook bij Feyenoord gespeeld, dus ik neem geen aanstoot als ik deze filosoof citeer met de woorden: ‘Als je niet ken verliezen ken je ook niet winnen’. Dat is toch de teneur van deze bundel. Of, de jager/verzamelaars indachtig: het is eten of gegeten worden. Of om met de oude Zeeuwen te spreken: ‘Luctor et emergo’, worstel en kom boven. En waarom zouden we niet ook de oude Nietzsche er nog bij halen met zijn concept van ‘de eeuwige terugkeer van hetzelfde’.

Twee helften zijn er dus in As, vuur. Een eerste helft onder de noemer ‘Drift’ en een tweede onder de noemer ‘Stromen’. Laat die twee woorden even op je inwerken en je zult je realiseren dat ze in feite hetzelfde betekenen. Beide woorden suggereren dynamiek, een soort van drijven, een iets met een wil. Drift zou je kunnen zien als de gestolde, gesubstantiveerde vorm van stromen, zoals as het resultaat is (of het residu) van branden.

Afijn, ik wil maar zeggen: deze bundel zit verdraaid goed in elkaar.

De betekenis van de structuur van de bundel wijst in de richting van een vitalistische instelling, maar dat levenskrachtige, op het nu gerichte doet niets af aan het feit dat tegelijkertijd de traditie, de geschiedenis en de eeuwige waarden verdedigd worden. Voor Hester Knibbe kan het nieuwe alleen bestaan bij de gratie van het oude. Niet voor niks was ze zo hartstochtelijk opgetogen over de vondst van die Euraziatische oerwoorden. De gedichten die daarover gaan en die (ten overvloede) de eerste helft van deze bundel vormen zou je kunnen zien als de humus (toch ook een soort van as) voor het tweede deel waarin de gestolde drift tot leven komt en gaat uitstromen in (misschien ook wel wat meer autobiografisch) gedichten over het eigen, actuele leven en waarin bij voorbeeld nogal wat gereisd wordt, een activiteit waaraan Hester zich met graagte overgeeft.

Intussen zijn we alweer een minuut of zeven hoger op de Monte Grappa. En ik heb geen idee hoe onze Hollander, die dagenlang in het maglia rosa reed maar nu dus niet meer, het stelt. Ik hoop dat het hem vergaat zoals het mij verging. Als de Piancavallo, de aankomstberg van gisteren, een soort generale van de Monte Grappa is en hij vandaag kan verrijzen uit de as van gisteren en de shit van nog wat langer geleden dan mag vanavond wellicht het ‘Victorious’ van Muse luid opklinken of welk ander toepasselijk triomflied dan ook. (Voor mijn part ‘Geen woorden maar daden’, hoewel dat appèl in de context van vanmiddag wat moeizaam overkomt.)

Het moge duidelijk zijn dat ik mij voor deze gedachten heb laten inspireren door de nieuwe bundel van Hester Knibbe. Daarom tot slot nog het gedicht ‘Vuur’:

Hij was een beginneling, een eenling
met twee linkerhanden en men lachte
naar hem, men lachte om hem. Maar hij

kluitte uit, waste zijn lijf, liep weg
met zichzelf en verbaasde wereld
toen hij met lenige handen

hout schikte, steen tegen steen
sloeg en met dat simpel geweld sluipend
het smeulen begon, branden ontstond, toen hij

vuur kneedde tot vlam die de hemel beklom.
En het werd donker onder de zon
de aarde een vruchtbare roetkorst.

Hij lachte, piste en knielde erop.

As, vuur

Oi, oi, hier gaat het om. Over ‘Een tuin in de winter. Herinneringen aan Gerrit Kouwenaar’ van Anna Enquist en de bloemlezing uit het werk van Gerrit Kouwenaar, ‘Van woorden gemaakt’, samengesteld door Anna Enquist

Amper twee weken geleden was ik, tijdens een verrukkelijke korte rondreis in Italië, een paar dagen in Venetië. We hadden een appartement in de wijk Canareggio, en op een namiddag las ik daar in het serene binnentuintje dat er deel van uitmaakte en waar de stadsgeluiden zo goed als verstomden de laatste hoofdstukken van Thomas Eyskens’ biografie over Herman de Coninck die binnenkort onder de titel Toen met een lijst van nu errond verschijnt bij De Arbeiderspers. Het was warm, het was zonnig. Ik belandde ten slotte bij de laatste regels van het boek: over hoe Herman op straat in Lissabon, tijdens een tournee van Nederlandstalige schrijvers in Portugal, mei 1997, sterft in de armen van Anna Enquist. Hij slaat nog één keer zijn ogen op en zegt dan: ‘O, jij bent het.’

Toen Gerrit Kouwenaar stierf was het zeventien jaar en een paar maanden later. Anna Enquist was er niet bij toen het gebeurde, maar ze was er wel de avond tevoren en zorgde ervoor dat op aandringen van Kouwenaar zelf diens zoon nog aan zijn sterfbed kwam te staan. Ik ontleen die wetenschap aan het nieuwe boek van Enquist, Een tuin in de winter. Herinneringen aan Gerrit Kouwenaar: ‘In die nacht is Gerrit gestorven. Alles waar hij op gewacht had was gebeurd, hij kon opgelucht in de kussens leunen, het was klaar. We werden ’s morgens vroeg gebeld en waren niet verrast.’

We schrijven 4 september 2014.

Ondertussen verstreken er bijna drie jaar en verschijnt ten huize van Singel Uitgeverijen behalve het genoemde Een tuin in de winter als nummer 294 in de reeks Privé-domein (bij De Arbeiderspers) ook een door Anna Enquist geselecteerde en ingeleide bloemlezing uit de gedichten van Gerrit Kouwenaar (bij Querido) onder de betekenisvolle titel Van woorden gemaakt.

vdh9789021402314

In Van woorden gemaakt doet Anna Enquist een eigenzinnige greep uit Kouwenaars volledige werk: ‘Ik begon de gedichten in chronologische volgorde te lezen. Een kleine 750, alles bijeen. Tussen debuut en dood liggen 73 jaren, de productie bedroeg dus zo’n 10 gedichten per jaar. De vrij bescheiden hoeveelheid zou kunnen duiden op een oeuvre waarin alles degelijk is overdacht, gerijpt, vele malen bijgevijld en onder het vergrootglas gelegd. […] Zo ben ik uiteindelijk gekomen tot 100 gedichten, gerangschikt in 7 thematische afdelingen. De afdelingen zelf weerspiegelen de levensloop: ze gaan over vroeger, over de oorlog, de gang door het leven, de verbintenissen in liefde en vriendschap, de betekenis van huis en tuin, de poëtica en, ten slotte, de dood.’

Literatuur is (om de titel van de bloemlezing nog wat explicieter te duiden) van woorden gemaakt, en gedichten – zeker die van Gerrit Kouwenaar, in wiens werk dat besef op de spits gedreven is – zijn dat in bijzondere mate. Maar de literatuur als biotoop, in zijn wekere delen, is een verzameling mensen en een onontwarbaar kluwen van menselijke betrekkingen. Ik vind het steeds weer fascinerend en ontroerend om me dat te realiseren. En om daar deel van uit te maken. Anna Enquist denkt daar niet anders over. Zo bezien is Een tuin in de winter niet alleen een getuigenis van de kwarteeuw die die vriendschap tussen haar en Kouwenaar ongeveer duurde, begonnen op een editie van Poetry International begin jaren negentig en bestendigd in jaarlijkse bezoeken aan Kouwenaars huis in Zuid-Frankrijk, gezamenlijke literaire excursies in het buitenland en geregelde ontmoetingen in Amsterdam, maar geeft het ook (en tegelijkertijd) een beeld van de sociale context waarbinnen die vriendschap bloeide, bestaande uit tal van mensen onder wie de wederzijdse echtgenoten Bengt en Paula, maar vooral ook literaire vrienden als Eva en Henk Bernlef, Rutger (Rudi) Kopland, Remco Campert en noem maar op.

Over sociale context gesproken. Toen Gerrit Kouwenaar op 4 september 2014 overleed, bevond ik me, kort nadat ik daarvan op de hoogte was geraakt, in de trein naar Maastricht. Ik was op weg naar boekhandel De Tribune om de presentatie bij te wonen van een nieuw boek van Cyrille Offermans, getiteld Wat er op het spel staat. Literatuur en kunst na 1945. De beide uitgevers van dat boek, het echtpaar Eva Cossee en Christoph Buchwald, waren er ook. Eva Cossee was merkbaar geraakt door de annonce van het overlijden van Kouwenaar en citeerde ter plekke en zo goed als uit hoofd dat meesterlijke gedicht ‘men moet’, beginnend met de regels: ‘Men moet zijn zomers nog tellen, zijn vonnis/ nog vellen, men moet zijn winter nog sneeuwen’, en eindigend met ‘men moet nog een kuil graven voor een vlinder/het ogenblik ruilen voor zijn vaders horloge –’

Zulk soort poëzie is voormalig studenten Neerlandistiek aan de Rijksuniversiteit Utrecht wel toevertrouwd. Die hebben colleges poëtica en poëzie bijgewoond bij Guus Sötemann en Redbad Fokkema. Ik ben er daar een van en heb nog met Eva Cossee colleges literaire kritiek gevolgd bij genoemde Fokkema.

En Christoph Buchwald, ooit gedurende korte tijd als troonopvolger van Siegfried Unseld boegbeeld bij Suhrkamp, was Enquists eerste Duitse uitgever bij Luchterhand Verlag. Onder zijn bekwame redactionele hand zijn in het Duits minstens twee of drie van haar boeken verschenen. Laat bovendien in dat gloednieuwe boek van Cyrille Offermans een heel essay aan Kouwenaar zijn gewijd. Dat stuk, ‘Dus vredig de avond’, is nota bene gebaseerd op een toespraak geschreven ter gelegenheid van de feestelijke presentatie van vallende stilte in 2008 bij Querido, toen nog gevestigd op Singel 262. Ik was die middag vanaf dat adres – dat we op dat moment nog een paar maanden ons adres zouden kunnen noemen (op 1 januari 2015 verhuisden we naar het Spui) – richting Maastricht vertrokken. In dat essay van Offermans, een scherpzinnige analyse van de ontwikkelingen in het werk van Kouwenaar, wordt de zojuist genoemde Sötemann terecht opgevoerd als een van Kouwenaars interpreten van het eerste uur. Offermans: ‘Ik weet niet precies of het qua jaartallen klopt, maar ik denk dat Kouwenaar pas eindeloos per woord is gaan wikken en wegen, schaven, schrappen en comprimeren, toen hij geen toneelteksten meer hoefde te vertalen om brood op de plank te krijgen en hij zich volledig op de poëzie kon richten.’ De suggestie is daarbij ook dat die tendens naar versobering en schrijven over  essentialia zijn beste werk heeft opgeleverd.

Maar goed, Guus (officieel A.L.) Sötemann. Ik heb ontzettend veel van die man geleerd. Zijn colleges over poëtica (hij onderscheidt er vier: de romantische, realistische, classicistische en symbolistische) hebben mijn denken over literatuur wezenlijk beïnvloed. Het werk van Kouwenaar behoorde volgens Sötemann overigens duidelijk tot de symbolistische poëtica, die mét de classicistische de zuivere traditie in de literatuur vormt, waar realisme en romantiek de onzuivere lijn vertegenwoordigen.

In dat baanbrekende stuk in over Kouwenaar, gebundeld in Over poëtica en poëzie gaat Sötemann diep in op de poëticale drijfveren van Kouwenaar. De zin van de poëzie voor Kouwenaar is, aldus Sötemann, gelegen in de poging ‘’t vlies van ’t onmogelijke te verbreken’. Iedere kunstenaar moet volgens hem ‘sluiers van het bestaan aftrekken, nieuwe verbanden in de werkelijkheid aanbrengen.’ Of, nog anders gezegd – en Sötemann citeert uit een interview met Kouwenaar door Bibeb (over wie vorige week bij Querido een biografisch portret verscheen van Adinda Akkermans en Roos Menkhorst): ‘Je staat voor de osmose van eeuwigheid en tijdelijkheid. Die ervaring, daarvan zeg ik: oi, oi, hier gaat het om. Die osmose wil ik laten stollen in mijn poëzie.’

ae

En verdraaid als het niet waar is, maar nu zijn we ineens weer terug bij Herman de Coninck. De Coninck en Sötemann, zo las ik in dat Venetiaanse binnentuintje, leerden elkaar begin jaren negentig kennen op in een literair congres in Zuid-Afrika. Dat is niet zonder gevolgen gebleven. De Coninck, die overigens pas laat bewondering wist op te brengen voor Kouwenaars poëzie, kon het meteen al heel goed vinden met Guus Sötemann. Tot zijn grote schaamte moest Sötemann echter bekennen dat hij – de internationaal vermaarde emeritus hoogleraar – het werk van De Coninck niet kende. Terug in Nederland schafte hij zich meteen De Conincks laatste dichtbundel Schoolslag aan en schreef hem: ‘Ik kan niet anders zeggen dan dat ik er buitengewoon enthousiast over ben. Je schrijft verzen naar mijn hart, ingehouden, haast karig, maar treffend, ontroerend, ironisch en verrassend.’ Niet veel later zaten ze, De Coninck als voorzitter, samen in de jury van de VSB Poëzieprijs 1996. Het jaar daarvoor had De Coninck er als gewoon jurylid al mede voor gezorgd dat de prijs toen naar Leo Vroman ging voor Psalmen en andere gedichten. Nu werd de prijs aan – jawel – Gerrit Kouwenaar toegekend voor zijn bundel De tijd staat open. Tijdens de juryberaadslagingen kreeg De Coninck dat voorjaar (we hebben het over 1997, de prijs wordt uitgereikt in het jaar na de beoordeelde oogst) een ingeving. Waarom niet een bloemlezing maken met de 100 beste gedichten van 1996. Dat idee legde hij voor aan zijn uitgeverij, en die uitgeverij was De Arbeiderspers en bij die uitgeverij was ik sinds enige tijd in dienst. Het idee werd omarmd en zo werd ik de redacteur van de allereerste editie van De 100 beste gedichten, een jaarlijkse bloemlezing die nog steeds bestaat. In die eerste editie staan ook drie gedichten uit Anna Enquists in 1996 verschenen bundel Klaarlichte dag. Te bevreemden hoeft dat niet. Herman de Coninck was een verklaard bewonderaar van haar werk en heeft meerdere malen gedichten van haar in zijn Nieuw Wereldtijdschrijft opgenomen.

Treurig is wel dat De Coninck zijn bloemlezing, met daarin zes gedichten van winnaar Kouwenaar, zelf nooit meer heeft zien verschijnen. Hij stierf, zoals aan het begin gememoreerd, op 22 mei 1997 in Lissabon. Geen drie weken later, op 10 juni 1997 werd de prijs in de Rode Hoed uitgereikt en verscheen ook de bloemlezing.

En geloof het of niet, maar ook Gerrit Kouwenaar was mee op die literaire reis in Portugal. Dat weten we uit Een tuin in de winter. Anna Enquist schrijft: ‘Ik was bij hem (Herman), hij had me geroepen toen hij achterbleef omdat hij het wandeltempo van de groep niet kon bijhouden. […] Gerrit was pas later op de fatale ochtend uit het hotel vertrokken en op weg gegaan naar het festival. Hij was langs de onheilsplaats gekomen, het terrasje van een klein café. Daar had hij een lichaam zien liggen, opgerold in een oud tapijt, dicht tegen de muur geschoven. Hij was enorm geschrokken toen hij later besefte dat dat Herman was.’

Ook hij, de dichter met de koele reputatie, dus aangeslagen. Maar poëzie is van woorden gemaakt en in de woorden van Gerrit Kouwenaar zouden deze regels uit ‘Plaatselijke tijd’ (uit De tijd staat open, door Herman opgenomen in de 100 beste gedichten) toepasselijk zijn: ‘De nacht vindt plaats/de tijd is rond/men proeft het rijpe woord meloen/warm als de afgekoelde grond/en op de rand van het bederf//omdat men zich in vlees verbergt/schenkt het moment een eau de vie/waarbij een gast verzwijgen moet/dat hij tot geest bestierf/de zomer rilt al van de herfst […]’.

Poëzie, kortom, is van woorden gemaakt. En dat is maar goed ook. Maar de literatuur is, ik zei het al, óók van mensen en menselijke betrekkingen gemaakt. Gerrit Kouwenaar zou hier misschien niet bijzonder in geïnteresseerd zijn. ‘Het was niet de opzet dat de dichter zijn gevoelens uitstortte in het gedicht en dat de lezers op hun beurt hun gevoelens daarin verwoord zagen,’ schrijft Christa in de inleiding van haar bloemlezing over de literaire intenties van Kouwenaar. ‘Al helemaal niet dat zij zich door de woorden getroost zouden voelen. Gerrit vond dat een sentimentele, verwerpelijke gedachte. […] Wat moeten gedichten dan wel? Ze moeten gebouwd worden, van woorden gemaakt, zodat van alles wat de dichter meemaakt en overdenkt een afdruk in taal wordt achtergelaten.’

Anna Enquist daarentegen beschikt wél over bijzondere antennes voor die gewone menselijke kant van het kunstbedrijf. Enquist heeft niet alleen verstand van literatuur maar ook, en misschien wel beroepshalve als psychoanalytica, ‘verstand van gevoel’, zoals Aleid Truijens het ooit treffend formuleerde. Om het in een poëticaal perspectief te plaatsen: de romantiek en het realisme – de onzuivere richtingen in de kunst tout court – willen ook hun dorst kunnen lessen. Men lave zich dus met volle teugen aan Een tuin in de winter en bewaart Van woorden gemaakt voor de meer sublieme en droge momenten tussendoor.

tHart Dienstreisopm

Een goed begin is het hele werk. Over ‘Een verhaal uit de Zonnestad’ van John-Alexander Janssen

John-Alexander Janssen is een naam die u moet onthouden. Hij is geen man van  half werk. Die wil de zaken meteen grondig aanpakken, en dat verwacht hij ook van zijn uitgever, ook al komt hij als debutant en jonge schrijver net kijken in de literaire wereld.

Die grondigheid is mogelijk diep verankerd en aldus een van de pijlers van zijn karakterstructuur. Een blik op zijn curriculum vitae leert ons dat hij afstudeerde in geschiedenis, maar niet alleen in geschiedenis. Om die studie een beetje stevig te stutten doorliep hij ook een complete studie in filosofie en rechten. Enkel in Nederland wonen was hem blijkbaar ook wat te eenzijdig. John-Alexander Janssen woonde in Harrisonburg, Parijs en ook in Jeruzalem. Dat laatste is niet onbelangrijk geweest voor het ontstaan van zijn literaire debuut. Vanuit Israël trok hij met een vriend namelijk de grens over naar Syrië, alwaar hij stof opdeed voor Een verhaal uit de Zonnestad, een andere naam voor Damascus, waar dat verhaal zich grotendeels afspeelt. En thans is hij docent geschiedenis maar hij was ook enige tijd in opleiding om rechter te worden. Het verlangen om recht te spreken kan echter ook gesublimeerd worden in literatuur, misschien heeft dat hem van zijn rechterspoor afgehaald. Lees zijn boek maar, en u snapt wellicht wat ik hier wil zeggen. Zijn ambities reiken evenwel nog wat verder, want naast die onderwijsbaan en die literaire bezigheden (die echt niet zullen ophouden bij dit ene boek) werkt hij ook nog eens aan een proefschrift. Geen half werk dus bij deze man.

 

ffff

Zo heeft John-Alexander Janssen zichzelf bewust in een situatie gemanoeuvreerd die hem in staat staalde aan die roman te werken. In 2014 won hij namelijk de Prix de Paris. Die prijs is gericht op het stimuleren van innoverend geschiedkundig onderzoek, wordt toegekend (als ik het goed onthouden heb) aan excellente afstudeerscripties en ging gepaard met een geldbedrag dat hem in staat stelde zich een tijdlang vrij te kopen van zijn dagelijkse verplichtingen.

Geen half werk dus! Dat had ik me ook moeten realiseren toen zijn agent Remco Volkers mij ruim een jaar geleden zijn manuscript toestuurde, waarvan ik al lezende danig onder de indruk raakte. Remco is al jaren actief als literair agent en heeft mij menig interessant werk voorgelegd, maar dit vond ik met voorsprong het beste wat ik tot nu toe via hem te lezen had gekregen. Een boek als een exotische verrassing, gesitueerd in een land en in een tijd (net voor het uitbreken van de burgeroorlog in Syrië) die je niet meteen verwacht van een jonge oerhollandse auteur, en geschreven in een heldere, geserreerde, welhaast klassieke stijl, draaiend om een jongeman die obsessief verliefd wordt op een meisje uit een hoogburgerlijk milieu. Het meisje woont in een grandioze, immense, ommuurde villa in het oude deel van de stad en is lid van een extended family van artsen en wetenschappers met een meer dan gewone culturele belangstelling – alsof je zo te midden van een oriëntaalse variant van de familie Mann bent aangeland. De liefde van die jongeman voor dat meisje neemt Vestdijkiaanse proporties aan als in Terug tot Ina Damman. En heel terloops wordt er dan ook nog van alles gezegd en getoond over de politieke situatie in Syrië zoals die bestond aan de vooravond van de opstand die zulke funeste gevolgen heeft gehad. Máár… ik vond het wel wat kort om te kunnen spreken van een echte roman en wat onaf in de manier waarop de verhaallijnen aan elkaar geknoopt waren om te kunnen spreken van een overtuigend einde. In het manuscript was ik zo’n beetje terechtgekomen bij een situatie waarin de jongeman (Hamza) zich inmiddels toegang had weten te verschaffen tot de villa van de familie Al-Iskandri en hij tot op zekere hoogte een intieme relatie met de dochter des huizes Zania had weten op te bouwen. Maar haar krijgen (of verliezen) ho maar. Het verhaal eindigde zo’n beetje met de woorden: ‘Als ik met haar wilde blijven omgaan, dan kon ik mij dus maar beter voorbereiden op nu en dan wat onenigheid.’ Tsja.

Ik nam me voor de auteur en zijn agent daarmee te confronteren in een gesprek waarvoor ik ze uitnodigde. Want spreken wilde ik ze. Ik zag immers op zijn minst de contouren van een interessant schrijverschap. Wat bleek? Ik had om onbegrijpelijke redenen maar de helft van het boek in print. Misschien wel door eigen schuld – dat viel niet meer na te gaan. Maar tot mijn schaamte was ik dus nog maar halverwege geraakt en moest ik mijn oordeel opschorten.

Ook dit gegeven maakt duidelijk dat Janssen geen auteur is van half werk (tenzij je zo stom bent om het maar half tot je te nemen).

vdh9789029511841

Het hele werk dus maar, en dat bracht uitkomst, want toen ik ook de rest eenmaal had gelezen viel alles wel degelijk op zijn plek: de liefde van Hamza voor Zania (ik laat hier in het midden hoe dat eindigt; u wilt dat zelf lezen), de geheimen van de familie Al-Iskandri (die nogal politiek verknoopt blijken te zijn), de toedracht rond de dood van Hamza’s vader en de moeilijkheden waarin Hamza geraakt (die tegen wil en dank eveneens nogal politiek getekend blijken te worden).

Niet dat ik nu niets meer had aan te merken op deze bepaald meeslepende geschiedenis, maar ten aanzien daarvan liet John-Alexander er geen gras over groeien. Alle commentaar werd buitengewoon serieus genomen en uiterst consciëntieus en kritisch verwerkt. Zelfs in dat geval: géén half werk! Toen ik hem ergens in de loop van onze redactionele meetings een keer vroeg of ik hem John of Alex of voor mijn part Alexander kon noemen – of dat niet zelfs usance was in zijn eigen kringen – in plaats van voortdurend dat tongstruikelende John-Alexander te moeten zeggen (bij voorbeeld in situaties die nu eenmaal enige kordaatheid en beknoptheid vergen: ‘John-Alexander, pas op voor die auto van links!’), was het antwoord kort en krachtig. John-Alexander is de naam. Geen half werk. Mijn voorganger bij De Arbeiderspers, wierp ik nog tegen, heet ook Alexander Jansen, en die noemden we kortweg Lex, dat mocht van hem. En mij noemen ze vaak Peet (al ben ik daar ook niet echt blij mee) en mijn dochter Janna wordt door haar vriendinnen Jan genoemd. Maar nee hoor: John-Alexander!

Maar wanneer ik hem mail, kan hij me wat. Dan roep ik hem consequent aan als J-A. Tot dusverre is me dat nog niet verboden. Begin van de week mailde ik hem met de vraag of hij blij was met het boek, waarvan we hem een vooruitexemplaar over de post hadden toegezonden. John-Alexander schreef terug: ‘En of ik er blij mee ben, mijn boek! Maar: als een begin.’

Een goed begin is het hele werk. U gaat vast nog van hem horen. John-Alexander Janssen, onthoud die naam.

beb

 

 

 

Maak een gratis website of blog op WordPress.com.

Omhoog ↑