Zoeken

Nijssen Schrijft

Over boeken, schrijvers, sport, cultuur, het dagelijks leven (en af en toe mijzelf)

Categorie

Uncategorized

Vermoedens omtrent Henk Ester. Naar aanleiding van het verschijnen van Het vermoeden van Witten. Bijgeluiden XXXIII t/m LIII

Vrijdag 28 september werd in de Lutherse Kerk in de Hamburgerstraat te Utrecht de nieuwe (derde) dichtbundel van Henk Ester, getiteld Het vermoeden van Witten, ten doop gehouden met een orgelconcert van de Nederlandse organist en componist Klaas Hoek met simultane voordracht door Henk Ester. Je zou ook kunnen zeggen dat de spectaculaire uitvoering, waarbij Hoek de meest ongehoorde geluiden uit het kerkorgel wist te wringen, een soort opera (geen compositie maar improvisatie volgens Hoek) behelsde met een libretto in de vorm van een aantal door Hoek gekozen gedichten uit Het vermoeden van Witten, eclatant door Henk Ester zelf voorgedragen. De presentatie van de avond was in handen van Ivar van Bekkum en werd gesponsord door Henk Esters hoogstpersoonlijke mecenas Theo Mulder. Henk vroeg mij om na het concert iets over de bundel te zeggen: ‘Waarom “het precies is wat het moet zijn”.’ Hieronder volgt mijn poging.

Sinds ik weet dat Henk Ester de inspiratie voor zijn poëzie voornamelijk opdoet, nee zelfs grotendeels schrijft (in zijn hoofd dan toch) tijdens lange eenzame wandelingen over de Maasvlakte en door de Hollandse duinen, zie ik hem in mijn verbeelding altijd rondstruinen door dramatische landschappen. Maar rondstruinen is niet het goede woord. Henk wandelt daar veel romantischer, ongeveer zoals Friedrich Nietzsche zijn brisante denkbeelden oogstte gedurende dagelijkse urenlange excursies in het Zwitserse hooggebergte van Sils Maria.  De wandeltochten van Henk Ester doen zich aan mij voor als homerische omzwervingen, bij nacht en ontij, bij weer en wind om met een buit van versregels of misschien wel een heel gedicht huiswaarts te keren. Of, zoals het in het gedicht ‘Verlangen’ (nummer 5 uit Bijgeluiden XLII, ook wel geheten ‘Vermoeden 3’, uit zijn nieuwe bundel) geschreven staat: ‘een zonovergoten dag / in het zuiden, aan zee, is hij / doodgemoedereerd gaan lopen // zijn verlangen tot aanloop / teruggebracht gelijk / vermoed geschreven’.

ester

Ik zie de hoes voor me van de elpee met de uitvoering door Maurizio Pollini van de ‘Wanderer-Fantasie’ van Schubert en ‘Fantasie op. 17’ van Schumann van het label Deutsche Grammophon, rond mijn zeventiende aangeschaft bij platenzaak Rambam te Venlo, met daarop dat overbekende schilderij van Caspar David Friedrich Wandelaar boven de nevelen, van die van achteren (en alleen zo krijgen we hem ook te zien) zeer op Schubert gelijkende man die boven op een rots neerkijkt over een inderdaad hartstochtelijk beneveld landschap. Zo zie ik daar op die Maasvlakte en in die duinen, maar dan in beweging – in denk- en gevoelsbeweging – ook Henk Ester groots en meeslepend, bij vlagen gekweld en woedend, dan weer extatisch en met sereen gemoed, maar meestal toch roepend, luid in zichzelf pratend, terwijl hij de hem zojuist geworden poëzieregels beproeft, gesticulerend, maaiend met de armen zoals de dirigent die een symfonieorkest in aanzwellende tonen tot een fortissimo moet brengen. Met het schuim op de lippen, bezweet dan wel drijfnat van de regen, zie ik hem aan het eind van zo’n détour naar adem snakkend neerzijgen op een in de halflandelijkheid geplaatst bankje waarvandaan hij wederom de bewoonde wereld kan betreden, al dan niet een grandioos poëem rijker.

De persona en de artistieke omstandigheden die hij aldus voor zichzelf (maar ook voor ons) creëert maken bij de argeloze nog-niet lezer vermoedens los van een diep romantische dichter, die een anachronistische, zwaar met sensibiliserende adjectieven opgetuigde poëzie schrijft. Dat vermoeden zou nog verder bevestigd kunnen worden voor wie weet dat Ester met zijn poëzie bezig is een complex bouwwerk bij elkaar te dichten – een soort toren van Babel – onder de overkoepelende titel Bijgeluiden, zoals ook de debuutbundel (bekroond met C. Buddingh’-prijs) heette. De volgende bundels – E-groot is rood en het gloednieuwe Het vermoeden van Witten – hebben die aanduiding als ondertitel. En het bouwwerk is nog niet af, er zullen nog meer Bijgeluiden komen.

En toch – dat al bijna in beton gegoten idee van doen te hebben met een romantische dichter (tenminste in de wat archetypische verbeelding zoals daarnet door mij opgeroepen) wordt binnen de kortste keren, namelijk zodra je Henk Ester eenmaal begint te lezen, volledig onderuitgehaald. Zijn poëzie kenmerkt zich op het eerste gezicht juist vooral door helderheid, soberheid en een bijna compulsieve hang naar orde en ordening. Het is misschien overdreven om te zeggen dat je bij hem met een vergrootglas naar adjectieven op zoek moet, maar spaarzaam is hij er zeker mee, evenals met lange, meanderende, door enjambementen in versregels gekanaliseerde zinnen.

vdh9789029525626

Wat valt je eigenlijk op als je deze verre van eenvoudig verstaanbare poëzie aandachtig leest? Dat die vol filosofische en natuurwetenschappelijke verwijzingen zit, wat het er (zeker met het oog op dat laatste) voor mij niet makkelijker op maakt, en dat er heel veel onmogelijk te veronachtzamen referenties naar muziek in staan. Sterker nog: als je nog een tijdje doorleest, half hardop het liefst, ontdek je dat die poëzie zelf een soort elementaire muziek is, dat onder en tussen de woorden door een gedurig kosmisch suizen en onderaards trillen hoorbaar is, een ‘fugatisch vonken’, ‘zeegefluister’, ‘zacht thermisch ruisen’ – en ga zo maar door. Je zou nog bijna gaan denken dat de dichter met die overkoepelende titel, bijgeluiden, ook nog eens een aanhoudend zoemen wil evoceren, maar ik geloof dat hij zulke woordspeligheid zelf niet beoogt. Anders is dat misschien met de titel van deze nieuwe bundel. Ik kan me tenminste niet voorstellen dat Henk Ester er geen rekening mee heeft gehouden dat de titel Het vermoeden van Witten bij de argeloze lezer aanvankelijk heel andere associaties dan de feitelijk bedoelde oproept. Je denkt dat witten een werkwoord is. De doorgewinterde poëzielezer is dan al onmiskenbaar op het spoor gebracht van de school rond Kouwenaar die in de jaren tachtig zo dominant een kale, minimalistische, hermetische poëzie uitwasemde waarin de weinige woorden als het ware zwemmen in het wit van de bladzijde. Witten is dan een activiteit die wijst op het elimineren van zo veel mogelijk overbodige taal. Evenmin wordt door Ester het meervoud bedoeld van het zelfstandig naamwoord in oppositie tot zwarten. Nee, Witten is een naam van een wiskundig natuurkundige (u vindt deze informatie ook het achterplat van deze bundel) die ooit door een tv-journalist suffend in zijn kamer werd aangetroffen waarna deze hem de vraag stelde wat hij zat te doen. Zijn antwoord luidde: ‘Ik heb een lastig wiskundig probleem, de oplossing ken ik wel, maar zij moet mij nog te binnen schieten.’ Maar wat die Witten en zijn vermoedens met de onderhavige poëzie van doen heeft, blijft aanvankelijk tamelijk duister.

Ik geloof trouwens ook niet – en dat is veel belangrijker – dat Ester van ons lezers verwacht dat we zijn gedichten moeten lezen als mededelingen (als content bevattende teksteenheden) die een volledige en min of meer eenduidige anekdotische betekenis hebben die na goed lezen ook begrepen zal worden. Dit is poëzie die je (net als de moderne muziek waarnaar zo intensief verwezen wordt) weliswaar niet hersenloos maar vooral niet puur rationeel te lijf moeten willen gaan, maar die je eerder met inzet van alle zintuigen moet ondergaan.

Net zoals het geval is in veel moderne klassieke (atonale) muziek en minimal music rijgt Ester – maar dan met het materiaal dat taal heet, met woordvelden – motieven aaneen, verweeft ze met elkaar en zet ze in weldoordachte fraseringen naast en onder elkaar waardoor iets bijna autonooms ontstaat, iets dat allereerst naar zichzelf verwijst. Bijna. Want wat met klank (die immers geen referentiële betekenis heeft) wel kan, kan met woorden nu eenmaal per definitie niet. Woorden verwijzen altijd naar iets en roepen dus als vanzelf en onvermijdelijk al beelden op.

Neem ‘Percussie’ (nummer 4 uit Bijgeluiden XXXIV). Wie dit gedicht – ik zal het zo voorlezen – probeert te begrijpen als een reeks causale en temporele relaties die een al dan niet historische werkelijkheid oproepen komt bedrogen uit. Men realisere zich bovendien dat dit vers, opgenomen als het is in een reeks van 4 die weer deel uitmaakt van een hele bundel bestaande uit 21 van zulke reeksen, die weer deel uitmaakt van een grote gedichtencyclus waarvan deze de derde is, in een omvangrijke (nog niet volledig gekende) context staat. Kernwoorden als ‘skelet’, ‘echo’, ‘ruisen’ en ‘vlees’ komen op tal van plaatsen in deze bundel terug. Het klinkt zo:

iemand het skelet uit handen slaan
om de echo van een beeld te horen
ruisen van de weg door een geopend
raam eendrachtig slaan heeft het vlees
gehoor gegeven luister na het afstaan van
de huid hoe het ruisen oplicht in gebaren
componeren is luisteren, zegt Philip Glass
hameren van vlees in ’t kloppen van organen

Wat wil deze dichter daarmee zo ongeveer zeggen? Of liever: waar is hij naar op zoek? Toegegeven, het is een speculatie, een vermoeden. Maar ik denk dat Henk Ester op zoek is naar de harmonie der sferen. Naar niets minder dan de ontsluiering van het wereldraadsel, hoezeer hij ook zal beseffen (zij het dat die twijfel in deze poëzie nergens wordt uitgesproken) dat die zoektocht tot mislukken gedoemd is. In die zin is Henk Ester geen romantische dichter, maar je reinste symbolist.

Het is zoals Esters geestverwant Gerrit Achterberg (ook in hoge mate een symbolistisch dichter) het zo fraai verwoord heeft in de slotregel van het gedicht ‘Woord’ uit Cryptogamen: ‘En nochtans moet het woord bestaan dat met u samenvalt.’

Het vermoeden van Witten is op een bepaalde manier ook het vermoeden van Ester. Je weet dat het raadsel er is om ontsluierd te worden en je hebt er ook een bepaalde voorstelling van hoe dat eruitziet. Je moet alleen de toegang nog vinden naar de geheime ruimte waar het zich bevindt. De gedichten uit deze bundel (evenals de twee vorige, evenals die ons nog te wachten staan) zijn evenzovele pogingen om die toegang te vinden. En die wandelingen – dat zijn evenzovele wegen daarnaartoe.

Dat, dames en heren, is het vermoeden van Nijssen. Ik dank u voor uw aandacht.

Advertenties

Er is alles in de wereld van Cyrille Offermans

Enkele herinneringen en overwegingen naar aanleiding van het verschijnen van Een iets beschuttere plek misschien.

 *

Donderdagavond 27 september werd het nieuwe boek van Cyrille Offermans, Een iets beschuttere plek misschien (Privé-domein nr. 302), gepresenteerd in de Maastrichtse boekhandel De Tribune. Rob Bindels hield er een lezing en Ben van Melick interviewde de auteur die een fragment uit het boek voorlas. De inleiding werd door mij verzorgd en staat hieronder te lezen.

*

Omdat ik geen misverstand wil laten bestaan over hoe ik mijn universitaire studie heb ervaren – het begin van deze causerie zou daar namelijk aanleiding toe kunnen geven – lijkt het me verstandig te beginnen met de mededeling dat ik aan het Instituut De Vooys in Utrecht, waar ik in 1980 Nederlands ben gaan studeren met als specialisatie Moderne Letterkunde, ontzettend veel geleerd heb.

In de eerste (en misschien ook laatste) plaats heb ik daar heel goed leren lezen. Of liever: close readen. Want close reading is een bewustere, meer doorgewinterde, wetenschappelijkere manier van lezen. Het is een vorm van literaire kritiek waarbij de tekst en niets dan de tekst zelf centraal staat en het (zeker in die tijd, zeker aan het Instituut De Vooys) misschien niet uit den boze maar toch ongeoorloofd was om interpreterenderwijze gebruik te maken van enigerlei kennis op biografisch of historisch terrein voor zover die niet al in de tekst lag opgesloten. Het idee daarachter was dat in goede teksten alles met elkaar samenhangt (de bekende mus van Hermans) en er niets zomaar staat. En als er wel zomaar iets staat, kom je daar met close readen achter en kan je beargumenteren waarom die tekst (of dat deel van die tekst) niet deugt.

Aan ons instituut werd dan ook gestudeerd en onderwezen in de traditie van Merlyn, het tijdschrift voor literatuurbeschouwing van Kees Fens, H.U. Jessurun d’Oliveira en J.J. Oversteegen, van wie ik in het tweede jaar als theater zo amusante en spectaculaire colleges Algemene Literatuurwetenschap bijwoonde die me ver over de grenzen van de Nederlandstalige literatuur leerden kijken. Maar ook onze hoogleraar Moderne Nederlandse Letterkunde Guus Sötemann was tamelijk nauw verbonden met die redactie en was de merlinistische uitgangspunten sterk toegedaan. Zijn briljante proefschrift over de structuur van Max Havelaar was helemaal in de geest van Merlyn en de literatuurtheorieën (met name het Russisch formalisme en zijn opvolgers Wellek & Warren en de Praagse school) waarop het tijdschrift gestoeld was.

Met dat merlinistisch academisme was op zich natuurlijk weinig mis, niet in theorie en in principe ook niet in de praktijk. Sterker nog: je zou willen dat er nog wat van Merlyn over was op de (steeds verder afkalvende) letterenuniversiteiten en mutatis mutandis op de middelbare scholen. Want daar moet tegenwoordig alles maatschappelijk relevant zijn dan wel aansluiten bij de persoonlijke belevingswereld van de scholier of student. Begrip van de tekst is niet meer het doel maar een middel om het eigenlijk over iets anders (dat belangrijker of groter geacht wordt) te hebben.

Maar dit gezegd hebbende zat er toch wel degelijk ook een schaduwrandje aan die niet genoeg te roemen habitus van close reading. Het werkte – in elk geval aan ons instituut – een scrupuleuze manier van wetenschap bedrijven in de hand die op velen een verlammende uitwerking had. Er heerste een academisch klimaat waarin terughoudendheid, prudentie en acribie als opperste deugden te boek stonden, waardoor er nauwelijks een bewering kon worden gedaan zonder op grote en onmiddellijke scepsis te stuiten, met als gevolg dat er een angstcultuur heerste ten aanzien van publiceren. Dat klimaat heerste overigens op het hele instituut en niet alleen bij Moderne Letterkunde. Het schrijven van een boek (of een dissertatie) werd zo als vanzelf een levenswerk waarmee men zich in atlashouding zuchtend en steunend richting een emeritaat sleepte dat die naam nauwelijks verdiende omdat er geen oeuvre tegenover stond, een artikel in een wetenschappelijk tijdschrift vergde minstens een olympiade en een alinea schrijven kwam neer op het verslinden van een hele bibliotheekplank. Sommigen van ons – wellicht degenen die daar met schrijfambities studeerden – zagen dat met verwondering aan. Zelf was ik, zodra ik de gelegenheid kreeg, tot de redactie van het door studenten gemaakte – en overigens op allerlei manieren fideel door het instituut geschraagde – letterentijdschrift Vooys toegetreden. Een van de eerste boeken die ik daarin mocht bespreken was Het literair klimaat 1970-1985, een verzameling essays die al met al een beeld van een aantal verschijnselen en ontwikkelingen in vijftien jaar Nederlandse literatuur wilde geven onder redactie van Tom van Deel, Nicolaas Matsier en… niemand minder dan Cyrille Offermans.

Omdat ik tijdens mijn studie eerder kennis had gemaakt met Literair Lustrum 1 en Literair Lustrum 2 begreep ik dat Het literair klimaat een vervolg was op deze beide boeken, en als ik het niet begrepen had, was ik er ook achter gekomen, want zo staat het achter op het boek: ‘Het valt […] te beschouwen als een vervolg op de twee delen Literair Lustrum van… Fens, Jessurun d’Oliveira en Oversteegen.’

Jazeker, die twee eerdere delen, stonden niet alleen onder redactie van het gezelschap rond Merlyn maar waren uiteraard ook geheel in die geest geschreven. Intussen waren er al vijftien jaar (dus eigenlijk drie uitgaven) zonder Literair Lustrum verstreken. De vraag luidde daarom of Het literair klimaat ook naar de geest een voortzetting van die twee eerdere delen was of dat deze nieuwe club (bestaande uit twee heren van de redactie van Raster en een – Van Deel – van De Revisor) andere uitgangspunten was toegedaan? Het korte antwoord daarop is: iets daartussenin oftewel de ontdekking van Cyrille Offermans.

Het lange antwoord is de rest van dit betoog. Ik geloof namelijk dat die ontdekking inhield dat ik ineens begreep dat er ook nog een synthese mogelijk was tussen al te scrupuleuze, filologische scherpslijperij en het joyeuze, maar o zo efemere flierefluiten dat veel literaire en culturele krantenjournalistiek nu eenmaal noodgedwongen behelsde.

Ik heb lang moeten zoeken naar mijn recensie in Vooys maar toen ik die eenmaal gevonden had, zag ik dat de openingsalinea al op een bepaalde manier van die daarnet genoemde ontdekking gewag maakt: ‘In een uitstekende bijdrage in Het literair klimaat 1970-1985 van Anthony Mertens over de problemen en de probleemrelaties van de literatuurwetenschap komt hij tot de volgende conclusie, vervat in een dilemma: “of ze aanvaardt een zwak wetenschappelijk statuut en komt tot interessante inzichten of ze aanvaardt een streng wetenschappelijk statuut en komt met weinig opmerkelijke maar wel goed gefundeerde beweringen.”’ En dat was blijkbaar niet het enige essay dat mij aan het denken had gezet: ‘Zonder twijfel erudiet is Offermans’ “Buiten alle verhoudingen”. De essayist-pur-sang opent er de aanval op de extremist in eigen gelederen: Sybren Polet. Offermans maakt zich sterk in de plaats van Polets “liternatuur”, “die andere, duistere kant van het schrijfwerk weer eens te benadrukken, die van de fantasie, de creativiteit, de improvisatie”.’ Zulke boeken zouden, aldus Offermans, geschreven moeten worden door auteurs die ‘wars van alle kunstenaarsaanstellerij proberen de meest voor de hand liggende, maar niettemin vreemde, opake, vaak ook dreigend afstotelijke werkelijkheid te doordringen en vorm te geven, ongeveer zoals het kind dat op het strand door grachten beschermde zandkastelen bouwt – die zee moet even in goede banen geleid – zonder de illusie dat die er de volgende dag nog staat.’ ‘Met die invulling,’ schreef ik, ‘komt hij verrassend genoeg heel dicht in de buurt van Ter Braaks vorm-als-nomadische-behuizing theorie. En het is juist diens generatie (met hem en Du Perron aan het hoofd) die er, het is al meer verkondigd, voor gezorgd heeft volgens Offermans, dat het experimentele proza na de tweede wereldoorlog niet doorbrak.’

Ik weet nu niet meer precies welk boek ik het eerste van hem ben gaan lezen – zeer waarschijnlijk De kracht van het ongrijpbare en pas daarna Macht als trauma en Niemand ontkomt (dat immers pas in 1988 verscheen) – wel herinner ik me dat ik een schrijver ontdekte die er voortdurend blijk van gaf een close reader te zijn maar niet aarzelde om na gedane leesarbeid de sluizen wagenwijd open te zetten en van alles te laten binnenstromen. Ik las over schizofrenie en over taal als een manier om de beweging van het denken tot uitdrukking te brengen, over de Dialektik der Aufklärung van Horkheimer en Adorno als een grafrede van de burgerlijke cultuur, over Mariken van Nieumeghen en over de utopie van de renaissance als de geseculariseerde hemel van de middeleeuwen, over Gerrit Kouwenaar gebroederlijk naast Hölderlin, over de rampzalige scheiding van natuur en rede in een doorgedreven Verlichting, over de socioloog Norbert Elias en over Joyce’ Ulysses, over de ideologische implicaties van Goya’s schilderij De slaap van de rede baart monsters (dat later prominent zou terugkeren in Niemand ontkomt) en over bordelen en Paul van Ostaijen – en dan zijn we nog maar net honderd bladzijden op weg in De kracht van het ongrijpbare. Zelden had ik iets gelezen dat het zo mateloos en ongegeneerd over alles wilde hebben. Zo kon het dus ook!

Ontmoeten deed ik Cyrille pas een paar jaar later toen we hem in het najaar van ’88 of ’89 uitnodigden voor een avond in Utrecht in het kader van een door de SLAU georganiseerde reeks over literaire tijdschriften. In het grandioze boek dat we vanavond aan u voorstellen, getiteld Een iets beschuttere plek misschien (nummer 302 in de reeks Privé-domein), schrijft hij daarover: ‘Ik zat daar namens Raster, Jessica Durlacher namens De Held. Aangezien de belangstelling “beperkt bleef tot een man [?] of acht negen, hebben we aan een ronde tafel gezeten en een informele avond bij elkaar geouwehoerd.” Niet lang daarna kwam hij me als medewerker van het Utrechts Nieuwsblad [die hij ben ik dus] thuis opzoeken in het kader van een serie over de toekomst van het boek. Een weer een aantal jaren dáárna, inmiddels redacteur bij De Arbeiderspers, moet hij me al eens voorzichtig gepolst hebben voor Privé-domein.’ Omstandigheden die u in het boek terug kunt vinden – allerminst geheimzinnig of spectaculair overigens – maakten dat hij daar voorlopig niet aan toekwam. Cyrille had overigens wel degelijk eerder al (samen met Marion, die het vertaalde) aan Privé-domein bijgedragen met Gekleurde schaduwen. Brieven 1770-1799 van Georg Christoph Lichtenberg.

Omdat Cyrille Offermans behoort tot de auteurs die ik steeds ben blijven volgen, weet ik hoe (enerzijds) onvoorstelbaar breed en gevarieerd de horizon van zijn onderwerpen is en hoe (anderzijds) trouw hij aan zijn aandachtsgebieden is gebleven. Als ik me beperk tot de opsomming uit De kracht van het ongrijpbare van daarnet komen in Een iets beschuttere plek Adorno, Kouwenaar, Van Ostaijen, Joyce en Elias opnieuw voor, maar let wel: benevens een kleine duizend andere namen en – indachtig de beroemde regel van Lucebert ‘Er is alles in de wereld’ – een veelvoud aan onderwerpen! Een iets beschuttere plek is, zoals veel andere boeken van Cyrille, een rijk, intens gevarieerd breed uitwaaierend boek. Een verzameling notities, beschouwingen, herinneringen, observaties en essayistische commentaren op gelezen boeken en gebeurtenissen in de wereld. Eigenlijk verschilt dit boek niet eens zo veel van zijn essayboeken, maar er ligt meer dan ooit een accent op het persoonlijke (zeg maar autobiografische, we hebben het immers over een Privé-domein), en op wat het schrikbewind van uur en feit gedurende het kalenderjaar 2017 dicteerde.

Een opsomming als proeve van wat er in dit boek – dat begint en eindigt met de doffe ellende in Syrië – voorkomt, laat ik achterwege. Daar zullen Rob Bindels en Ben van Melick u ongetwijfeld mee gaan teasen. Cyrille teasede mij een paar weken geleden met het toesturen van een tekst van de Duitse uitgever en schrijver Michaël Krüger, getiteld ‘Uitgeven’. Je had meteen in de gaten dat het vol zelfreflectie zat. Je hoefde er niet eens close voor te readen om te zien met wat voor een superieure ironie (en dus in zekere zin ook zelfspot) dat opstel, jaren geleden in Raster verschenen en door Cyrille zelf vertaald, was geschreven. Eén voorbeeld slechts: ‘Zoals bijna alle beroepsmatig georganiseerde groepen praten wij uitgevers graag en uitvoerig over onszelf. Daarbij bedienen we ons in hoofdzaak van een van de oudste literaire vormen aller tijden, de klacht. Zij is onze favoriete uitdrukking van vreugde. Iedereen die met ons aan tafel zit – schrijvers, critici, boekhandelaren en lezers – wil ons de kunst betwisten onvermoeibaar op het hoogste niveau te kunnen klagen, maar tot op heden is geen van hen daarin geslaagd.’

Maar mij zult u vanavond niet horen klagen. Krügers komische klacht (die handelt over het alom vermoede einde van het boek met dito gevolgen voor zijn beroepsgroep) mondt uit in de formulering van vijf houdingen (van heel grote tot kleine uitgevers) ten aanzien van deze eschatologie. Ik beperk me, onszelf kennende, tot het citeren van de vijfde: ‘De kleine uitgeverijen vertrouwen helemaal op hun intelligentie, zoals ze dat altijd gedaan hebben.’

vdh9789029525794.jpg
Quod erat demonstrandum.

Bijna alles van bijna niets en omgekeerd. In memoriam Paul Verhuyck (1940-2018)

De verleiding is groot om het in memoriam van de gisteren op 78-jarige leeftijd overleden Nederlandstalige schrijver Paul Verhuyck achterstevoren op te stellen. Het literaire werk van Verhuyck, speels en barok, zit immers vol met dit soort ernstig bedoelde geintjes. In Hout en koper (1999), zijn vierde roman, wordt het leven van Guustaaf Lamfreit, daadwerkelijk van achter naar voor, van graf tot wieg verteld, zodat wij – om met Jan Hanlo te spreken – ter wereld komen ‘met rouw, uit de graven, met rouw die gepast is, omdat wij nog dood zijn.’ Het literaire oeuvre van Verhuyck, zwaar onderschat, de laatste jaren jammerlijk genegeerd en vol subtiele verwijzingen naar de wereldliteratuur (en met name de Franse literatuur), is vaak cyclisch van structuur, en behandelt uiteindelijk altijd existentiële thema’s, waarin De Dood, exuberant, grotesk of als dommekracht, voortdurend rondbanjert. In het leven van Lamfreit vormen hout en koper de materialen die zijn bestaan schragen. Hout heeft hij als ambachtsman leren bewerken, maar in de loop van zijn leven werkte hij zich op tot een man met schone handen en een witte boord en werd hij voorzitter van de plaatselijke harmonie (die zich aan de fanfare superieur waant doordat ze ook houtblazers kent). Maar de ambitie van Verhuyck was om aan de hand van het verzonnen leven van Lamfreit ook over óns leven, ónze voorbije eeuw te schrijven. Een ambitie die volledig waargemaakt werd.

Paul Verhuyck, geboren op 27 augustus 1940, debuteerde in 1990 bij De Arbeiderspers met De doodbieren. Deze roman, bekroond met zowel de Nederlandse Anton Wachterprijs als de Vlaamse Debuutprijs, speelt zich af rond tientallen bezoekers van een volkskroeg en doet in zijn groteske en barokke stijl bewust denken aan het werk van Jeroen Bosch. ‘Van hieruit,’ zo begint De doodbieren, ‘is de werkelijkheid een droge waan, een illusie die voortkomt uit een gebrek aan alcohol, dacht Evarist toen hij voor het eerst de kroeg Het Blazoen van Blasius betrad. Hij had meteen het warme gevoel deel te hebben aan een collectieve droom, een bizarre wereld van zelfverzonnen wezens. Dit minuscule café lag op de hoek van de Pluimenmarkt en de Walburgastraat in Antdorf, de havenstad aan de Dodeschelde.’ Het is niet moeilijk om in deze opgeroepen sfeer en ruimte Antwerpen te herkennen, Verhuycks geboorteplaats en de stad die hem zijn leven lang is blijven fascineren.

vdh9789029584395

Dat hij eerder een Nederlandstalig schrijver werd genoemd, is niet voor niets. Verhuyck studeerde tussen 1958 en 1962 Romaanse filologie in Gent maar vertrok in 1971 naar Nederland, meer bepaald naar Leiden, waar hij tot 1999 als universitair hoofddocent aan de universiteit verbonden was en oudere Franse en Occitaanse literatuur doceerde. Bovendien leerde hij er zijn tweede vrouw kennen, de schrijfster Corine Kisling, met wie hij veertig jaar samen was en met wie hij na zijn vertrek van de universiteit, rond de eeuwwisseling en inmiddels in veel opzichten even Nederlands als Vlaams, in Zeeuws-Vlaanderen (Graauw) ging wonen. Hij schreef daar nog diverse romans en boeken onder eigen naam, maar ook begon hij er samen met Corine Kisling aan een reeks in de literaire kritiek hogelijk geprezen historische (of liever de historie als gruwelijk speelveld bevattende) literaire thrillers met titels als Het leugenverhaal, Kwelgeest, De duim van Alva en Zwarte kant. Nog vorig jaar was er serieuze animo van een filmproducent om deze boeken tot verfilming te brengen (als speelfilm of als tv-serie), maar concreter heeft Verhuyck deze interesse helaas niet meer zien worden.

Verhuyck behoort tot de zeer weinigen die zowel bijna niets van bijna alles weten (zoals het een in de klassieke humaniora geschoolde intellectueel betaamt) als bijna alles van bijna niets. Dat laatste heeft te maken met zijn zeer specialistische kennis op deelgebieden van de poëzie van de twaalfde-eeuwse troubadours, waarin over de hele wereld thans verder nog hooguit een tiental wetenschappers zich verdiept. Hij was daarom uiteraard een veelgevraagd spreker op internationale literaire congressen. Zijn welhaast esoterische ingevoerdheid heeft hem er niet van weerhouden, onder de enthousiasmerende impulsen van uitgever Ronald Grossey, een aantal voor een breder publiek toegankelijke boeken over dit onderwerp te schrijven: De echte troubadours. De dichters die de wereld veranderden en het dit jaar bij Uitgeverij Vrijdag verschenen Minuten middeleeuwen, dat kort voor zijn dood een herdruk beleefde. Andere romans die hij onder eigen naam schreef – behalve de reeds genoemde – zijn Moord door geboorte, De binnendienst, De elektrische man en Inmiddels op aarde.

vdh9789029588911.jpg

In die zesde roman, Inmiddels op aarde (2014), draait het om elf jongens die in april 1958 op het Dürer Gymnasium eindexamen doen. Allen zijn briljant, allen hebben een buitengewoon geslaagde carrière, maar uiteindelijk plegen allen zelfmoord of iets wat daarop lijkt. Van degene die het laatst aan het woord komt en als laatste overblijft, Frederik (gemodelleerd naar Verhuyck zelf), staat dat nog te bezien. ‘Ik hoor mijn klasgenoten telkens weer roepen: “Kom nou, Frederik, kom nou.” Ze mogen roepen wat ze willen. Nog even geduld, jongens.’ Ook dit boek, een bedekte lofzang op een gymnasiale educatie en de verwerving van een ouderwetse eruditie, is een existentiële roman over noodlot en ambitie. Al meteen in de eerste zin op de eerste bladzijde van Inmiddels op aarde is het raak:

‘Er zijn nog altijd mensen die zich afvragen wat er na de dood gebeurt, waar we na onze dood naartoe gaan. Toch is dat simpel. Dan gaan we naar de maan. Na de dood verstijft het lichaam: de rigor mortis treedt in na één tot vier uur en duurt ongeveer twee etmalen. Na drie dagen begint het lichaam te ontbinden. Maar de ziel zweeft als de adem van een vlinder naar de maan. De maan is het vagevuur waarvan sprake is in oude religies, zo genoemd omdat de maan een zwak schijnsel in de hemel is, een vaag vuurtje. In dat vage vuur worden onze zielen gelouterd: ontdaan van de laatste illusies van individualiteit. Dat kan wel even duren.’

Van Sasput tot Gods deel

Een week in de Tour de France – Logboek 15-20 juli 2018

In september ga ik met het oog op het boek dat ik wil schrijven een reis door Frankrijk maken. Ik ga dan op weg naar Carpentras en reis via Montpellier, Toulouse en de Pyreneeën naar Bordeaux en Tours. In die contreien speelde zich in 1970 grofweg het tweede gedeelte van de Tour de France van dat jaar af. In twee volgende reizen wil ik het resterende deel van het parcours afleggen. Mijn bedoeling is om zoveel mogelijk exact het traject van de toenmalige etappes te volgen, maar bestaan die wegen nog wel? En zo ja, hoe liggen ze er nu bij en hoe ziet het huidige landschap eruit in vergelijking met (nu bijna) een halve eeuw geleden, voor zover die vergelijking überhaupt nog kan worden gemaakt? Zouden ook deze contreien – toentertijd ongetwijfeld nog ten dele betrekkelijk ongerept – ten prooi zijn gevallen aan de moderniseringswoede van de Franse overheid? Sylvain Tesson schrijft er met iets van sarcasme over in zijn boek Ongebaande paden. Een voetreis dwars door Frankrijk. In een nog vrij recent opgesteld ambtelijk rapport, zo schrijft hij, oordeelde een batterij deskundigen ‘dat circa dertig Franse departementen tot het “onderontwikkelde platteland” behoorden. Voor hen was het platteland niet een zegen maar een vloek: het rapport betreurde de achterstand van deze gebieden, die verstoken waren van internet, snelwegen of grote steden, of die het zonder winkelcentra en overheidsdiensten moeten stellen. Dat wat wij, romantische stakkers, als een sleutel tot het aardse paradijs beschouwden – de verwildering, de ongerepte natuur, het isolement – werd op die bladzijden afgedaan als vormen van onderontwikkeling.’ Maar Tesson ervaart juist in vrijwel heel Frankrijk de kaalslag van de innovatie: ‘Wie in Flauberts voetsporen deze onafzienbare gebieden zou doorkruisen zou geen boek meer schrijven dat Par les champs et par les grèves heette, langs velden en oevers, maar het publiek eerder trakteren op een titel als Langs nieuwbouwwijken en Vinex-locaties.’ De poging die de romanticus Tesson in zijn kostelijke boek niettemin onderneemt is gericht op de bijna non-existent geworden landschappen waarin velden en oevers domineren. Hij probeert te ontkomen aan de bijna alomtegenwoordigheid van de verkavelde en met digitale infrastructuur volgeplempte ruimte door van het uiterste zuidoosten naar het noordwesten van Frankrijk te lopen over alleen onverharde wegen, dwars door de laatste resten ongerepte natuur, over soms nauwelijks begaanbaar terrein en langs barre uithoeken. Het lukt hem – in een kleine drie maanden.

Ik zal binnenkort heel Frankrijk kunnen rondreizen in een veel rapper tempo, en dan ook nog grotendeels langs de uiterste grenzen van de Franse hexagon omdat het traject van de Tour van 1970 dat nu eenmaal dicteert. Maar ik zal dan ook per auto reizen en slechts af en toe stukken per fiets afleggen; dat laatste om te kunnen begrijpen – ik noem maar wat – hoe het voor Roger de Vlaeminck voelde om over de kasseien richting Valenciennes te dokkeren, wat Eddy Merckx zou hebben kunnen ervaren toen hij het kale stuk van de Ventoux bereikte, of hoe zwaar die onbekende col (Les Mouilles) in de rit naar Thonon-les-Bains nu eigenlijk misschien wel was.

Zoals op deze blog al eens gezegd (maar toen als annonce) heb ik deze zomer al enig onvergetelijk voorwerk kunnen verrichten doordat ik – o gelukkige – de gelegenheid kreeg een weeklang met Jeroen Wielaert geaccrediteerd in de karavaan van de Tour te verkeren. De notities die ik maakte (en waarvan ik er ongetwijfeld een paar zal kunnen gebruiken voor mijn boek) staan hieronder te lezen.

 

Zondag 15 juli – Negende etappe Arras – Roubaix

Hoe vaak heb ik niet als toeschouwer bij de start of de finish van een Touretappe gestaan? Of ergens langs het parcours? En een paar keer was ik, toen die buitenkans zich voordeed, in het Village Départ en de perszaal of zelfs heel even, toen de Tour eens in Valkenburg aankwam, in een persauto (die van Jeroen Wielaert) op het parcours van de Tour, in dit geval de Cauberg. Maar vandaag gaat het echt gebeuren. Vanaf vandaag ben ik een weeklang, in het gezelschap van diezelfde Jeroen Wielaert, in de Tour, in de karavaan, bij de koers, achter de meet waar de renners direct na de etappe worden opgewacht door duwende, trekkende en hollende horden perslieden.

10.52 uur. In de trein vanuit Roosendaal op weg naar Vlissingen, om preciezer te zijn Rilland, 25 graden.

De reclamekaravaan, zie ik op de routekaart met de tijdschema’s in het officiële Roadbook van de Tour, is net op gang getrokken. Als alles gaat zoals afgesproken, staat Jeroen Wielaert mij om 12.11 uur op te wachten aan de Veerhaven van Breskens.

Een zomerblauwe zeelucht (zo een die me altijd weer aan mijn vroegste kinderjaren herinnert, ongetwijfeld omdat zo’n lucht een van de grote eerste indrukken zal zijn geweest), en tegelijk: heiig, en stoffig want kurkdroog.

11.04 uur. Kruiningen. Het land van Jan Raas (nou ja, Heinkenszand).

12.10 uur. Op de achtersteven van de veerboot naar Breskens, de blik gericht op Vlissingen, zie ik hoe het schip een spoor nalaat, een deinende baan, alsof het Zeeuwse water geploegd moet worden om het weer nat te krijgen. Daar staande, leunend op een ijzeren reling, noteer ik mijn voorspelling voor vanmiddag: Vanmarcke of Terpstra. Froome, Yates en Quintana verliezen tijd.*

Stef Clement (als analist) op de website van de NOS: ‘In de eerste vijftig kilometer zal het peloton in gestrekte draf richting de kasseien gaan. En dan wordt het interessant. De eerste kasseistroken zijn al meteen heel zwaar.’ Clement denkt dat renners als Sagan en Van Avermaet en klassementsrenners als Nibali daar al meteen gaan aanvallen.**

12.15 uur. Jeroen komt aanrijden terwijl ik de kade oploop. We tanken en rijden via Nummer Een en Slijkplaat naar Sasput (Zeeuws-Vlaanderen), waar ik nog nooit ben geweest en hij – als hij niet in Utrecht is – met Loes een dijkhuisje bewoont met een welhaast paradijselijke tuin erachter die nog doorloopt achter een tweede dijkje, waarover vroeger een treinspoor liep, met nog weer een terras, allerlei fruitbomen en weids zicht op de kleigronden. (De namen van die gehuchten daar! Later die middag, terugkomend uit Roubaix, rijden we, na dicht bij huis een afslag te hebben gemist, ook nog langs Lapscheur…)

 *

Op weg naar Roubaix bestaat de ellende voor de renners behalve uit kasseien niet uit slijk maar met deze droogte en hitte inderdaad uit stof. De rit van vandaag, gewonnen door John Degenkolb (iets wat bijna iedereen de Duitser, die vorig jaar nog bijna dodelijk gewond raakte bij een trainingsongeluk op de Canarische Eilanden, van harte gunt), is als een Hel van het Noorden bij droog weer. De renners (ik zie het van heel dichtbij na de meet, waar ik in het gezelschap van het complete journaille de weg ben opgestoven) komen binnen met een gezandstraalde tweede huid, een laag stof die als gebeiteld op hun gezicht, armen en benen ligt. (Romain Bardet, uitgeput na zijn inhaalmanoeuvres, zit op de grond uit te hijgen en ziet eruit als een mijnwerker, bovengekomen met de bedekking van een grijzig sediment. De baard van Simon Geschke doet denken aan iemand die net onder een laag puin vandaan gekropen is.)

Op de terugweg naar Zeeland: de motor van Jeroens Citroën hapert. Morgen eerst nog even naar de garage, want ‘daar rijd ik niet mee de bergen in’.

De finale van het WK-voetbal beluisteren we deels onderweg terug naar Sasput. Het grootste gedeelte van de tweede helft zien we, aldaar gearriveerd, op televisie. Frankrijk-Kroatië 4-2. We zullen morgen door een trots en euforisch land naar Annecy rijden.

*En ik blijk weer eens een uitermate slecht voorspeller. Het zijn juist Vanmarcke en Terpstra die door valpartijen (veel en heel veel) tijd verliezen. De anti-kasseienvreters Froome, Yates en Quintana strijden juist de hele dag op het voorste plan en verliezen geen tijd. Porte (eeuwige pechvogel) valt uit, en Urán, Alaphilippe en Van Garderen verliezen tijd. Dumoulin, Kruijswijk en Mollema (maar ook Gesink) bevinden zich in de voorste gelederen.

**Ook de voorspellingen (als we ze zo mogen noemen) van Stef Clement blijken, uitgezonderd die over Van Avermaet, gelukkig niet erg valide.

 

Maandag 16 juli – Rustdag

12.36 uur. Met vertraging vertrokken uit Sasput op deze rustdag. Jeroen moest eerst nog naar de garage (in Oostburg) om het verminderd vermogen van de motor te laten onderzoeken. Euvel heeft te maken met een falende sensor. Probleem is (hopelijk blijvend) verholpen.

Op naar Annecy!

Knokke-Heist, 26 graden.

*

Het landschap tussen Arras en Reims ligt er gezapig bij onder een enigszins bewolkte hemel. Goudgele korenvelden en – ondanks de droogte – nog redelijk groene bosschages. Hetzelfde landschap als gisteren, eergisteren en daarvoor naar we mogen aannemen. Onaangedaan. Alsof we niet door het land van de kersverse wereldkampioenen rijden.

*

Onderweg luisterend naar Radio Montecarlo (RCM): een en al (urenlang) celebreren van de wereldtitel in afwachting van de aankomst van de spelers op Charles de Gaulle en het daaropvolgende défilé op de Champs Élysées (Deschamps Elysées). Reporter: ‘Voilà, les Bleus sont de retour en France!’

*

Ander station dan maar. Via internet Radio 1. Volgens de wielerkenners aldaar (Leo van Vliet, Danny Nelissen en Maarten Ducrot o.l.v. Gio Lippens) gaan de Alpen nog geen verschil brengen. Hooguit zal er per dag één favoriet een terugval hebben. ‘De debatten zullen in de Pyreneeën beslist worden!’

*

18.10 uur   Dat hebben de Fransen goed geregeld: de rustdag van de Tour benutten om het WK-feest te vieren! Langs de snelweg overal borden die de automobilisten naar de parkeerplaatsen lokken: ‘Une pause APPR pour savourer la victoire.’

Na een file bij Chaumont: toch weer gelazer met de motor in Jeroens Citroën DS 4. Na twee keer stoppen op de vluchtstrook komt de auto weer op gang, maar na een stop in de buurt van Dole gaat het definitief mis. De auto is niet meer naar behoren aan de praat te krijgen. De motor maakt slechts een amechtig, vermoeid geluid. Er rest ons niets anders dan de wagen te laten wegslepen. En we stranden in een Ibis-hotel in Choisey, 230 km van Annecy. Geen restaurant meer open. Alleen een KFC waar we onze honger stillen met onsmakelijk en al enigszins koud geworden voedsel. We zullen zien wat morgen gaat brengen, maar de kans is groot dat we de etappe Annecy-Le Grand Bornand (althans live en in de karavaan) volledig gaan missen.

 

Dinsdag 17 juli – Tiende etappe Annecy – Le Grand Bornand

12.33 uur. Choisey (nabij Dole) 25 graden

Zo meteen, na oneindig veel gedoe, na veel woede en stress bij Jeroen, een vervangende auto om de TdF te vervolgen. Vanochtend na het ontbijt eerst maar eens een stuk hardgelopen (net als gisteren in Sasput), onder meer langs de Route Nationale een stuk Dole in.

Op het traject van de Tour is nu La Course bezig. Prachtige wedstrijd in het topvrouwenwielrennen. En terwijl ik, de wedstrijd rechtstreeks volgend op mijn mobieltje, al opschrijf: 1) Van der Breggen 2) Van Vleuten 3) Moolman, gebeurt er iets onvoorstelbaars. Van Vleuten, kort voor de streep nog een flink stuk achter Van der Breggen liggend, verslaat die laatste werkelijk in de laatste twee meter: 1) Van Vleuten 2) Van der Breggen. Wat een ontknoping!

16.17 uur. Eindelijk, sinds enige tijd, weer onderweg naar de Tour de France. In een gehuurde Citroën Cac(tus). Op dit moment iets ten zuiden van Bourg-en-Bresse. We luisteren op RCM en kijken en luisteren live naar Ducrot en Dijkstra op de NOS. Net bij een APPR L’Équipe gekocht. Bewaarnummer: ‘Une histoire de France.’ (Foto: spelersbus in défilé op de Champs Élysées.)

18.03 uur. We zien de finale van de etappe op televisie te L’Isle d’Abeau in (het lichtelijke aftandse) Café Le Verone. Julian Alaphilippe zien we er winnend over de meet komen. Het is de eerste Franse overwinning in de Tour van dit jaar. Dumoulin en Kruijswijk komen binnen in de groep favorieten. Mollema loopt enige achterstand op, net als Urán en Jungels.

L’Isle d’Abeau is een oord om snel te vergeten. Toch is er Tourgeschiedenis geschreven. In 1989 eindigde hier de voorlaatste etappe vanuit Aix-les-Bains (gewonnen door Fidanza) met Fignon nog in het geel. Wat er de dag daarna gebeurde weet iedereen nog: Fignon verloor het geel alsnog aan LeMond. De beroemde acht seconden! En mijn bijna-buurman in Leidsche Rijn Parkwijk Noord, René Beuker, werd tiende in die afsluitende tijdrit naar Parijs.

20.44 uur. Grenoble. Bij een grande bière pression in Le Coq Hardi (Rue Belgrado) een sms van Christa (Anna Enquist): ‘In de Alpen? Graag research. Wat leest Mollema? Leest Dumoulin ook?’

Dat weet ik nog niet, maar ik stuur haar alvast wat foto’s die ik maakte na de finish in Roubaix: Dumoulin die over de meet bolt en Mollema in gesprek met Steven Dalebout.

 

Woensdag 18 juli – Elfde etappe Albertville – La Rosière

11.52 uur. Sassenage. Wachtend op wéér een vervangende wagen (omdat men wil voorkomen dat Jeroen aan het eind van de Tour een huurauto met een Frans kenteken in Nederland parkeert), maar we krijgen de wagen niet mee omdat het bedrijf waar we het nieuwe exemplaar (een zwarte Skoda) ophalen niet toestaat dat de Cac(tus) op hun terrein komt te staan. Twee dagen van deze bureaucratische ellende al. Om uit je vel te springen. En Jeroen doet dat ook bijna.

Eenmaal in de klauwen van dit soort instanties (leasemaatschappijen, ANWB’s, dépanneurs, op hun strepen staande pinnige Françaises van garages op vage industrieterreinen) kan je je maar het beste bergen!

Vanochtend vroeg in Grenoble vanuit Hotel D’Angleterre (aan de Place Victor Hugo) een duurloopje gedaan richting Jardin de Ville nabij het Lycée Stendhal. Maar ik liep verkeerd en heb elders (in een parkje nabij de Préfecture de L’Isère) en uiteindelijk ook nog op Place Victor Hugo mijn rondjes gedraaid. Vanavond zitten we gelukkig weer in dit vrij luxueuze, centraal gelegen hotel.

Le Dauphiné Libéré (krant van deze regio) viert de overwinning van Julian Alaphilippe: ‘Enfin une victoire française’. En in de geheel aan de Tour gewijde bijlage: ‘Alaphilippe à la folie.’ Wat de favorieten betreft: ‘Personne ne bouge! […] Les Britanniques semblent sûrs de leurs forces, avec Geraint Thomas et Chris Froome, respectivement deuxième et sixième. Ils ont étalé leur puissance en prenant les choser en main derrière l’échappée.’

Vandaag eindelijk, vanaf de start (die we net voor het verstrijken van de tijdlimiet bereikten) in de koers. Er schiet een scheut vreugde door me heen.

17.04 uur. Bourg-St. Maurice (morgen startplaats) waar we het parcours verlaten en de renners opwachten. Geen twee minuten! Of ze zoeven al in groepjes voorbij. Oei, wat gaat dat, vanuit de afdaling het dal in jakkerend, hard hier. Wat zie je ze afzien!

Groep Barguil, dan Valverde met Soler. En dan ineens: Tom Dumoulin, gesecondeerd (dat wil zeggen gegangmaakt) door ploeggenoot Sören Kragh Andersen. Kort daarachter het peloton met vooraan een jagende Sky-meute.  En Dumoulin haalt de een na de ander in. We volgen het allemaal op het grote scherm op het terras van Bar La Boite Chaude. Een ongelooflijk enerverende finale, waarin Dumoulin nog net wordt ingerekend, met als uitslag: 1) Thomas 2) Dumoulin 3) Froome.

Morgen 33 graden in Grenoble en omstreken. Dat gaat zeker een factor van belang zijn in die zware etappe naar Alpe d’Huez.

En nog iets anders: krijgen we, nu Thomas het geel nog iets vaster om de schouders heeft, een interne Sky-strijd?

Het was een grandioze etappe. Daar bij te zijn geweest. Letterlijk in de koers te zijn geweest! Voor mijn doen ongebruikelijk veel foto’s gemaakt. Wat ik ook nooit zal ik vergeten: de scheurend (als in een rallywedstrijd) gereden afdeling van de Cormet Roselend. Sensationeel.

 

Donderdag 19 juli – Twaalfde etappe Bourg-Saint-Maurice – Alpe d’Huez

11.26 uur. Grenoble, 25 graden. Eerst even hardgelopen, nu wel in de Jardin de Ville.

Net onderweg naar de etappe naar Alpe d’Huez. We zullen inhaken – dat wil zeggen in de koers komen – bij Notre-Dame de Briançon, de zevenentwintigste kilometer, aan de voet van de Col de la Madeleine.

‘Dat wordt spektakel,’ zegt Jeroen over de rit van vandaag. Henk Lubberding (op de NOS-app): ‘Nou, ik heb niet zo veel met Alpe d’Huez. Misschien ben ik daar wel te nuchter voor. Ik snap goed dat het voor renners een kik geeft om daar door die menigte omhoog te rijden, maar er zijn wel heel veel maffe Hollanders. (…) Het is daar al een paar dagen carnaval. Er wordt heel wat alcohol gedronken en zeker na het laatste akkefietje met Chris Froome (hij werd een week voor de Tourstart pas vrijgesproken in de salbutamolzaak) hoeft er maar één gek tussen te zitten die wat doet.’ Lubberding denkt dat de klassementsrenners wachten met aanvallen tot aan de voet van Alpe d’Huez.*

Lucien van Impe: ‘Als je in Bourg d’Oisans aan de klim begint, is het net alsof je een stadion binnenrijdt.’

12.58 uur. Celliers Dessus – halverwege de Madeleine. Geen idee hoe het in de koers is. Geen service op de telefoon.

Het weerhoudt ons er niet van daar even halt te houden en wat te drinken: een orangina en een perrier voor maar liefst acht euro. Prijzen die op een Parijs terras niet zouden misstaan, maar hier in rekening gebracht door een nagenoeg tandeloos besje dat een sinds vele decennia verveloos geraakt herbergje, L’auberge du glacier, in bedrijf houdt. Over drie kwartier passeren hier de renners.

Midden op de weg, net voorbij de herberg, staat een rondborstige Belgische van middelbare leeftijd in een geel T-shirt ‘Go Greg’ te krijten. Maar Van Avermaet is inmiddels (hoe snel kan dat gaan) verwezen naar de rangen der figuranten.

14.16 uur. Kopgroep van zesentwintig renners (met o.a. Kruijswijk, Gesink, Ten Dam en Minnaard, en eerder ook nog Mollema) begint aan de afdaling van de Madeleine. Kruijswijk rijdt virtueel in het geel!

14.31 uur. Op de top van Lacets de Montvernier, een steil en stuurs geitenpaadje waar geen publiek staat (en ook niet mag staan). Grimmige, fantastische, korte klim. Op naar de Col de la Croix de Fer.

15.53 uur. Gezeten op een steen in de afdaling van de Croix de Fer. Sensationeel om te beseffen in de koers te zijn waar op dit moment Kruijswijk alleen voorop rijdt (1’45’’ op de achtervolgers en 6’ op het peloton).

Op verschillende momenten vandaag laten we de kop van de wedstrijd dicht naar ons toe komen (zo dicht dat we – een paar haarspeldbochten lager of in de verte aan het begin van een brede kloof – de eerste renners kunnen zien naderen en kunnen fotograferen). Maar zodra de auto die de kop van de koers markeert ons met loeiend alarm voorbijrijdt, worden we gemaand voort te maken.

RMC (Radio Montecarlo): ‘L’Hollandais volant d’aujourd’hui.’

In Procycling (met daarin de officiële Tourgids) uit een interview met Steven Kruijswijk: ‘Ik denk dat het realistisch is te zeggen dat ik dicht tegen die top vijf aan wil zitten.’ En: ‘Ik leg de focus volledig op de Tour om in die drie weken de topvorm te bereiken.’

Gaat Kruijswijk de eerste Nederlander worden (na Theunisse in 1989) die op Alpe d’Huez wint? En ook de eerste sinds Breukink (eveneens in 1989) die de gele trui verovert? Dat zou een ongehoorde historische dubbelslag zijn!

Maar het sprookje blijft uit. L’hollandais volant is niet opgewassen tegen het finale geweld en de scherpe klauwen van Sky’s formidabele Eagle. Nee, ik bedoel niet Froome. Ik bedoel Geraint Thomas die alweer iedereen zijn wil oplegt.

Zelf ben ik voor de allereerste keer op de Alpe d’Huez. En gek: maar ik kan (en ik zeg dat ook tegen Jeroen) die weg bijna dromen, zo vaak heb die eenentwintig bochten al op tv gezien. Maar wat ik niet eerder ervaren heb: om in de Hollandse bocht met water en bier besproeid te worden. Gauw het raam dicht.

Op de top (na en achter de finish) maak ik tientallen foto’s: van Kruijswijk (terwijl die geïnterviewd wordt door NOS-verslaggever Han Kock), van Gesink (idem), van Bernal, Jungels, Ten Dam en noem maar op. Met de neus vooraan heet dat, heel dichtbij de coureurs, dichter dan ooit tevoren, en na waanzinnige inspanningen, die de een nog uitgewoonder tonen dan de ander. Zozeer met de neus vooraan dat ik op een bepaald moment door een geïrriteerde gendarme bij de lurven wordt gepakt en disciplinair een eind verderop wordt neergezet. Het duurt niet lang voor ik weer sta waar ik stond, en wie zien we daar? Warempel, Humberto Tan, fotograferend met een peperdure, state of the art camera, morgenavond (zo vertelt hij) te gast in de Avondetappe.

In de hectiek naar beneden (richting Vaujany, waar we overnachten) komen we in de file te staan, pal achter de bolide van de Avondetappe. We staan er zo muurvast dat ik de gelegenheid te baat neem uit te stappen en even een praatje te maken met Maarten Ducrot, die daar heeft postgevat tegen de vangrail en op zijn mobiel de klassementen checkt.

Op onze pleisterplaats (Chez Passoud) eten we Moules frites. Hoog in de Alpen: Moules frites. Kostelijk!

De geestige en spraakzame gastvrouw (Wendy) heeft hedenochtend, in de toerversie, geheel eigener beweging de Alpe al bedwongen. Ze kwam tot op driehonderd meter (na een lekke band in bocht 14). Het laatste stukje was afgesloten. Ze is Britse van origine en haar dochters hielpen ons daarnet (22:40 uur) met het vinden van de wificode waardoor het mogelijk werd deze notities nog dezelfde dag te digitaliseren.

*Later vandaag, voeg ik achteraf aan mijn notities toe, zal blijken dat hij per ongeluk gelijk heeft omdat de coup van Kruijswijk daar strandde, of preciezer gezegd nog op het winderige vlakke gedeelte er naartoe. En de voorspelde hectiek op de col met opdringerig publiek blijkt ook weer werkelijkheid te worden. Een van de slachtoffers: Vincenzo Nibali.

 

Vrijdag 20 juli – Bourg d’Oisans – Valence

10.44 uur  Village Départ in Le Bourg d’Oisans. We parkeren de auto naast die van Leon van Bon. Vroeger was hij als renner in de Tour de France, maar tegenwoordig (al vele jaren) is de tweevoudig etappewinnaar er als fotograaf, en overnachtend in een klein tentje. ‘Vannacht stonden we in bocht zeven van de Alpe.’

Ook al gezien: Kees Jongkind met zijn cameraman (die samen dagelijks achtergrondreportages voor De Avondetappe maken).

En eenmaal op het afgegrendelde terrein van de Village: Raymond Poulidor in de stand van LCL, sponsor van de gele trui. Als gewezen coryfee dient hij de belangen van LCL, maar niet zonder ironie, want gedurende de hele Tour is hij gehuld in een gele trui (die hij in de Tour nooit gehad heeft). Ik geef hem een hand, vertel hem (en meen dat oprecht) dat ik het een ‘grand honneur’ vind hem te ontmoeten. En als ik dan ook nog gezegd heb dat ik een Nederlander ben (en als zodanig compatriot van zijn kleinkinderen Mathieu en David van der Poel) mag ik met hem op de foto. Maar toch vooral ook op uitnodiging van een standbemanner van LCL, die het kennelijk van belang vindt dat mensen met Poupou op de foto gaan.

12.06 uur. Eybens, op het parcours van de etappe, kort na de Côte de Brie, een van de twee beklimmingen van de dag. Rijdend naar Grenoble (om op de trein te stappen richting huis). Maar eerst dus nog zo’n vijftig kilometer over het officiële parcours van de Tour. De eerste veertig kilometer (inclusief Côte de Brie) hebben we inmiddels afgelegd. Voornamelijk vals plat naar beneden nu, zij het in een golvend landschap. Het is 28 graden, de eerste regendruppels vallen. De Skoda zoeft. Naast mij Jeroen als een vorst op zijn troon, de handen aan het stuur.

Nog één koffie op het terras van een Pizzeria nabij het station. We constateren dat Jeroen weer alleen verder gaat een paar kilometer voordat die Sassenage bereikt. Sassenage? Ja, dat klinkt bekend. Het is precies de plek waar Jeroen het parcours weer oprijdt. Het is precies de plek waar we de auto die hij thans bestuurt slechts met de grootste moeite meekregen na een hoop gedonder. Hij bewaart er bepaald grimmige herinneringen aan!

Dan een ‘étreinte ferme’ met Jeroen. De Tour wacht op niemand. Jeroen stapt weer in en vervolgt zijn weg. Hij mag nog ruim een week! Van Grenoble naar Parijs, maar dan wel via de omweg van de Pyreneeën.

13.22 uur. Mijn trein vertrekt vanuit Grenoble naar Lyon Part Dieu. Gods deel. Laten we maar zeggen dat ik daar de Tour verlaat.

De lange aanloop naar een grote bocht

‘Ik weet nog wel wat anders,’ zei hij.

Wat hij daarna zei en aldus aan me voorlegde moest ik even tot me laten doordringen, want daarvoor was ik niet bij hem gekomen. Ik was voor het schrijven van een boek gekomen. In het vroege voorjaar van 1995 had ik op papier een plan uitgewerkt (tegenwoordig heet zoiets een proposal en daarmee ga je naar een literair agent) voor een boek over mijn hartstocht voor de wielersport, en dan met name voor de Tour de France. Ik had mij voorgenomen een reis te maken – een soort grand tour zoals welgestelde jongeren die in vroeger eeuwen maakten ter voltooiing van hun opvoeding en als rite de passage naar volwassenheid en een maatschappelijke loopbaan – langs mythische plekken van de Tour, ook wel een beetje om te kunnen nagaan waar die wielerpassie vandaan kwam. Naar het voorbeeld van Claudio Magris’ Donau, dat ik in de zomer van 1989 had meegenomen op een reis door Midden-Europa en dat mij buitengewoon geïnspireerd had, wilde ik een boek schrijven (werktitel De grote bocht, refererend aan de bijnaam van de Tour, die weer verwijst naar de grote lus die de wedstrijd meestal door Frankrijk maakt) dat behalve wieler- en reisboek ook (cultuur)geschiedenis en autobiografie zou kunnen zijn.

Toen ik met Ronald Dietz, uitgeefdirecteur van De Arbeiderspers en zelf wielerliefhebber, over mijn plannen te spreken kwam, aarzelde hij niet en nodigde hij mij uit om er op de uitgeverij eens uitgebreider over te komen praten. Dat boek wilde hij misschien wel uitgeven. Ik stuurde hem mijn plan en maakte een afspraak voor een bezoek. De uitkomst van dat alles was niet dat hij dat boek niet meer zag zitten – dat kon ik nog altijd schrijven, oreerde hij –, maar dat hij nog iets anders wist.

‘Wat dan?’
‘Moet jij hier niet redacteur worden?’
‘Eh…’
‘En denk erom: het schip vaart maar één keer voorbij.’

Dat was niet veel minder dan een dreigement, maar hij stond me gelukkig toe er nog een nachtje over te slapen. Redacteur worden bij een gerenommeerde literaire uitgeverij was wel degelijk iets wat ik ambieerde. Alleen: hoe moest dat dan met de schrijverij? Als ik daar nu mee zou stoppen, zou die loopbaan gesmoord worden in niet veel meer dan wat literaire schijnbewegingen. Maar de volgende ochtend dacht ik: ‘Als ik dat redacteurschap niet leuk vind, dan stop ik er toch gewoon weer mee.’ Met woorden van die strekking liet ik Ronald Dietz  weten dat ik wel op die (door mij op dat moment als volstrekt zeewaardig beoordeelde literaire) oceaanlijner van hem wilde scheepgaan. Aldus werd ik in de zomer acquirerend redacteur van Uitgeverij De Arbeiderspers. En de rest is geschiedenis, heet het dan. Maar dat is een bedroevend cliché. De rest is, om even iets te noemen, uitgelopen op meer dan een half werkzaam leven in de literaire uitgeverij. En de rest is bovendien een verhaal dat veelbewogen genoeg is om er een vierdelig epos aan te wijden. Maar zover ben ik nog niet.

IMG_3249.jpg

‘Het schip vaart maar een keer voorbij.’ Ik had er toen nog geen flauwe notie van dat Dietz al snel daarna op apocalyptische toon begon rond te bazuinen – zelfs toen al, in die achteraf bezien gouden jaren van het boekindustrie – dat we zesbaksduwvaarten nodig hadden om te voorkomen dat onze afzet zou stagneren in de flessenhalzen die de in zijn ogen inerte boekhandels waren geworden, maar wat ik al helemaal niet had kunnen en durven voorzien is dat ik ruim drieëntwintig jaar later nog steeds op die (mettertijd drastisch afgeslankte) oceaanlijner zou vertoeven die inmiddels heel wat zwaar weer te verduren had gehad.

Ik wist al vroeg wat ik wilde worden. Ik wilde schrijver worden. Iemand die in kranten of die boeken schreef. En ik wilde veel weten, maar ik wist toen nog niet genoeg om te weten dat je dan eigenlijk intellectueel wilde worden. Pas later wilde ik ook nog gedurende korte tijd wielrenner worden, maar daar staken mijn ouders een stokje voor. Die vreesden dat dat ten koste van mijn studie zou gaan (ze zagen, misschien terecht, het schrikbeeld voor zich van een jongen die zich niets ontziend op dat fietsen zou toeleggen) en dat ik zou belanden in kringen van laag allooi (het vooroordeel dat wielrenners uitsluitend uit de heffe des volks voortkwamen) en binnen de kortste keren gedrogeerd door het peloton zou zwalken.

Intussen (nou ja, zeg maar gerust in de loop van vele jaren) had De grote bocht in mijn hoofd langzaam toch een paar afslagen genomen. Het idee om een route in de vorm van een min of meer complete ronde te construeren langs een aantal mythische plekken liet ik los om daarvoor in de plaats een parcours te willen gaan volgen dat ook in werkelijkheid (etappe na etappe) zo was verreden, en wel die van 1970. Niet alleen omdat die Tour de France in 2020 exact vijftig jaar geleden verreden werd en daarom maf genoeg extra in de aandacht komt te staan maar ook – en veel belangrijker – omdat dit de ronde was die ik, nog net geen negen jaar oud, van begin tot eind vanuit bed volgde. Heel die zomer lang, van begin juni tot begin augustus, was ik geveld door geelzucht. Ik herinner me de lusteloosheid en het (een zeker voor een kind) moeilijk te duiden gevoel van melancholie die me overvielen en die ik toeschreef aan de benauwende zomerhitte. En ik herinner me ook – nadat ik koorts kreeg en duidelijk werd dat het om geelzucht ging – de ontstellende vermoeidheid die aanvankelijk zo groot was dat ik nauwelijks op mijn benen kon staan. Om precies te zijn ging het om het uiterst besmettelijke hepatitis A (een epidemie onder kinderen eind jaren zestig, begin jaren zeventig) waardoor ik ook min of meer in quarantaine moest worden gehouden. Het isolement en de bedlegerigheid maakten dat ik maar een paar dingen kon doen om mezelf bezig te houden: lezen (heel veel lezen) en op de radio naar de Tour luisteren. Een zwartwit televisie stond beneden in de woonkamer, maar daar mocht ik me pas na enige tijd, en dan nog alleen in de weekends, een korte poos vertonen. Zo heb ik herinneringen aan beeldreportages van weekendetappes die de Deen Mogens Frey (hij versloeg de Portugees Joaquin Agostinho) en een week daarna Rini Wagtmans en Albert van Vlierberghe wonnen.

Later, veel later ben ik ben me ervan bewust geworden dat zo’n periode van langdurige ziekte als kind misschien wel vormend kan zijn voor een mens. En als ik dan toch met vergelijkingen kom, dan maar met grote voorbeelden: Alberto Moravia (tuberculose) en Marcel Proust (astma) maar ook James Joyce en Franz Kafka schreven hun wording als schrijver ten dele toe aan (al dan niet jeugdige) ziekte en bedlegerigheid. Wat ik me dus afvraag: of er in mijn geval een verband bestaat tussen wat ik die zomer heb doorstaan en wie ik geworden ben. Is er een link te leggen tussen mijn geelzucht en het feit dat ik een lezer, een schrijver en een wielerliefhebber ben geworden? Dat ik in de literaire wereld ben gaan werken? Ik zou dat graag willen onderzoeken door dat boek, De grote bocht 2.0, alsnog te gaan schrijven. Die mogelijkheid ga ik benutten. Ik maak, voor het eerst in de drieëntwintig jaar dat ik in de uitgeverij werk, gebruik van de gelegenheid tot het nemen van een sabbatical of (als dat een beter woord is) een forse periode van verlof. Pas eind november keer ik terug op kantoor. Vanaf eind augustus ga ik de Tour de France 1970 nareizen, zoveel mogelijk over het parcours dat voor die (zevenenvijftigste) editie was uitgezet. Een traject dat, beginnend in Limoges, grofweg via de Vendée, Bretagne, Normandië, Noord-Frankrijk, een stukje België en Duitsland naar de Vogezen afzakte om vervolgens via de Alpen, de Provence (Mont Ventoux!) en de Midi naar de Pyreneeën te gaan, waarna via Bordeaux en Tours comme toujours in Parijs werd aangekomen.

Peter Nijssen. Foto: Abdelkader Benali

Het boek dat dit moet gaan opleveren zal – als het er al komt – om elke schijn van belangenverstrengeling te vermijden, niet bij De Arbeiderspers verschijnen. En het zal – hoewel mij dit inmiddels al van verschillende kanten gesuggereerd is – ook niet Geelzucht, gaan heten, ook al is dat een woord dat perfect zowel de passie voor het fietsen als het lijden van de ziekte zou dekken. Er is al een hele serie wielerboeken (onder redactie van Patrick Cornillie) met die titel. Nee, er zal vast een betere titel komen voor De grote bocht 2.0.

Maar voor het zover is ga ik eerst meer eens naar de echte, actuele Tour. Hoe vaak heb ik niet langs de kant gestaan om de karavaan voorbij te zien trekken of bij de start van een etappe of een proloog? Ik was in Scheveningen, Bastenaken, Leiden, Gronsveld, Antwerpen, op de Mont Cenis, in Valkenburg, Rotterdam, Utrecht en ongetwijfeld op nog een paar plekken die ik nu vergeet, maar in de Tourkaravaan verkeerd, er deel van uit gemaakt, heb ik nooit. Daarin komt spoedig verandering. Komende zondag sluit ik me in de kasseienetappe naar Roubaix aan bij Jeroen Wielaert (deze weken dagelijks te volgen met geschreven en gesproken blogs op de websites van HP/De Tijd en Tout de France). De rustdag op maandag gebruiken we om door te reizen naar Annecy, waar we vanaf dinsdag de Alpenetappes gaan volgen. Tot in de rit naar Valence, waarin de renners de Alpen achter zich laten, zal ik Jeroen (‘Mijn Citroen DS 4 heeft inmiddels de sticker Presse 1111 op de voorruit) geaccrediteerd en wel  vergezellen als bijrijder en embedded schrijver. Ik zal notities maken en binnenkort (met behulp daarvan) opnieuw van me laten horen op deze blog. Vive le Tour!

De avond is nog lang: over de nieuwe roman van Anna Enquist

Het jaar was koud begonnen of het werd al zonneklaar dat Anna Enquist een nieuwe roman zo goed als af had. Hartverwarmend nieuws in donkere dagen. We rekenden uit dat dat boek – Want de avond getiteld – nog voor de zomer zou kunnen verschijnen. Dan hadden de mensen toch weer iets leuks om te lezen tijdens de vakantie. Nou ja leuk, dat stond nog maar te bezien en dat was, Enquist kennende, misschien niet de meest adequate omschrijving. Maar met enige zekerheid hadden we wel iets te bieden dat de mensen kon raken of waarin ze zichzelf zouden herkennen en dat aanleiding zou kunnen zijn tot zinvolle contemplatie. En het liefst véél mensen. Met die dingen houd je rekening als uitgever, al was het maar omdat je uit welbegrepen eigenbelang ook zelf prettig op vakantie kunt als je hele horden begerig kunt maken naar een boek. Vele jaren geleden sprak ik Joost Nijsen van Uitgeverij Podium eens vlak na de zomer op de Uitmarkt. Hij had dat jaar een megabestseller met Komt een vrouw bij de dokter van Kluun en was net terug van een waanzinnig dure en luxe vakantie aan de Amerikaanse Westkust. Lag hij daar aan het strand en viel hij gedurig weg in dutjes van een minuutje of tien. En telkens als hij daaruit ontwaakte die opbeurende gedachte: ‘Zo, weer een paar honderd Kluuns verkocht!’ Nee, chic is het niet, zo’n confessie, maar wel jaloersmakend begrijpelijk.)

Anna Enquist
Anna Enquist (foto: Bianca Sistermans)

Los van die vuige reden, leek het ons ook wel toepasselijk om een boek dat Want de avond heet en toch een zekere melancholie impliceert om het morte saison van een levensfase die stilaan richting winter strompelt nu juist te laten verschijnen rond het solstitium aan deze zijde van het jaar: de zomerzonnewende, de dagen rond de langste dag als alles is vergeven van licht en alles tiert en woekert van leven. De schrijfster van Want de avond mag dan volledig doordrongen zijn van haar herfst (of althans in die waan verkeren) en geen gelegenheid onbenut laten om erop te wijzen dat haar levensfase (en trouwens in één moeite door de hele toestand in de wereld) gelijkstaat aan neergang, afbraak, verlies, krachteloosheid en moedeloosheid: ik voel mij geroepen te wijzen op een paradox in deze voorstelling van zaken. Herinnert u zich, om te beginnen, nog de commotie die ontstond toen het indertijd spraakmakende maandblad Opzij wist te melden dat Anna Enquist ging stoppen met schrijven? Zomer 2008 was dat, tien jaar geleden, kort na de verschijning van de roman Contrapunt. Maar die gedachte bleek gebaseerd op enkele volledig uit hun context gelichte uitspraken in een interview. De kritiek op dat staaltje rampzalig hineininterpretieren in diverse andere media was dan ook fors: ‘Er spreekt weinig begrip uit voor het wezen van het schrijverschap: het komt immers vaak voor dat een auteur na het voltooien van een boek niet meteen het volgende boek op het netvlies heeft staan. Bovendien is een schrijver geen voetballer. Schrijvers kondigen zelden het einde van hun carrière aan en nemen geen afscheid in een overvol stadion.’

Zo is het maar net. Anna Enquist oud en der dagen zat, gestopt met schrijven? Mooi niet. Weinig auteurs waren sindsdien productiever dan Anna Enquist. De afgelopen tien jaar verscheen van haar respectievelijk de dichtbundel Nieuws van nergens, een boek vol monologen en portretten onder de titel Twaalf keer tucht, de cd De uittocht (muziek en teksten) samen met Ivo Janssen, de roman De verdovers, de voetbalbundel Kool!, een nieuwe aangevulde editie van haar verzamelde poëzie Gedichten 1991-2012, het poëzieweekgeschenk Een kooi van klank, de roman Kwartet, de dichtbundel Hoor de stad en – iets meer dan een jaar geleden (velen van u stonden hier toen ook om de verschijning ervan te vieren) Een tuin in de winter, de Privé-domein met haar herinneringen aan Gerrit Kouwenaar. Ik zeg zonder enige overdrijving dat er heel wat schrijvers zijn die zouden tekenen voor de productie van alleen al dat oeuvre gedurende een heel leven. Laten we ons bovendien realiseren dat die elf titels van de laatste tien jaren zijn geschreven terwijl er kleinkinderen werden geboren (die veel verstrooiende vreugde met zich meebrachten en op wie intensief gepast werd), er (tot op de dag van vandaag) een psychotherapeutische praktijk werd aangehouden en er in al die jaren ook nog veel werd gemusiceerd en opgetreden. Van wegdommelen achter uitgebloeide geraniums of mokkend en vergeetachtig naar de achterdeur sjokken is geen sprake. Lees die zo nu en dan bijna jubelend vrolijke gedichten uit Hoor de stad of lees het verrassende einde van Want de avond. Het valt onmogelijk vol te houden dat het werk van Enquist alleen maar in mineur geschreven staat, ook niet als ze dat zelf beweert.

In het schrijversleven van Anna Enquist is het onverminderd hoogzomer. Er zijn vandaag de dag nog maar weinig schrijvers van wie we bij verschijning van een nieuwe titel meteen zulke aantallen naar de winkels verslepen. En er zijn nog minder schrijvers van wie we de vertaalrechten van een boek (in dit geval heb ik het over Want de avond) nog voor het boek in de winkel ligt al hebben verkocht aan gerenommeerde buitenlandse uitgevers als Luchterhand (in Duitsland) en het tot voor kort door de huidige minister van cultuur, Françoise Nyssen, geleide Actes Sud (in Frankrijk). En daarom trekken we ons vooral niets aan van wat Anna Enquist eergisteren in Het Parool zei in een interview van Marjolijn de Cocq: ‘Die laatste levensfase, eigenlijk zou je daarover moeten schrijven. Maar dat is zo deprimerend. Ik weet niet of ik daar zin in heb. Ouder worden is verschrikkelijk. Al die boeken over “lachend tachtig worden”, die zie ik meer als collectieve afweer. Het is gewoon afzien. Er is ontzettend veel verlies. Mensen om je heen vallen weg en als je pech hebt krijg je ook nog fysieke ellende. Ik zie niet dat ik daar nou een boek over zou moeten schrijven. Bovendien: ik heb de afgelopen jaren zoveel gedaan. […] Nu maar weer een beetje regelmatig piano spelen.’ Ja, wacht even. Piano spelen. Zo zijn we niet getrouwd! Niks piano spelen. Als je niet over ouder worden wil schrijven, schrijf je maar over iets anders. Afzien is goed voor een mens en als je geen zin hebt dan maak je maar zin. Anna Enquist moet en zal, weer of geen weer, vrolijk verder schrijven.

Anna Enquist - Want de avond - Cover.jpg

De rest is geschiedenis. Over Wido Smeets, ‘Goed gerei. Opkomst en ondergang van een (meubelmakers)familie’

Wido Smeets presenteerde zijn boek Goede gerei, een onconventionele om niet te zeggen eigengereide familiegeschiedenis, niet één niet twee maar wel drie keer. Donderdag 24 mei was boekhandel De Tribune in Maastricht, waar hij werd geïnterviewd door Henk Groenewegen, plaats van handeling. Vrijdag 25 mei namen Harald Merkelbach en Cyrille Offermans met toespraken op een familiefeest de honneurs waar en zaterdag 26 mei voltrok de finale ceremonie zich in boekhandel Dominicanen. Daar werd Smeets geïnterviewd door Leon Verdonschot, verzorgde Peter Beeker (frontman van de geweldige Venlose rockband Ongenode Gaste) de muziek (eigen teksten begeleid op gitaar en mondharmonica) en sprak ikzelf over toeval en lot met betrekking tot de wijze waarop dit boek bij De Arbeiderspers terechtkwam.

Ergens in De ondraaglijke lichtheid van het bestaan, die onontkoombaar aangrijpende kitschroman van Milan Kundera, valt het volgende te lezen: ‘Ons dagelijks leven wordt gebombardeerd door toevalligheden, juister gezegd door toevallige ontmoetingen met mensen en door gebeurtenissen die men coïncidentie noemt.’ Kundera vertelt vervolgens dat dit principe ook werkt in romans en noemt als voorbeeld Tolstoi’s Anna Karenina. Aan het begin daarvan ontmoet Anna Karenina op een perron waar zojuist iemand voor de trein is gesprongen graaf Vronski op wie ze als getrouwde vrouw stapelgek zal worden. Aan het slot van de roman springt ze zelf voor de trein. Kundera noemt die symmetrische compositie ‘zeer romanesk’ en schrijft dan:

Wido Smeets 2018
Wido Smeets. Portret: Perry Schrijvers.

‘Want mensenlevens zijn exact zo gecomponeerd. Ze zijn gecomponeerd als een muziekstuk. De mens, geleid door zijn gevoel voor schoonheid, verandert een toevallige gebeurtenis (Beethovens muziek, dood op het station) in een motief dat voortaan in de compositie van het leven blijft. Hij keert ernaar terug, herhaalt het, wijzigt het en bouwt het uit als een componist het thema van zijn sonate.’

Welnu. In september 1986 studeerde ik Nederlands in Utrecht en kreeg ik – vanwege connecties met de Nederlandse filmdagen in Utrecht die weer het gevolg waren van een studie filmkunde in Amsterdam – de kans om de Australische (in 1940 in Venlo geboren) cineast Paul Cox te interviewen. Cox, die in de jaren zestig naar Down Under emigreerde (waar hij in 2016 in Brisbane overleed), had toen al een schitterend cinematografisch oeuvre tot stand gebracht met films als Kostas, Lonely Hearts, Man of Flowers en My First Wife. Omdat ik ook zelf uit die contreien afkomstig was, belde ik het Dagblad voor Noord-Limburg (in de volksmond de Vennelse Gezet). Of ze interesse hadden in een interview met Cox. Dat hadden ze, en zo kwam ik niet alleen aan mijn allereerste officiële publicatie (mijn bijdragen aan het literaire studentenblad Vooys even buiten beschouwing gelaten) maar ook aan mijn eerste podium als scribent. Want een paar jaar later kreeg ik het voor elkaar dat de krant tweewekelijks een halve krantenpagina voor me inruimde om een literaire kritiek, een rubriekje met nieuw verschenen titels en een column over de boekenwereld te schrijven.

De kunstredactie bestond destijds uit Lei Coopmans en Peter Janssen. Met hen maakte ik afspraken over de onderwerpen, de te bespreken boeken en de deadlines. Ik ben er in die jaren enkele keren over de vloer geweest en de eerste keer werd ik door Lei en Peter rondgeleid over de redactieburelen. Bij die gelegenheid heb ik – ik herinner het me vaag – ook handen geschud met de toen jonge journalist/verslaggever Wido Smeets. Nadat ik mijn rubriek gestopt was, zag ik Wido Smeets en Adri Gorissen (jawel, precies degene die hem deze week voor Dagblad de Limburger interviewde over Goed gerei) de literaire kolommen overnemen die goeddeels gevuld werden met korte recensies van nieuw verschenen boeken. En dat is, als ik het mij goed herinner, zo min of meer zo gebleven totdat Koen Eykhout de vaste literatuurrecensent van de krant werd. En bij mijn weten is hij dat nog steeds, al is het tot groot verdriet van Peter Buwalda.

In de tussentijd (in de eerste maanden van 1989) schreef ik voor het Dagblad voor Noord-Limburg een zesdelige interviewserie over de toekomst van het boek. Een van de degenen die ik uitgebreid sprak voor die serie was schrijver/essayist Cyrille Offermans, destijds woonachtig in Heel, niet heel ver van Echt waar hij als leraar Nederlands verbonden was aan de middelbare school. Wat ik toen nog niet wist: dat hij Wido Smeets in de klas had gehad. En wat ik toen nog helemaal niet had kunnen bevroeden: dat diezelfde Cyrille Offermans, met wie ik in de loop der jaren bevriend was geraakt, mij op 2 februari 2015 een brief zou schrijven met als onderwerp ‘Wido Smeets’:

‘Ik heb hem lang geleden leren kennen, namelijk in het prille begin van mijn leraarscarrière in het eveneens Midden-Limburgse Echt, waar hij op een van de hoogste klassen zat,’ schreef Cyrille me. ‘Erg hoge cijfers haalde hij geloof ik niet, maar mij viel hij meteen op door een zekere onaangepastheid en dwarse ideeën – een veelbelovende leerling kortom. […] Het gaat om een non-fictie boek […], een complexe familiegeschiedenis die zich uitstrekt over drie generaties, te beginnen in de late negentiende eeuw en doorlopend tot het heden, dus ook tot het leven van de onderzoekende, interpreterende en speculerende auteur. […] Het verslag van dat onderzoek bestaat uit een veelkleurig, vanuit verschillende perspectieven geschreven mozaïek van fragmenten waarin de grote en de kleine geschiedenis elkaar voortdurend verhelderen. De kleine geschiedenis is die van Leo Smeets (1884-1958), Wido’s grootvader, en diens trotse levenswerk, NV Smeets’ Houtindustrie te Wessem, dat na de Tweede Wereldoorlog uitgroeit tot een meubelfabriek, maar in de jaren zestig dramatisch in verval raakt. […] Die auteur is op zoek naar een uitgever die mogelijk iets ziet in zijn werkstuk in wording.’

Enfin, de rest is geschiedenis – zoals alles wat ik tot dusverre verteld heb geschiedenis is. Maar wat ik bedoel: de rest is niets meer maar vooral ook niets minder dan de verwezenlijking van dat boek bij De Arbeiderspers. De rest is er de oorzaak van waarom ik hier sta en u daar zit.

En nu ik hier in Maastricht sta in wat een paar jaar geleden zelfs de mooiste boekhandel ter wereld werd genoemd, zal wellicht ook de vraag opkomen of we dan te maken hebben met Limburgse geschiedenis. Het antwoord moet zijn dat ten aanzien van zowel mijn verhaal als het verhaal dat tussen de kaften van dit boek zit en inmiddels Goed gerei (Good grei) heet moeilijk ontkend kan worden dat er veel Limburg in zit, dat die verhalen geworteld zijn in Limburg. Maar antwoord geven op de vraag ‘Waar ligt Limburg?’ is bijna even lastig als antwoord geven op de vraag ‘Wat is literatuur?’. Die eerste vraag stelde ik mij najaar 1995 als samensteller en gastredacteur van een themanummer over Limburg van het literaire tijdschrift Maatstaf, dat destijds werd uitgegeven door De Arbeiderspers, waar ik toen net in dienst getreden was als redacteur. Dat inleidende stuk, gevolgd door bijdragen waaraan ik in mijn stuk refereer, besloot ik als volgt: ‘Eens een Limburger altijd een Limburger? Dat is bijna een ontologische vraag. Besta ik eigenlijk wel? En Limburg? “Limburg is virtual reality geworden,” verzuchtte Michel Maas. Het is leeg gebaggerd, ommuurd. Als Limburger is hij daarom liever nog dood dan overwonnen, en hij slaat op de vlucht.

Maar hij zal er terugkomen. Telkens weer, al was het alleen maar in zijn dromen. Connie Palmen weet waarom: “Als ik moet verklaren waarom ik geworden ben wie ik werd, dan is Limburg een onderdeel van de verklaring. Zodra je er eenmaal uit bent, maakt het wel degelijk verschil om er vandaan te komen.”’

Maar Wido Smeets worstelt niet zo met die imaginaire, problematische Limburgse identiteit, misschien ook wel omdat hij dat wat Limburg genoemd wordt nooit de rug heeft toegekeerd, zelfs niet nu hij in het buitenland woont (net over de grens in Rekkem, Belgisch Limburg). Het neemt niet weg dat, zuiver gemeten naar de ruimte waarin het zich afspeelt, Goed gerei door en door Limburgs is. Maar gelukkig heeft noch dit boek noch de auteur daar veel boodschap aan. Het is een gegeven dat het in Limburg gesitueerd is met alles wat daar aan couleur locale en heimatliche taal en cultuur bij hoort. Maar daar gaat het niet over. Dit boek is – en nu citeer ik mijn eigen woorden op het achterplat – ‘het levensverhaal van een meubelfabriek, een boek over vaders en zonen, over lotsbestemming en de onmacht eraan te ontsnappen. In een subtiel literaire weefwerk van documentaire teksten, interviews, reportages, beschouwingen en herinneringen reconstrueert de auteur een eeuw eigen familiegeschiedenis.’

Is het dan eigenlijk een roman? Nee.

Een essay? Nee.

Een geschiedenisboek? Nee.

Wat is het dan? Het is niets van dat alles en alles tegelijk. Wido Smeets hanteert in Goed gerei de zich aan alle genrewetten onttrekkende vrije slag, al hij heeft hij al freewheelend beslist ook gebruik gemaakt van Kundera’s symmetrische compositieprincipes.

Nu de vragen over Limburg en het genre zijn beantwoord, resteert de vraag: Wat is literatuur? Antwoord: Goed gerei – dat is literatuur. En wat betreft die symmetrische compositie: Paul Cox zal niet naar het land der levenden terugkeren om nogmaals te worden geïnterviewd en niemand hoeft van mij voor de trein te springen. Maar verder laat ik u weinig keus: als u zelf tot het juiste genre wilt behoren (en ook als u dat niet wilt), gaat u zo meteen onmiddellijk over tot aankoop van Goed gerei. Dat maakt dit verhaal voor mij al rond genoeg.

vdh9789029505260.jpg

Bewegingen onder de deklaag van het dagelijkse. Over Maria Vlaar, ‘Diepe aarde’

Bij Stichting Perdu aan de Oudezijdsburgwal presenteerden we op een snikhete woensdagavond 30 mei het literaire debuut van Maria Vlaar, Diepe aarde, een verhalenbundel die een lezer flink van zijn stuk kan brengen. Ze werd gloedvol toegesproken door K. Michel, Piet Meeuse en Anneke Brassinga en toegetekend [sic!] door Jean-Marc van Tol. Daarna leidde ik het boek in en schonk Maria de eerste drie exemplaren aan haar kinderen Lucian, Darja en Emilia. Hieronder treft u mijn tekst aan.

Heel diep hoef ik niet te graven om me de eerste (en trouwens ook enige) confrontatie met Maria Vlaar te herinneren. Ze moet ergens tussen najaar 1995 en voorjaar 1996 hebben plaatsgevonden. We kenden elkaar nog niet goed, maar we kénden elkaar. Maria was redacteur bij De Bezige Bij en ik was dat sinds kort (na jaren in de literaire journalistiek) bij De Arbeiderspers.

In die tijd was in de literaire uitgeverswereld het volgende gebod nog onverkort van kracht: ‘Gij zult geen schrijvers van andere uitgevershuizen begeren laat staan dat gij hun oneerbare voorstellen zult doen.’ Ik heb mij gedurende mijn hele loopbaan in de uitgeverij grotendeels (de moraal van een in katholieke zuidelijke contreien opgegroeid persoon is rekbaar) aan dat gebod gehouden.

Maar toen – misschien in een vlaag van jeugdige overmoed, misschien uit relatieve onervarenheid, misschien om voor mezelf aan te tonen dat ook ik op schokkende wijze een gehaaide literaire struikrover kon zijn – was ineens het ontembare verlangen in mij opgekomen de eminente essayist Piet Meeuse om een boek te vragen. Ik weet bij god niet meer wat ik hem gevraagd heb, maar het ging om iets specifieks, iets eenmaligs. Piet Meeuse was immers fondsauteur bij De Bezige Bij. En als dat rode hoofd van Albert Voster in paroxistische woede om mijn vlerkerige brutaliteit nog roder zou worden, kon ik, zo nam ik me voor, altijd tegenwerpen: ‘Maar meneer Voster, ik wil Piet alleen maar voor één keer van u huren!’

IMG_0329.jpg

Albert Voster kwam helemaal niet in beeld. Ik had buiten Maria Vlaar gerekend! Zij was het die na een paar dagen – wellicht nadat Piet zich enigszins bedremmeld bij Maria had gemeld met dat briefje van me in handen en de vraag wat hij daarmee aan moest of mocht – op hoge poten op me af stormde. Ik weet niet meer precies – ik moet dat hebben verdrongen – of die hoge poten per telefoon of per brief dan wel stampend over de traptreden van Singel 262 mijn kant op kwamen, maar de onverbiddelijke teneur was toch wel of ik voortaan met mijn tengels van haar auteur (en bij uitbreiding, geldend tot diep in een volgende eeuw: ál haar auteurs) wilde afblijven.

Ik kon niet anders dan in het stof bijten en mijn excuses maken. En daarmee was de kous ook af. Onze relatie heeft het niet blijvend bekoeld. Het was zand erover – en misschien bij Maria ook nog een laag kiezels en ondoordringbare klei – en dat was dat. Wij zijn elkaar in de jaren daarna veel blijven zien en spreken, ook (zij het veel later pas) over literair werk dat ze her en der publiceerde, zoals bij voorbeeld naar aanleiding van ‘Het pijngeheugen’, een essay dat ze in Terras (de erfgenaam van Raster) publiceerde.

Achteraf moet ik zeggen dat ik Maria Vlaar na al die jaren en ontmoetingen nog niet goed genoeg kende. Toen ik met haar begon te praten over eigen werk, over het publiceren van eigen werk – ook nog toen ze me verteld had dat ze verhalen, fictie dus, aan het schrijven was – dacht ik dat ze zou komen met sterk intellectualistische, misschien introspectieve maar toch in elk geval beschouwende en eerder essayistische dan verbeeldingsrijke teksten. Ook mensen zoals ik met een vergelijkbare achtergrond in het boekenvak – journalistiek, kritiek, redacteur bij een literaire uitgeverij (alleen het ambassadeurschap bij het Fonds voor de Letteren ontbreekt in mijn conduitestaat) – kunnen blijkbaar het vooroordeel koesteren dat iemand met een dergelijk track record vooral over beschouwend en in veel mindere mate over scheppend talent beschikt.

Daarom verrasten die verhalen me ook in sterke mate. Al in het eerste verhaal dat ik las, ‘De stetson’ (in Diepe aarde is het uiteindelijk ergens halverwege terechtgekomen) kruipt de schrijver in de huid van een man. Sterker: in die van een nogal pedante kwast van middelbare leeftijd die het, kwasten eigen, ontzettend met zichzelf getroffen heeft en er nauwelijks mee lijkt zitten dat hij er een dubbelleven in de liefde op nahoudt. Maar de wraak – en misschien ook wel de wraak van de auteur – is zoet. De weinig gewetensvolle narcist krijgt zijn trekken thuis.

In een ander verhaal, ‘Persona’, in Diepe aarde is het de opening geworden, zag ik mezelf als lezer gedropt worden in een setting die sterk doet denken aan het begin van Short cuts, die adembenemende film van Robert Altman naar verhalen van Raymond Carver. Je voelt je in het zog van een camera over een terras meegesleurd worden waar allerlei mensen – vermoedelijk op een zondagochtend – van de zon, een drankje, de rust en een goed gesprek zitten te genieten. Ondertussen glijdt de camera langs al die tafeltjes, zoomt in op de personen die daar zitten en wat we te zien en te horen krijgen is te erg voor woorden: pijnlijk, gênant, schandalig, ja in een enkel geval mensonterend.

In nog weer een ander verhaal, ‘Kan het nog?’, treffen we een oudere, ietwat hitsige therapeute die sterk in de ban is van een cliënt met relatieproblemen die al heel lang bij haar komt. Maar de cliënt heeft – snappen wij lezers al gauw– zijn prioriteiten elders liggen. Minstens zo tenenkrommend van ongemak is het verhaal, getiteld ‘Jouw pijn’, over een gescheiden vrouw die met een vriendin van vroeger nog eens op vakantie gaat. Gaandeweg blijkt dat deze vriendin een nogal desastreuze invloed op haar leven heeft gehad. De titel refereert aan een vraag van haar therapeute (‘Maar hoe is het dan nu met jouw pijn?’). En misschien, bedenken we tijdens het lezen van de bundel, is dat dan wel die therapeute uit ‘Kan het nog?’.

IMG_0456.jpg

Ja, nu ik er eens goed over nadenk: er zit onthutsend veel fysiek gesop en getob in, en behoorlijk wat zompig en sleezy geseks. Maar ook, in al zijn aardse intimiteit, heel tedere seks. In het aangrijpende verhaal ‘De tent’, waarmee Diepe aarde afsluit, herinnert een stokoude vrouw zich een subliem ingehouden vrijpartij met haar man tijdens een vakantie in een tent – de kinderen slechts van dit alles gescheiden door een stuk tentdoek.

Maria Vlaar kan zich in de meest uiteenlopende personen en situaties verplaatsen. In een door gigantisch overgewicht volkomen immobiel geworden wetenschapper, in een man die gebukt gaat onder het psychisch en fysiek geweld van zijn vader waarmee hij als kind te maken had, in een al wat oudere vrouw, een plattelandsonderwijzeres, met een burn-out, of in een kunsthistoricus die lichtelijk van het padje is geraakt nadat hij achtereenvolgens zijn dochter en zijn geliefde aan een religieuze sekte verliest.

Maar ze kan zich ook indenken in een (met de nodige satire geschilderde) nabije toekomst waarin Nederland veranderd is in een populistische dictatuur waarin het (intellectuele) establishment van weleer wordt onderdrukt en vernederd door platte onderbuiktypes met veel revanchegevoelens. Dystopische toestanden, zoals dat tegenwoordig heet, treffen we ook aan in een paar andere verhalen zoals in dat bevreemdende verhaal van een ambitieuze Nederlandse vrouw die onderweg terug van vakantie in Frankrijk haar droomhuis (lees: spookhuis) ontdekt en het later (na allerlei vreselijke lotsbestemmingen waarin ze alles behalve zichzelf verliest) het schopt tot minister van onderwijs in een Nederland dat te boek staat als de laatste democratische regering van Europa – een setting die me enigszins deed denken aan Michel Houellebecqs Soumission. Houellebecq is zo’n naam die een paar keer in me op kwam tijdens het lezen van Diepe Aarde. Of Roald Dahl. Of David Grossman. Gek genoeg allemaal mannen, en dan ook nog eens types die ik eigenlijk nooit met Maria Vlaar geassocieerd zou hebben. Tot deze toch ontregelende lectuur dan.

Diepe aarde, dat moge duidelijk zijn, kent vele lagen, rijk en subtiel geschakeerd. Op het achterplat van de bundel staat iets soortgelijks: namelijk dat in deze verhalen ‘wordt blootgewoeld wat er beweegt onder de deklaag van het dagelijkse’. Om in de metaforiek van de geologie en het graven te blijven: dit is schrijven als een vorm van soulmining, een woord dat ongetwijfeld bij me opkwam omdat ik al een jaar of 35 in het bezit ben van het gelijknamige debuutalbum van de Britse new-waveband The The.

Maria Vlaar is niet voor één gat te vangen. Een avontuurlijk (voor)uitzicht, kortom, voor de aanstaande lezers.

IMG_0378.JPG

De schoonheid van de pijn en het vallen. Over ‘Pijn in het peloton’ van Pieter Cramer & Frans Bevers*

Hoewel de pelotons in het professionele wielrennen kleiner zijn geworden (acht in plaats negen renners per ploeg in de grote ronden en zeven in plaats van acht renners in de overige koersen) en er minder ongelukken lijken te gebeuren (in die zin hebben de maatregelen van de UCI misschien succes) wordt er nog steeds – en hard – gevallen in het hogeschoolwielrennen – en niet alleen in die echelons, voeg ik er maar snel aan toe. Want vallen hoort bij wielrennen, ja ook bij de wijze waarop een wielertoerist als ik het bedrijft, zoals een dronkenlap bij een groot feest.

Alleen al in die zin zal Pijn in het peloton, het boek van Pieter Cramer en Frans Bevers dat we hier vanmiddag presenteren, altijd actueel zijn. Kijk maar naar afgelopen voorjaar. Er viel weer heel wat pijn in het peloton te bespeuren. Neem die vérstrekkende uitglijder van Wout Poels toen deze – in een fase waarin hij de gedoodverfde favoriet was voor de eindoverwinning – tijdens de zesde etappe van Parijs-Nice in de bocht van een afdaling onderuitging en tegen een vangrail caramboleerde. Gebroken sleutelbeen, gekneusde borstkas. Weg voorjaar. Wie hem in de Giro aan het werk zag (zij het helaas voor Chris Froome en niet voor zichzelf) mocht constateren dat alle leed en pijn misschien ook weer ergens goed voor waren. Kon dat maar gezegd worden van de val van de Belgische wielrenner Abel Goolaerts in Parijs-Roubaix. Die sloeg op zondag 8 april jongstleden in de Hel van het Noorden op de kasseienstrook van Saint Python tegen de grond en bleef op zijn rug in de berm liggen. Voor dood. En niet veel later, onderweg naar het ziekenhuis van Lille, dood. Oorzaak: een hartstilstand. Voor alle duidelijkheid: hier was de val niet oorzaak maar gevolg. De vraag (met verwijzing naar de ondertitel van het boek) of dat dan ook een blessure is, moeten we misschien maar niet stellen. Peter Winnen schreef er het volgende over zijn column in de Volkskrant: ‘Hartfalen? Het zal de Dood een worst wezen wat de autopsie oplevert. Hij is ongenaakbaar en viert de overwinning in stilte.’

IMG_3082

Ik was lang geleden de redacteur van een bij De Arbeiderspers verschenen wielerroman van Pascal Kolkhuis Tanke, De gladiolen en de dood. Dat boek gaat over de angst van de wielrenner (van menige wielrenner, maar in dit geval heette die Aart Haring) voor het vallen. Het boek verwees overduidelijk naar de fatale dodelijke val van Fabio Casartelli in de afdaling van de Peyresourde in de Tour de France van 1995. We hielden het duizend kilometer van onze burelen ten doop in Lugano aan de vooravond van het WK 1996, in zoverre een toepasselijke locatie dat de roman zich afspeelt aan de vooravond van een WK op de weg. In die roman zitten we voortdurend in het hoofd van Haring en dat hoofd zit vol valangst: ‘Het is bijna een ritueel geworden. In die mysterieuze schemerzone tussen bewustzijn en diepe slaap rijd ik in op een barricade van gevallen renners. Het gekraak van fietsen op asfalt, het gekerm van renners en bovenal het gierende geluid van voluit aangeknepen remmen zorgen voor een laaiende angst. En telkens, op het moment waarop ik besef dat ik onmogelijk een valpartij zal kunnen vermijden, word ik met stuiptrekkingen wakker.’

Wollt ihr den totalen Sturz? Nee! En toch is vallen een raison d’être, ook als de angst om te vallen totaal afwezig is. De meeste renners zijn niet bang om te vallen. Maar met of zonder angst: er zal altijd gevallen worden. Vragen om het einde van het vallen (hetzelfde geldt voor pijn) is vragen om het einde van het wielrennen. Dat willen wij – wielrenners en wielerliefhebbers – natuurlijk helemaal niet. Wij willen alleen vallen met mate – en áls het dan moet: niet met een klap, maar mooi en zacht en hooguit een beetje jankend.

Het vallen moet iets betrekkelijks blijven. De absolute val is een doodzonde. In dat verband schieten mij een paar veelbetekenende regels van Gerrit Kouwenaar te binnen uit het gedicht ‘Le poète Y sur son lit de mort’: ‘Van alle maken is doodmaken/ wel het volmaaktste’. Deze regel legt een paradoxaal verband tussen creativiteit en destructie, tussen scheppen en vastleggen (in de zin ook van: er de beweging uithalen). En als uit iets levends de beweging moet worden gehaald dan moeten we wel spreken van ‘ombrengen’ of ‘vermoorden’. Of in het geval van een wielrenner: onherroepelijk ten val brengen. Toch laat die regel van Kouwenaar zich niet eenvoudig transcriberen naar het cyclisme: ‘Van alle vallen is doodvallen wel het volmaaktste’. Dit is een abjecte regel, en niet alleen omdat hij onethisch is of een boodschap bevat waar wij helemaal niet aan willen. De schoonheid én de betekenis van de regel van Kouwenaar zit in het drievoudige maken: maken, doodmaken, volmaken.

Kortom, en nu onherstelbaar verbeterd: ‘Van alle vallen is doodvallen wel het valste’. In deze zin is vallen nu juist (als een van de betekenissen van ‘vals’) verkeerd. En door de overtreffende trap (erger kan je niet vallen) ook totaal verkeerd. Een kapitale val dus.

Bevers_Cramer (c) Wouter le Duc_RVtot 01032021.jpg
Frans Bevers en Pieter Cramer. Portret: Wouter le Duc

Daar willen we ver bij wegblijven. Er ligt al pijn genoeg in het gewone vallen, zoals we in dit wonderschone boek kunnen lezen maar vooral ook zien op de schitterende, onthutsende, treffende foto’s (waarvan ook een heleboel, in twee katernen, in kleur) van Klaas Jan van der Weij en Wouter Roosenboom. Het wordt nu trouwens de hoogste tijd maar eens te melden dat het niet álleen maar over vallen gaat en de pijn die daarvan het gevolg is. De ondertitel van het boek van Cramer en Bevers luidt immers: ‘13 beruchte blessures bij wielrenners & meer ellende’. Die dertien blessures passeren van hoofd tot voeten de revue in Pijn in het peloton, en al lezende ontdek je (wat je natuurlijk ook allang wel wist) dat er ook nog zoiets bestaat als pijn en blessures door overbelasting, overtraining en algehele uitputting, dat er zoiets als mentale pijn en wielerzielenpijn is, dat er blessures voortkomen uit verkeerd afgestelde fietsen of verkeerd op de fiets zittende renners en dat er inwendig van alles mis kan gaan door al dat keiharde fietsen en ongelukkig daarop aansluitende diëten. Pieter Cramer en Frans Bevers hebben dat in kaart gebracht in een boek dat barst van expertise en eigen ondervindingen (beide zijn geharde en getrainde fietsers). Van research, onder meer in de vorm van 45 interviews met wielrenners en ex-wielrenners (m/v), ploegleiders, mecaniciens, masseurs, psychiaters, psychologen, artsen, fotografen, koersdirecteuren, motards, journalisten en andere directbetrokkenen. En dat boek is dan ook nog geschreven in een lichtvoetige en bij vlagen lyrische stijl (en danseuse) die niet onderdoet voor die van menige literaire schrijver. In samenhang met de al gememoreerde prachtige fotografie en dito vormgeving door Scherpontwerp (met name: Marc Koppen) levert dat een boek op waarin pijn en lijden esthetische categorieën worden. En nee, Jan Siebelink: niet per se als in jouw wielerboekendebuut Pijn is genot, dat veelzeggend genoeg begint ‘bij de meiskes van Sauna Diana’ waardoor die esthetiek meteen weer in een erotische, sadomasochistische context wordt geplaatst, al schuilt er (het zij gezegd) in sommige beelden die dit boek bevat beslist iets van een sintsebastianeske homo-erotiek.

De esthetiek van Pijn in het peloton is veelomvattender en autonomer, zo groot als het leven zelf.

vdh9789029510578.jpg

[*Deze tekst sprak ik uit bij de presentatie van Pijn in het peloton in de Verkadefabriek in Den Bosch op zondag 3 juni. De middag werd gepresenteerd door Bert Wagendorp. Op het podium sprak hij behalve met de auteurs en de uitgever ook met vier mensen die de auteurs voor hun boek uitvoerig interviewden: Lucien de Louw, Marieke van Wanroij, Maarten Ducrot en Alex Roeka, die ook een aantal van zijn wielerliederen ten gehore bracht. Het boek is tevens een ode aan alle gevallen (en anderszins geblesseerd geraakte) wielrenners. Ik droeg mijn eigen exemplaar op (en daarmee over) aan mijn vriend Wout Heslinga, die begin mei zeer zwaar ten val kwam en inmiddels werkt aan een (misschien langdurige maar hopelijke succesvolle) revalidatie.]

Blog op WordPress.com.

Omhoog ↑