Zoeken

Nijssen Schrijft

De weblog van Peter Nijssen

Categorie

Uncategorized

Van Zeist naar Zorgvlied in het spoor van Willem Pijper

pijperAfgelopen zondag 19 maart had ik als wegatleet op leeftijd willen starten in het Nederlands Kampioenschap Halve Marathon. Dat NK werd gehouden als onderdeel van de Stevensloop in Nijmegen. Ik had me er al voor ingeschreven en was sinds begin januari vol toewijding aan het trainen met het oog op dat evenement. Het feest ging niet door. Voor mij tenminste. Welbeschouwd was een verkoudheid – nee, godbetert niet zo eufemistisch: een majeure, hemeltergende griep die me een paar weken in een benauwende greep hield – er debet aan dat ik in plaats van de Stevensloop de afgelopen twee zondagen in het levensspoor van de componist Willem Pijper een parcours aflegde van Zeist naar Zorgvlied. Ofte wel van het oord waar hij in 1894 geboren werd naar de plaats waar hij sinds 1947, toen hij op 52-jarige leeftijd overleed, begraven ligt. Memento mori.
Dat zit zo.

 

Zondag 12 maart, net weer een beetje opgekrabbeld, besloot ik me met het oog op dat NK nog maar eens te testen. Een duurloop van een dikke twintig kilometer met een paar forse blokken in het beoogde marathontempo. Het kostte erg veel moeite, en het was ook een veeg teken dat ik met een te hoge hartfrequentie liep. Derhalve zat ik die middag nog nahijgend, een zweem van zweet op het voorhoofd en het gevoel dat ik me in een ruimte bevond waar de verwarming op meer dan dertig graden stond, in Theater Figi te Zeist, om preciezer te zijn in de Willem Pijperzaal, in de voorstellingenserie Jong Talent te luisteren naar dochter Janna, zingend in een close to close harmonie-groepje van negen meiden, begeleid op piano en drums, dat optreedt als The Jump (onthoudt die naam, daar gaat u nog van horen!). The Jump, veelal arrangementen vertolkend van moderne muziek (pop, soul, jazz) werd voorafgegaan door een jonge harpiste die fraaie en ongetwijfeld licht gearrangeerde vertolkingen van stukken van Bach, Chopin en Debussy uit haar harp toverde. Maar dus niet van Willem Pijper, hoe toepasselijk dat in Zeist op dat moment ook was geweest. Precies een week later zou namelijk herdacht worden dat Pijper, van wie me niet bekend is of hij werk voor harp heeft gecomponeerd, zeventig jaar geleden overleed.

Die zeventigste sterfdag, op zondag 19 maart dus, werd door de Willem Pijper Stichting aangegrepen om een herdenkingsconcert te houden in de Aula van begraafplaats Zorgvlied. Arthur van Dijk, betrokken bij de Stichting, had me ervoor uitgenodigd. En niet zomaar, want Van Dijk bezorgt voor De Arbeiderspers een in 2018 in de reeks Privé-domein te verschijnen uitgave van de brieven van Willem Pijper onder de titel In het Licht van de Eeuwigheid. Een leven in brieven. Zeventig jaar na iemands dood is met het oog op auteursrecht een omineuze datum. Vanaf dat moment vervallen namelijk de aanspraken van erven op auteursrecht en wordt een persoon (en diens artistieke nalatenschap) publiek domein. Je zou kunnen zeggen dat het voor uitgevers vanaf dat moment makkelijker wordt om iemands werk te publiceren. Maar de Willem Pijper Stichting greep het moment ook aan om te zien: kijk, Willem Pijper mag dan zeventig jaar dood zijn, maar wij zijn er nog als hoeders van zijn nalatenschap.

Willem Pijper geldt als een van de belangrijkste Nederlandse componisten van de vorige eeuw. Gelet op zijn korte leven, dat niettemin twee wereldoorlogen en een langdurige economische depressie omspande, heeft hij toch een vrij imposant muzikaal oeuvre nagelaten. En een minstens zo imposant corpus brieven. Pijper schreef er tussen 1917, het begin van zijn loopbaan als componist en muziekcriticus, en 1947 meer dan tweeduizend. Ze waren gericht aan collega’s uit de muziekwereld als Willem en Karel Mengelberg, Alphons Diepenbrock en Maurice Ravel, aan schrijvers als Simon Vestdijk, Hendrik Marsman (ook uit Zeist) en Frans Coenen en aan tal van vrouwen die in zijn leven een belangrijke rol speelden, zoals echtgenote en schrijfster Emmy van Lokhorst en studente/geliefde Iet Stans. Pijper leidde bepaald geen rimpelloos leven, beheerst als het werd door tumultueuze liefdes, artistieke conflicten, armoe en oorlog. Aanvankelijk kon hij als niettemin gewaardeerd componist nauwelijks de kost verdienen. Dat veranderde pas toen hij in 1930 directeur van het Rotterdams conservatorium werd, vast medewerker van De Groene Amsterdammer werd en in binnen- en buitenland succes kreeg als componist. Maar bij het bombardement op Rotterdam, aan het begin van de Tweede Wereldoorlog (toen zowel het conservatorium als zijn huis met de grond gelijk gemaakt werden) raakte Pijper zo ongeveer alles kwijt wat hij bezat. Kortom: een boeiend, turbulent en deels tragisch leven dat een magnifiek Privé-domeindeel lijkt te gaan opleveren.

Maar goed, die zondag op Zorgvlied. Ik had Arthur van Dijk al moeten teleurstellen. Ik kon er niet zijn, want ik zou die wedstrijd lopen. Niet dus. Een ultieme test op dinsdagavond wees uit dat de naweeën van die griep mijn halve-marathondroom definitief aan gruzelementen hadden gegooid.

Op naar Zorgvloed dus, zij het met iets van – ik moet het eerlijk toegeven – blues in het gemoed. Dat humeur verdween toen ik eenmaal in de Aula had plaatsgenomen en waar ik onder het publiek tot mijn verrassing ook Arbeiderspers-auteur Anne-Marieke Samson ontwaarde. Samson blijkt een vurig bewonderaar van Willem Pijper en was de afgelopen maanden juist bezig enkele sonatines van Pijper in te studeren. Dat je daarvoor een meer dan behoorlijk beetje piano moet kunnen spelen, bleek wel uit de glasheldere en subtiele uitvoeringen van de Sonatines 1, 2 en 3 door Hans Erik Dijkstra, die die middag ook nog samen met fluitist Tim Wintersohl de extatische sonate voor fluit en piano uit 1925 ten gehore bracht. Het programma werd muzikaal afgesloten met een uitvoering door het strijkkwartet van het Koninklijk Conservatorium van Pijpers onvoltooid gebleven Strijkkwartet nr. 5 uit 1946.

Tussen die muzikale bedrijven las Arthur van Dijk voor uit de vaak uiterst geestige en soms heerlijk malicieuze brieven van Pijper. Aan Corrie Hartong schreef hij op 8 mei 1942: ‘Ik heb me er altijd een beetje grimmig over verbaasd, over de ons allen ingeboren ambitie “een leegte na te laten,” met andere woorden gemist te willen worden als we er als zoogdier niet meer zijn. We zouden dan immers het leven uithollen, er een soort gigantische Emmentaler kaas van maken. Ik geloof, dat we juist niet als leegte, maar als volte voorbestaan.’

Opgebeurd door die woorden begaf ik mij na afloop naar buiten om – nu ik niet over het Nijmeegse asfalt hoefde te hollen – met het boek Wandelen over Zorgvlied van Marcel Bergen en Irma Clement in de hand nog een poos over Zorgvloed te scharrelen langs de graven beminde en betreurde overledenen als Margit Widlund (de dochter van Anna Enquist), Jean-Paul Franssens, Martin Bril, Henk van Woerden en mijn goede vriend Aad de Groot. En natuurlijk langs het graf van Willem Pijper. Maar hoe ik ook zocht naar graf 18-II-421 – ik kon het niet vinden. Zij het dat ik, alweer op de terugweg ergens vlak langs de Fluwelen Hoofdgang, stuitte op Willem de Pijper. Maar Willem de Pijper is geen Willem Pijper.

Weg van Zorgvloed dan maar. Weg van de griep. Weg van de leegte. Op naar het volle leven. Op naar Ilja Leonard Pfeijffer met wie ik in Leiden had afgesproken. Ook al een Pijper als je z’n naam verhollandst. Daar komt nog bij dat hij er net dat weekend een tourneetje met het Nederlands Blazersensemble op had zitten. Overal zit muziek in! Ook een Pijper dus, maar dan een heel levende met heel lange haren van wie nog vele composities mogen worden verwacht, zo concludeerden we die avond na een diner in The Bishop en het nuttigen van enige flessen bruiswater.

 

*Michel Butter werd Nederlands kampioen in 1u05 nog wat. Maar dat was gelukkig geen concurrent voor mij. Mijn tegenstanders bevonden zich in de categorie M55 (leeftijd 55-60 jaar). Alex Stienstra behaalde de titel in 1u17. Ik had hem beslist niet kunnen verslaan.

 

 

Van Zeist naar Zorgvlied – In het spoor van Willem Pijper

Afgelopen zondag 19 maart had ik als wegatleet op leeftijd willen starten in het Nederlands Kampioenschap Halve Marathon. Dat NK werd gehouden als onderdeel van de Stevensloop in Nijmegen. Ik had me er al voor ingeschreven en was sinds begin januari vol toewijding aan het trainen met het oog op dat evenement. Het feest ging niet door. Voor mij tenminste. Welbeschouwd was een verkoudheid – nee, godbetert niet zo eufemistisch: een majeure, hemeltergende griep die me een paar weken in een benauwende greep hield – er debet aan dat ik in plaats van de Stevensloop de afgelopen twee zondagen in het levensspoor van de componist Willem Pijper een parcours aflegde van Zeist naar Zorgvlied. Ofte wel van het oord waar hij in 1894 geboren werd naar de plaats waar hij sinds 1947, toen hij op 52-jarige leeftijd overleed, begraven ligt. Memento mori.

Dat zit zo.

Zondag 12 maart, net weer een beetje opgekrabbeld, besloot ik me met het oog op dat NK nog maar eens te testen. Een duurloop van een dikke twintig kilometer met een paar forse blokken in het beoogde halve marathontempo. Het kostte erg veel moeite, en het was ook een veeg teken dat ik met een te hoge hartfrequentie liep. Derhalve zat ik die middag nog nahijgend, een zweem van zweet op het voorhoofd en het gevoel dat ik me in een ruimte bevond waar de verwarming op meer dan dertig graden stond, in Theater Figi te Zeist, om preciezer te zijn in de Willem Pijperzaal, in de voorstellingenserie Jong Talent te luisteren naar dochter Janna, zingend in een close to close harmonie-groepje van negen meiden, begeleid op piano en drums, dat optreedt als The Jump (onthoudt die naam, daar gaat u nog van horen!). The Jump, veelal arrangementen vertolkend van moderne muziek (pop, soul, jazz) werd voorafgegaan door een jonge harpiste die fraaie en ongetwijfeld licht gearrangeerde vertolkingen van stukken van Bach, Chopin en Debussy uit haar harp toverde. Maar dus niet van Willem Pijper, hoe toepasselijk dat in Zeist op dat moment ook was geweest. Precies een week later zou namelijk herdacht worden dat Pijper, van wie me niet bekend is of hij werk voor harp heeft gecomponeerd, zeventig jaar geleden overleed.

Die zeventigste sterfdag, op zondag 19 maart dus, werd door de Willem Pijper Stichting aangegrepen om een herdenkingsconcert te houden in de Aula van begraafplaats Zorgvlied. Arthur van Dijk, betrokken bij de Stichting, had me ervoor uitgenodigd. En niet zomaar, want Van Dijk bezorgt voor De Arbeiderspers een in 2018 in de reeks Privé-domein te verschijnen uitgave van de brieven van Willem Pijper onder de titel In het Licht van de Eeuwigheid. Een leven in brieven. Zeventig jaar na iemands dood is met het oog op auteursrecht een omineuze datum. Vanaf dat moment vervallen namelijk de aanspraken van erven op auteursrecht en wordt een persoon (en diens artistieke nalatenschap) publiek domein. Je zou kunnen zeggen dat het voor uitgevers vanaf dat moment makkelijker wordt om iemands werk te publiceren. Maar de Willem Pijper Stichting greep het moment ook aan om als het ware te zeggen: kijk, Willem Pijper mag dan zeventig jaar dood zijn, maar wij zijn er nog als hoeders van zijn nalatenschap.

Willem Pijper geldt als een van de belangrijkste Nederlandse componisten van de vorige eeuw. Gelet op zijn korte leven, dat niettemin twee wereldoorlogen en een langdurige economische depressie omspande, heeft hij toch een vrij imposant muzikaal oeuvre nagelaten. En een minstens zo imposant corpus brieven. Pijper schreef er tussen 1917, het begin van zijn loopbaan als componist en muziekcriticus, en 1947 meer dan tweeduizend. Ze waren gericht aan collega’s uit de muziekwereld als Willem en Karel Mengelberg, Alphons Diepenbrock en Maurice Ravel, aan schrijvers als Simon Vestdijk, Hendrik Marsman (ook uit Zeist) en Frans Coenen en aan tal van vrouwen die in zijn leven een belangrijke rol speelden, zoals echtgenote en schrijfster Emmy van Lokhorst en studente/geliefde Iet Stans. Pijper leidde bepaald geen rimpelloos leven, beheerst als het werd door tumultueuze liefdes, artistieke conflicten, armoe en oorlog. Aanvankelijk kon hij als niettemin gewaardeerd componist nauwelijks de kost verdienen. Dat veranderde pas toen hij in 1930 directeur van het Rotterdams conservatorium werd, vaste medewerker van De Groene Amsterdammer en in binnen- en buitenland succes oogstte als componist en de opdrachten binnenstroomden. Maar bij het bombardement op Rotterdam, aan het begin van de Tweede Wereldoorlog (toen zowel het conservatorium als zijn huis met de grond gelijk gemaakt werden) raakte Pijper zo ongeveer alles kwijt wat hij bezat. Kortom: een boeiend, turbulent en deels tragisch leven dat een magnifiek Privé-domeindeel lijkt te gaan opleveren.

Maar goed, die zondag op Zorgvlied. Ik had Arthur van Dijk al moeten teleurstellen. Ik kon er niet zijn, want ik zou die wedstrijd lopen. Niet dus. Een ultieme test op dinsdagavond wees uit dat de naweeën van die griep mijn halve-marathondroom definitief aan gruzelementen hadden gegooid.

Op naar Zorgvlied dus, zij het met iets van – ik moet het eerlijk toegeven – blues in het gemoed. Dat humeur verdween toen ik eenmaal in de Aula had plaatsgenomen, waar ik onder het publiek tot mijn verrassing ook Arbeiderspers-auteur Anne-Marieke Samson ontwaarde. Samson blijkt een vurig bewonderaar van Willem Pijper en was de afgelopen maanden juist bezig enkele sonatines van Pijper in te studeren. Dat je daarvoor een meer dan behoorlijk beetje piano moet kunnen spelen, bleek wel uit de glasheldere en subtiele uitvoeringen van de Sonatines 1, 2 en 3 door Hans Erik Dijkstra, die die middag ook nog samen met fluitist Tim Wintersohl de extatische sonate voor fluit en piano uit 1925 ten gehore bracht. Het programma werd muzikaal afgesloten met een uitvoering door het strijkkwartet van het Koninklijk Conservatorium van Pijpers onvoltooid gebleven Strijkkwartet nr. 5 uit 1946.

Tussen die muzikale bedrijven door las Arthur van Dijk voor uit de vaak uiterst geestige en soms heerlijk malicieuze brieven van Pijper. Aan Corrie Hartong schreef hij op 8 mei 1942: ‘Ik heb me er altijd een beetje grimmig over verbaasd, over de ons allen ingeboren ambitie “een leegte na te laten,” met andere woorden gemist te willen worden als we er als zoogdier niet meer zijn. We zouden dan immers het leven uithollen, er een soort gigantische Emmentaler kaas van maken. Ik geloof, dat we juist niet als leegte, maar als volte voortbestaan.’

Opgebeurd door die woorden begaf ik mij na afloop naar buiten om – nu ik niet over het Nijmeegse asfalt hoefde te hollen – met het boek Wandelen over Zorgvlied van Marcel Bergen en Irma Clement in de hand nog een poos over Zorgvlied te scharrelen langs de graven van beminde en betreurde overledenen als Margit Widlund (de dochter van Anna Enquist), Jean-Paul Franssens, Martin Bril, Henk van Woerden en mijn goede vriend Aad de Groot. En natuurlijk langs het graf van Willem Pijper. Maar hoe ik ook zocht naar graf 18-II-421 – ik kon het niet vinden. Zij het dat ik, alweer op de terugweg ergens vlak langs de Fluwelen Hoofdgang, stuitte op Willem de Pijper. Maar Willem de Pijper is geen Willem Pijper.

Weg van Zorgvlied dan maar. Weg van de griep. Weg van de leegte. Op naar de lente en het volle leven. Op naar Ilja Leonard Pfeijffer met wie ik in Leiden had afgesproken. Ook al een Pijper als je z’n naam verhollandst. Daar komt nog bij dat hij er net dat weekend een tourneetje met het Nederlands Blazersensemble op had zitten. Overal zit muziek in! Ook een Pijper dus, maar dan een heel levende met heel lange haren van wie nog vele composities mogen worden verwacht, zo concludeerden we die avond na een diner in The Bishop en het nuttigen van enige flessen bruiswater.

 

*Michel Butter werd Nederlands kampioen in 1u05 nog wat. Maar dat was gelukkig geen concurrent voor mij. Mijn tegenstanders bevonden zich in de categorie M55 (leeftijd 55-60 jaar). Alex Stienstra behaalde de titel in 1u17. Ik had hem beslist niet kunnen verslaan.

Berichten en beelden van een mondiaal opererende poëziediplomaat Over Hotelkamerverhalen van Bas Kwakman

Bas Kwakman is sinds vorige week niet alleen de directeur van Poetry International. Hij is nu ook de schrijver van Hotelkamerverhalen, waarin verhalen en tekeningen een sprankelende eenheid vormen en waarin we met de verteller een wereldreis maken vol bizarre belevenissen, steeds in het kielzog van de poëzie. Het boek werd vrijdag 10 maart gepresenteerd bij boekhandel Donner in Rotterdam, van stonde af aan de stad van Poetry International, maar ook al heel lang van Bas Kwakman.

58352_9789029510394_cvr

Dat begint al goed in die Hotelkamerverhalen van Bas Kwakman. Zoran, de programmeur van het Poëziefestival in Struga, Macedonië, staat op de landingsbaan in Skopje onder aan de vliegtuigtrap en stelt zijn collega Kwakman – dit verhaal had ook Onder poëziefestivaldirecteuren kunnen heten – de volgende ontwapenende welkomstvraag: ‘Hoeveel dichters zijn er op jouw festival gestorven?’

‘Op mijn festival al drie,’ beantwoordt Zoran zijn eigen vraag. ‘Twee Serven en een Rus. Verdronken in het meer van Ohrid. Starnakel.’ Maar directeur Kwakman weet van de prins geen kwaad: ‘Het festival in Rotterdam is bijna vijftig jaar oud en er ging nooit iemand dood.’

Daar geloof ik niks van, Bas. Laten we nu eens even een ander voorzetsel in die vraag zetten. Geen op maar aan. ‘Hoeveel dichters zijn er aan jouw festival gestorven?’ Ik vermoed dat de directeur van Poetry International daar wat minder stellig op zou antwoorden. Voor dichters zijn poëziefestivals oorden van fatale mondaine verleiding.

Het sterven en lijden van dichters – ik kom erop omdat ik deze week To stay alive van Erik Lieshout zag, een film geïnspireerd op het essay ‘Leven, lijden, schrijven – methode’ van Michel Houellebecq (opgenomen in De koude revolutie, uitgegeven door De Arbeiderspers). Houellebecq figureert zelf in die innemende en ontroerende film, maar de hoofdrol is weggelegd voor punklegende Iggy Pop die zich als kunstenaar volledig herkende in dat essay. In de film zet hij zijn diepdonkere stem in om grote delen van die even aangrijpende als meedogenloze tekst te laten klinken als cymbalen in de ure des doods: ‘In een permanente, algehele oorlogssfeer bevindt de dichter zich in de frontlinie van alle levenden. Door zijn dagelijkse aanraking met het ondraaglijke zal hij worden blootgesteld aan de verleiding van de desertie, de euthanasie. Hij moet zich verzetten, de waardigheid verachten, bestaan tot hij erbij neervalt. Wie werkelijk wil overleven, moet eerst zien te overleven in beperkte zin. Houd moed. […] Een dode dichter schrijft niet meer. Het is dus belangrijk dat u blijft leven.’

En heel de rest van dat betoog is een in imperatieven gestelde snelcursus in het articuleren van het lijden, het kweken van ressentiment jegens het leven en het leren te slaan waar het pijn doet. ‘Streef niet naar kennis om de kennis alleen. Alles wat niet rechtstreeks voortvloeit uit emotie is in de poëzie van nul en gener waarde.’

*

Met dit alles in gedachten dringt zich de vraag op of we Bas Kwakman – deze wereldreiziger, deze gezant in de poëzie – wel moeten benijden. Ogenschijnlijk wel, want wie wil er nou niet de culturele grand seigneur uithangen op alle continenten, ondertussen in luxueuze hotels verblijvend om vandaaruit te worden rondgereden langs plekken van verbijsterende schoonheid, en dat in het gezelschap van grote dichters (als Cees Nooteboom, Derek Walcott of Breyten Breytenbach) aan wier vanzelfsprekend joie de vivre en even achteloos als niettemin genereus uitgedeelde bewijzen van intellectuele en artistieke verhevenheid je je gretig kunt laven.

Van de eenenveertig plaatsen die Bas Kwakman in deze Hotelkamerverhalen aandoet – en neemt u van mij aan dat hij er in die ruim twaalf jaar dat hij dit werk verricht in die hoedanigheid een veelvoud heeft bezocht – ben ik alleen in Rotterdam, Tel Aviv, Dublin, Brussel, Chicago, Berlijn, Dordrecht, Antwerpen, Londen, Maastricht en Parijs geweest. Ulaanbaatar, Medellín, Sjanghai, Durban of Chisinau – voor mij zijn het vooralsnog exotische, onbezochte oorden, om maar te zwijgen van Khamriin Khiidd of Huangshan – nog nooit van gehoord!

En van de hotels verbleef ik, voor zover ik me kan herinneren, alleen ooit in Hotel Metropole in Brussel, het Theater Hotel in Antwerpen en Villa Augustus in Dordrecht (in alle drie de gevallen zelfs meermaals).

Nogmaals die vraag: is Bas Kwakman te benijden? Het hangt er bijvoorbeeld maar van af hoe je de volgende passage, iets verderop in dat eerste verhaal dat speelt in Macedonië, waardeert en interpreteert: ‘De volgende dag ga ik tijdens het ontbijt naast Don [het hoofd van de plaatselijke maffia] zitten en bied hem een sigaar aan. Hij nodigt me uit om samen met Zoran in zijn grote zwarte Volvo naar Albanië te rijden, omdat je daar het mooiste zicht hebt op het Meer van Ohrid. We roken onze sigaren op, stappen in de auto en rijden de bergen in.

“Kogelvrij,” zegt Zoran terwijl hij op het glas van het portier tikt.’

Ik zou zeggen dat dit, hoewel een tikkeltje verontrustend, nog tot daaraan toe is. Maar verderop in dit boek zien we Bas Kwakman ook brandalarmen bezweren in Rotterdam in het kielzog van een knettergek geworden dichter, helse hoofdpijnen trotseren in een dor, warm en stoffig Tel Aviv, gedwongen naar het stupide, lichtelijk kwaadaardige gekissebis van Derek Walcott en zijn echtgenote luisteren, door ratten en boeven belaagd worden in New Delhi, bivakkeren met een bijkans doodbloedende Mongoolse consul, en in een tent in  de Gobi-woestijn bijna in een bed gaan liggen waarop het krioelt van de torren, terwijl we in datzelfde verhaal al lazen: ‘Ik eet glibberige zeekomkommer, gefermenteerde haai en gefrituurde schorpioen en drink daar een baijiu van 85 procent bij, dubbelgestookt op dierenkadavers.’ Enzovoorts, enzovoorts.

Eén ding is zeker: aan de gevaren en ontberingen waaraan onze handelsreiziger in poëzie wordt blootgesteld komt maar geen einde.

Moeten wij dat betreuren? Geenszins! Het heeft prachtige, soms aan het ongelooflijke grenzende verhalen opgeleverd.

Moeten wij hem benijden? Nee, dus. Laat hem maar reizen. Wij reizen met hem mee vanuit onze warme, veilige huiselijke leesfauteuil.

En vanaf nu is Bas Kwakman bovendien niet alleen meer die ploeterende poëziediplomaat die zich, gelijk Indiana Jones, in de meest hachelijke avonturen stort, maar ook zelf een schrijver. Vanaf nu is hij toegetreden tot de kringen van hen die waarlijk moeten lijden en schrijven om ons – lezers – met de neus op de feiten te drukken.

Ik word altijd een beetje kriegel van mensen die zeggen: ‘Dat is een mooi boek om te lezen.’ Of: ‘Een mooie film om te kijken.’ Wat zou je in vredesnaam anders met een boek of een film moeten doen? Nu Bas Kwakman zelf een dichter (een schrijver) is geworden, houden we hem de woorden van Houellebecq nog eens voor: Houd moed, want een dode dichter schrijft niet meer. Het is dus belangrijk dat je blijft leven. Dat weten we des te beter na het lezen van de Hotelkamerverhalen. En het kijken ernaar, want dat moet op de valreep nog gezegd: dit boek telt eenenveertig verhalen, maar het bevat evenzovele magnifieke tekeningen, steeds van de hotelkamer waar Bas in het desbetreffende verhaal verbleef. De beeldend kunstenaar Bas Kwakman komt in dit boek al evenzeer tot zijn recht en staat misschien zelfs wel aan de basis ervan: ‘Ik teken hotelkamers om mijn herinneringen vast te houden. Ik maak notities tijdens mijn reizen omdat ik mijn belevenissen nooit meer wil vergeten.’

Mooi boek, Kwakman.

Om te lezen.

En om te kijken.

‘Die vent van die moestuin en van die vieze recepten.’ J.M.A. Biesheuvelprijs 2017 voor Maarten ’t Hart

In ‘De buitendeur’, een verhaal van Maarten ’t Hart uit De moeder van Ikabod, wordt de schrijver belaagd door een groepje jonge boefjes die hem aanvankelijk de inhoud van zijn portemonnee afhandig willen maken. Maar als blijkt dat daar maar vijftig eurocent in zit (voor het zwembadkluisje) zetten ze hem in als lokaas om iemand anders (een slager in zijn winkel) te beroven. Op zeker moment, bij het naderen van een patrouillewagen, weet Maarten aan zijn belagers te ontkomen en zich in een lange sprint te verzekeren van de bescherming van het blauw op straat. Maar het blauw op straat wil hem niet erg geloven.

‘“Weet je ’t zeker? Kerels? Ik heb geen kerels gezien.”
“Ik ook niet,” zei de agent.’ Even aandachtig als achterdochtig keek de agente mij aan, ze zei: “O, kijk nou, als dat die schrijver niet is. Wat was de naam ook weer? Biesheuvel? Nee, nee, Van ’t Hart, ja het is hem, Van ’t Hart, die vent van die moestuin en van die vieze recepten, kom, stap weer in, we gaan naar het bureau.”
“Nee, wacht, misschien dat die vier knullen hier nog ergens…” zei ik.
“Het is Van ’t Hart,” zei de agente koppig, “die heeft nogal een dikke duim. Vier kerels, ga toch weg, we hebben niks niemendal gezien, we hebben alleen maar een idioot de straat op zien sprinten die met zijn armen begon te zwaaien alsof hij Sinterklaas zag aankomen op een dwergezeltje.”’

Dit zegt ongetwijfeld het nodige over hoe de sterke arm schrijvers percipieert (als een bende fantasten die het ook in de werkelijkheid niet te nauw nemen met de feiten), maar daar gaat het me nu niet om.

Het gaat me om Maarten Biesheuvel, die andere Leidse (en omstreken) schrijver die in De moeder van Ikabod zo vaak ten tonele verschijnt dat het welhaast onbetamelijk was geweest als deze verhalenbundel van Maarten ’t Hart afgelopen zondag (19 februari 2017) niet was bekroond met de J.M.A. Biesheuvelprijs.

vdh9789029505673

Dat is natuurlijk allemaal achteraf praten. Want toen iets minder dan twee weken geleden de nominaties voor de prijs bekend werden gemaakt (naast Maarten ’t Hart ook A.H.J. Dautzenberg met De dag dat de gieren buigen, Bertram Koeleman met Engels voor leugens, A.N. Ryst met De blauwe maanvis en Kira Wuck met Noodlanding), was het lang niet zeker dat Maarten ’t Hart die prijs in de wacht zou slepen. Hij mag dan met voorsprong de bekendste schrijver van dit vijftal zijn, maar die andere vier waren echt niet voor niks genomineerd. Daar komt nog bij dat Maarten ’t Hart een zeer weinig bekroond auteur is. Een jaar of veertig geleden kreeg hij de Multatuliprijs voor Het vrome volk en halverwege de jaren negentig werd zijn roman Het woeden der gehele wereld bekroond met de Gouden Strop. Dat was het wel zo’n beetje voor wat betreft de literaire erkenning in de Nederlandstalige letteren.

Die feiten dwingen tot scepsis. En ook Maarten liet me weten dat hij er zeker van was dat hij die prijs niet zou krijgen. Daar kwam nog bij dat er omstandigheden waren die het hem praktisch erg lastig maakten aanwezig te zijn bij de bekendmaking en uitreiking van de prijs in het Lloyd Hotel aan de Oostelijke Handelskade in Amsterdam. ‘Wat die prijsuitreiking betreft,’ schreef hij zijn redacteur Michel van de Waart, ‘ik weet niet of het mij zal lukken daarheen te gaan. Ik kamp met een eigenaardig euvel. Op onvoorspelbare momenten krijg ik opeens een bloedneus. […] Als dat dit weekend nog niet over is, ga ik niet, want daar in de zaal zitten met opeens een bloedneus – dat is akelig en lastig. Om het bloeden te stelpen moet ik gaan liggen met mijn hoofd achterover en iets heel kouds in mijn nek – zie je mij dat doen midden onder de prijsuitreiking?’

Nee, dat leek ons zelf ook geen feestelijk gezicht. En vanzelfsprekend zouden wij met plezier de honneurs waarnemen, al hadden we (ten overvloede!) het liefst gezien dat Maarten er zelf bij was geweest.

Deze situatie was wel een gelegenheid bij uitstek om eens te kijken of het niet mogelijk was op voorhand wat informatie in te winnen over de kansen van onze genomineerde. Ik deed zélf of mijn neus bloedde en mailde Arjen Fortuin (een van de initiatiefnemers van de J.M.A. Biesheuvelprijs) om hem te laten weten dat Maarten hoogstwaarschijnlijk verstek zou moeten laten gaan: ‘Met andere woorden: is bij afwezigheid van Maarten komende zondag mijn overkomst dringend gewenst (als je begrijpt wat ik bedoel)? Soms heeft een mens al aan een half woord genoeg.’

Maar Arjen Fortuin liet zich niet kennen: ‘Ik zit niet in de jury, dus halve woorden heb ik niet… Daar staat tegenover dat je natuurlijk wel moet komen, om Maarten te steunen, zijn champagne te drinken of anders om hem te vertegenwoordigen. Bovendien werken we aan een (figuurlijk) doekje voor het bloeden voor alle genomineerden.’

Terugkijkend op vanmiddag neem ik aan dat hij doelde op het feit dat alle genomineerden een ‘schrijfretraite’ werd aangeboden in De Buitenwerkplaats te Starnmeer ‘om even afstand te nemen van het stedelijk leven met alle reuring, prijsuitreikingen en dagelijkse beslommeringen. Van vrijdagmiddag tot zondagmiddag kunt u in alle rust schrijven. Wij zorgen voor een tafel, een bed en een ontbijt- en lunchpakket.’

Welnu, ik hoop zeer dat Maarten op dat aanbod wil ingaan. Want als dat niet een nieuw hilarisch verhaal oplevert, dan weet ik het ook niet meer.

Eén ding is zeker. Ik was daar vanmiddag niet voor noppes en niemendal. Ik werd, nadat Babs Gons het juryrapport* had voorgelezen (‘Maarten ’t Hart weet aanstekelijk schrijfplezier te verenigen met een grote ambachtelijkheid en een ongeëvenaarde stijl’), naar voren geroepen om bij afwezigheid van Maarten (en in aanwezigheid van die andere Maarten!) de prijs (groot € 5105,70) in ontvangst te nemen. Ik sprak namens de auteur door te zeggen hoe verrast wij waren dat deze prijs naar hem gegaan was en namens mijzelf door (ik zeg het nogmaals) te melden dat het ook bijna onbetamelijk was geweest hem niet te winnen bij zoveel verwijzing naar Maarten Biesheuvel in één boek. En ik las ook de regels voor die hij me stuurde voor het geval hij volkomen onverwachts toch de prijs zou krijgen: ‘Ik ben een schrijver met heel veel lezers, maar ook met heel weinig prijzen. Dus ik ben er enorm verguld mee dat ik deze prijs heb gewonnen. Ik dank de jury dan ook hartelijk voor deze uitverkiezing.’

Daarna verwees ik nog naar een interview van Jamal Ouariachi, eerder deze week in Het Parool, naar aanleiding van de verschijning van diens nieuwe boek, Herinneringen in aluminiumfolie, waarin hij meldde dat zijn verhalenbundel onder meer een antwoord was op het alomtegenwoordige ‘droogklotenproza’ in de huidige Nederlandse literatuur. Ik greep die opmerking aan om te zeggen dat met Maarten ’t Harts De moeder van Ikabod weliswaar niet een bundel uitverkoren was die schittert in ontregelend proza of subtiel literair trapezewerk, maar dat het de bekroning was van een gulle verteller die uitblinkt in verhalen die bol staan van humor, kleurrijkheid en zeggingskracht. En van Maarten Biesheuvel dus.

Om dat te onderstrepen las ik het begin voor van het verhaal ‘De hoofdprijs’:

‘Wij schrijven het jaar van het beroemde boek van Orwell. Ik had het boekenweekgeschenk mogen maken. Ik signeerde bij boekhandel Kooyker te Leiden. Op een moment dat het aan mijn tafeltje even stil was sloop een bejaarde dame naderbij. Ze zei: “Dat vind ik nou zo geweldig, meneer Biesheuvel, dat u het boekenweekgeschenk hebt geschreven, zou u er eentje voor mij willen signeren?”

Jaren eerder was het mij, toen ik bij boekhandel Van der Galie in Utrecht signeerde, ook al overkomen dat een reuze aardig meisje voorstelde om na afloop van de signeersessie iets te gaan drinken. Eenmaal in de kroeg bleek dat ook zij dacht dat ik Maarten Biesheuvel was en toen ik haar uit de droom hielp, was zij niet alleen diep teleurgesteld, maar ging ze er terstond vandoor. Dus die oude dame bij Kooyker wou ik zo’n deceptie besparen. Vaak genoeg had ik bij signeersessies naast Bies gezeten, dus ik wist precies hoe hij signeerde. In De ortolaan zette ik derhalve zwierig zijn handtekening, J.M.A. Biesheuvel, met een klein tekeningetje van een kooikershondje eronder. Innig tevreden liep de oude dame met De ortolaan de winkel uit.’

De Arbeiderspers feliciteert Maarten ’t Hart uitbundig met de J.M.A. Biesheuvelprijs 2017.

*Het juryrapport van de J.M.A. Biesheuvelprijs bevatte ook nog een paar bijzondere vermeldingen. Een daarvan was die voor de verhalenbundel Huis voor het hiernamaals van Guido Snel, waarin ‘fictie en non-fictie op fascinerende wijze [worden] verenigd.’ Een meer dan terechte bijzondere vermelding voor een verhalenbundel met veel Midden-Europa waarin essay en vertellend proza een gloedvolle fusie aangaan. Ik kan iedereen deze bundel dan ook zeer aanraden. Ga dat ook lezen!

 

Nomadisch dichten Over Nachtroer van Charlotte Van den Broeck

Das Bleibende, scheint mir, ist wo man sagen kann – ‘Anfang und Ende immerfort dasselbe’.
Hannah Arendt in een brief aan Martin Heidegger, 19 oktober 1966

 

Zaterdag 21 januari 2017 werd in De Zwarte Panter Nachtroer, de tweede dichtbundel van Charlotte Van den Broeck, ten doop gehouden. De beroemde Antwerpse galerie voor hedendaagse kunst, in 1968 opgericht door de aimabele en er nog altijd actieve Adriaan Raemdonck, gevestigd in een voormalig gesticht aan de Hoogstraat, was met zijn inpandige toog van meet af aan ook een favoriete ontmoetingsplek voor dichters en kunstenaars. Jan Vanriet, Paul Snoeck, Jan Decleir, Fred Bervoets, Eddy van Vliet, Pjeroo Roobjee en Hugo Claus waren er kind aan huis. Alleen al om die reden was het een welgekozen plek. De winterkoude kapel van De Zwarte Panter bood maar net genoeg ruimte aan de bijna tweehonderd bezoekers van de presentatie. Dat het bomvol was, had als voordeel dat men zich aan elkaar kon warmen, wat De Zwarte Panter een beetje de aanblik gaf van een duistere convocatie die een samenzwering aan het smeden was, een occult ritueel onder de noemer Nachtroer.

De samengedromde menigte zag optredens van Juicy Dune IJsselmuiden, die een ode aan de nacht kwam brengen; Arnon Grunberg (niet live aanwezig) met een videoboodschap voor de dichter van de avond; Mirjam van Hengel die  Charlotte Van den Broeck kort interviewde over haar nieuwe bundel en uiteraard Charlotte zelf in een indrukwekkende performance met zanger en pianist Gregory Frateur (met wie ze eerder al op de Frankfurter Buchmesse had opgetreden). De tekst hieronder is een uitgebreide bewerking van de toespraak die ik er hield.

 

*

 

We rollen onze tongen op, houden een mond vol

losbandig zwijgen. In het terrarium gloeit stilaan het kameleonwijfje.

Ze krijgt de kleur van wangen na het vrijen

van mannen die op vakantie enkel kaartjes naar hun stamkroeg schrijven.

Het soort rood dat elke schakering op schaamte doet lijken.

 

Het bovenstaande is een fragment van een van de twee titelgedichten uit de bundel Kameleon, waarmee Charlotte Van den Broeck iets minder dan twee jaar geleden debuteerde en die we toen – ook in januari, ook in Antwerpen, al was het toen in boekhandel De Groene Waterman – aan de mensheid voorstelden. Afgaande op de tekst van de toespraak die ik daar hield, moeten we euforisch zijn geweest. We hadden zelf al het gevoel met deze jonge (en vanzelfsprekend nog onbekende) dichter een groot talent in huis gehaald te hebben, maar hadden daarvoor bevestiging gevonden nu zij was toegevoegd aan de toch altijd prestigieuze line-up van Saint Amour, een van de grootste reizende literaire evenementen in Nederland en Vlaanderen dat onder de altijd bekwame leiding van Behoud de Begeerte en Luc Coorevits op het punt van beginnen stond.

Wat we toen uiteraard nog niet wisten: dat deze dichter tijdens Saint Amour zo van zich zou doen spreken. Charlotte Van den Broeck maakte een overdonderende entree in de literaire bovenwereld (underground had ze namelijk al een reputatie als performing poet) en was de sensatie van die afleveringenreeks van Saint Amour. Over haar gedichten schreef Humo dan ook: ‘Ze lijken op maat voor het podium geschreven, maar herbergen achter een bedrieglijke transparantie een rijke gelaagde veelheid.’

Die dubbele kwaliteit – zowel charme en acteertalent als poëticale diepgang – was wat iedereen meteen bijzonder aansprak in Charlotte Van den Broeck. En dan was Saint Amour nog maar de opmaat naar meer succes. Haar bundel werd overladen met enthousiaste recensies en begin vorig jaar bekroond met de Herman de Coninck-debuutprijs. Ze had de enorme eer om, veel later vorig jaar, samen met Arnon Grunberg de Frankfurter Buchmesse te openen, waar Nederland en Vlaanderen zich samen als gastland aan de (boeken)wereld toonden. En dat laatste heeft weer geleid tot een opvallende internationale belangstelling voor haar werk. Ze is net terug van een literaire tournee in Londen en had de afgelopen dagen tal van media-afspraken in Vlaanderen en Nederland. Maar wat wil je ook met een dichtbundel die inmiddels in zijn vierde druk zit en met een opvolger op komst.

Het moge duidelijk zijn: Charlotte’s opkomst in de literatuur schept verwachtingen voor de tweede bundel. In De Standaard van afgelopen vrijdag noemde dichter en criticus Luuk Gruwez – hij besprak er tevens zeer lovend de bundel Ontsnappingen van een andere Arbeiderspers-dichter, te weten de voor de Herman de Coninckprijs genomineerde Eva Gerlach – vijf bundels om dit voorjaar bijzonder naar uit te kijken. Nachtroer dus ook. ‘Met Kameleon […] gooide Van den Broeck hoge ogen,’ aldus Gruwez, die spreekt over ‘de aangrijpende manier waarop zij haar gedichten op een podium weet te brengen, met onovertroffen charisma en uit het hoofd’. En hij vervolgt: ‘Charlotte Van den Broeck ondernam in haar debuut een zoektocht naar de plaats van een mens in zijn lichaam en de plaats van dat lichaam in de wereld, met een opvallende aandacht voor vrouwelijkheid en moederschap. Benieuwd welke richting zij op gaat met Nachtroer.’

Welnu Luuk, richting… Dat is nog niet zo een-twee-drie duidelijk. De bundel vertrekt na een reeks onder de titel ‘Acht, ∞’ (het symbool dat deel uitmaakt van de titel is een lemniscaat, het oneindigheidsteken maar ook een omgevallen acht) waarin een voorbije liefde met terugwerkende kracht in een begin uitmondt, waarna er in het hele vervolg van de bundel opnieuw begonnen wordt om aan het eind uit te komen bij een soort gebruiksaanwijzing: het bouwpakket voor een boot waarmee nogmaals een reis zou kunnen worden aangevangen. Misschien wel een postume, postnucleaire of posthumane reis. Maar je kunt het ook, zoals Charlotte zelf deed in een dubbelinterview met Peter Verhelst in Humo betrekken op de barre maatschappelijke actualiteit: ‘Ja, dat beeld gaat voor mij over een afscheid, maar het kan door het vaak gebruikte beeld van de vluchtelingenboten in de media evengoed als engagement gelezen worden.’

Daarmee is, of het nu om een persoonlijk of maatschappelijk engagement gaat, al één belangrijk thema van deze bundel geduid, namelijk het perspectief dat het opnieuw beginnen, telkens opnieuw beginnen, menselijkerwijs biedt. Dat is uiteraard allerminst een op zichzelf staand, door haar als eerste verkend thema. Van den Broeck plaatst zich aldus nadrukkelijk in een twintigste-eeuwse literair-filosofische traditie (Hannah Arendt en Ernst Bloch voorop) van het levend houden van de hoop als kenmerkend voor de menselijke vitaliteit. Joke J. Hermsen verwoordt het in Kairos. Een nieuwe bevlogenheid in een essay over Arendt als volgt: ‘Het nieuwe begin was voor Arendt zo’n belangrijk filosofisch thema, omdat beginnen niet alleen de kringloop van gebeurtenissen weet te doorbreken, maar ook omdat de mens in haar visie ten diepste een initium is, “een begin en een nieuwkomer” die in staat is nieuwe initiatieven te nemen, een andere weg in te slaan of iets nieuws te initiëren.’

Precies dat is de drijfveer van deze tweede bundel, een drijfveer die zich in Nachtroer ontvouwt als een lange reis, als een schimmig, zo nu en dan ook suspensevol nachtelijk avontuur, als een vlucht naar voren, of om te spreken met Ingeborg Bachmann uit een van haar Frankfurter Colleges: ‘Zo is de literatuur, hoewel en zelfs omdat ze altijd een mengelmoes is van het voorbije en van wat we nu aantreffen, steeds het verhoopte, het gewenste, waaruit we naar ons verlangen een keuze maken – zo is ze een naar voren geopend rijk met onbekende grenzen.’

Die richting uit dus, als een soort moderne versie van de middeleeuwse reis van Sinte-Brandaan, zij het niet zoals in zijn geval als een straf voor het verbranden van een boek dat de waarheid over Gods wonderen bevatte maar vanuit een honger naar iets nieuws (na het verdriet van een gebroken liefde) en vanuit een soort verlangen naar ontheemding, naar verdwijning en naar een opgaan in de permanente stroom van het tomeloze leven. Het motto van Emmanuel Levinas dat aan de bundel zelf voorafgaat is in dat opzicht treffend gekozen: ‘Het innerlijke leven, het ik, de scheiding, zijn de ontworteling zelf, de niet-participatie en bijgevolg de ambivalente mogelijkheid van dwaling en van waarheid. Het kennende subject is geen deel van een geheel, het grenst nergens aan.’

Thema’s (aan)duiden is één ding, maar we moeten niet vergeten erop te letten hoe schitterend ze verwoord zijn en met welke pakkende beelden. Over de vergeefsheid van onze inspanningen of ruzies in ‘Drift’: doet het ertoe/ wie wat van wie heeft meegegraaid/ of wie er als laatste recht bleef staan?// feiten worden altijd door structuren ingehaald, ’s ochtends/ de tanden tot grind gebeten, de mond leeg van verweer. Of hoe in ‘Dorst’ een gevoel van uitputting en zelfverlies wordt opgeroepen: en we breken maar/ uit elkaars ribben, laten de poten willoos hangen/ als bij het nekvel gegrepen door een grotere tegenstander/ blijkt verte maar het testbeeld op de televisie, jij opgesloten/ in de smaak van hoe hij zich je mond herinnert/ zonder kloven of beloftes of lippenstift, bloedappelsien. Of in ‘Snede’ waarin een soortgelijke ervaring van depersonalisatie wordt gekoppeld aan het gevoel van hitte met een beklijvend beeld: juli, bleke hitte, uit mijn polsen druipen vingers, schaduw/ vind ik in ogen achter een zonnebril op mij gericht. Deze voorbeelden zijn enigszins willekeurig. Tientallen van zulke pregnante beelden en regels worden aangetroffen in deze bundel die ook voor de lezer kan uitpakken als een onthechtende ervaring.

Maar die onthechtende ervaring lijkt uiteindelijk misschien wel op niets zozeer dan op het grillige parcours van het onvoorspelbare leven zelf (een onderweg zijn als verzet tegen de dood of misschien – en paradoxaal genoeg – ook wel als verzet tegen het leven zelf). In een van de laatste gedichten uit de bundel (uit de zesdelige cyclus ‘Daar’) verwoordt Charlotte Van den Broeck dat als volgt: Ze zeggen dat je van hieruit maar één kant op kan, weg/ en eenmaal weg weet men snel dat er elders niet meer wereld is […]// maar wie opgroeit in een eindstation weet vanzelf/ dat aan het einde van de dingen onwrikbaar en altijd een gevolg ligt.

Dat komt dicht in de buurt van wat Patricia de Martelaere in een essay over Freud en de dood in Een verlangen naar ontroostbaarheid concludeerde over ons instinct tot zelfbehoud: ‘Er is geen andere keuze dan die tussen de onmiddellijke terugkeer en de omweg: een echte “weg” – die ergens anders aankomt dan waar hij vertrok – lijkt er voor het leven niet te zijn.

Enfin, de omweg dus, begin is einde en einde is begin, en die beleven wij met de dichter (of de ik) mee in deze (nogal urbane) omzwerving. (Nachtroer is tussen haakjes ook de naam van een Antwerpse nachtwinkel.) Etappe voor etappe leidt deze nomadische bundel ons zo niet tot splijtende inzichten en ongekende ervaringen dan toch in ieder geval naar steeds weer schitterende afzonderlijke gedichten.

Charlotte Van den Broeck bewondert de Oostenrijkse schrijfster en dichter Ingeborg Bachmann (1926-1973). Terecht en begrijpelijk. Haar werk is als geen ander doortrokken van verlangen naar ontheemding en ongeneeslijk Fernweh. Neem haar gedicht ‘Bohemen ligt aan zee’ uitmondend in de grootse regels (in de vertaling van Paul Beers): ‘Ik grens nog aan een woord en aan een ander land,/ ik grens, hoe weinig ook, aan alles immer meer’.

Dat schier grenzeloze herkennen we in Nachtroer. Begin er maar aan.

TO TRUMPET 1984

orwellsticker

‘Nou, zeg het maar… Willen jullie meer of minder alternatieve feiten!’

‘Meer, meer, meer. We willen meer alternatieve feiten!’

‘Geweldig. Jullie willen meer alternatieve feiten. Dan gaan we dat regelen.’

‘Misschien een ongepaste vraag, meneer de uitgever, maar hoe gaat u dat doen? En hoe kunt u die verspreiden?’

‘Goeie vraag. Zal ik jullie vertellen. 1984. Dat boek van George Orwell. Niet dat ik het zelf gelezen heb – ik lees nóóit een boek, ik heb wel wat béters te doen – maar echt, een gewéldig boek. Staat vol alternatieve feiten die helemaal waar zijn. En u verdient het om eindelijk eens de waarheid te horen. In plaats van al die volgelogen boekjes van andere uitgevers. Allemaal leugenaars, die uitgevers. In 1984 wordt tenminste gezegd waar het op staat. Dat dat twee plus twee vijf is, als de partij DAT zegt. Vijf dus, dan hoort u dat ook nog eens van mij. Een echte, alternatieve absolute waarheid, zoals ik die in pacht heb. Geloof me maar, ik zeg wat ik denk en ik doe wat ik zeg.

‘En wat zégt u dan precies?’1984-omslag

        ‘Ik zeg dat we een muur van boeken gaan aanleggen in de
boekhandel in Nederland
en Vlaanderen, en ook in de elektronische boekhandel. Een manshoge muur. Of ze nou willen of niet, die boekhandels. Die komen daar ook niet onderuit. Nee mooi niet! Een múúr van boeken zeg ik. En iedereen van jullie gaat zo’n boek kopen voor 12 + 2 = 15 euro. Wat natuurlijk voor niks is, dat begrijpen jullie ook wel, want jullie he
bben als de besten door hoe dat zit met al die bedriegers van andere uitgevers die die boeken veels te duur maken. En dat er dan ook nog onzin in staat.

En ik zeg jullie nog iets. Ik zeg jullie: de boekhandel gaat hiervoor opdraaien. Die boekverkopers gaan die muur van boeken zelf betalen. Gelóóf mij maar. Maar dat doen ze altijd al wel hoor, die boekhandels, dat is geweldig volk. Great people.

Dus van nu af aan, beste mensen, is het 1984 eerst, 1984 eerst! Make 1984 great again.’

 

Groet,

Peter Nijssen,

Uitgever van De Arbeiderspers

 

preview

 

 

 

De man van taal Over Waanzin went niet van Max Greyson

Vorige week kondigde Max Greyson de presentatie aan van zijn poëziedebuut Waanzin went niet. En wel op 30 januari 2017 in Antwerpen. ‘Krijg nou wat!’ roepen de kenners. Die bundel werd toch vorig jaar oktober al ten doop gehouden in de Arenbergschouwburg in Antwerpen? Het moet niet gekker worden. En toch is het zo. De Orde van de Prinsen (een soort van prestigieuze Antwerpse herenclub) heeft die bundelvoorstelling inclusief alle optredens geboekt als show. Een besloten voorstelling, waarin alleen ondergetekende zal ontbreken. Vorig jaar werd mijn rol tijdens die middag in de uitnodiging aangekondigd als die van ‘een sprekende uitgever in de gedaante van Peter Nijssen’. Geef toe: dat klinkt een beetje alsof een horrorclown alle aanwezigen de stuipen op het lijf komt jagen. Gaan we niet nog een keer doen. Maar mijn toespraak mogen ze hebben. Als ik het goed begrepen heb, heeft ‘presentator Matthias’ zich erover ontfermd. De tekst vindt u hieronder.

 

*

 

U hebt het allemaal kunnen lezen in de uitnodiging die u hebt ontvangen voor deze helemaal te gekke boekpresentatie. Op het programma van vanmiddag staat onder andere een gedaante, en wel de gedaante van een sprekende uitgever. Welnu, dat ben ik. Ecce homo. Ziedaar de mens! Dat klinkt al verontrustend, nietwaar. Is die meneer wel helemaal compos mentis?

En wat presenteren we vanmiddag? Juist, Waanzin went niet, de debuutbundel van Max Greyson. Een van de vragen die hier moeten worden beantwoord is dan ook of Max Greyson gek is. Mad Max Greyson. Een tweede vraag is overigens of de titel slaat op de zender of de ontvanger.

Ecce homo. Dat was zo ongeveer het laatste geschrift dat Friedrich Nietzsche – in nog geen drie weken tijd – voltooide. De ondertitel ervan luidt: Hoe iemand wordt wat hij is. Twee maanden later, begin 1889, viel hij in Turijn wenend een mishandeld en afgetobd paard om de hals. Het begin van een ongeneeslijke krankzinnigheid. De laatste twaalf jaar van zijn leven bracht hij door in bed, starend in een onpeilbare verte en volkomen sprakeloos. Zo gek als het paard van Christus. Het megalomane genie had het intellect en de actieradius van een kamerplant gekregen, al zou je ook nog kunnen beweren dat hij eindelijk had bereikt wat hij wilde: een volkomen ‘freier Geist’ zijn.

Maar goed, dat was na het bijeen pennen van een omvangrijk en nog altijd wereldwijd gelezen wijsgerig oeuvre. Max Greyson, beste mensen, is daarentegen nog ternauwernood begonnen. Hij komt net kijken met zijn Waanzin went niet. Gelukkig stelt Max ons met het motto waarmee hij zijn bundel laat beginnen vooralsnog gerust. ‘Jusqu’ici tout va bien…’ En dat staat er tot drie keer toe. Nu moet ik er wel bij zeggen dat het gedacht wordt door een vent die van een vijftig verdiepingen hoge flat aan het vallen is. Laten we dan meteen maar doorstomen naar de tweede afdeling van deze debuutbundel met de titel ‘Tussen waan en zin’. Of nee, laten we dat nog even niet doen.

 

Laat ik eerst eens vertellen hoe ik Max Greyson op het spoor kwam. Dat spoor werd voor mij uitgezet door Ilja Leonard Pfeijffer, die mij als auteur van De Arbeiderspers maar eerst en vooral als jurylid van het open Nederlands kampioenschap Poetry Slam 2015 tipte over de dichter die dat jaar tweede was geworden, hoewel de jury hem met kop en schouders boven de rest vond uitsteken. Daar dacht het aanwezige klapvee met stemrecht anders over. Die koos voor een gelikte snoeshaan met een allemansrepertoire. Ilja wist wel beter. Max Greyson moesten we hebben: ‘Hij is een echte dichter, virtuoos en talig’

Wat Ilja beweert is maar zelden onzin, dus ik legde contact met Max. Hij stuurde mij nieuwe poëzie en we maakten een afspraak in Gent op de avond dat Christophe Vekeman zijn roman Hotel Rozenstok presenteerde. En daar ontmoette ik hem voor het eerst tussen de ruïnes rondom de Sint-Baafsabdij, waar hij op me zat te wachten op een steen in het gras, peinzend als een Van Gogh die in het open veld zit te penselen aan een nieuw schilderij. Dat werd nog een heel erg starry, starry night daar met alle toespelingen van dien, maar spijt zullen we daar allebei niet van hebben overgehouden.

Want het was begin van de bundel die vandaag ten doop gehouden wordt: Waanzin went niet. Dat we met Max een dichter hadden binnengehaald die de podia en de voordracht – zelfs internationaal, het afgelopen voorjaar zat hij een paar maanden met een zeer kleurrijk gezelschap in Keulen – niet schuwt, was misschien wel het eerste wat we ons realiseerden. Ook hier – op het Mestizo Arts Festival – staat hij weer op de planken. En afgelopen week ontving ik de uitnodiging voor de openingsavond op 2 november van Crossing Border, het literatuur- en muziekfestival in Den Haag waar Smutfish onder de naam Smetvis een Nederlandstalig album presenteert in het Paard van Troje. Dat album bevat tekstbijdragen van bekende figuren als Freek de Jonge, Levi Weemoedt, Bart Chabot en Maartje Wortel. En wie leverde er ook een bijdrage. Juist: Max Greyson. Voor al uw teksten en geluiden!

Maar dat theatrale is één kant van zijn literaire medaille. Het is de kant waar ook zijn maatschappelijke betrokkenheid bij hoort. Het is de kant waarop die zin slaat die op het achterplat van zijn bundel geschreven staat: ‘Hij schuwt het engagement niet, de wereld niet en de liefde nog minder.’ Het is iets dat hij deelt met zijn land- en generatiegenoot Charlotte Van den Broeck die vorig jaar zo waanzinnig succesvol bij De Arbeiderspers debuteerde met Kameleon: het naar buiten toe gerichte en de ambitie om ook een spoken word dichter te zijn. Maar er is toch ook nog iets anders dat hij met haar deelt: namelijk dat ook voor hem geldt dat zijn gedichten in de allereerste plaats gemaakt zijn van taal. Dat staat ook in datzelfde tekstje op achterkant van de bundel vermeld: ‘Zijn poëzie is een hartstochtelijk onderzoek naar klank en ritme met als doel een ongenadige stem te vinden die alles en iedereen (ook zichzelf) op de proef stelt.’

 

Laten we dan nu nog eens teruggaan naar die afdeling in Waanzin went niet getiteld ‘Tussen waan en zin’. Die afdeling opent met het gedicht ‘Mal’. En de tweede strofe daarvan luidt als volgt:

‘Wanneer we ontwaken in een boog

van negentig graden, met onze tenen in een kramp

en onze vingertoppen badend in weke huid

hoor ik hoe je luidop een vorm ontwerpt

om op je lichaam te passen’.

Dat is inderdaad mal, maar niet alleen maar als gekte maar ook als een passende vorm – als euforie, als koortsachtige liefde, als iets wat lijkt op wat het omslag ons toont.

Waanzin went niet

Van die talige euforie, al dan niet op sinistere wijze van het padje geraakt, staat deze bundel vol. Neem bij voorbeeld (en daarmee ook ten slotte) het gedicht ‘Geef hem een naam’ dat als volgt begint:

 

‘Spreek hem aan zoals hij is gebekt, vergelijk hem met de stank, de dranklucht

die tijdens lange winters en hete zomers in de metro hangt, jaag hem buiten

als een kruimeldief, kraker, wanbetaler, gootloper, zonder schroom, vind hem

vadsig rijmelaar, schimmig dichter in honderdenéén gezichten verroest

en versteend, geslepen in ongrijpbaarheid, jezuïet of huichelaar,

einzelgänger, subsidiemelker en cultuurbarbaar, hij gaat niet naar theater’

 

En dat gedicht eindigt met de regels:

 

‘[…] zie hem inktzwart ogen op een witte muur

spreek hem aan, geef hem een naam, noem hem niet je mens’

 

Die aansporing neem ik ter harte. Ik noem hem niet ‘je mens’. Niks Ecce homo. Ik, de gedaante van de sprekende uitgever, noem hem Max Greyson. Die van de waanzin die niet went.

Max Greyson is lang niet gek.

Max Greyson is helemaal te gek.

DE VELE PADEN NAAR HET PARADIJS Een steelse blik op het werk van Atte Jongstra

 

                                                         There’s a lady who’s sure

                                                                       All that glitters is gold

Led Zeppelin

 

Zondag 22 januari 2017 kreeg Atte Jongstra in Den Haag voor zijn hele literaire werk de Constantijn Huygens-prijs uitgereikt die de Jan Campertstichting hem eerder al had toegekend. Eric Vloeimans stak virtuoos een adembenemende loftrompet en Max Pam gooide er een geestige ode in woorden tegenaan. De Constantijn Huygens-prijs is na de P.C. Hooft-prijs de belangrijkste literaire oeuvreprijs. Wie die prijs heeft ontvangen gaat welhaast vanzelf deel uitmaken van de literatuurgeschiedenis. Eerdere laureaten van de sinds 1947 uitgereikte prijs zijn onder anderen Bloem, Elsschot, Vestdijk, Bordewijk, Carmiggelt, Lucebert, Boon, Vasalis, Claus, Haasse, Nooteboom, Minco, Grunberg en Van der Heijden. Eind februari verschijnt Jongstra’s nieuwe boek Het fluïde tijdperk. Daar moet nog even op worden gewacht. Lees daarom eerst zijn boeiende roman Aan open zee die vorig jaar bij De Arbeiderspers uitkwam.

 

‘In elk van zijn boeken treft het de lezer telkens weer hoe hij citaten, verwijzingen en fictie weet samen te brengen in een kunstig, vermakelijk en vaak tegendraads werk van de verbeelding,’ staat over Atte Jongstra te lezen in het juryrapport van de Constantijn Huygens-prijs 2016. Dat komt dan mooi uit, want binnenkort – om precies te zijn op 21 februari – verschijnt er met Het fluïde tijdperk weer zo’n typisch eclectisch Jongstra-boek. Eentje dus waarin het barst van uiteenzettingen over beeldende kunst en dat (dus ook) vergeven is van de (kleuren)plaatjes. Zoals gewoonlijk, kan je wel zeggen, alhoewel plaatjes in Aan open zee, zijn vorige boek nu juist schitterden door afwezigheid. Sterker nog: eruit gestolen leken te zijn.

We vierden de verschijning van Aan open zee vorig jaar maart met een feestje bij de schrijver thuis in Osdorp, in het hol van de leeuw, in de ruime woon- annex werkkamer waar de roman grotendeels geschreven is. Ik hield er een toespraak aan de hand van een stapel boeken en een bos verroeste sleutels zonder uitgeschreven tekst. Wat nu volgt is een reconstructie (niet geheel betrouwbaar dus, maar dat is geheel in Jongstra’s geest) van wat ik daar gezegd zou kunnen hebben.

 

*

 

Omdat je sleutels nodig hebt om ergens binnen te komen, begin ik met het volgende. Vorig jaar, misschien wel anderhalf jaar geleden, reed ik met mijn schoonmoeder naar De Lindenhof in Baambrugge om gastronomisch inkopen te doen voor een familiemaaltijd. Ze verkopen in die boerderijwinkel vlees van eigen landerijen, groente en fruit van omliggende bedrijven, overheerlijke kazen en wijnen van heinde en verre, en noem maar op. Ga daar ook een keer boodschappen doen, maar neem een welgevulde portemonnee mee. (Zo, nu heb ik weer genoeg reclame gemaakt om mijn portemonnee bij een volgend bezoek thuis te kunnen laten.)

Wat ik die vorige keer wel meende bij me te hebben maar waar ik niet mee thuiskwam: mijn sleutels! Bij thuiskomst bleek ik mijn sleutels kwijt te zijn. Ik heb nog een paar keer naar De Lindenhof gebeld. Maar nee hoor, ze hadden geen sleutels gevonden, niets wat daar op leek. Ze waren voorgoed kwijt. Ze moesten daar ergens in de varkens- of koeiendrek zijn blijven steken… (Dit is geen antireclame, dit is om de rustieke, bucolische sfeer van het gelukzalige boerenbuitenleven te benadrukken.)

Maar hoe dan ook: dit verhaal komt haperend op gang met een slechte tijding, dat was u ook al opgevallen.

Laten we daarom vervolgen met het goede nieuws. Terwijl we de nieuwe roman van Atte Jongstra nota bene hier en nu ten doop houden, hebben we de eerste viersterrenrecensie al binnen. Die komt van Janet Luis en stond eergisteren in nrc Handelsblad onder de kop ‘Vergeet dat lijk, let vooral op de zee’. Een magnifieke start, maar het advies zou ik toch liever niet volgen. Let nou eens vooral wel op dat lijk! Het is met Jongstra namelijk altijd hetzelfde liedje in de kritiek. De recensenten wijzen graag – of men nu pro of contra is – op het ontregelende, onaffe, ontsporende in dat werk, ook als er, zoals in dit geval, nu juist eens wél sprake is van een (ja, zelfs spannend) verhaal. Nu doet Jongstra aan het eind van het boek ook weer alle moeite om ons te doen geloven dat dat hele boek van hem als vanouds een soepzooitje is. In het laatste hoofdstuk (heel gotisch ‘Slut’ geheten) van dat boek, spelend op een piepklein eiland in de Oostzee, staat het namelijk het volgende, dat door Janet Luis gretig geparafraseerd wordt:

 

‘Misschien moest hij Mette de baaierd aan stukken en brokken maar eens laten lezen. Wie weet kon zij eruit opmaken wat hij eigenlijk met zijn boek zou willen zeggen. Zijn uitgever had al een om een voorlopige samenvatting gevraagd, het was Axel niet gelukt.

“Godbewaarme…” had de uitgever teruggemaild. “Is het wel een roman? Als je een reisverhaal bedoelt: daar is geen markt voor. Bovendien had je me een thriller beloofd, weet je nog.”

Niet achteromkijken, dacht Axel. Voorwaarts! Eenmaal aan de schepping begonnen, dan ook doorzetten. En anders word ik maar timmerman of visser. Daarbij: de liefde wacht!’

Uiteindelijk was ik als uitgever van het boek van Atte Jongstra enorm gerustgesteld: een echte Atte, maar ook een echt verhaal en ja, met een beetje goede wil ook nog eens een echte thriller. Drie keer waar voor uw geld!

En dan was er, nog iets eerder vorige week, zelfs nog een tweede viersterrenrecensie van ene Maryse op de boekrecensiewebsite Scriptor, onder de kop ‘Het water neemt de vorm aan van de vaas waarin men het giet’. Maryse begint als volgt: ‘Op Christiansø, een honderd zieleneilandje aan de rand van Denemarken, gebeurt nooit iets. Daarom is het de ideale plek voor een auteur die in alle rust een roman wil schrijven. Toch heeft Axel Borg, de hoofdfiguur uit Aan open zee, nog niet eens een beginidee voor zijn fictieproject. Hij denkt er zelfs aan plagiaat te plegen en zich Het ravijn, een minder bekend boek van Ivan Gontsjarov, geestelijk toe te eigenen… tot hij ontdekt dat er rondom hem spannende dingen gebeuren en eender wie een verborgen agenda kan hebben.’

Het water in dit boek neemt als snel de vorm aan van een pakkend winterverhaal, rechttoe rechtaan verteld, zo lijkt het. We kunnen het nauwelijks geloven, want dat is nooit eerder vertoond bij Jongstra. En misschien is het ook wel te mooi om waar te zijn.

 

Van zijn eerste (De psychologie van de zwavel) tot zijn voorlaatste (Worst) blinken de boeken van Atte Jongstra uit door een totaal gebrek aan rechtlijnigheid of doelmatigheid. Kenmerkend, een enkele uitzondering daargelaten, is verder dat er altijd plaatjes in staan. Veel vieze en ook vaak rare plaatjes, bijvoorbeeld van een mannetje dat zijn hoofd in een vagina steekt, van een schema van de hel, van lustvuurwerk of van een mankepoot in een soort middeleeuwse voorloper van een rolstoel. Dat werk. En behalve plaatjes bevatten de boeken ook voetnoten, motto’s, bibliografieën en registers. Kortom: de constante in al die boeken is alles wat juist afleidt van de kern. En constant is ook dat er altijd van alles gejat wordt. In zijn boeken wemelt het van de citaten zonder bronvermelding. Atte Jongstra steelt als de raven.

In mijn exemplaar van zijn debuut De psychologie van de zwavel uit 1989 (waarschijnlijk door Atte gesigneerd tijdens een optreden in het Utrechts Literair Café in Zeezicht; het kan niet anders of ik moet dat boek toen al gerecenseerd hebben voor het Utrechts Nieuwsblad) staat: ‘17/12/89: voor Peter Nijssen, vorser in voetnoten, zo heb ik begrepen, en dat was ook de bedoeling.’ De boef die bewust sporen achterlaat en er prijs op stelt als die ook worden aangetroffen.

Maar het kan nog brutaler. Atte heeft eens een boek vertaald van Peter Cornell, De paden naar het paradijs. Noten bij een verloren manuscript. Dat boek bestaat, zoals de ondertitel al impliceert, volledig uit noten en plaatjes die verwijzen naar een afwezige tekst, een lege kern. Jaren later verscheen er een boek (is het wel een boek? het is eerder een glossy tijdschrift dat bij nadere beschouwing een catalogus blijkt) met vrijwel dezelfde titel, Paden naar het paradijs – alleen het eerste lidwoord ontbreekt –, dat ook voor een groot deel uit plaatjes bestaat en een tentoonstellingscatalogus van Rijksmuseum Twenthe blijkt te zijn. De ondertitel verraadt genoeg aan de kenners: Klompen aan en gaan! Neo-wetenschappelijke wegen naar de eeuwigheid. Daar kan niemand anders dan Atte Jongstra, obscurantist der vaderlandse letteren, achter zitten, al is het ding daadwerkelijk in opdracht van het Rijksmuseum Twenthe gemaakt.

De uitgave bevat verwijzingen naar god mag weten wat, maar niet naar Cornell. En ze is bij elkaar geschreven en geredigeerd door een keur van figuren als (naast Atte Jongstra) Robert Junius, Agna Eygenraam, Tom Wispolius, Gaston Tarjet en Arno Breekveld. Let vooral op de anagrammen, pseudoniemen naamverbasteringen en -verwijzingen. Charlatanerie uit één koker!

 

Wie de moeite neemt Aan open zee niet alleen als een spannend winterverhaal maar eveneens (en dus aandachtig) te lezen als een geestig en subtiel spel van referenties, komt ook daarin een heleboel briljant jatwerk tegen. Ik noem slechts Flaubert, Simenon, bekenden uit de Nederlandse onderwereld, de Deense politieke geschiedenis. Het verhaal op zich vormt een soepel strakgetrokken bovenlaag, maar daaronder blijkt dat niets is wat het lijkt, of in ieder geval dat alles ook nog iets anders is dan het lijkt. Zelfs het lijk blijkt niet het lijk dat het lijkt.

Toen ik deze roman als redacteur eind vorige zomer doornam, had ik al het plezier tal van verwijzingen op te merken. Maar je ziet natuurlijk nooit alles, soms ook het kapitale niet. Afgelopen najaar zat ik wat te grasduinen in mijn boekenkasten en stuitte daar bij toeval op een nooit gelezen of in elk geval nooit meer dan provisorisch gelezen roman van August Strindberg. Wie schetst mijn verbazing dat dit boek (dat ik toch al een jaar of vijfentwintig in bezit heb en waarschijnlijk ooit bij De Slegte op de kop heb getikt) de titel droeg van het nieuwe boek van Atte Jongstra onder welke het inmiddels ook al in de prospectus stond. Op de achterflap ervan las ik dat het Strindbergs ‘aanvankelijke bedoeling was een vissersverhaal te schrijven dat evolueerde tot een roman over kunst en de godgelijke kunstenaar, waarin de ontkiemende subjectivistische wereldbeschouwing het wint van de idealistische maatschappijkritische tendens waaraan Strindberg zijn werk tot het eind van de jaren tachtig ondergeschikt gemaakt had. De teloorgang van de visserijinspecteur Axel Borg […] groeide tijdens het werk aan het boek uit tot een symbool van Strindbergs breuk met zijn geloof in het directe maatschappelijke nut van de literatuur.’

Krijg nou toch pek en veren! Niet alleen die titel, maar ook het personage plus een heel scala aan thematische noties had de vogel naar zijn eigen nest in aanbouw verplaatst.

Voor alle duidelijkheid: dit zijn geen beschuldigingen maar uitingen van aanhoudende verbazing. Dat is en blijft de lol van het lezen van Atte Jongstra – ook in een boek zonder illustraties en voetnoten, ook in een boek dat een straightforwardly vertelde geschiedenis uit de doeken doet.

 

Straightforward is niet een in het oog springende eigenschap van deze causerie geworden. Mijn verontschuldigingen. Maar ik moest – om een en ander duidelijk te maken over de kleptomane werkwijze van de schrijver in kwestie in wiens roversnest wij thans vertoeven – een omtrekkende beweging maken. Die beweging nadert zijn einde.

Mijn zoon Derek was vanochtend met vriend Joep aan het voetballen in het aan ons huis grenzende parkje. Op zeker moment trapte een van hen de bal op het dak van het transformatorhuisje. Met vereende krachten – Joep met ineengevouwen handen, Derek die daar op gaat staan en zich naar de rand van het dak wurmt – slaagden ze er in die bal van dat dak te halen. Maar niet alleen die bal. Hij trof er ook de bos sleutels aan die ik al bijna een jaar kwijt was, verroest en onder de viezigheid van halfvergane bladeren.

Hoe kan dat nou? Hoe kunnen die sleutels daar terechtgekomen zijn?

Ineens begon mij iets te dagen. Naast dat transformatorhuisje staat een wel twintig meter hoge populier. En hoog in die populier verschanst zich al jaren een koppel eksters in een nest. Eksters. Daarover weet de website van de Vogelbescherming het volgende te melden: ‘Eksters staan er in de volksmond om bekend glimmende voorwerpen als sieraden en zilveren theelepeltjes te “stelen” en naar het nest te brengen. Dit gedrag komt voort uit de onverzadigbare nieuwsgierigheid van eksters; alles dat er “anders” uitziet, wordt onderzocht en eventueel begraven onder enkele bladeren voor later gebruik.’

Ja, ook eksters, Gerrit Dekzeil, stelen als de raven. Ik blijf ten slotte zitten met een vraag. Illustreert dit verhaal over het terugvinden van mijn sleutels nu dat Atte Jongstra een ekster is of heeft toch de Heilige Antonius, beste vrind, mij die sleutels helpen terugvinden? Eén ding weet ik wel: ook de Heilige Antonius schittert in het werk van Atte Jongstra. In elk geval in zijn De hele santenkraam. Nieuw christelijk lexicon (De Arbeiderspers, 1997).

 

Is een roman van een filosoof een filosofische roman? Het debuut van Henri Lambert, ‘De verstekeling’

De presentatie van De verstekeling, de debuutroman van Henri Lambert (pseudoniem van Helmer Stoel), vond vrijdag 16 december plaats in het vermoedelijk kleinste theater van Amsterdam. Het Torpedo Theater (voorheen het Parool Theater) ligt diep verscholen in de Nes en telt niet meer dan dertig vierkante meter. Gevolg: heel veel volk per vierkante meter. De perfecte locatie voor een boek dat handelt over nietigheid en verborgen motieven. Hieronder mijn enigszins bewerkte toespraak tijdens die gebeurtenis.


582bf_9789029505505_cvrIemand moet het doen. En daarom komt het er vaak op neer dat de stapels ongevraagd ingezonden manuscripten op de uitgeverij worden doorgenomen door een stagiair. Die staan, heel cru gezegd, nu eenmaal onderaan de pikorde van een uitgeverij en worden derhalve zonder scrupules ingezet om de vieze klusjes op te knappen. In kringen van het boekbedrijf zelf worden die ongevraagde manuscripten niet voor niks doorgaans aangeduid met de term slushpile. Misschien valt dat woord in deze betekenis nog het beste te vertalen als baggerberg. Nou, dan weet je het wel. Of in elk geval weet je dan hoe er in de literaire uitgeverswereld tegen die stapel wordt aangekeken. Het overgrote deel is troep en gaat down the drain al dan niet voorzien van een zalvende afwijzing.

Maar zo’n twee jaar geleden – De Arbeiderspers was na een reeks homerische omzwervingen neergestreken op Singel 262, de plek waar het een kleine twintig jaar eerder was vertrokken en waar het decennialang had samengewerkt en -gewoond met de uitgeverijen Querido, Nijgh & Van Ditmar en Athenaeum – Polak & Van Gennep die daar nog steeds vertoefden zodat de terechte vraag rees of we daar dan niet net zo goed hadden kunnen blijven zitten – kwamen op een nazomerochtend niet één maar twee stagiaires (we hadden er toen hele regimenten van) bij me binnenlopen, hoog op de benen en rood in de konen. Want ze hadden breaking news; ze hadden iets ontdekt, misschien wel goud gedolven, in die muf dampende baggerberg. Het was een manuscript van een jongeman, het was echt heel goed, en dat vonden ze toevallig allebei! Ik hoorde dat aan met de gereserveerde geamuseerdheid van de-oude-man-die-alles-al-een-keer-of-tien-langs-heeft-zien-komen die hopelijk niet voor arrogantie werd versleten, en nam het manuscript in ontvangst.

Tot mijn stomme verbazing hadden ze gelijk. Dit stelde echt wat voor, dit verleidde mij tot doorlezen en stemde me tot nadenken. Een roman, geschreven door ene Helmer Stoel, filosofiestudent. Is een roman van een filosoof een filosofische roman? De vraag stellen is hem (nog niet) beantwoorden. Het ging om een boek over een terroristische aanslag in Amsterdam, verteld vanuit het standpunt van een Nederlandse rechtenstudent met een evident Noord-Afrikaanse achtergrond, ene Karim Hamid. Een boek dat me hier en daar deed denken aan De vreemdeling van Albert Camus. Geen slecht vergelijkingsmateriaal. Ik vond het – zonder nu de indruk te willen wekken dat alles er al aan klopte – met dermate grote overtuigingskracht van binnenuit geschreven (ik bedoel: het verdriet, de benardheid en het denken van een geaccultureerde jongeman met die achtergrond) dat ik me afvroeg of Stoel geen pseudoniem was van een jonge Marokkaanse Nederlander. Er zat er maar één ding op om dat uit te vogelen: uitnodigen die gast.

En zo zat ik op een goede vrijdagochtend in oktober in de spiegelzaal van Singel 262 aan tafel met twee overduidelijk opgetogen stagiaires en een rijzige jongeman uit Haarlem met iets van de uitstraling van een playboy die verdacht weinig weg had van een Marokkaan. Nu lopen de meningen uiteen over de wenselijkheid van Marokkanen in de eigen omgeving, maar ik kon aanvankelijk een licht gevoel van teleurstelling niet onderdrukken. Want ik wil graag meer, meer, meer Marokkanen in het fonds van De Arbeiderspers dan alleen maar Abdelkader en Saïda Benali (ik zou er meer kleur in willen tout court – zowel het personeel als het auteursbestand is me te overwegend wit), maar probeer dat maar eens te regelen.

De teleurstelling duurde maar even. Helmer Stoel bleek niet alleen de jonge auteur van een veelbelovend boek, hij liet ook binnen de kortste keren merken (zonder dat ook maar een moment nadrukkelijk te willen etaleren) dat hij met een intellectuele belangstelling in de wereld staat en, zo jong als hij is, beschikt over een verbazingwekkende eruditie. Ja, meneer bleek een philosooph te zijn, om (ik meen) een sarcastische Reve (uit De avonden?) te citeren. Eentje die zich verdiept had in het marxisme en de Frankfurter Schule en die met het grootste gemak kon praten over het werk van grootheden als Georg Lukács, Theodor W. Adorno en Herbert Marcuse – met name over die eerste, waarop hij, als ik het me goed herinner, aan het afstuderen was. Later bleek zijn kennis van de geschiedenis van de filosofie maar ook van de literatuur en van complete klassieke oeuvres trouwens, nog veel breder dan ik al durfde te vermoeden (hij kwam aandragen met Axel Honneth, sprak zijn bewondering uit voor het eigenaardige filosofische oeuvre van Simone Weil, las in een maand of wat het hele werk van Dostojevski), maar die eerste ontmoeting sterkte me direct in het voornemen met deze jongeman een verplichting aan te gaan.

Zo makkelijk was dat nog niet. Helmer Stoel had kennelijk met al zijn marxistische belezenheid ook nog een mercantiele kant. Hij had zelf voor agent gespeeld en zijn manuscript naar diverse uitgeverijen gestuurd. Met als gevolg dat ook diverse uitgeverijen – en niet de minste; De Bezige Bij en Atlas/Contact behoorden ertoe – belangstelling hadden om deze debutant in hun literaire programma op te nemen. Het vervult me nog altijd met trots en vreugde dat Helmer Stoel uiteindelijk voor ons koos, ja zelfs met een zekere overtuiging voor ons koos. Waar hebben we het aan verdiend?

Misschien aan het feit dat ik niet schrok van de vastberadenheid waarmee hij zijn literaire toekomst strikt gescheiden wilde houden van zijn wetenschappelijke (filosofische) toekomst. Misschien omdat ik er a priori waardering voor had dat hij op die beide terreinen met volle overgave het beste uit zichzelf wilde halen. Hij was, vertelde hij bij die eerste ontmoeting, nog net bezig zijn studie in Amsterdam af te ronden. Daarna zou hij een poos in Wuppertal (of was het Düsseldorf?) verder studeren om zich vervolgens bij zijn Italiaanse vriendin te vervoegen in Toulouse en daar zijn filosofische studies te vervolgen. Zulke ongebreidelde ambities staan mij wel aan. En die ambities worden waargemaakt, want na Toulouse is hij neergestreken te Padua om daar nog weer verder te studeren. In Padua zit hij nu dus, en dat boek, De verstekeling getiteld, dat is er.

Maar waar ik heen wilde: die scheiding tussen kunst en wetenschap leverde ook een nieuwe naam op. Zijn echte naam wil hij graag voorbehouden aan zijn wetenschappelijk werk. Dus Helmer Stoel is de filosoof, zonder ph en zonder poeha. En voor zijn literaire werk, waarvan hier vanavond de eerste vrucht aan de wereld getoond wordt, hanteert hij een pseudoniem. Mag ik u derhalve voorstellen: Henri Lambert (1988) studeerde filosofie in Amsterdam, Wuppertal, Toulouse en Padua. De verstekeling is zijn literaire debuut.

Over die titel en terloops (want daar heeft het van alles mee te maken) de betekenis van dit boek zou ik het vanavond ook nog kunnen en willen hebben. Maar dit is geen literatuurcollege. Ik volsta hier met te zeggen dat ik het aanvankelijk een ongrijpbare en wat mistige titel vond die mij vaagjes deed denken aan Der Verschollene van Franz Kafka, een zo moeilijk vertaalbaar woord dat die (onvoltooide) roman van Kafka in het Nederlands Amerika is gaan heten. En verder dat het woord wijst op iets in de roman dat niet zozeer met die grote, kaderende gebeurtenis van een terreuraanslag te maken heeft als wel met de eenzame binnenwereld van, behalve Karim, nog minstens één ander personage in De verstekeling.

Laatste zinnen van het boek: ‘We doen wat we kunnen, de kat en ik. We zijn de overlevenden.’ Als dat niet nieuwsgierig maakt, weet ik het ook niet meer.

Reken dáár maar op: van Henri Lambert zult u nog het een en ander gaan horen. En van Helmer Stoel trouwens ook. Het valt zelfs niet uit te sluiten dat beiden van zich zullen laten horen via de podia van De Arbeiderspers. Die is er immers ook voor al uw non-fictie! Maar Stoel en Lambert zelf – die zullen zo nu en dan nog wel een robbertje met elkaar gaan vechten. We moeten er maar het beste van denken en ervan uitgaan dat ze elkaar heel zullen houden.

Blog op WordPress.com.

Omhoog ↑