Zoeken

Nijssen Schrijft

Over boeken, schrijvers, sport, cultuur, het dagelijks leven (en af en toe mijzelf)

Categorie

Uncategorized

Er is ook een schrijver heengegaan. Aad van den Heuvel (1935-2020)

Wat ik in alle in memoriams die ik over Aad van den Heuvel heb gelezen – en waarin hij herinnerd wordt als spraakmakend televisiejournalist en bevlogen wereldverbeteraar – toch een beetje miste: dat hij ook een schrijver was. Geen literaire schrijver (en die ambitie had hij ook niet) en misschien evenmin een schrijver over wie heel hard en verongelijkt moet worden geroepen dat zijn werk een plaats verdient in een of andere canon. Maar toch: een schrijver. Eentje met een oeuvre zelfs.

Dat oeuvre bestaat – afgezien van een paar non-fictie boeken waaronder Dit was Brandpunt, goedenavond (2005), waarin hij terugblikte op zijn journalistieke carrière – uit louter thrillers. Specifieker: politiek-maatschappelijke thrillers, waarin een eenling (vaak een journalist) op het spoor komt van politiek gemotiveerde misdaden, niet zelden op het Afrikaanse continent, en vervolgens speelbal wordt van terroristen, corrupte hoogwaardigheidsbekleders of gewetenloze misdadigers. Of allemaal tegelijk.

De ontwikkeling van dat thrilleroeuvre heb ik gedurende lange tijd gevolgd. En bovendien: van begin af aan, want zijn debuut, De verdwijning, heb ik destijds (in 1987) voor het Utrechts Nieuwsblad besproken. Ik moest er lang naar zoeken eer ik dat stuk (het bewaarde knipsel) had teruggevonden en het boek bleek ik ook al niet meer te hebben (althans op de plaats waar het zou hebben moeten staan: naast de andere boeken die ik nog wel van hem heb). En toen ik het teruglas overviel mij iets van gêne. Ik was er een stuk negatiever over dan ik me herinnerde, wat te maken kan hebben met het feit dat ik het besprak in de context van de enkele jaren eerder gedane roep van letterkundige Ton Anbeek om ‘meer straatrumoer’ in de bedaagde Nederlandse letteren. Straatrumoer genoeg in dat boek over een journalist die terecht komt tussen het verzet in een Afrikaans land, waar hij op zoek is naar een verdwenen collega: ‘literaire maatstaven aanleggend kan slechts geconcludeerd worden dat De verdwijning een niet al te geslaagde schepping is. Tenminste niet voor wie met mij van mening is dat literatuur meer moet bieden dan een overtuigend verhaal.’ Ik vond het boek wijdlopig en ontsierd worden door clichés en ouwe-jongens-krentenbroodhumor. Om vervolgens dan toch met de pluspunten te komen: ‘pakkend’ en ‘een verbijsterende tocht langs de krochten van diplomatiek steekspel, politiek machtsmisbruik, revolutionair geweld en journalistieke ethiek’.

Aad van den Heuvel. Portret: Liesbeth Kuipers

Niet dat ik er na al die jaren een heel andere mening op na zou houden, maar wat een pedanterie om op die wijze een boek dat geen literaire intenties heeft literair te diskwalificeren. Aad van den Heuvel heeft met zijn thrillers altijd primair de bedoeling gehad maatschappelijk onrecht en oneerlijke verdeling van welvaart en gezondheid aan de orde te stellen in plot driven verhalen waarvan het aangename (het amusement) zat in de spanning die eraan kon worden beleefd. Het tekent Van den Heuvel dat hij – ervan uitgaande dat hem die recensie van mij ooit onder ogen is gekomen – nooit blijk heeft gegeven van enige verontwaardiging. Rancune was hem vreemd, en ik heb hem vrijwel altijd kalm en redelijk meegemaakt: toen ik aan de zijlijn (als interviewer) filmpjes mocht maken voor het tv-boekenprogramma Ik heb al een boek, waarvan hij en Martin Ros (die hem naar De Arbeiderspers zal hebben gehaald) het gezicht waren, en ook toen ik zijn redacteur werd, nadat hij bij De Arbeiderspers/Archipel in 1998 met Een verre moordenaar een nieuwe thriller inleverde. Zijn derde, want eerder was in 1991 ook nog Stenen tijdperk verschenen.

Na Een verre moordenaar (waarin een 17de-eeuws dagboek van een lid van de West-Indische Compagnie de steen des aanstoots is) was ik vervolgens ook als redacteur betrokken bij Het Monet-mysterie (de ontdekking van een dertiende doek van Monet in Amsterdam geschilderd) uit 2002 en Het Sahararaadsel (een vrachtwagen met hulpgoederen voor een missionaris) uit 2004. Al die boeken zijn grotendeels in Afrika gesitueerd. Daarna was de kous voor De Arbeiderspers, waar nauwelijks nog thrillers werden uitgegeven, weliswaar af, maar nog niet voor Van den Heuvel, die bij De Geus op hetzelfde aambeeld nog vier thrillers (allemaal nog als e-book leverbaar) hamerde: De oorlogsverslaggever (2008), Een zonnig eiland (2009), De vuile bom (2013) en De president (2013).

Alles geschreven dus volgens de klassieke receptuur van Aad van den Heuvel. Ik had het daar over met Ad van den Kieboom, zijn redacteur in de jaren dat hij bij De Geus publiceerde. ‘Aad wilde zijn kennis, zijn engagement, zijn bezorgdheid over ontwikkelingen en zijn analyse van wat zich in de samenleving voltrok, delen,’ meent ook hij. ‘Via de journalistiek én via het vertellen van een spannend verhaal.’ Naar perfectie (bijvoorbeeld in de balans tussen spanning en journalistieke informatie) streefde hij niet. Ad: ‘Hij was taalvaardig, een handige vakman die wist wat zo’n verhaal nodig had, maar hij had niet het geduld om tot het uiterste te gaan als het om herschrijven ging.’

Hoewel zijn boeken gaandeweg – je zou kunnen zeggen: naarmate hij op televisie uit beeld raakte – minder aandacht kregen in de pers en daardoor ook in beperktere mate hun weg vonden naar de lezers, bleef hij onverdroten voortschrijven. Een paar jaar geleden nog stuurde Van den Heuvel een laatste manuscript naar Van den Kieboom: ‘Dat handelde in Jemen. Wat daar tijdens een zich voortslepende oorlog gebeurt, onttrekt zich grotendeels aan het oog van de wereld. Hij wilde daar aandacht voor middels die nieuwe thriller. Ziekte en het bijkomstige gebrek aan geloof dat dit boek wel over de toonbank zou gaan, zorgden ervoor dat het tot niets leidde.’

‘Verder was hij de man,’ vertelt Ad me tot besluit, ‘zoals iedereen hem beschreef: aimabel, betrokken, gevoel voor humor, nog steeds de actualiteit volgend en nooit pochend op zijn niet geringe prestaties als journalist.’

Maar met de dood van Aad van den Heuvel is er dus er ook een schrijver heengegaan. Dat moest gezegd worden.

Gerbrand Bakker is te goed voor Privé-domein. Een korte briefwisseling met Thomas de Veen

Niet weg te leggen, dat nieuwe boek van Gerbrand Bakker, Knecht, alleen. Ik schreef het eerder al in de zomerprospectus van De Arbeiderspers: ‘De aangrijpende, niet neer te leggen opvolger van Jasper en zijn knecht.’ Oké, niet neer te leggen. Een subtiel verschil. Maar ik constateer dat de recensenten in Nederland het met me eens zijn. Het boek werd zonder dralen onthaald op kritieken waarin steeds de (ongekunstelde, levendige) stijl, de impact (het diepgravende verhaal van een depressie) en de (voor een ego-document) doordachte compositie werden geprezen.

Het geheim van Gerbrand Bakker is het geheim van zijn opgewekte stijl, niet (niet per se toch) van zijn opgewekt humeur. Precies in die paradox zit de kracht van dat schrijven: hij verstaat de kunst op een intieme, bijna gezellige manier over angst, depressie, anders-zijn en eenzaamheid te schrijven. Neem nou zo’n overdenking als deze: ‘Maandagochtend. Het schijnt vandaag Blue Monday te zijn en afgelopen nacht was er een bloedmaan te zien. Ik zag hem niet, want ik zette geen wekker. Ik werd uit mezelf wakker in Sint Nicolaasga. Het heeft afgelopen nacht flink gevroren. De tuin is berijpt, de vijver is stijf toegevroren.’ Enzovoorts. Bij alle spleen die hier tussen de regels door voelbaar is: je schurkt bij het haardvuur of de centrale verwarming nog eens behaaglijk je dijen tegen de bekleding van je stoel alvorens verder te lezen.

Of neem dit fragment dat ik ook al in de prospectus citeerde: ‘Iemand zei tegen me dat hij het nog erger had gehad, dat hij alleen nog maar in bed kon liggen. Erger?! Dacht ik. Kon ik godverdomme maar in bed liggen met de gordijnen toe! Ik moest me volledig geconcentreerd van de ene naar de andere dag slepen. Ik mocht niet verslappen. Ik moest afgeleid worden. Maar dan alleen door mezelf. De telefoon ging op stil. Alles wat van buiten kwam was bedreigend en verstorend. Ik las en deed urenlang spelletjes. Ik keek tv, ook urenlang. En ondertussen slikte ik dat vervloekte middel gewoon door, het moest toch een keer aanslaan.’

Dat werk dus. Die toon. Boeiend is misschien wel het allerbeste woord om uit te drukken wat voor soort proza het is. En daarom: niet neer te leggen.

Dat was ook Thomas de Veen in NRC Handelsblad volledig met me eens, zo leek het (en bleek ook het geval) toen ik zijn recensie over Knecht, alleen tegenkwam. Mijn spiedende blik werd getrokken naar vier ballen (ik ben overigens van mening dat die ballen moeten worden afgeschaft, al jaren) en ik scande zinsneden als ‘een eerlijk boek over seks en depressie’ en ‘onopgesmukt’. Dat wordt een fijn stuk, dacht ik, honderdtwintig printjes om de kantoorwanden op de Weteringschans mee te behangen! En opgetogen begon ik te lezen.

Maar nog niet eens halverwege sloeg mijn humeur grondig om. ‘Om eerlijk te zijn,’ las ik, ‘voelt dit boek algauw te goed voor de Privé-domeinreeks, die weliswaar eerbiedwaardig is, maar waarin recent toch ook veel ongeredigeerde dagboeken opgenomen worden. Bakker schrijft over zijn leven, dagboekachtig intiem, maar heeft er echt iets van gemáákt.’

Te goed voor Privé-domein? Wat zullen we nu gvd beleven! Ik las het stuk, met tegenzin ineens, uit en liep daarna meteen naar de laptop om, nadat ik weer enigszins door mijn hoge poten was gezakt, aan Thomas de Veen een mail te sturen met de onderwerpstitel ‘Eerlijke boeken’. Ik schreef hem dat ik zijn uitspraak over de reeks ‘een raadselachtige opmerking’ vond, ‘zeker omdat die reeks in jouw ogen kennelijk eerbiedwaardig is. Jij zegt het. Van mij hoeft het allemaal niet eerbiedwaardig te zijn, maar het moet wel goed geredigeerd zijn. Niet dus, volgens jou.’

Ik woog ze nog eens, die woorden: ‘recent’, ‘veel ongeredigeerde’, ‘dagboeken’. Aan Thomas: ‘Laten we het begrip “recent” eens ruim nemen. Laten we dat een hele olympiade laten beslaan: vier jaar. Alles vanaf juni 2016. Van mij mag je er nog een jaar of twee bij smokkelen hoor, dan heb je misschien wat meer munitie, ook al zijn we dan inmiddels aanbeland in de vorige schuldencrisis en de arsenalen uit het stenen tijdperk van de WPG. Ik schat dat we in die zes jaar een of stuk 30 Privé-domeinen hebben uitgegeven. Nee, dat moet ik preciseren. Catalogi erbij gehaald. Curzio Malaparte’s Dagboek van een vreemdeling in Parijs was het eerste deel dat vanaf dat moment verscheen, nr. 279. Gerbrand Bakkers boek (het deel dat jij bespreekt) is nummer 309. Juist: 31 titels dus. Bijna goed.

Mag ik je vragen welke van die 31 titels ‘ongeredigeerd’ waren? “Veel” dus. Jij schrijft het. Dat kunnen er geen twee zijn. Drie is eigenlijk ook niet veel. Tenminste niet voor het soort bewering dat je doet. Maar ieder ongeredigeerd boek is er natuurlijk een te veel. Je beperkt het zelf al tot dagboeken, maar ik geef je de ruimte om op alle titels van tussen 279 en 309 het zout van je kritiek te leggen, want wellicht bedoelde je met dagboeken alles wat dagboekachtig is, alles wat autobiografisch is dus. Het is dan misschien wat onhandig geformuleerd, maar in dat geval vallen ook brieven er zelfs onder.’

Ik moest even op antwoord wachten, maar toen kreeg ik ook wat. Een ampele reactie van Thomas waarin hij zich nader verklaart: ‘Dank ook voor je brief, die me de kans biedt om mijn bedoelingen wat uitgebreider en genuanceerder uiteen te zetten dan in het schamele bijzinnetje in de krant.

Bakker heeft er iets van gemáákt, van zijn boek, zo schreef ik en dat zul je met me eens zijn. Het is geen dagboek, geen verzameling brieven, maar een geschrift waarvoor ik bij gebrek aan een passend Nederlands equivalent de term memoir hanteerde. Een boek dat sterk vormgegeven is, dat voelbaar een literaire constructie is – als ware het een roman. […]

Gerbrand Bakker. Portret: Ella Tilgenkamp

Daarin bespeur ik een tegenstelling met de reputatie van de eerbiedwaardige reeks Privé-domein. Daarin vindt men egodocumenten, brieven, dagboeken, logboeken, aantekeningen; teksten die zo vers en rauw zijn dat ze eerder ‘uit het nest geroofd’ zijn, om met Jozef Deleu te spreken, dan dat ze zozeer bestudeerd, gewikt, gewogen en gestructureerd worden als een roman. Kortweg: Privé-domein bevat dat wat uit het privédomein gerukt is, kort door de bocht gebruikte ik de verzamelterm dagboeken. Daarenboven: de ongeschreven belofte van Privé-domein, als ik die mag samenvatten op basis van een aantal recente afleveringen, is dat de teksten daarin hoogstens in zeer beperkte mate gekuist, geschift, geselecteerd, gewijzigd zijn.’

Dat laatste is, zeker als het gaat om nieuw werk of documenten van nog in leven zijnde auteurs, beslist niet het geval. Daarin wordt vaak – in goed overleg met de auteur – danig geredigeerd en geschrapt. Maar dit terzijde.

‘Overigens,’ vervolgt Thomas, ‘viel je vast al op dat ik hierboven nog niet het gewraakte woord ‘ongeredigeerd’ noem, waarvan ik me kan voorstellen dat dat stuitte tegen de redacteursborst, dan wel -teen of zeer -been. Dat woord was kort door de bocht, waarvoor mijn excuses, maar ik bedoelde het niet kwaadwillig, omdat ik er de lading van “onbewerkt” in meende te leggen. (Nu denk ik: ik had gewoon dát woord moeten kiezen.) Er wordt voor de meeste Privé-domeindelen niet eerst een heleboel bewerkt of geredigéérd (“laten we je dagboekaantekening van 21 januari 2013 eruithalen, die dubbelt wel érg met 22 januari”), voor er een kaft omheen gaat, is mijn indruk. Nota bene vergroot dat ook de intimiteit van het geschrevene, en daarmee de waarde van de reeks.’

Nogmaals, deze veronderstelling (in zijn algemeenheid) is niet correct.

‘Over welke Privé-domeindelen heb ik het?’ schrijft Thomas dan. ‘Ik las uit de reeks vooral de nieuwe, Nederlandse bijdragen, de boeken die auteurs bij leven speciaal voor de reeks schreven of samenstelden (en die daarin vergelijkbaar zijn met Knecht, alleen), en daarvan zou ik kunnen noemen, als voorbeelden van de in mijn tegenstelling bedoelde delen, uit de door jou gestelde periode: de delen van A.H.J. Dautzenberg, Anna Enquist, Alfred Birney, Arnon Grunberg, Arthur Japin, Cyrille Offermans, Luuk Gruwez, Onno Blom.

Zijn dat dan stuk voor stuk rotboeken die meer geredigeerd hadden moeten worden? Dat wil ik helemaal niet zeggen. Ze hebben, elk op hun eigen wijze, waarde als literair-historisch document, als werk dat bestaat naast hun literatuur, werk dat het idee geeft: zó schrijven deze schrijvers als ze hun tekst niet in de eerste plaats voor publicatie bedoelen. Eerlijke boeken, zo je wilt. Ik heb wel mijn twijfels over de waarde van die boeken als literatuur, waarbij het argument van de constructie een belangrijke rol speelt – vanuit het perspectief van de literair criticus is dat teleurstellend, maar goed, die boeken pretenderen ook niet, of in mindere mate, literatuur te zijn. Dus verdienen ze het ook niet om nu, hier, in die hoedanigheid gerecenseerd te worden.’

Hier kan men van denken wat men wil (en ik denk daar in een aantal opzichten en facetten behoorlijk anders over), maar Thomas de Veen heeft mij nu wel duidelijk kunnen uitleggen wat de portee was van die op het oog nogal badinerende opmerkingen over Privé-domein in zijn recensie.

‘Met de tegenstelling tussen die boeken en dat van Bakker wilde ik mijn lezer laten weten dat wanneer die op voorhand van Knecht, alleen denkt dat het (slechts) een onbewerkt dagboek betreft, dat een misverstand is. Ik denk zelfs dat Knecht, alleen bewijst dat het autobiografisch schrijven, het vormgeven van zijn verhaal in memoirs, goudeerlijk en toch uit en te na geconstrueerd, voor Bakker misschien wel de hoofdmoot van zijn literaire activiteit wordt (zie ook de inzichtelijke analyses van zijn eigen fictie, en hoe de noodzaak daarvan weggevallen is nu hij de autobiografie als genre opgepakt en omarmd heeft). Het is mijn opvatting dat Knecht, alleen de plek in zijn oeuvre ontstijgt die Privé-domeindelen voor bovengenoemden innemen: niet de hoofdmoot, maar een boek voor erbij, ernaast. Wat Bakker hier doet, nog sterker dan in Jasper en zijn knecht, past meer in de lijn van de autobiografische boeken van bijvoorbeeld Willem Melchior en Nicolien Mizee dan in lijn van de Privé-domeindelen van Enquist, Birney of Japin. Als literair criticus, altijd het onderhavige werk beoordelend én vergelijkend met wat er nog meer te halen is, noem ik dat dan, inderdaad, “beter”.

Overigens, wetende dat je een blog wilt schrijven en daarvoor ook geïnteresseerd was in mijn reactie, zeg ik er vast bij: het staat je vrij het bovenstaande te publiceren.’

En daarmee, lezer, weet u dat ook.

Maar wat nu dus ook bekend mag zijn: niet neer te leggen, die nieuwe van Gerbrand Bakker. En neem van mij aan: dat geldt voor nog een aantal delen uit de reeks die afgelopen jaren zijn verschenen. En voor zover dat niet het geval is, betreft het boeken die opvallende en belangwekkende andere kwaliteiten hebben. Anders hadden wij ze niet in die ‘eerbiedwaardige’ reeks opgenomen. En ‘geredigeerd’, dat ook!

The Soenens the better. Over Björn Soenens, ‘De lengte van een oceaan. Stemmen en stemmingen in Amerika’

Björn Soenens heeft een filmpje gemaakt ter promotie van De lengte van een oceaan. Een magnifiek filmpje, maar uit de nood geboren. Hij moest vanuit standplaats New York iets doen om ruchtbaarheid te geven aan de verschijning van zijn nieuwe boek in de Lage Landen. Hij kon niet meer komen. Het coronavirus had hem de pas afgesneden. ‘Nooit eerder,’ schrijft hij in het Woord vooraf van zijn boek, ‘was de lengte van een oceaan groter dan vanaf midden maart van het jaar 2020.’

Nog maar twee jaar geleden publiceerde Björn Soenens, ook bij De Arbeiderspers, Dagen zonder Trump. Berichten uit Amerika. Je zou dat boek kunnen zien als de schriftelijke proeve van zijn inauguratie als Amerika-correspondent van vrt nws, de Nederlandstalige publieke omroep in België. Soenens begon eind 2016 aan zijn taak, en het was me de ambtsaanvaarding wel, want zijn aantreden verliep zo goed als simultaan met het begin van het presidentschap van Donald Trump. Hij moest meteen vol aan de bak in een land dat in een razend tempo aan het veranderen en polariseren was. Dagen zonder Trump is – bij wijze van propedeuse in de openluchtstudie American Life and Politics – de neerslag van dat leerjaar als correspondent.

En toen begon het grote werk. Nadat Soenens overal eens aan geroken, geproefd en gevoeld, en alles en iedereen eens rustig bekeken en beluisterd had, kon hij de sprong in het diepe van Amerika wagen, wat ook een sprong in de donkere, de smerige en de aan zijn lot overgelaten zelfkant van Amerika was. Dat veldwerk verrichtte hij parallel aan wat zijn primaire taak als tv-verslaggever is: berichten over de grote politieke en maatschappelijke gebeurtenissen in de Verenigde Staten.

Het is een immense prestatie (a hell of a job) dat het hem desondanks gelukt is om in die afgelopen twee jaar naast dat veeleisende televisiewerk een boek over Amerika te schrijven – getiteld De lengte van een oceaan. Stemmen en stemmingen in Amerika – dat zo veelstemmig en caleidoscopisch de gelaagde en weerbarstige werkelijkheid van het hedendaagse leven in Amerika in kaart brengt. En dan is het ook nog eens een kolossaal boek van bijna vijfhonderd bladzijden dat de indruk zou wekken een eeuw na dato Manhattan Transfer, die modernistische reportageroman van John Dos Passos, te willen herschrijven als het niet allemaal zo waar (zo volslagen non-fictie) zou zijn.

Daar komt bij dat Björn Soenens zich liet opjagen door zijn uitgever en door de wetenschap dat een Amerika-boek van zijn hand er vroeg in het Amerikaanse verkiezingsjaar – bij voorkeur al tijdens de voorverkiezingen (de primaries) – zou moeten zijn. Het ijzer moet immers gesmeed worden als het heet is. Dus schreef en werkte Soenens zich als een zoemende tol honderd slagen in de rondte om dat manuscript (van zo’n 180.000 woorden) op tijd, dat wil zeggen: voor Kerstmis 2019, af te hebben. Zoals wij het hier aan de auteur waren gaan afdwingen: The Soenens the Better!

Björn Soenens. Portret: Michel Goessens

Reken maar dat het aan The Björn Himself niet heeft gelegen. Die haalde zonder morren nog een paar weekenden en een zwik lange nachten door – en léverde. Hij leverde ruim voor de kerst zijn stuff in. The Soenens the Better, waarmee alle seinen op groen sprongen voor verschijning in april.

Er kwam echter een kleinigheid tussen: een virus dat een pandemie veroorzaakte en de hele wereld lamlegde. De uitgeverij echter had intussen – om het boek welgemikt de wereld in te werpen – voor 27 april, en in goed overleg met de auteur, een naar het zich liet aanzien mooie avond in de Minardschouwburg in Gent geprogrammeerd. Maar algauw bleek dat zulk soort bijeenkomsten niet meer mogelijk waren, en als deze dat toch wel was geweest: New York (hetzelfde geldt voor grote delen elders in Amerika) was inmiddels zo catastrofaal in de greep van corona geraakt, dat het voor Björn Soenens onmogelijk was geworden (en nog steeds is) om naar België te reizen.

Laat dat gevoel van afstand, ervaren als heimwee, nu toch al een continue onderstroom zijn van al die Amerika-stukken in De lengte van een oceaan: het besef dat hij – hoeveel plezier hij ook in zijn werk heeft en hoezeer hij het met zijn vrouw in Brooklyn ook naar zijn zin heeft – ver verwijderd is van andere geliefden aan de overkant van de Atlantische Oceaan. Het heeft een contrasterende verhalenstreng opgeleverd die de Amerikaanse reportages larderen. In een interview met een Vlaamse krant zei hij daarover: ‘De lengte van een oceaan is wat mij scheidt van mijn moeder en mijn twee kinderen. Die afstand spookt vaak door mijn hoofd. Ik heb een haat-liefdeverhouding met Amerika, Die is sterker dan ooit. Dit land kan me zó fascineren, maar tegelijk zó boos maken.’

Het uitstel waarmee De lengte van een oceaan noodgedwongen te maken kreeg, bood Björn Soenens wel de gelegenheid nog een prangend slothoofdstuk (‘Met de kracht van honderd wilde paarden’) aan zijn boek toe te voegen. Over corona uiteraard: ‘Als correspondent versla je het nieuws. Je kijkt, je luistert, je verwerkt tot een verhaal. Een verhaal dat niet noodzakelijk deel is van je eigen leven. Meestal niet zelfs. Je komt in vele werelden die níet de jouwe zijn. Je staart, je gluurt, je maakt een verhaal, Dit keer is dat helemaal anders. Ik leef in het epicentrum van de corona-epidemie in Amerika. New York is de grootste brandhaard in de wereld. Plots ben ik een acteur in een verhaal. Ik sta niet búíten, maar bínnen de lijnen. Ik leef in een rampgebied. Ik werk ín mijn leven.’

Ergens middenin staan – dat is het gevoel dat Soenens de lezer in al deze verhalen weet te geven. Dat je erbij bent, lang niet altijd bij iets rampzaligs of schrikbarends, maar wel steeds bij iets van belang, bij iets dat op de een of andere manier indruk wekt. En zo voelen we ons bijna lijfelijk en bevoorrecht aanwezig bij een gesprek in de taxi met Soenens’ vaste chauffeur van Pakistaanse komaf, bij een interview met Samantha Power bij hem thuis over onder andere de komende verkiezing (‘Het wordt de belangrijkste verkiezing uit mijn leven. Dat staat buiten kijf. Belangrijker nog dan de vorige verkiezing, die toen ook al de belangrijkste was van mijn leven,’ aldus Power), bij het offreren van een panoramische blik op de ‘Bijbelse afmetingen’ van Amerika, bij de woede van Trumpaanhangers (‘Er zijn veel worstelende blanke Amerikanen die een stil en geruisloos leven leiden, een leven van gedempte wanhoop. Deze mensen zie je niet op Trumps rally’s.’), bij een gesprek op de hoek van de straat dat hij voert met zijn buurvrouw, allebei een sigaret rokend, terwijl zij hem vertelt dat ze verliefd is en hem om raad vraagt. En bij nog honderden andere situaties.

Meermaals kwam de gedachte bij mij op dat Björn Soenens een razende reporter is (eentje die op miraculeuze wijze op meerdere plaatsen tegelijk kan zijn en de indruk wekt overal op te duiken waar iets gebeurt dat duiding verdient). En hoewel ik die kwalificatie eigenlijk niet zou willen verwerpen: dat is een te groot cliché. Bovendien: voor een razende reporter kijkt hij te goed en staan ook alle andere zintuigen te zeer op scherp. Hij raast wel, maar hij staat ook voortdurend ergens aandachtig bij stil.

En los daarvan is het allemaal opgeschreven met zo’n ijver, zo’n gulheid, zo’n nieuwgierigheid, zo’n begaanheid en zo’n onverschrokken onbevangenheid dat die je als lezer wel moeten meesleuren. En dan moet de uitbraak van het virus in New York nog plaatsvinden. Daarover gesproken: ‘Ik word een beetje boos als ik die arme thuislozen op straat gadesla. Ze zijn een vertrouwd gezicht in de buurt. Maar ze blijven daar maar op de straathoek staan, ook in deze tijd van social distancing. Ze lopen een groot risico, maar ze lijken het niet te beseffen. Ze nemen ook nog elke dag de bus, ook al zo’n besmettingshaard. Maar de stad weet: als we die mensen ook nog hun metro of hun bus afpakken, dan raken ze nergens meer.’ Paar dagen later: ‘Mijn cameraman Daan en ik moeten heel voorzichtig zijn. Deze week mogen we geen veldwerk meer doen met de camera, om risico’s te vermijden. Mijn leidinggevenden in Brussel zijn bezorgd.’

Het boek was al ter perse toen daar een paar weken geleden ook nog eens de gewelddadige dood van George Floyd in Minneapolis bij kwam met alle, de grenzen van de Verenigde Staten ver overschrijdende maatschappelijke gevolgen van dien. Te laat voor het boek, maar De lengte van een oceaan bevat meerdere stukken die het thema van institutioneel racisme, politiegeweld en de pijn van zwarte mensen behandelt, zoals in het navrante verhaal ‘“Honden en negers niet toegelaten”’ (tekst die in 1962 in Pittsburgh op een bord voor het openbare zwembad stond). Over wit chagrijn schrijft Soenens overigens evenzeer. Dan gaat het om die witte Amerikanen die niet kunnen aanvaarden ‘dat hun oude identiteit verkruimelt’ en dat ze ‘over een jaar of dertig hun voorrechten zullen kwijtspelen.’

Wie een tijd in dit boek heeft doorgebracht zal trouwens concluderen dat Soenens vooral een luisterend oor heeft voor de verhalen van gewone Amerikanen. Björn Soenens tekent hun strijd op, hun overlevingsdrang, hun gevecht tegen onrecht, en tegen het onvermijdelijke. In die zin is De lengte van een oceaan een requiem voor de Amerikaanse droom. Hij brengt Amerika – het echte, alledaagse – heel dichtbij. Nu het nog kan.

Dat kan ondanks alles maar op één ding wijzen: liefde. Niet voor niks citeert Björn Soenens tenslotte Joost Zwagerman ergens met instemming: ‘Amerika is méér dan een immense voorraadschuur van fenomenale muziek, boeken en kunst. Een ankerplaats voor de ziel…’

Tien bepalende boeken, tien omslagen, tien citaten.

Voor Guus van Holland

Enkele weken geleden – en misschien nóg wel – ging op facebook een initiatief rond dat mensen uitnodigde tien dagen lang elke dag het omslag van een boek te posten dat ze heel erg waardeerden en dat voor hun leven en wereldbeschouwing van betekenis is geweest. Maar dan zonder uitleg, zonder ‘recensie’. Het was Guus van Holland – mogelijk ís het zijn initiatief – die mij vroeg zoiets te doen. Ik antwoordde: ‘Oei, Guus, dan moet ik tien dagen op facebook. Dat gaat me niet lukken. Ik zal er op een andere manier op terugkomen. Dat beloof ik je.’

Welnu, op deze manier dan. Door die tien omslagen op mijn blog te plaatsen, zonder verdere uitleg. Maar niet zonder tekst. Op een blog hoort tekst. Zou ik denken. Ik heb gekozen voor een naar mijn idee op de een of andere manier veelzeggend citaat uit elk getoond boek. En tussen vierkante haken staat het jaar waarin ik (geboren in 1961) het bewuste boek volgens mij (voor het eerst) gelezen heb. En terwijl ik dit tik, realiseer ik me: ik ben vergeten De avonden van Gerard Reve erbij te zetten. Voor het eerst gelezen in 1977 en in de jaren tachtig gedurende vele jaren achtereen telkens weer tussen Kerst en Nieuwjaar, tijdens de dagen waarin de roman zich afspeelt. Ik heb het begin deze eeuw (jaar of zeventien jaar geleden?) nog eens opnieuw geprobeerd, maar het was alsof de tekst (alsof het boek) zijn magie verloren had. Maar ik was zelf natuurlijk de onttoverde. ‘Mijnheer Zak, de Geboren Vlinderdas.’ Dit terzijde.

Ik heb er om allerlei redenen voor gekozen om (uitgezonderd één titel die ergens onderaan kan worden aangetroffen) geen boeken van De Arbeiderspers te kiezen.

Hier de tien omslagen en evenzovele citaten:

Hergé, De schat van Scharlaken Rackham (De avonturen van Kuifje) [1970]
2mxmHI53wDw3ZEuCO5Va
‘Zo is het. Maar, onder ons gezegd, begrijp je!… Het gaat om de schat van een zeeschuimer uit de XVIIde eeuw, een zekere Scharlaken Rackham, die zich aan boord van De Eenhoorn bevond. Welnu, Kuifje en Kapitein Haddock… weten waar die Eenhoorn gezonken is en… ik vertel je de rest straks… De muren hebben hier oren…’
f

Jean Nelissen, Tour de France. Hemel en hel op een stukje leer [1973]
tour-de-france
‘Hij hing zich op aan de knop van de deur. De medailles die hij als wielrenner gewonnen had en het erelint dat hij voor zijn Tourzege gekregen had, lagen netjes gerangschikt op de vloer.’

Franz Kafka, Het vonnis [1977]
729x1200
‘Nog hield hij zich met krachteloos wordende handen vast, zag tussen de spijlen van het hek een autobus naderen, die gemakkelijk zijn val zou overstemmen, riep zachtjes: “Lieve ouders, ik heb toch altijd van u gehouden,” en hij liet zich vallen.

Op dit ogenblik ging er juist een onafgebroken verkeersstroom over de brug.’

E. du Perron, Het land van herkomst [1982]
1001004001521072
‘Na alle wroeten zie ik één wijsheid: zolang men leeft, te leven volgens de eigen aard en alsof men toch de ruimte vóór zich had, met alle nieuwsgierigheid en hoop waar men nog mee behept is, maar ook met een voldoend kwantum pessimisme om ons in één minuut te verzoenen met het einde van alles wat ons leven mogelik maakte, mogelik in iedere betekenis. De wijsheid is oud, maar het besef nieuw.’

Marcel Proust, De kant van Swann [1987]
j
‘Doordat hij uitdrukkingen vaak een veel letterlijker betekenis toedichtte dan zij in werkelijkheid bezaten, was zijn nieuwsgierigheid vooral op dit gebied onverzadigbaar en wilde hij dolgraag weten wat men nu eigenlijk precies bedoelde met die uitdrukkingen die hij zo vaak hoorde gebruiken, als: eeuwige jeugd, blauw bloed, leven als kat en hond, op zwart zaad zitten, het neusje van de zalm, de vrije hand laten, de mond snoeren enz., en in welke gevallen hij deze op zijn beurt in een gesprek zou kunnen bezigen.’

Ingeborg Bachmann, Tijd in onderpand [1988]
ol
‘Vergis je honderdmaal,/ zoals ik me vergiste en proeven nooit doorstond;/ toch heb ik ze doorstaan, de ene na de andere keer.// Zoals Bohemen deed en op een mooie dag/ aan zee begenadigd werd en nu aan het water ligt.// ik grens nog aan een woord en aan een ander land,/ ik grens, hoe weinig ook, aan alles immer meer,’

György Konrád, Tuinfeest [1988]
666788598
‘Het honderd jaar oude huis bestaat van onderen uit natuursteen, van boven uit leem; onder is een wijnkelder, boven een zolder. Eromheen strekt zich een grote, schuin aflopende tuin uit, waarin vruchtbomen staan. Aan deze tafel, die van een grafsteen is gemaakt, schrijf ik gewoonlijk, en als ik geen zin meer heb, neem ik plaats op de ronde steen waarop vroeger druiven werden uitgeperst, tegenover de reusachtige notenboom.’

Primo Levi, De verdronkenen en de geredden [1991]
735x1200
‘Maar het waren mensen net als wij, gemiddelde menselijke exemplaren, gemiddeld intelligent, gemiddeld kwaadaardig; uitzonderingen daargelaten waren het geen monsters, ze hadden net zo’n gezicht als wij, maar ze waren slecht opgevoed.’

Michel Houellebecq, Elementaire deeltjes [1998]
cms_visual_1211623.jpg_1565086218000_292x451
‘Dit boek is voor alles de geschiedenis van een mens, die het grootste gedeelte van zijn leven in West-Europa leefde gedurende de tweede helft van de twintigste eeuw. Hoewel hij over het algemeen alleen was, had hij van tijd tot tijd contact met andere mensen. Hij leefde in ongelukkige, roerige tijden. Het land dat hem had voortgebracht kwam langzaam maar zeker terecht in de economische zone van de middelarme landen.’

The History of Paris in Painting [2005]
ddd
[Kolossaal schilderijenboek van circa 40 x 60 cm. Geen teksten. Paris, je t’aime. Geen citaat, maar een verklaring van liefde aan een thans onbereikbare.]

‘Berichten van het front’. Anna Enquist blijft in staat van paraatheid

Goedenavond deze laatste avond, ik spreek
tot u namens de werkgroep gedupeerde dichters,
de vereniging rouwende schrijvers en wens u
kinderen toe die niet de eindstreep halen
voor u zelf de drempel over bent, dit jaar.

[Fragment van ‘Oudjaarstoespraak’ uit Anna Enquist, Berichten van het front]

enquist
Anna Enquist. Portret: Bianca Sistermans.

Vorig jaar rond deze tijd zat ik een keer in de auto tussen Den Haag en Utrecht, toen ik – laten we zeggen: ergens ter hoogte van waar de A12 de Dubbele Wiericke oversteekt – midden in een radiogesprek viel met fotografe Saskia Boelsums. Ze werd aan het einde van die uitzending trouwens uitgeroepen tot Kunstenaar van het Jaar, maar dat doet er hier niet toe. Wat ertoe doet is dat ze tijdens dat live-gesprek vertelde dat ze die ochtend op weg ernaar toe op een gegeven moment haar auto aan de kant had gezet omdat ze zilverpopulieren had gezien die werden beschenen door de zon. De tere populierenblaadjes als vloeipapier zo dun ritselden en fonkelden in het zonlicht als glinsterende en stuivende confetti. Dat móest ze vastleggen met haar camera.

Zo’n opmerkingsgave, zo’n gedrevenheid, zo’n toewijding – zo iemand kan bij mij al niet meer stuk.

Dat alerte, geestdriftige en gedisciplineerde bezit ook Anna Enquist in hoge mate. Altijd alle zintuigen op scherp om een observatie te kunnen doen die bruikbaar is voor het eigen werk. En gedurende periodes dat ze echt aan het schrijven is: elke ochtend een uur of twee, drie aan de schrijftafel – ook als het niet wil vlotten.

Zo is het afgelopen jaar – omdat de dichtader ineens begon te vloeien, maar die vloeit nooit lang zonder hard labeur – weer een imposante nieuwe bundel ontstaan onder de titel Berichten van het front, die begin juni verschenen is.

Om dit er meteen maar van te zeggen: het is niet een bundel waaruit je lallend en schaterend gaat zitten citeren tijdens een drankovergoten samenzijn. Het is wel een bundel waarin gedichten en regels staan die – voor degene die de moeite neemt zorgvuldig te lezen – nooit meer vergeten zullen worden.

In Berichten van het front (ik schreef het ook op de flappen van de bundel) hervat Anna Enquist de grootse en bittere expeditie die ze voor de duur van één bundel (haar vorige, bijna vrolijke bundel Hoor de stad) had opgeschort: ‘het losmaken/ van de dochter uit ons’. Losmaken ook om de verlorene vervolgens weer in het wild te kunnen aantreffen. Maar nooit eerder werd er zo systematisch jacht gemaakt als nu. In vier grote afdelingen wordt het ontbrekende kind gezocht in de onderwereld, de witte koude van hooggebergte, de omringende natuur en de jacht van het spel.’

Toen ik vorig najaar met haar de afdeling ‘Hoog, wit, koud’, tweede cyclus van tien gedichten in Berichten van het front, zat door te nemen en we waren aanbeland bij het gedicht ‘Populus alba’, liet zij zich ontvallen dat ze zoiets wel voor zich zag op het omslag van haar bundel.

‘Wat precies?’

‘Nou, die mooie vonkende blaadjes van een zilverpopulier.’

Want een populus alba is dus een zilverpopulier.

En ineens schoot mij dat radio-interview met Saskia Boelsums te binnen. Die avond maar eens op het internet gespeurd naar werk van haar. En uiteraard het nodige aangetroffen. ‘Ik ben een beeldend kunstenaar met een fototoestel,’ zegt ze in een interview over de manier waarop ze te werk gaat. Toen ik vervolgens een aantal foto’s van haar te zien kreeg, kon ik dat beamen. Dit was iemand die fotografeert zoals een Hollandse meester uit de glorieuze decaden van onze contreien schilderde, ‘met een hoog Ruysdael-gehalte’, zoals Marjo Starink, de ontwerpster van het omslag, het typeerde.

Maar van die populus alba lijkt uiteindelijk weinig terechtgekomen. Wel van een foto van Saskia Boelsums, want haar werk bleek, vonden wij allemaal, een mer à boire. Veel ervan ademde een sfeer die perfect past bij de elementaire, diep in het aardse gewortelde, altijd wel licht en soms grimmig bewolkte poëzie van Anna Enquist.

Dus werd het – met Boelsums’ instemming, zij was vereerd met het idee dat een foto van haar het omslag van een nieuwe bundel van Anna Enquist zou sieren – dit wonderschone beeld dat als een aangrijpende sluier over de 42 gedichten van Berichten van het front hangt. Wat zien we? We zien iets dat onze blik divergent maakt. Het ene oog wordt omhooggetrokken naar een onheilszwangere lucht, het andere oog daalt vertederd neer op een kudde schapen die zich kalm bergt onder een coulisse van bomen… nou ja… van misschien toch wel zilverberken? Het zijn in ieder geval hoge bomen in een arcering van welhaast magisch licht. Met daar weer boven een dreigend onweer.

Ik zie die schapen als de broze gedichten in deze bundel. Ze kunnen zich geborgen voelen tussen de kaften van dit boek. De gedichten zijn in zekere zin die berichten van het front. Maar het front is ginds, ver weg achter die bomen. Hier, aan deze kant, heerst voorlopig vrede.

Maar vrede is iets anders dan vredigheid. Komend najaar – ook om haar 75ste verjaardag te vieren – verschijnt er een ruime selectie van al haar verspreid verschenen stukken onder de titel Tegenwind, een scala aan essays en beschouwingen (soms in de vorm van lezingen of interviews) over uiteenlopende onderwerpen waarbij zij zich thuis voelt: kunst en kunstenaarschap, psychotherapie, het menselijke brein en zaken van de ziel, reizen en schrijven, muziek en literatuur. Wat je dan allemaal kan tegenkomen: Thomas Bernhard en Louis van Gaal, kinderlijke angstdromen en alzheimeroptimisme, Goldbergvariaties en cellokwartetten, opera’s in de Kuip en wandelingen langs de Engelse aluinkust, Gerard Reve en het literaire werk van vrouwelijke auteurs op leeftijd.

5e842_9789029542241_cvr

Maar desalniettemin: tegenwind!

Tegenwind, wat anders? Niks nieuws onder de zon. We zouden de wind eens in de rug hebben. Nee hoor, met Anna Enquist dienen we ons vanouds maar onverdroten met onze vergramde kop door onafzienbare hopen tegenslag te beuken. Waar anders moeten we onze voldoening vandaan halen?

De stilte van de wereld

#VIRALEN is live!’ schreef initiator Michaël Roumen op 31 maart toen hij het gelijknamige tijdschrift de wereld in stuurde. ‘De afgelopen twee weken werkten we collectief, van Genua tot Gent, aan het maken van een digitaal literair magazine in tijden van quarantaine.’ Die we waren behalve Roumen zelf onder anderen Ilja Pfeijffer en Roderik Six, tevens verantwoordelijk voor de redactie van het digitale blad. Dat eerste nummer bevatte werk van Radna Fabias, Fleur Pieters, Ilja Leonard Pfeijffer, Charlotte Van den Broeck, Melissa Giardina en Roderik Six. In het tweede nummer, dat half april verscheen, stonden bijdragen van Peter Verhelst, Valerie Tack, Erik Jan Harmens, Stefan Hertmans, Gaea Schoeters en van mij.

In het nu (29 april gelanceerde) derde nummer van #Viralen kan je werk vinden van Annelies Verbeke, Dimitri Verhulst, Thomas Heerma van Voss, Jens Meijen, Jaap Robben en (een gedicht in het Engels over ‘Ludwig’, dat wil zeggen over Beethoven) van Michel Faber. Het zij gezegd en geprezen. Het nummer kan worden aangeschaft via de website www.viralen.nl (via Kubla Khan). Ik vond het een maand geleden (nu nog steeds hoor) een dermate sympathiek initiatief dat ik een stuk dat ik eigenlijk voor mijn blog had geschreven aan #Viralen aanbood (en dat dus in nummer 2 stond). Ik zet het hieronder alsnog op NijssenSchrijft om aldus #Viralen 3 te kunnen aankondigen. Ga dat lezen! #Viralen 3 bedoel ik. Dit hieronder mag ook.

viralen-3-cover

DE STILTE VAN DE WERELD
We beginnen in deze ongekende tijden ook nieuwe gewoonten te ontwikkelen.

Als ik tenminste even voor mezelf spreek: ik realiseerde me een paar dagen geleden dat ik veel meer eigen muziek draai. Muziek uit de eigen cd-verzameling, bedoel ik. Wat wil je ook als je zo ongeveer twintig van de vierentwintig uur binnenshuis, de laatste dagen ook nog eens voornamelijk alleen, doorbrengt. De ziel moet ook gevoed. Maar ik had ineens geen zin meer steeds te bedenken wát ik dan wilde horen. Dan maar het inwendige rad van fortuin erop losgelaten. Natte vinger: kast 1, plank 4, de 6e cd aldaar, kast 2, plank 5 nummer 7, kast 3, plank 6 nummer 8 – op die toer. En zo luisterde ik de afgelopen dagen als gevolg van de door mijzelf georganiseerde loterij naar The Best of Elvis Costello, Women in Technology van White Town, Eric Vloeimans en Florian Weber, Live at the Concertgebouw en The Velvet Underground & Nico (het gelijknamige album met de afbeelding van Andy Warhols banaan).

Sommige dingen daarentegen blijven onveranderlijk. Zoals gewoonlijk moest ik vannacht een keer, het was rond een uur of vijf, het bed uit om toiletwaarts te gaan. In vroeger dagen – in een balorige bui en toegegeven: meestal overdag en in sociale situaties – wilde ik dan nog wel eens roepen: om even naar mijn eigen gezeik te gaan luisteren. Maar hoor ‘s: er is helemaal geen ander gezeik meer!

Met flarden van zulke gedachten in het slaapdronken hoofd stommelde ik na gedane zaken terug naar bed. En toen werd mij iets anders gewaar. Het was stil. Niet zomaar een béétje stil, maar zo stil als ik het nog nooit van zijn leven stil had meegemaakt. En dat in de bruisende banlieue van Utrecht waar anders elk moment van de dag wel een gerucht te vernemen valt. Niets nu, geen zuchtje wind, geen zachte hondengrom, geen vogelgeluid, geen voetstap, geen kuch, geen wegstervend verkeer. Hélemaal níets. Het was een stilte die geen enkel adjectief verdraagt. Geen zoemende, geen suizende, laat staan een laaiende of oorverdovende stilte. Deze stilte (ik denk niet dat ik de enige ben die ze deze nacht ervaren heeft) was zo goed als absoluut. Het virus verlamt, verdooft en verstomt ons en heeft ons diep in onze holen gedreven. En ineens – iets wat me zo goed als nooit overkomt – kon ik niet meer slapen. De stilte greep me naar de keel, ontketende jeuk waardoor ik begon te krabben. Ik lag te woelen en realiseerde me dat ik klaarwakker was. Ik schoof het gordijn opzij en keek moederziel alleen uit over de maanverlichte tuin die eruitzag als altijd en toch het tableau van een nachtmerrie vormde. De woorden die zich dan in je opdringen: post-humaan, surrealistisch, apocalyptisch, voorwereldlijk.

viralen-2-front-rgb-scaled

Dat laatste woord kalmeerde me, maar toch alleen maar omdat ik aan dat meer dan aangrijpende gedicht van Lars Gustafsson moest denken, ‘De stilte van de wereld voor Bach’. Ik had het niet woordelijk paraat hoor, maar ik citeer het hier (in de vertaling van Henk Bernlef) in zijn geheel voor wie het niet kent of voor wie het nog eens in zijn geheel tot zich wil nemen:

DE STILTE VAN DE WERELD VOOR BACH
Er moet een wereld bestaan hebben voor
De Triosonate in D, een wereld voor de partita in A mineur,
maar hoe zag die wereld eruit?
Een Europa van grote lege vertrekken zonder weerklank,
overal onwetende instrumenten
waar Musikalisches Opfer en Das wohltemperierte Klavier
nooit over een claviatuur waren gegaan.
Eenzaam gelegen kerken
waar de sopraanstem uit de Johannes Passion
zich nimmer in hulpeloze liefde slingerde
rond de mildere windingen van de fluit,
weidse zachtmoedige landschappen
waar alleen oude houthakkers met hun bijlen te horen te zijn
het gezonde geluid van sterke honden in de winter
en – als een slingerklok – schaatsen klauwend in glansijs;
zwaluwen zwermend in de zomerlucht
schelp waar het kind aan luistert
en nergens Bach, nergens Bach
schaatsstilte van de wereld voor Bach.

‘De rol van de mens,’ schrijft Bernlef in zijn nawoord, ‘is in Gustafssons poëzie teruggebracht tot die van een gepassioneerd waarnemer die weet dat de zichtbare wereld zich buiten zijn zintuigen in een “anders zichtbare” wereld voortzet, een wereld die tussen de regels van zijn gedichten wordt gesuggereerd en die iets paradijselijks heeft omdat zij nog niet is blootgesteld aan menselijke waarnemingen en definities.’

Van de stilte van de wereld voor Bach was het ineens nog maar een kleine stap naar kast 4, plank 7, nummer 9. Die lag immers al voor me klaar ter opluistering van een eenzelvig ontbijt. Enigszins tot bedaren gekomen, slaagde ik er zo in  opnieuw de slaap te vatten. Toen ik een paar uur later wakker schoot, was het licht en hoorde ik merels fluiten, maar ook niet veel meer.

Ik stond op en liep naar beneden. Koffiezetten en dan als de wiedeweerga nummer 4,7,9 laten klinken, verdomd als het niet waar is: Cantates van Bach (in de uitvoering van het Holland Boys Choir en de Nederlandse Bachvereniging onder leiding van Pieter Jan Leusink), in dit geval de cantates BWV 16, BWV 170 en BWV 133. Vooral de aria van de tweede cantate (‘Vergnügte Ruh, beliebte Seelenlust’) is verschrikkelijk mooi: ‘Vergnügte Ruh, beliebte Seelenluste, / Dich kann man nicht bei Höllensünden / Wohl aber Himmelseintracht finden; / Du stärkst allein die schwache Brust. / Drum sollen lauter Tugendgaben / In Meinem Herzen Wohnung haben.

Toen ik mijn gekookte eitje tikte en Bach verstomde, had ik mijn eigen wil hervonden. Ik zette de laatste plaat op die ik voor de kladderadatsch nog gekocht had (half maart bij Concerto in Amsterdam, op een zondagmiddag waarop ik als een dief in de nacht nog wat spullen had opgehaald op ons kantoor aan de Weteringschans) en inmiddels al een keer of vijf gedraaid had: Speel van Raymond van het Groenewoud. Wat een schitterend album, wat een muzikant!

Kom maar door, Raymond, gij visionair:

SPEEL
De doden, de zieken, ze bleven maar komen
De kranten bezweken bij zoveel kopij
We zaten gevangen in duistere dromen
En toen sprak de hofnar
‘Wie danst er met mij?’

Speel – muzikant moet spelen
Speel – alle pijnen weg
Speel – alle wonden helen
Speel – trek het scheve recht

Speel virtuoos
Speel het slim
Speel enthousiast
Speel en zing
Speel naar je droom
Tast en reik
Maak de mensen blij, ja, maak het lichter

viralen-01-front-scaled

Ons ene leven. Een moedwillige vergissing van Joost Zwagerman

Zeven Joosten

Die nacht had ik zeven mooie hoofden
die ik naast mijn ene leven legde op de kast.
Ik deed het licht uit en de hoofden sliepen in.
Mijn romp speelde sjamaan in bed, de halsrib
rond en roodbeknoest, doorzinderd vlees
met aderen die schreeuwden. Mijn zeven mooie
hoofden in rust op rij. Ik verzorgde mij
zoals mijn moeder vroeger plantjes water gaf.

Alles wat ze zeggen over mij is altijd waar
en samen zijn we alle zeven niemandsland.
Alle pluche is ballast voor het polymorfe hoofd.
Mij is geen zonde of verzaking aan te wrijven,
ik doe mijn plicht en vraag niets in ruil.
Ik geef munten aan wie vraagt, duplicaten
aan wie waant, ontucht in het volle licht,
mijn monden vangen zevenvoudig zaad. Mijzelf
genoeg. Ik sta ingeschreven voor onteigening
maar weet niet of verhoord gebed mij past.

Ik zat wat te bladeren in de vorige week verschenen Verzamelde gedichten van Joost Zwagerman, chic en krachtig vormgegeven door Ron van Roon. Een gebonden boek in kobaltblauw linnen met een koningsblauw stofomslag waarop typografie in alle kleuren van de regenboog, en die vele kleuren komen in langwerpige rechthoeken terug op de schutbladen. Een feloranje leeslint maakt het af. Van binnen – ik bedoel: inhoudelijk – is het sober gehouden. Een ‘Woord vooraf’ van Ellen Deckwitz (‘Voor u ligt een oeuvre dat uit elkaar barst van stijlen, ideeën, poëtica’s en stemmen’) en een korte ‘Verantwoording’. Daartussenin de zes officieel verschenen bundels van Zwagerman: Langs de doofpot, De ziekte van jij, Bekentenissen van de pseudomaan, Roeshoofd hemelt, Voor alles en Wakend over God. Geen verspreide of nagelaten gedichten, geen verdere poëtische prullaria.

Dus zat ik vergenoegd en wat verstrooid te bladeren in wat ik grotendeels al kende en deels zelfs heel goed kende omdat ik bij de totstandkoming ervan betrokken was geweest. Wat ik eerder nog maar vluchtig tot me had genomen: die laatste, een jaar na zijn dood verschenen bundel Wakend over God. Ik kon die gedichten destijds nauwelijks lezen zonder erdoor van mijn stuk te worden gebracht. De pijnlijke (en ook bewust pijnlijk bedoelde) kosmische zelfuitvergroting van een vertwijfelde ik-figuur, in het besef dat de maker van deze megalomane gedichten kortgeleden zelfmoord had gepleegd – ik kon die gedichten slechts met voortdurend afgewend hoofd en door de oogwimpers lezen.

Het was niet dat ik die gedichten slecht vond (en er waren recensenten die ze verschrikkelijk slecht vonden), het was meer dat ze me op een onverdraaglijke manier door merg en been gingen. Maar nu vier jaar later de scherpe randen van de rouw zijn afgevlakt viel me, cursorisch en hier en daar wat scherper lezend, toch op dat de criticasters deels gelijk hebben: de gedichten in die laatste bundel zijn, hoe schokkend en pijnlijk vaak ook, nogal wisselend van kwaliteit, soms op een wat studentikoze manier baldadig, soms zelfs ronduit jolig. Zoals bij voorbeeld het gedicht ‘Klaar’, volledig inhangend tussen deze twee strofen: ‘God trok zich af / terwijl Hij dacht aan mij, / schreef Gerard Reve’ en ‘In onbewogen licht ben ik altijd waar. / Juichend komt de kosmos in mij klaar’. Een hoop geruk van spuit elf tussen Reve en Deelder – daar komt het wel op neer.

Je kunt niettemin zelfs grasduinend vaststellen dat er heel wat betere gedichten in staan.  Zoals ‘Hart’, waarvan de beginregels luiden: ‘Hoor het hart, de teerste spier. Bitterzoet orgaan. / Driehonderd gram bietrode specie. Hoofdbewoner / in de thoraxholte. Frêle vuist die stompt en pompt.’ In de derde en laatste strofe stuiten we op een verwijzing naar een gedicht uit een eerdere bundel: ‘Ooit was ik, huis-tuin-en-keukenheilandje, / volkomen en volmondig Legioen / en had wel zeven levens. Nu nog één: / één hoofd dat zelfgeschapen wetten tart.’ Om iedere mogelijkheid tot het missen van deze verwijzing te voorkomen heeft Joost het gedicht ook nog van een motto voorzien: ‘Ooit had ik zeven mooie levens / die ik naast mijn ene leven legde op de kast’.

IMG_7847

Maar toen ik dat las, kreeg ik meteen argwaan. Dat stond er toch niet? Terugbladeren dan maar naar dat openingsgedicht uit Bekentenissen van de pseudomaan, ‘Zeven Joosten’. En kijk maar, er staat niet wat er staat. Er staat: ‘Die nacht had ik zeven mooie hoofden / die ik naast mijn ene leven legde op de kast.’ Joost had geen zeven levens. Hij had zeven hoofden. Dat is iets heel anders. Die hoofden zeggen misschien iets over de condition humaine van de postmoderne mens. Jaren geleden (in de bundel Standplaats Zwagerman, door Elik Lettinga samengesteld ter gelegenheid van zijn veertigste verjaardag) schreef ik er dit over: ‘Je zou je kunnen voorstellen dat de concrete beelden die dit gedicht oproept een psychologische werkelijkheid weerspiegelen: de gedachte geen mentale kern te hebben maar te zijn versplinterd in vele ikken. Dat klinkt wat pathologisch, maar het kan ook veel vitaler worden uitgelegd. Die zeven hoofden staan voor een meervoudige creativiteit, voor een verlangen naar simultaan beleefde ervaringen. Ze zijn een metafoor voor de multi-inzetbaarheid van een brein dat toebehoort aan iemand met meerdere talenten.’

‘Zeven Joosten’ is een belangrijk gedicht in het oeuvre van Joost Zwagerman, en dat vond hij zelf ook. Het verkeerd citeren van dit gedicht in Wakend over God kan daarom geen vergissing zijn. De schrijfmachine mijmerde hier doelbewust gekkenpraat. De pseudomaan (=leugenaar) liegt opnieuw. Ik denk: om de mentale reductie die in die moeilijke laatste jaren van hem heeft plaatsgevonden te kunnen waarmaken. Er zijn geen zeven hoofden meer, er is er nog maar een, laat staan zeven levens. Eén hoofd van een vertwijfelde die zijn zelfgeschapen wetten tart en zijn meervoudige creativiteit is kwijtgeraakt. En in ‘Lief’, het voorlaatste gedicht van Wakend over God, ook zijn ene leven: ‘Misschien heeft God / Zich in mijn dood vergist’.

5e560_9789029540766_cvr

Geen gesjouw met roestige teilen en emmers heimwee. Over Hester Knibbe, ‘Inzake dit huis’*

And I built a home/ for you/ for me/
until it disappeared/ from me/ from you
– Patrick Watson/Cinematic Orchestra

Laten we ter zake van de nieuwe bundel van Hester Knibbe maar eens brutaalweg met de deur in huis vallen. Zonder te kloppen, zonder ons af te vragen of we de huisvrede verstoren, en meteen door banjeren naar het hart van de woning waar we de haard vermoeden en de intimiteit, naar een ruimte die net als de gehele bundel ‘Inzake dit huis’ heet en op haar beurt een aantal deuren kent waarvan een met het opschrift ‘Huids’.

Het is een deur die toegang biedt tot een ruimte van acht gedichten waarin een symbiotisch stel zich heeft verschanst, ziel en lichaam. Ziel kent het verlangen uit te breken, ‘wil elders verblijven’, maar durft de sprong in het diepe niet te wagen. Lichaam probeert het verlangen van ziel te duiden en te relativeren: ‘het is enkel heimwee die weg wil, niet jij’. Een paar gedichten verder lopen ze ‘samen het huis uit de tuin in/ pakken het snoeimes, hakken in op takken/ roeien wildgroei uit, snijden overdaad weg’. ‘Waar is mijn wereld zucht ziel’ in een volgend gedicht. Lichaam kan daar niets anders dan een illusieloos materialisme tegenoverstellen: ‘We komen ter wereld met honger en dorst.’

Had lichaam misschien toch even moeten denken aan die gevleugelde uitspraak van de Griekse wijsgeer Epicurus: ‘De roep van het vlees is: geen honger, geen dorst, geen kou lijden. Degene die hier niet aan lijdt, en erop vertrouwen mag dat dit zo blijft, kan zelfs met Zeus wedijveren in geluk.’

Maar daar zit natuurlijk de krakende crux: in het blijvende vertrouwen. Uiteindelijk zal het beschaamd worden. In het zesde gedicht van de cyclus leert de ziel dat ze niet ongestraft roekeloos kan zijn en ‘verstaat ze de angst van het lichaam’. Een droevig inzicht, want in het voorlaatste gedicht ‘staat ze op, verlaat/ lichtkring en kamer op zoek naar/ bezieling van een ander lichaam.’ Dan weten we wel hoe laat het is. ‘Adem o adem waar ben je nog/ roept lichaam.’ Maar het wordt niet meer verstaan, zo zachtjes, ‘en het zielloze lichaam strekt/ de armen niet uit.’

Deze reeks van acht is een weergaloze allegorie betreffende twee tegenstrijdige verlangens die in misschien wel elk mens huizen: de hang naar een solide thuis en de vurige wens uit te breken en vrij te zijn, dakloos en provisorisch. Die twee tegengestelde neigingen zijn op het omslag gevangen in het beeld van die schots en scheve planken die een voorlopig onderkomen suggereren, een draagbaar domicilie zoals schildpadden hun schild of slakken hun huisje torsen, een soort nomadische behuizing.

In Inzake dit huis is die op en neer gaande strijd tussen het behoudende van het thuis willen blijven en het veranderingsgezinde de wereld in trekken alomtegenwoordig, maar dan wel op een uiterst gevarieerde soms alleen metonymisch ermee verbonden manier. Alleen al in het net geciteerde gedicht gaat het misschien pas juist in tweede instantie over sedentaire versus nomadische verlangens. In eerste instantie gaat het immers over de dood van een mens (een lichaam) en het ongewisse avontuur dat de ziel tegemoet gaat, ofte wel het vuurbaken dat dat lijf een leven lang van energie voorzag.

5be26_92885_Knibbe_Hester
Hester Knibbe. Portret: Koos Breukel.

Inzake dit huis is een bundel die zich met zijn op deze zaken toegespitste thematiek moeiteloos kan meten met Archaïsch de dieren en As, vuur die twee wonderbaarlijke vorige bundels. En ik verkeer in de gelukkige omstandigheid geen roepende in de woestijn te zijn. Archaïsch de dieren werd zelfs bekroond met de vsb-Poëzieprijs. En As, vuur werd genomineerd voor de Paul Snoeck Poëzieprijs. De jury schreef dat de bundel deel uitmaakt van ‘een uitgebreid, klassiek gecomponeerd oeuvre dat geen lezer onberoerd laat. Knibbes poëzie staat voor continuïteit en hoogstaande kwaliteit. Telkens weer slaagt Hester Knibbe erin indringend over liefde en dood, de onvatbaarheid van het zijn en de beperktheid van taal te reflecteren.’ Die prijs ging overigens – vertel ik met trots – naar een andere dichter uit het fonds van De Arbeiderspers, namelijk Charlotte Van den Broeck. Maar de jury, bij monde van Yves T’Sjoen, maakte er geen geheim van dat ze de prijs nog het liefst aan beide dichters had willen geven: ‘Na de afbakening van een shortlist met zes titels kwam de jury relatief snel tot de nominatie van twee dichtbundels waartussen het nagenoeg onmogelijk kiezen was. As, vuur van Hester Knibbe en Nachtroer van Charlotte van de Broeck behoren zonder meer tot het kruim van de poëzieproductie die de afgelopen drie jaar in het Nederlandse taalgebied is uitgegeven. Hoe poëticaal uiteenlopend ook, hoe verschillend qua vormgeving en toon, tekstcompositie en thematiek, beide bundels hebben op de vier juryleden een onuitwisbare indruk gemaakt.’

Too close to call kortom.

Volgende keer dan maar, zeggen we. En we bedoelen: hier is Inzake dit huis, pak aan lauwerkransleggers. Maar laten we eerst nog eens nader bekijken wat Hester Knibbe met die dialectiek tussen honkvastheid en zwerflust precies beoogt. Haar huis is nog niet onbewoonbaar verklaard en – voor zover ik weet – heeft niemand haar anderzijds verboden de kuierlatten te nemen.

Het is misschien afgezaagd maar bijna onvermijdelijk in dit verband te verwijzen naar het gedicht ‘Herbsttag’ van Rainer Maria Rilke

Herr, es ist Zeit. Der Sommer war sehr groß.
Leg deinen Schatten auf die Sonnenuhren,
und auf den Fluren lass die Winde los.
Befiehl den letzten Früchten, voll zu sein;
gib ihnen noch zwei südlichere Tage,
dränge sie zur Vollendung hin,
und jage die letzte Süße in den schweren Wein.

Wer jetzt kein Haus hat, baut sich keines mehr.
Wer jetzt allein ist, wird es lange bleiben,
wird wachen, lesen, lange Briefe schreiben
und wird in den Alleeen hin und her
unruhig wandern, wenn die Blätter treiben.

Ik citeer dit voor veel uitleg vatbare gedicht helemaal omdat juist het minder bekende begin zo veelbetekenend is voor wat Hester Knibbe – en dan vooral in deze bundel, op dit punt gekomen – te berde wil brengen. En dat is (ik interpreteer nu parafraserend) dat de hoogtijdagen van het leven goed zijn geweest en worden nagenoten, maar dat het herfst is geworden, de winter wellicht al voor de deur staat, en het leven vroeger of later eindigen zal.

Bij Hester Knibbe leidt dat tot tal van overdenkingen, zoals in de afdeling ‘Vertrek’ die na ‘Huids’ komt: ‘Doe ik aan verval of uitbundig/ aan nabloei: asters chrysanten rozen// herfsttijloos? Wat de zomer/ smoest met vollere perken bomen in blad,// storm erover en basta’. En in het volgende gedicht: ‘Hoe doe je dat, heengaan? // Je leegt als je tijd hebt je zakken/ stalt alles uit op een tafel, zegt: dit/ ben ik dat was ik, neem wat je wilt of/ van jou is, wat ik vergaarde’.

Maar zo tegen het einde van de bundel – in de afdeling ‘Los’ – stuiten we toch nog onverwacht op een reeks van vier gedichten die je afgaande op de titel wellicht ook in die grote middelste afdeling had mogen verwachten. De reeks heet ‘Opnieuw wonen’ en begint zo:

‘Laten we weer gaan wonen in het oude/ huis ook al is het beschadigd, dat/ herstellen we wel, later, en dan nemen we de oude/ hunker als bed, gaan zitten in oude verhalen’.

Wat een energie ineens, denk je dan. Maar het kan nog gekker. In het volgende gedicht:

‘—Nee, dat gaan we niet doen. We bouwen/ een nieuw huis maken een nieuw/ kind en dat geven we een nieuwe naam. // We gaan niet met roestige teilen emmers en heimwee/ sjouwen’.

Het is een dringend appel om te leven alsof, ja alsof het leven zelf ervan af hangt. En dat doet het ook, blijkens het derde gedicht van de reeks:

‘Wij hebben genoeg huiver/ door ons lijf voelen trekken, bang bang/bang kun je zijn voor wat ons straks zal kortsluiten.’

En dat leidt weer tot het inzicht dat we misschien niet al te rücksichtslos hoeven te zijn:

‘—Goed dan, we laten de muren staan lappen/ de ramen boenen de bloedvlek niet weg maar/ gooien de tobbe de deur uit’

Een soort verwoede voorjaarsschoonmaak dus (een grote poets) omdat het nog kan, omdat we nog leven. Om met vriend Luuk Gruwez te spreken middels de titel van een van zijn vroege bundels: in Een huis om dakloos in te zijn. Hij gebruikte de notie van die titel laatst in een fascinerende tafelrede (een klassiek genre dat een wederopbloei zou verdienen) waarin hij, thema’s als ontworteling en thuisloosheid aansnijdend, uitkwam bij het aan Midas Dekkers ontleende begrip thigmofilie, wat zoveel betekent als de neiging om zich te verkneukelen in een kleine ruimte zoals een poes zich kan nestelen, welhaast opgevouwen van gelukzaligheid, in een net te kleine kartonnen doos. Het gaat met andere woorden om ‘de nooit aflatende zoektocht naar de volmaakte geborgenheid, de wens om koste wat het kost op een zo veilig mogelijk manier te worden aangeraakt.’

Hoe moeilijk is dat niet geworden in een wereld als de onze. Ik stuitte deze week in verband met ander schrijfwerk toevallig op een zin uit een van de Minima Moralia van Theodor W. Adorno, een zin uit nummer 18 dat met zijn titel ‘Toevluchtsoord voor daklozen’ overduidelijk alludeert aan Rilke’s beroemde gedicht: ‘Es gibt kein richtiges Leben im falschen’. Die Minima Moralia zijn door Adorno  midden in de oorlog geschreven in de Verenigde Staten, waar hij als joodse vluchteling voorlopig verblijf hield, terwijl bombardementen de Europese steden in de as legden en in diezelfde regio overal arbeids- en concentratiekampen werden gebouwd. ‘Huizen deugen alleen nog maar,’ schrijft Adorno, ‘om als oude conservenblikken te worden weggegooid’. ‘Het huis is verleden tijd,’ verzucht hij. Om zichzelf dan het volgende voor te houden: ‘De beste opstelling tegenover dit alles lijkt er een van vrijblijvendheid en uitstel te zijn: een privéleven leiden zolang de maatschappelijke orde en de eigen behoeften niets anders toestaan, maar er niet zoveel waarde aan hechten alsof het nog in maatschappelijke zin substantieel en in individuele zin adequaat is’. Want: ‘Es gibt kein richtiges Leben im falschen.’

Vanuit een minder benarde houding (die vanuit de positie van Adorno overigens volkomen begrijpelijk is) kom je dan toch weer uit bij Epicurus, die meende dat het hoogste menselijke streven erin bestond pijn en verdriet zoveel mogelijk te vermijden door met mate te genieten, zo onverstoorbaar mogelijk te blijven en een teruggetrokken leven te leiden.

En dichters kunnen zich zelfs nog radicaler verschansen, liet J.J. Slauerhoff ons weten: ‘Alleen in mijn gedichten kan ik wonen’. Maar dat lijkt Hester Knibbe blijkens het slotgedicht toch net iets te risicoloos, te saai, te abstract: ‘Kom lief, tijd om wakker te worden/ nevel kleeft aan de ramen, laten we// dat matte opzijschuiven, ons naar een/ zomer toekeren naar een strand en een zee’. Wordt het leven toch weer omarmd!

Hoe uitgewoond onze onderkomens misschien ook mogen zijn – lekkende daken, tochtende ramen, piepende deuren, brokkelende muren – deze poëzie staat als een huis.

5e311_9789029541671_cvr

*Toespraak gehouden tijdens de presentatie van deze bundel bij boekhandel Donner in Rotterdam op zaterdag 29 februari 2020. Schrijver Marcel Möring interviewde de dichter die het eerste exemplaar uitreikte aan collega Neeltje Maria Min.

Hoe komen we daar? Over Koos van Zomeren, ‘Omstandigheden’

Waar zijn we?
Waar willen we heen?
Hoe komen we daar?

Ik heb de neiging te denken dat verregaande desoriëntatie (geen antwoord meer kunnen geven op de vraag waar je bent) een ernstiger aandoening is dan chronische weemoed (tot het besef zijn gekomen dat de tijd onherroepelijk verstrijkt en het onmogelijk is die te herbeleven).

Toevallig zijn het verstrijken van de tijd en de menselijke behoefte aan plaatsbepaling twee dominante thema’s in het werk van Koos van Zomeren. Ze zijn beide manifest in zijn nieuwe boek, maar ik denk dat de oriëntaties die de hoofdpersoon verricht in dit geval prevaleren en alles te maken hebben met de staat van desoriëntatie waarin hij zich bevindt. Waar ben ik? Waar had ik moeten zijn? Nou, niet hier dus!

Voor het eerst sinds jaren heeft Koos van Zomeren een onvervalste roman afgeleverd. Titel: Omstandigheden. Acht jaar na Rondom Staal. En als we Omstandigheden zouden moeten vergelijken met een roman die dat etiket nog wat meer verdient moet je zelfs terug naar Die stad, dat jaar: die meeslepende en verbeeldingsvolle reconstructie van het 1972, het oerjaar van de sp. In daaropvolgende boeken ging het over de staat van de natuur in ons land, en vervolgens meer specifiek over hazelwormen en klapeksters, over orchideeën en het noodlottige dodelijke ongeluk van Stanley (de vorige hond van Koos en Iris van Zomeren), over vogels en nog eens vogels en over een rijkgevulde hooiberg waarin – bij alle verrassingen die ze in petto heeft– geen speld te vinden was.

Ik wil de trendbreuk waarmee Koos van Zomeren terugkeert naar de fictie nog wat verder op de spits drijven. Want zelfs in vergelijking met Die stad, dat jaar moet al snel worden geconcludeerd dat Omstandigheden in veel opzichten een echtere of gangbaarder roman is. Een geconcentreerder drama, een verhaal waarin de fictie consequent wordt volgehouden en waarin elke essayistische uitweiding of reflectie, ieder gedachtenspinsel, deel uitmaakt van het drama zelf dat door de hoofdpersoon langzaam uit de doeken gedaan wordt in wat ogenschijnlijk een stream of consciousness is. Zelfs de literaire verwijzingen en citaten maken organisch deel uit van wat je de handeling zou kunnen noemen. Want ja, een voormalig boekhandelaar (nog wel de beste in de stad zelfs toen ie nog niet de enige boekhandel in de stad was) – die draagt als vanzelf een juk vol belezenheid.

Begrijp me niet verkeerd. Ik heb geen enkel probleem gehad (en nog niet) met boeken als Hooiberg en Alles is begonnen, welk laatste boek we niet voor niks een vertelling noemden en afficheerden als een staalkaart van de genres die Van Zomeren in de loop van vijftig jaar beoefend heeft: dagboek, reportage, fictie en zelfs poëzie. Ik vermoed alleen wel dat hij met zo’n zuiverder als roman getoonzet verhaal als Omstandigheden appelleert aan een potentieel breder publiek. Enfin – daar hopen we natuurlijk op.

Omstandigheden. Het is in elk geval geschreven met hetzelfde fijne penseel waaraan vrijwel al zijn werk zijn stilistische brille ontleent. Maar ook in wat het vertelt vind ik Omstandigheden een… ja aangrijpende roman. Misschien wel omdat hij twee uitersten met elkaar verbindt die je niet zo heel vaak simultaan in een tekst aantreft: uitzinnig geklaag, gemopper, gefoeter, gesakker (ik zou bijna zeggen: à la Thomas Bernhard) in combinatie met een vrijwel aldoor voelbare lyrische (maar ook droevige) emotionaliteit.

Het boek is een tweeluik en aan het woord is een – hoe zeggen we dat zonder pejoratief te zijn? – oudere man, een gewezen boekhandelaar. Ouder en ex-neringdoende in de zieltogende branche die boekbedrijf heet – dat zijn al twee goede redenen voor het actief om niet te zeggen vitaal soort somberheid dat deze Ronald Walraven aan den dag legt, maar er is nog wel meer dat voedsel geeft aan zijn gramstorige pessimisme. In het eerste deel van het tweeluik (Ach Debbie) gaat hij wandelen met zijn dochter die zo heet. Niet ergens in de buurt, op de Veluwe of op de Mokerhei, maar in Augsburg ‘waar ik,’ zegt hij, ‘de rivier van onze eerste bergwandelingen zou zien samenvloeien met de rivier van mijn laatste bergwandelingen’.

Dat wil zeggen: de Lech en de Wertach, diep in het donkere van Duitsland. Niet ver weg ligt Landsberg, ‘de vesting,’ meldt Walraven ons fijntjes, ‘waar Adolf Hitler ooit zijn onverbiddelijke bestseller heeft geschreven’.

Het tweede deel (‘Beste Leo’) is een brief gericht aan zijn zoon die zo heet en met wie hij jaren geleden in onmin is geraakt. Daarop wordt in het eerste deel al gehint als Debbie hem verwijt dat haar moeder (zijn vrouw Anna) het nooit meer over hun kindertijd wil hebben.

‘Jullie hebben het voor haar bedorven.’

‘Leo,’ zei ik.

‘En jij,’ zei Debbie.

‘En ik ook,’ moest ik toegeven. Om er na enig nadenken aan toe te voegen. ‘Maar ik bén er nog, ik heb de kans om iets goed te maken.’ Waarmee gesuggereerd wordt – daarmee tegelijk iets anders heel listig verbergend waarover ik hier niets kan of wil zeggen – dat Leo er niet meer is, dat ie dood is.

Maar dat is niet zo. Leo is alleen maar uit hun leven verdwenen, vele jaren geleden al. Alleen maar… Eigenlijk verneemt hij alleen nog maar uit de media (kranten, radio, tv) over hem. Ook Leo’s vrouw en kinderen ziet hij niet, heeft hij nooit te zien gekregen zelfs.

Enfin, die brief aan Leo dijt uit. Die neemt zijwegen links: bij voorbeeld met een paar alinea’s over Thomas Mann. Die neemt zijwegen rechts: vakanties in Grindelwald. Die komt soms zelfs terecht op een karrenspoor dat in min of meer omgekeerde richting gaat.

Koos van Zomeren door Symen Deuzeman
Koos van Zomeren. Portret: Symen Deuzeman

Dan heb het bij voorbeeld over passages betreffende de schrijver W.G. Sebald, in 1944 geboren in Wertach, die als adolescent het schuldig landschap van zijn jeugd ontvluchtte, neerstreek in Engeland waar hij aan de universiteit van Norwich hoogleraar Europese literatuur werd en een beperkt aantal zeer belangwekkende literaire boeken schreef – hij overleed op te vroege leeftijd aan de gevolgen van een verkeersongeluk – die hij geen van alle het etiket roman heeft willen meegeven. Arnon Grunberg (in een uitstekend essay in De Groene Amsterdammer) stelde onlangs voor dat werk te rekenen tot een bijzondere vorm van holocaustliteratuur ‘omdat hij niet spreekt als getuige maar als kind van het volk van de daders’. De wetenschap dat Sebald uit Wertach afkomstig is verschaft volgens Walraven ‘met terugwerkende kracht een zekere respectabiliteit aan de keren dat wij in die streek verblijf hielden.’ Dat is ook een soort oriëntatie over een auteur wiens werk niets anders dan één grote (her)oriëntatie is.

Dus die brief dijt verder uit en onthult langzaam maar zeker aan Leo, maar eigenlijk juist aan ons lezers, wat het grote pijnpunt is. Ook daarover moeten we hier niet al te bloemrijk worden, maar het komt erop neer dat Walraven worstelt met zijn rol in het werk van zijn zoon, een fameuze kunstschilder die zich in zijn schilderijen heeft toegelegd op paarden: ‘Duizenden paarden, tienduizenden paarden, misschien wel meer dan honderdduizend paarden.’ Daarbij gaat het uiteindelijk om waarheid en mythe en over de vraag hoever je ongestraft kunt gaan in het omdenken van je biografie. Op hol geslagen paard, op hol geslagen verbeelding. ‘Kunstenaars, leugenaars.’ Of dat liegen nou is ingegeven door marketingdenken of door de noodzaak om die kunst te kunnen máken.

En ondertussen mort en knort Walraven – tenminste als het beeld klopt dat hij oproept in die brief aan zijn zoon – zich een weg door de eentonige dagen van zijn roestige bestaan in ruste.

‘Na mij houdt alles op,’ concludeert hij.

Het nieuws biedt onleefbare en onleesbare waarheden en het weer is ook al niet meer wat het geweest is: droogterecords, warmterecords.

Zelfs Walravens eigen vader wordt onderwerp van zijn revisionistische kritiek. De taal van die man: ‘Hij sprak altijd in de vergrotende trap […] Permanent in de overdrive. Enorm, kolossaal, gigantisch. […] En als het regende: altijd pijpenstelen.’

‘De televisie, het apparaat dat ons door de avond helpt.’

Zie hem, onze zwijgende binnenvetter, dan ook: ‘Zonder hond, zonder vriend, zonder verrekijker.’

En als hij al eens iets te berde brengt (een verhaal over Harry Mulisch en Max Pam in zijn boekhandel): ouwe meuk uit de schimmelige anekdotentrommel van zijn vervlogen werkzame leven.

Zegt zijn vrouw: ‘Dat heb ik al honderd keer gehoord.’

Zegt hij: ‘Als ik niks zeg, is het: jij zegt nooit meer wat. Zeg ik wel wat, dan is het: dat heb ik al honderd keer gehoord. Wat verwacht je van mij, Anna.’

‘Nou, dat je wat ánders zegt.’

Hij: ‘Dan moet jij maar zeggen wat ik moet zeggen.’

En dat dan allemaal aan zijn zoon. Die hem ongetwijfeld niet zal willen terugschrijven. Niet zal kunnen terugschrijven ook, zo staat het Walraven wel voor ogen: ‘Dat betekent dat je dit pas leest, áls je dit leest, als ik dood ben. Gecondoleerd jongen.’

En ja: ‘Wat een klootzak ben je eigenlijk.’

Dat de lezer, althans deze lezer, zich toch wil blijven associëren met dit kniesoor heeft te maken met het feit dat die weet waar diens misantropie vandaan komt. Niets anders dan liefde en verdriet schuilen er onder de woede van Walraven, die voor zijn Weltschmerz zelf remedie lijkt te vinden in leven naar de natuur: ‘De natuur kent geen verwondingen, de natuur kent alleen maar omstandigheden’.

Zo wordt een verhaal over liefde, verlies, pijn en woede opgetild naar – iets wat vaker in het werk van Van Zomeren gebeurt – een existentieel niveau dat het al te menselijke overstijgt. Maar zoiets werkt alleen maar als je het verhaal eronder kent. En dat hebben we net gelezen: een verhaal over hoe de mensen leven, wat hun overkomt en wat ze elkaar aandoen op een manier onder woorden gebracht zoals alleen deze schrijver dat kan.

Een verhaal als een oriëntatietocht. Van de geboorte tot de dood en – als het leven een stromende rivier is – van de bron tot de mondig deze eeuwige vragen:

‘Waar zijn we?
Waar willen we heen?
Hoe komen we daar?
De kaart zal het zeggen.’

Omstandigheden: literatuur van de bovenste plank

Koos van Zomeren - Omstandigheden Cover

Blog op WordPress.com.

Omhoog ↑